Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Paragraaf 1, 2 en 3

Beoordeling 4.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1266 woorden
  • 12 november 2012
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.7
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

 §3 Mensen in zandlandschap.


Het zandlandschap tot 1900:


Vooral in Oost- en Zuid-Nederland lagen veel onvruchtbare zandgronden, op deze zandgronden hadden ze dus bemesting nodig voor een goede oogst.


De boeren lieten hun schapen grazen in de bossen, op heide velden en woeste gronde.


Daarna gingen ze de schaapskooi in en lieten ze mest achter


Dat mest werd vermengd met heide plaggen en bosbesstrooisel en dat werd bestrooid over de es.


Door de vermesting kwamen de akkers een tot een1,5 meter hoger te liggen.


Veeteelt i.d.v. akkerbouw.


Het zandlandschap na 1900:


De kunstmest werd uitgevonden, hierdoor verdween de karakteristieke landbouw-systeem.


De boeren gingen zich toeleggen op veehouderij.


Nu akkerbouw i.d.v. veeteelt.


De buurlanden van Nederland verkochten de aardappelen en graan veel goedkoper .


Hoerdoor gingen de boeren over tot schaalvergroting, dit kon door specialisatie in niet-grond gebonden intensieve veehouderij.


Hiervoor was toenemende mechanisatie en intensivering nodig.


Deze overschakeling zorgde voor veel veranderingen: veel stallen, voedersilo’s eindeloze weilanden en rechtgetrokken beken voor een snellere waterafvoer.


Vermesting:


In De bio-industrie wordt voor veel mest gezorgd.


De mest bevat stikstofverbindingen en fosforverbindingen.


De buffercapaciteit van zandgronden is klein. Zo ontstaat er een mestoverschot, omdat de grond niet zoveel mest aan kan dan er is.


Een gevolg van vermesting is eutrofiëring. Hoerdoor groeien de planten beter.


Verzuring:


Bijna de helft van de verzuring in Nederland komt door de bio-industrie.


Dat komt van ammoniak een gas dat vrijkomt uit mest.


Verzuring van landschap merk je pas als de wortels v/d planten worden aangetast


Door zure regen sterven de bossen af.


En gebouwen worden ook aangetast door verzuring.


De aanpak:


Het mestoverschot is teruggedrongen o.a. doordat veel boeren zijn gestopt en doordat ze minder mineralen in het voer hebben gestopt ook zijn de regels van het uitrijden verbeterd. Mest word direct in de bodem gebracht, zodat er geen ammoniak vrijkomt.


Er is ingrijpende herinrichting van de zandgebieden in uitvoering.


§1 de erfenis van het landijs.


Het pleistoceen (2,5 miljoen jaar geleden):


De geologische afzettingen in Nederland zijn bijna allemaal de laatste 2,5 jaar gevormd


Het grootste deel is gevormd in een tijdperk genaamd: het Pleistoceen.


Het pleistoceen is verdeeld in 3 perioden:


Het preglaciaal.


Het Saale.


Het Postglaciaal.


Het Preglaciaal:


In Nederland was het relatief koel.


Vanuit het Zuidoosten stroomden de voorlopers van de Rijn en de Maas, die stroomde in het zuidoosten heel snel dankzij  het hoge reliëf, waardoor alleen de zware deeltjes zonken.


Naar het noorden toe daalde het reliëf en daalde steeds meer en er werd in het noorden dus 10 tallen meter klei en zand afgezet.


Dit noemen we de puinwaaiers.


Het Saale:


Gletsjers verplaatste zich het snels in het Saale en waren in staat de rivierdalen uit te diepen.


Later verdween het ijs  en bleven de tongbekken achter.


Door de druk v/d gletsjers ontstonden er  stuwwallen. (vb. veluwe)


De gletsjers vermaalden allemaal gesteente en de grote keien uit Scandinavië  dat was keileem.


Het postglaciaal:


Het ijs bereikte Nederland niet meer.


Nederland was een poolwoestijn, de ondergrond was tot enkele meters diep bevroren (toendra).


De bovenste laag droogde uit en het werd los zand dat werd door de wind vervoert en bedekte in het noorden het keileem.


De hele kleine deeltjes gingen veel langer met de lucht mee en daalde neer in het zuiden bij Limburg, omdat daar wat hoger reliëf was werd de wind gebroken. De stofdeeltjes sloegen neer en vormden een lösslaag.


§2 Het ijs smelt, de zeespiegel stijgt.


Het holoceen:


Het holoceen was een periode die ongeveer 10.000 geleden begon.


Het werd warmer, hierdoor was er geen ijs meer en kon de Noordzee vollopen.


Doordat het warmer werd schoof de toendrabegroeiing steeds meer naar het noorden en in het zuiden en midden van Nederland kwamen loof- en naaldbossen.


Basisveen:


Het holoceen veranderde alleen West- en Noord-Nederland.(laag-Nederland).


Er ontstonden moerassen in Nederland, omdat het de temperatuur steeg, hierdoor kwam het grondwater veel hoger en konden de rivieren het allemaal niet weg krijgen en daardoor bleef de aarde dus onder een stukje water liggen.


Er stonden ook planten die geen zuurstof meer kregen, omdat ze onderwater stonden. Die planten gingen rotten en uit rottende planten ontstaat veen.


In Laag-Nederland ontstond dus het basisveen, dit wordt basisveen genoemd omdat dit de eerste afzetting in het holoceen was.


Waddengebied:


Langs de kust vormde strandwallen, omdat de zeespiegel daalde en daarom er meer zand aangevoerd kon worden.


In de winter bleef het zand liggen(door de plantenwortels e.d.). hierdoor ontstonden de oude duinen.


Door de zeegaten tussen de duinen kon het water stromen daarachter kwam het tot rust, hierdoor ontstonden moerassen en daardoor begon het hollandveen te groeien(alleen in West- en Noord-Nederland).


De jongste afzettingen:


Zeespiegel stijgt weer, hierdoor komt de zee soms wel eens over de duinen het veengebied in en dus zetten ze opnieuw weer klei en zand af: jonge zeeklei afzettingen.


Na het jaar 1000 kwamen werd er weer een nieuwe rij duinen gevormd: de jonge duinen. Deze duinen beschermen ons nu tegen het water.


§5 zee, wind en rivieren.


Het duinlandschap:


Het duinlandschap is in drieën verdeeld(vanaf de kust)


Na het strand komt de zeereep, een strakke duin strook. Hier is geen begroeiing, omdat er teveel zoutwater tegen wordt geslagen. Achter de zeereep komen de jonge duinen, die zijn begroeit met helmgras die het zand bijeen houdt. Deze duinen zijn ontstaan d.m.v. menselijke en natuurlijke factoren. Het zand wordt vast gehouden door natuurlijke begroeiing, maar de begroeiing ging snel achteruit door menselijke invloed (schapen, enz.).


Hierna komen de oude duinen, een brede strook met veel afgegraven duinen, omdat deze grond goed is voor bloembollenteelt. Dat afgraven gebeurd zo’n ½ meter boven het grondwaterpeil.


Water in duinen:


Belangrijke functie duinen: zoetwater winning:


Het zoute en zoete water (zout uit zee en zoet= grondwater), komt niet bij elkaar omdat zoet water lichter is dan zoutwater en dus minder daalt in de grond, dat zoete water wordt gefilterd door de duinen en dat pompen we uit de grond.


Het rivierkleilandschap:


Een rivier meandert, hierdoor is er erosie in de buitenbocht en sedimentatie in de binnenbocht. De rivier gaat dus steeds meer meanderen omdat de buitenbocht groter wordt en de binnenbocht kleiner.


Er waren veel overstromingen voordat de mensen dijken gingen bouwen. Als er een overstroming was werd het zand in of vlak bij het zand afgezet en het klei iets verderop in een plasje water e.d.


Het klei deed aan inklinking en zakte in terwijl het zand dat niet deed. Hierdoor werden de hopenzand hoger en de hopen klei dunner dus lager. Het reliëf werd dus aan de ene kant hoog en aan de andere kant laag( hoog oeverwallen, laag komgronden).


Mensen in rivierkleilandschap.


Het rivierkleilandschap is opgebouwd uit 4 dingen:


In het midden de rivier


Daarnaast de lagere dijken, de zomerdijken, die in de winter overstromen, maar in de zomer het water tegen houden


De uiterwaard, het stukje land tussen de zomer en winter dijken ligt, ligt door aanslibbing, hoger dan het land dat door de dijken beschermd wordt en loopt dus onder in de winter.


Naast de uitwaarden liggen de winterdijken, de wat hogere dijken die het land erachter beschermen tijdens de winter.


Om het meanderen te voorkommen hebben de mensen kribben aangelegd, om te zorgen dat het aan de rand van de rivier minder snel stroomt en er geen erosie plaats vindt. Ook hebben de kribben een andere functie: het zorgen dat de rivier op de juiste diepte blijf.


De mens geeft de uiterwaarden terug aan de natuur.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.