Politiek en ruimte

Beoordeling 4.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 918 woorden
  • 26 september 2003
  • 18 keer beoordeeld
Cijfer 4.7
18 keer beoordeeld

Module Politiek en Ruimte. H1: Over de grens. Grenzen 1. Politieke Geografie; is een deelvak van de geografie dat de wederzijdse beïnvloeding van politieke en ruimtelijke processen bestudeert. 2. Territorium; de mens heeft de behoefte om een eigen territorium af te bakenen. Op dat bepaalde gebied wil hij het exclusieve recht hebben. Bewoners identificeren zich met hun territorium. 3. Regionaal Bewustzijn; Regionaal bewustzijn is een sterk gevoel van verbondenheid met een bepaalde afgebakende regio (afgrensbaarheid). Men maakt exclusief aanspraak op dat gebied (exclusiviteit) en voelt zich één met de medebewoners (gemeenschappelijke identiteit). 4. Grenzen; Er zijn natuurlijke en kunstmatige grenzen, en open en gesloten grenzen. De grenzen van een staat strekken zich uit tot ver uit de kust. De staat heeft het exclusieve recht op zijn territoriale wateren. 5. EXTRA: Exclaves en Enclaves; een enclave is een deel van een staat dat volledig binnen een andere staat ligt. Bezien vanuit de staat waarvan stuk land is wordt dit een exclave genoemd. De aarde verdeeld 6. Afbakening van landengroepen; de aarde is onder te verdelen in groepen van landen die vanwege bepaalde kenmerken bij elkaar horen (continenten door ligging, Derde Wereld door ontwikkelings-peil, Midden-Oosten door cultuur). 7. Staten; Een staat is een politiek geordende samenleving met een eigen, soevereine (onafhankelijke) overheid op een afgebakend grondgebied. 8. Bestuurlijke onderverdelingen binnen staten; Binnen de grenzen van een staat zijn er grenzen die kleinere bestuurlijke eenheden omsluiten (provincies, autonome regio’s, gemeenten). 9. (De)centralisatie; een gedecentraliseerd bestuur geeft een deel van de zeggenschap over aan lagere bestuursniveaus. In een gecentraliseerde staat hebben lagere bestuursniveaus veel minder beslissingsbevoegdheid. 10. Functionele en formele regio’s; Dorpen en steden die een relatie met elkaar onderhouden noem je functionele regio’s (bijv. stadsgewesten). Gebieden waarin een of meerdere verschijnselen centraal staan noem je formele regio’s (bijv. Euregio’s, landbouwgebied.) 11. Stadsprovincies; waren tot voor kort gepland als nieuwe vorm van afbakening binnen de landsgrenzen met als doel beter in te spelen op de kansen en bedreigingen van de grote stad. 12. Bestuurlijke herindeling; Bij bestuurlijke herindeling worden bestuurlijke grenzen aangepast, vaak om het bestuur te vergemakkelijken of schaalvoordelen te behalen. 13. Wijken; Steden kunnen worden verdeeld in wijken, vormen een eenheid op basis van verschillende criteria.
H2: Ontstaan van territoriale conflicten. 14. Factoren die territoriale conflicten bepalen; Om territoriale conflicten te kunnen begrijoen moet je drie soorten bestuderen: sociaal-culturele, economische en politieke factoren. Sociaal culturele factoren 15. Volk, natie en staat; een volk en de bevolking van een natie of een staat voelen zich verbonden door een gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, taal en iconografie. Het onderscheid tussen volk, natie en staat zit in het feit of een bevolkingsgroep aanspraak maakt op een bepaald grondgebied (natie) of grondgebied in bezit heeft (staat) of niet (volk). 16. Nationalisme; Nationalisten hechten veel waarde aan de eigen natie. Zij willen invloeden die de identiteit van de natie beïnvloeden bestrijden. Kan zich uiten in discriminatie van immigranten. 17. Acculturatie; Minderheidsgroeperingen passen zich door acculturatie aan de overheersende groep aan. Naar de mate van wederzijdse beïnvloeding kun je segregatie, integratie en assimilatie onderscheiden. 18. Multinationale staten en natiestaten; In Europa komen veel natiestaten voor. In Afrika zijn veel multinationale staten (door kolonialisme). In een multinationale staat ontstaan gemakkelijk conflicten tussen bevolkingsgroepen. 19. Etniciteit; Wanneer etnische minderheden sterk vasthouden aan de eigen cultuur kunnen conflicten ontstaan met de autochtone bevolking (wel: uiteenvallen USSR, niet: Zwitserland). 20. Religie; In Europa speelt religie niet meer zo’n grote rol in het dagelijkse leven. In andere delen van de wereld kunnen religieuze verschillen tussen bevolkingsgroepen tot grote conflicten leiden (moslimfundamentalisten). 21. Taal; is een kenmerk dat een natie verbindt. Doordat er op de wereld veel verschillende talen zijn bemoeilijkt taal het contact tussen de verschillende naties. 22. Demografisch overwicht; Bevolkingsaantal en bevolkingsspreiding bepalen mede hoeveel macht een staat heeft. Ook de leeftijdsopbouw van de bevolking speel een rol. Economische factoren 23. Olie op het vuur; Om het bezit van natuurlijke hulpbronnen zijn veel oorlogen gestreden. Door de wereldwijde afhankelijkheid van energie hebben olierijke landen een sterke positie op het wereldtoneel. 24. Eenzijdige productiestructuur; Een land met een eenzijdige productiestructuur heeft een kwetsbare economie, vanwege afhankelijkheid van andere landen, voor afzetmarkt en grondstoffen. 25. Externe bedreigingen voor de economie; Door import- en exportbeperkingen kunnen tussen landen conflicten ontstaan. Ook de zoetwatervoorrad kan geschillen veroorzaken. 26. Arbeidspotentieel; Voor een sterke economie is kwalitatief en kwantitatief voldoende arbeidspotentieel erg belangrijk. 27. Infrastructuur; Een goede infrastructuur is nodig om goederen en informatie makkelijk te transporteren. Dit is van groot belang voor de economie en voor het onderhouden van contacten tussen de verschillende landsdelen

28. Landlocked countries; Landen die niet aan zee liggen zijn voor vervoer naar andere continenten afhankelijk van hun buurlanden. dit maakt hen economisch kwetsbaar. Politieke factoren 29. Concentratie van politieke macht; In een dictatoriaal politiek systeem is de politieke macht geconcentreerd bij één persoon of een kleine groep mensen. Wanneer de macht geconcentreerd is bij een etnische groep kunnen wrijvingen met andere etnische groepen in het land ontstaan. 30. Centraal of decentraal geregeerd; Afhankelijk van de mate waarin een regering de beslissingsbevoegdheid overhevelt naar lagere overheden, kun je spreken van een gedecentraliseerde of gecentraliseerde staat. 31. Territoriale aanspraken uit het verleden; Door het terugclaimen van grondgebied dat in het verleden tot de staat behoorde, kunnen territoriale conflicten ontstaan. Over de grenzen heen 32. Regionaal bewustzijn over grenzen heen; Wanneer regionaal bewustzijn niet samenvalt met de van staatswege ingestelde grenzen kunnen bewoners in een extreem geval ertoe besluiten de grenzen aan te passen. Dat is mogelijk via separatisme , regionalisme en irredentisme. Ruimtelijk gedrag en organisatie 33. Ruimtelijk gedrag; Bij de bestudering van ruimtelijk gedrag kun je kijken naar verschillende aspecten: frequentie, afstand, wijze, richting, duur en kosten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.