Begrippen:

§2

Bruto Nationaal Product per hoofd (BNP):

Alles wat in één jaar wordt verdient door een land, gedeeld door het aantal inwoners.

Koopkracht:

Hoeveel je in een land kunt kopen voor één dollar.

Formele sector:

Het officiële deel van de economie. De activiteiten in de formele vind je terug in de statistieken van de overheid.

Informele sector:

Het niet officiële deel van de economie, ook wel scharreleconomie genoemd. De activiteiten van de sector komen meestal niet in de statistieken van de overheid terecht.

Beroepsbevolking:

Alle mensen die tegen betaling werken, plus de werklozen.

Tertiaire sector:

Beroepen bij kantoren, banken, winkels, de overheid; beroepen in de dienstverlening.

Centrumlanden:

Meest ontwikkelde landen.

Semiperiferie:

Landen die zich sterk aan het ontwikkelen zijn.

Periferie:

De armste landen, die nog sterk agrarisch zijn en vooral grondstoffen uitvoeren.

Ontwikkelingslanden:

Landen die niet horen tot de rijke geïndustrialiseerde landen.

 

§3:

Welzijn:

De rijkdom van een land gemeten op basis van levensomstandigheden, bijvoorbeeld gezondheid, scholing, voedsel. Ook wel maatschappelijke welvaart genoemd.

Levensverwachting:

Geeft aan hoe oud mensen gemiddeld worden.

Kindersterfte:

Percentage sterfgevallen onder kinderen vanaf het eerste jaar na de geboorte tot 5 jaar.

Alfabetiseringsgraad:

Geeft aan hoeveel procent van de bevolking kan lezen en schrijven.

VN-welzijnsindex:

Een aanwijzing voor het welzijn in een land. Je let dan op de koopkracht, de levensverwachting en de alfabetiseringsgraad van de bevolking.

Sociale ongelijkheid:

Grote verschillen in inkomen tussen groepen mensen.

Regionale ongelijkheid:

Grote, ongewenste, verschillen in ontwikkelingsgraad binnen één land.

 

Samenvatting:

§2:

Meten van welvaart:

Je kan twee manieren gebruiken om de welvaart van een land te meten.

1: Het BNP van de bevolking. Dat is alles wat in een jaar verdiend wordt, gedeeld door het aantal inwoners. Het BNP wordt uitgedrukt in dollars of euro’s. In Nederland is dat ongeveer 25000 euro.

  • We gebruiken meestal koopkracht om welvaart te vergelijken, dat is wat je in een land kan kopen voor één euro.
  • In Nederland wordt bijna alles opgegeven aan de belasting, dat noem je de formele sector. In arme landen wordt bijna niets opgegeven aan de belasting, dat noem je de informele sector. Dan is het BNP lager dan het in werkelijkheid is.

 

2: De beroepsbevolking. Het werk wat mensen doen, is verdeeld in 3 sectoren: 1: De primaire sector 2: De secundaire sector 3: De tertiaire sector.

De verdeling van welvaart:

Je kunt de wereld indelen in drie groepen landen.

 

  • Centrumlanden: Meest ontwikkelde landen, zoals USA en Nederland. Veel mensen hebben een hoog inkomen en werken in de dienstsector
  • Semiperiferie: Landen die al een eind op weg zijn in hun ontwikkeling, zoals Brazilië en China. De landbouw wordt minder belangrijk, de dienstsector neemt toe.
  • Periferie: Groep arme landen waar landbouw belangrijkste bron van inkomsten is. Ze hebben laag inkomen, de meesten hebben minder dan 2 dollar per dag te besteden.

 

Ontwikkelingslanden:

Je kan de landen dus indelen in drie groepen. Soms gebruik je ook andere namen.

 

  • Arme landen: Ontwikkelingslanden, derdewereldlanden
  • Rijke landen: Ontwikkelde landen

 

§3:

De VN-welzijnsindex:

Welvaart zegt nog niet zoveel over welzijn. Daarmee bedoel je levensomstandigheden van mensen. Welzijn meet je door te kijken naar:

 

  • De levensverwachting: Hoe oud mensen gemiddeld worden in een land. De hoogte van levensverwachting hangt sterk samen met hygiëne. Waar situatie slecht is, sterven veel kinderen.
  • Koopkracht
  • Alfabetiseringsgraad: Hoeveel mensen kunnen lezen en schrijven: in arme landen kunnen veel mensen niet lezen en schrijven omdat: kinderen al vroeg moeten werken of er weinig onderwijsvoorzieningen zijn.

 

Deze factoren vormen samen de VN-welzijnsindex.

Sociale ongelijkheid:

Het BNP is een gemiddeld getal, het zegt weinig over hoeveel armen en rijken er zijn in een land. In veel landen is dat niet gelijk verdeeld. In Brazilië krijgt de rijkste 10 procent 45 procent BNP, en de armste 10 procent 1 procent BNP. Dit noem je sociale ongelijkheid.

 

Regionale ongelijkheid:

In landen zoals Turkije is er veel toeristenindustrie. De mensen die daar wonen leven best wel goed. Maar in het binnenland is het niet zo, veel mensen trekken naar steden, op zoek naar een beter leven. Binnen die steden zijn villawijken en krottenwijken.

Zoiets noem je Regionale ongelijkheid.

 

Bron 5:

Sectoren:

Primair: Landbouw, mijnbouw, visserij

Secundair: Industrie, ambacht, bouw

Tertiair: Handel, verkeer, overheidsdiensten, banken en verzekeringen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.