Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Pleistoceen

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 621 woorden
  • 12 februari 2009
  • 18 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 18 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Het Pleistoceen
• Kwartair: begon 2,5 miljoen jaar geleden. Kwartair wordt onderverdeeld in Pleistoceen en Holoceen.
• Pleistoceen: 2,5 miljoen-10.000 jaar geleden.
Onderverdeeling: a) Pré Glaciaal: 2,5 miljoen-200.000
b) Saalien: 200.000-70.000
c) Weichselien: 70.000-10.000
• Holoceen: 10.000-heden.
• Geologische kalender: op basis van: a) fossielen
b) vervaltijd van radioactieve elementen
c) stuifmeelonderzoek
• Glacialen: ijstijden temperatuurdaling/veel sneeuw in berggebieden beginnen gletsjers zich uit te breiden en naar gebieden buiten de gebergten te schuiven.

Vast staat dat een daling van de gemiddelde temperatuur op de aarde met circa 2˚ tot 5˚ voldoende is voor het laten ontstaan van een ijstijd.
• Oorzaken temperatuurdaling:
1) verandering in het patroon van de warme en koude zeestromen.
2) Periodiek optredende uitbreidingen van de zonnevlekken zouden de hoeveelheid energie die de aarde ontvangt laten afnemen.
3) Verandering in patroon hoge- en lagedrukgebieden op aarde waardoor de hoeveelheid sneeuw in najaar en winter toeneemt.
4) Verandering in de baan van de aarde om de zon.
5) Grote hoeveelheden stof in de atmosfeer als gevolg van vulkaanuitbarstingen.
• Onderbreking kringloop ijs: er wordt wel water uit de oceanen en zeeën verdampt, maar er keert geen water terug in de oceanenzeespiegel daalt (tot 150m)Noordzee gedurende een ijstijd droog.
• Doordat Nederland deel is van een dalingsgebied, het Noordzeebekken, konden dikke pakken sedimenten ontstaan.

• Glaciaal: koude periode
• Interglaciaal: warme periode
• In het Saalien (250.000 tot 100.000) bereikte het ijs Nederland.
• Preglaciaal: 2.000.000-250.000. grote rivieren stromen door Nederlandnemen veel verweringsmateriaal uit Europese gebergten mee vervoerden in interglacialen grote hoeveelheden smeltwater met veel zand en grinddit fluviatiele materiaal werd door de rivieren gesedimenteerd en als grote puinwaaier aan de voet van de Middelgebergten neergelegd. Sedimentatie ontstond, omdat de rivieren groot deel van hun stroomsnelheid verloren, omdat Nederland veel vlakker was.
De fluviatiele afzettingen uit het Preglaciaal komen in de ondergrond van Nederland voor als eerste laag uit het Kwartair.
• Glaciaal/Saalien (ijstijd): 250.000-70.000.
a) Tot alkmaar-coevorden lijn.
IJs vanuit het Scandinavisch Hoogland.
Fluvioglaciale afzettingen: smeltwaterafzettingen. Door het zich zuidwaarts bewegende ijs werden er door smeltwaterstromen die onder het ijs vandaan kwamen smeltwaterafzettingen neergelegd.
Sporen uit het glaciaal:
1) Grondmorenen: gletsjerpuin dat onder de gletsjer werd getransporteerd en daardoor
fijngemalen.
Keileem: mengsel van kleine steentjes en leem(klei).
2) Zwerfstenen
3) Eskers of oscars: een tunnel waardoor smeltwater stroomde.
4) Pingo ruines(doodijskuilen): kuilen die nu gevuld zijn met regenwater en grondwater (meertjes die in Drente ook wel dobben worden genoemd).
b) Midden Nederland: Gletsjertongen+stuwwallen.
Stuwwallen: heuvels die ontstaan zijn, doordat het ijs de dalwanden opduwde. (fluviatiele afzettingen die in het Preglaciaal zijn neergelegd). Bestaan uit zand en grind van voornamelijk de Rijn.
Tongbekkens: de plaats waar het ijs lag.
Spoelzandvlaktes of sandrs: grote, vlakke terreinen aan de rand van stuwwallen. Ontstaat: ijslob smeltsmeltwater breekt door stuwwal heen en neemt het materiaal (zand en grind) van de stuwwal meelegt dat aan de voet van de stuwwal neer.
Tijdens het afsmelten van het landijs zijn de volgende elementen in het Nederlandse landschap ontstaan:
1) oerstroomdalen: nu zijn het brede vlaktes waarin een onbetekende rivier stroomt. Ontstaan: ijs 3 stappen achteruit, 1 stap vooruitvoor het ijs verzameld zich al het water van de zuid-noord stromende rivieren en vormt een breed dal (oerstroomdal).
2) Keileembulten: lage heuvels (vb: Hoge Berg op Texel, het voormalige eiland Wieringen) Ontstaan: door stapje vooruit tijdens het terugtrekken.
• Postglaciaal/Weichselien: 70.000-10.000
Postglaciaal bestaat uit: Eemtijd
Weichsel-glaciaal
In Weichsel-glaciaal wordt het nog eenmaal een stuk kouder, alleen niet zo koud als in het Salien. Er is een poolwoestijnklimaat.
Door verdeling van hoge- en lagedrukgebieden boven de Atlantische Oceaan en boven het met sneeuw en ijsbedekte Europese continent gaan hier sterke westerwinden waaienzand in droogliggende Noordzeegebied wordt door wind opgenomen en verplaatst naar het continentvele gebieden worden met een dikke laag zand bedekt.
Dekzanden: het eerste gesedimenteerde zand.
Loss: het fijnere materiaal.
Eolische afzettingen: afzettingen door wind (loss en zand)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Q.

Q.

dankje, zonder jou zou ik zeker een 1 gehaald hebben! Ik haat aardrijkskunde echt heel erg

11 jaar geleden