Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Natuur en milieu

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 3696 woorden
  • 17 juli 2007
  • 44 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
44 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
NATUUR EN MILIEU SAMENVATTING EXAMEN 2007 Hoofdstuk 1 Puur Natuur $ 1.1 Geologie en Geomorfologie Genetische benaderingswijze = manier waarop je de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse landschap kan bestuderen
Het uiterlijk van het Nederlands landschap is door verschillende natuurlijke processen gevormd: wind, zee, rivieren en ijs. Door deze processen zijn allerlei soorten sedimenten/afzettingen: grind, zand, keileem, klei en loss in Nederland neergelegd
Geologie = bestudeert hoe natuurlijke of geologische processen in de loop van de tijd zorgeden voor afzettingen in het landschap. Geomorfologie = bestudeerd welke landschapsvormen er zijn ontstaan, dus hoe het landschap eruit ziet. Nederlands landschap is gevormd tijdens het Kwartair (2.5 milj. jaar geleden). Het Kwartair bestaat uit 2 perioden: Pleistoceen en het Holoceen.
$ 1.2 Het Pleistoceen Pleistoceen is de perioden van de glacialen (ijstijden zomer temp. onder 10) en interglacialen (zomer temp. boven 10). In hoog Nederland (gebied hoger dan 1 NAP) liggen de afzettingen van het Pleistoceen aan het opp. Pleistoceen is opgedeeld in 3 tijdvakken: Preglaciaal, Glaciaal en Postglaciaal. Preglaciaal
De grote rivieren uit het zuiden en oosten legden dikke lagen zand, klei en grind in Nederland neer in de vorm van een puinwaaier. Fluviatiele sedimenten = afzettingen door een rivier. In de koude periode la veel water opgeslagen in de ijskappen . Hierdoor daalde de zeespiegel. De Noordzee lag dus voor een deel droog. De rivieren hadden hierdoor een grotere stroomsnelheid door de lage kustlijn. Door die grote stroomsnelheid werden grind en zand afgezet. In warme periode steeg de zeespiegel, doordat stroomsnelheid rivieren afnam werd klei neergelegd. Er ontstonden dikke lagen klei, zand en grind. Glaciaal (Saalien) In deze periode was het zo koud dat er een dik pakket landijs in Noord-Europa ontstond. Dit pakket liep uit tot in Nederland met aan de randen uitlopers (ijstongen) tot aan Haarlem, Utrecht, Nijmegen. De ijstongen stuwden grind en zand op tot heuvels (Stuwwallen). Door dikte van het ijs werd grind en zand vermalen tot keileem. Samen met grote zwerfkeien worden die glaciale sedimenten genoemd. De ijstongen smolten aan de zijkant af en verzamelde in beekjes, deze overstroomde en het water sneed door de stuwwal heen. Door het water werd grind en zand meegenomen en achter de stuwwal ontstond een spoelvlakte (sandr). Na deze ijstijd werd het nog 1 keer kouder. Het ijs rukte op tot Tex, Gr, Frl, Dr. Het keileem werd opgeschoven tot keileembulten. Postglaciaal
In het postglaciaal begon laatste ijstijd het Weichselien. Er heerste een toendraklimaat. De grond was voortdurend bevroren (permafrost). De zeespiegel was gedaald, Noordzee lag voor een deel droog. Er was weinig plantengroei en westenwinden legden grote lagen dekzand neer over Nederland. In Oost-Nederland lagen langgerekte ruggen. De fijnste deeltjes (loss) kwamen terecht bij Dieren en Nijmegen en in Zuid-Limburg. Soorten sedimenten: Fluviatiele sedimenten = afzettingen door een rivier
Marien sedimenten = afzettingen door de zee
Eolische sedimenten = afzettingen door de wind
Glaciale sedimenten = afzettingen door het ijs $ 1.3 Het Holoceen In het Holoceen leven we nu nog steeds. Temp. steeg, neerslag nam toe, bomen planten en struiken gingen weer groeien. West Nederland Noord en Zuidwest Nederland Oost Nederland Zuid Nederland Hoog Nederland (geb. boven 1 NAP) Grind/zand/klei Grind/zand/klei Grind/zand/klei Grind/zand/klei Grind/zand/klei
Dekzand Dekzand Dekzand Dekzand/loss Dekzand
basisveen basisveen X X Hoogveen, in geb met slecht doorlaat bare ondergrond(sommige delen NH, keileem en het peelgebied, Brabant, Limburg oude kleilaag. Oude duinen (aan een gesloten) Jonge duinen X X
Oude zeeklei (achter de oude duinen) Jonge zeeklei (achter de jonge duinen) Bodem: Waddenzee,Flevoland, delen Zeeland, Fr, Gr X X X

Laagveen (achter de oude duinen) X X X X
Jongen duinen (voor oude duinen) X X X X
West Nederland
De zeespiegel steeg en de grondwaterspiegel ook, er ontstonden moerassen hierin werd eerste veenlaag gevormd: basisveen. De zee legde zand neer ver voor de kust, de wind blies het zand op zo ontstonden oude duinen tot 10 M hoog. Achter de strandwallen ondiep water en zo werd op basisveen oude zeeklei afgezet. Het gebied slibde langzaam dicht, er groeide planten. Het afgestorven planten materiaal kon niet volledig worden afgebroken en er vormde zich laagveen/ Hollandveen. Later werd door de wind de jonge duinen gevormd. Noord en Zuidwest-Nederland
In dit gebied vormden de oude duinen geen aaneengesloten rij. De zee sloeg de meeste oude duinen en het laagveen daarachter weg. Er werden jongen duinen gevormd. Achter deze duinen bezonk jonge zeeklei. (Bodem: Waddenzee,Flevoland, delen Zeeland, Fr, Gr). Het rivierengebied
Overstromingen van Maas, Waal Rijn en IJssel zorgden voor zand en zavel. Zo ontstond er een oeverwal aan beide zeiden van de rivier. Op grotere afstand van de rivier bezonk klei in komgronden. Deze liggen lager dan de oeverwallen omdat zand een groter volume heeft dan klei. Bij vochtverlies neemt klei ook in volume af (inklinking). De rivierbedding + de oeverwallen = stroomrug. (zie blz. 11 voor grondsoorten/bodems) $ 2.1 Functies van natuur en landschap. 1.Productiefunctie
Grondstoffen, drinkwater, delfstoffen in de grond. 2. Draagfunctie
Stevige zandgrond geschikt voor grote bouwwerken, slappe veengrond minder. 3.Informatiefunctie
Als je natuurlandschap goed bekijkt, leer je de mogelijkheden en beperkingen beter kennen. 4.Regulatiefunctie
Natuur & landschap kunnen in beperkte mate de invloed van vervuiling & aantasting zelf herstellen. $ 2.2 Het zandlandschap Het zandlandschap in Oost-Nederland ontstonden in de 12e en 13e eeuw essenlandschappen (akkers). Naast akkers waren er gemeenschappelijke weidegronden in de beekdalen -> groengronden. De akkers op de onvruchtbare zandgronden werden bemest met schapenmest. De akker kwam hierdoor elk jaar hoger te liggen. Na enkele eeuwen een stuk hoger als het landschap (eerdgrond). In de achterhoek gingen individuele boeren grond ontginnen ( kampontginningen. Hier vind je in plaats van esdorpen meer verspreidde bewoning. Kavel is een stuk grond dat eigendom is van 1 boer. Sinds WO2 konden landbouwbedrijven alleen blijven bestaan als ze produceerden tegen zo laag mogelijke kosten voor grond, arbeid en kapitaal. Dit werd alleen mogelijk met ruilverkaveling = het opnieuw verdelen van grond onder de boeren. Landinrichting = herinrichting van een landelijk gebied waarbij rekening word gehouden met natuur, recreatie, verkeer en agrarische belangen.
$ 2.3 Het rivierkleilandschap Mensen bouwden woningen op de oeverwallen. Later werd er uit veiligheid dijken omheen gebouwd (winterdijken). Hierdoor ontstonden dijkdorpen (lineaire nederzettingen/lintbebouwing). Het gebied tussen de rivier en de winterdijk (uiterwaarden) overstroomden regelmatig. In de loop van de jaren is er telkens een laagje slib bijgekomen en nu liggen de uiterwaarden vaak hoger dan de oeverwallen en komgronden achter de dijk. $2.4 Het veenlandschap Laagveen
Cope = langgerekt stuk grond vanaf boerderij, 100M breed, 1250M lang. Deze smalle strokenverkaveling is gescheiden door sloten. Dit gebied ligt onder de zeespiegel (0 tot -2 NAP). Het gebied is dus erg nat en moet voortdurend worden leeggepompt. Polder = een gebied waar de grondwaterstand geregeld moet worden. Het laagveengebied werd gebruikt voor turfwinning en veeteelt. Het turf werd weggehaald en er ontstonden langgerekte plassen (petgaten). Tussen deze petgaten lag turf te drogen (legakkers). Door stormen ontstonden grote meren (Loosdrechtse plassen, Haarlemmer meer, Vinkeveense plassen, Friese meren) Hoogveen
In Noordoost Nederland lagen uitgestrekte moerassen met hoogveen. Ook hier werd turf gewonnen. Het bovenste laagje liet men achter (bonkveen). Dit vermengde men met dekzand zo ontstond vruchtbare grond voor akkerbouw. Op deze dalgronden ontstonden brede lange kavels tussen de afwateringskanalen. $ 2.5 Het zeekleilandschap Door de turfwinning in de laagveengebieden waren in Noord+Zuid Nederland grote meren ontstaan. In de 17e eeuw was er meer landbouwgrond nodig en men besloot de meren droog te leggen. Zo ontstonden droogmakerijen (Schermer en Haarlemmermeerpolder). De bodem ligt onder de zeespiegel (-3 tot -6 NAP) en bestaat uit vruchtbare oude zeeklei. Hier vind je akkerbouw. Jonge zeeklei
De gebieden met jonge zeeklei liggen aan de kust van Gr, Frl, Zeeland en Flevoland. Later legden bewoner dijken aan. Door aanslibbing van klei door de zee kwam het gebied tegen de zeedijk zelfs bij vloed droog te liggen (Kwelders). Zo ontstond zeepolder (0 en -2 NAP oud) (jonge zeepolder 0 en 2 NAP). Flevoland is geen zeepolder maar droogmakerij.. Blokverkave. $ 2.6 Het duinlandschap
Oude duinen vormden een plaats voor woningen. Sommige duinen zijn afgegraven om veen/klei grond te verstevigen. Deze duinen zijn kalkrijk en geschikt voor bloembollenteelt (geestgronden). Het zoete water onder de duinen werd gebruikt als drinkwater voor de grote steden in West-Nederland. Nu word rivierwater er naar toe geleid en na een paar weken is het schoon.
$ 2.7 Het losslandschap In Zuid-Limburg vind je het losslandschap. Loss is erg vruchtbaar en ideaal voor akkerbouw. Doordat akkers na de oogst onbegroeid waren ontstond bodemerosie. Akkerbouwers zetten heggen neer om de vruchtbare grond op te vangen. De steilranden met heggen worden graften genoemd. $ 3.1 Ecologisch denken Door economisch denken werden landschappelijke verschillen aangetast. Ecologisch denken = Nederland mag zich wel verder economisch ontwikkelen maar het natuurlijk milieu moet beschermd worden en behouden blijven voor de volgende generatie. $ 3.2 Nationale parken Met beleidsvormen probeert de overheid landschappelijke verschillen te behouden + verbeteren. In bepaalde gebieden zijn bepaalde regels. - Nationaal park
Minimaal 1000 hectare. Natuurbehoud, ontwikkeling, natuurgerichte recreatie, nauwelijks landbouw. - Natuurreservaat
Hetzelfde als nationaal park, maar dan kleiner. - Beheersgebied
Klein gebied, waarin boeren tegen betaling van het Rijk rekening houden met natuur- en landschapsbehoud. - Nationaal landschap
Minimaal 10.000 hectare met natuurgebieden en mooie agrarische landschappen, boeren hebben beheersovereenkomsten met de overheid. $ 3.3 De Ecologische Hoofdstructuur Ecologische Hoofdstructuur = is een beleid om natuurgebieden aan elkaar te koppelen zodat een netwerk ontstaat. De Ecologische Hoofdstructuur bestaat uit: -Kerngebieden ->geb. min. 500 hectare dat nat. en internat. belangrijk ecosysteem vormt -Natuurontwikkelingsgebieden->geb. sluit aan op kerngeb. biedt mogelijkheden van verhogen natuurwaarden in NL. Geweerd word woningbouw, infrastuct., landbouw. - Verbindingszones->geb. in de vorm van water(wegen) of stroken bos die kerngeb met elkaar verbind. De eilandtheorie
Deze theorie probeert de biodiversiteit op eilanden te verklaren. Hoe groter het eiland, hoe meer verschillende soorten dieren en planten er leven (hoge biodiversiteit) Tussen al die soorten en dieren zijn er veel relaties (complexiteit is groot) Op klein eiland kan een kleine verandering grote gevolgen hebben. Op eilanden dicht bij het vaste land zijn er meer soorten dan op een even groot eiland ver afgelegen. Onderzoeksbevindingen kun je samenvatten: Biodiversiteit hangt samen met het gemak waarmee nieuwe soorten zich op een eiland kunnen vestigen en het eiland kunnen verlaten, biodiversiteit hangt samen met de grootte van het opp. van een eiland. Door verbindingszones te maken tussen natuurgeb. kunnen dieren zich tussen natuurgeb. verplaatsen en kan de biodiversiteit vergroten of behouden blijven. Grensmilieus

Grensmilieu/ gradient = natuurgeb. die een overgangsgebied vormen tussen verschillende landschappen of ecosystemen. Vb. overgangszones van hoog naar laag (heuvel/beekdal) van droog naar nat, voedselrijk naar voedselarm, kalkrijk, kalkarm etc. Bij een spreidingsgrens is de overgang van het ene gebied in het andere veel geleidelijker dan bij een concentratiegrens. In zo’n grensmilieu vind je meer landschappelijke afwisseling en een grotere variatie aan planten en dieren. Hoofdstuk 2 De milieugebruiksruimte op aarde $ 1.1 Een bos als ecosysteem Bomen nemen met hun wortels voeding en water op uit de bodem. Voor hun energie zijn ze ook aangewezen op het zonlicht. Bomen geven op hun beurt ook weer stoffen af aan hun omgeving, zuurstof en waterdamp. Ook zorgen bomen voor schaduw in het bos en daarmee voor een microklimaat (een bepaalde temp., vochtigheid, lichthoeveelheid in een klein geb.) Er bestaan veel relaties tussen niet levende (abiotische elementen) en de levende elementen (biotische elementen) (complexiteit is groot) samen vormen ze een ecosysteem. Een bos groeit van een eenvoudig ecosysteem (pioniersfase) naar een complex ecosysteem met vele relaties (climaxfase). Deze verandering noem je successie. Een ecologisch evenwicht is er als kleine dynamische veranderingen kunnen worden opgevangen. Als er veel konijnen zijn zal dit hersteld worden door vossen. Zo komt het konijnenevenwicht weer tot stand. Dit noem je terugkoppelingsmechanisme (feedback) Door dit word het verstoorde evenwicht weer hersteld, door de grote interne stabiliteit. Door een grote verandering van buitenaf (externe dynamiek) kan het ecologisch evenwicht voor goed gestoord worden. $ 1.2 Verschillende ruimtelijke schalen ecotoop = het gebied waar een ecosysteem voorkomt. Ruimtelijke schaalniveaus: - Lokaal (vijver) - Regionaal (natuurgebied) - Fluviaal (omvang van stroomgebied) - Continentaal (landen) - Mondiaal (biosfeer van alle ecosystemen op aarde). Ecosysteem op groot schaalniveau bevat ecosystemen op een lager schaalniveau. $ 1.3 De invloed van menselijke activiteiten op ecosystemen Ecosystemen worden beïnvloed en vervuild door de mens er zijn 3 soorten problemen: Verontreiniging
Hierbij brengt de mens afvalstoffen in het milieu en de natuur is niet in staat om zichzelf hiervan te herstellen. Vb. van verontreiniging zijn vermesting en verzuring. Wanneer een boer teveel mest op zijn land brengt (vermesting) word de bodem te voedselrijk en zal de oorspronkelijke plantengroei verdwijnen en zullen er 2 of 1 overheersen. In waterrijke geb. bereiken de meststoffen via het grondwater de sloten. Algen gedijen goed in voedselrijk water, maar al ze afsterven onttrekken ze veel zuurstof aan het water, waardoor bepaalde vissoorten niet overleven. Belangrijkste oorzaak vermesting -> schaalvergroting landbouw. Lokaal, regionaal en fluviaal schaalniveau. Verzuring. Hierbij worden zure gassen in de lucht uitgestoten. Via neerslag bereiken deze zure stoffen de grond op het opp. water. Hierbij brengen ze schade toe aan de mens en gebouwen. Ook industrie zorgt voor verzuring door hoge schoorstenen (continentaal). Daarom filters in schoorstenen. Het verkeer tast door uitstoot van de zure stof stikstofdioxide gebouwen aan en geeft een zwarte laag aan monumenten. Aantasting
Als de natuur en het landschap door menselijke activiteiten onherstelbaar word beschadigd gaat de kwaliteit van de leefomgeving achteruit. Vb. van aantasting in NL zijn verzilting en verdroging. Bij verzilting komen door ontwatering en inklinking de veen en zeekleigebieden achter de duinen laag te liggen. Zout/brak water kan hierdoor dicht bij het opp. komen. De zoetwaterbel onder duin is namelijk door drinkwaterwinning te klein om het zoute water tegen te houden. Zo kan zout water laaggelegen polders binnendringen prob. Landbouw. Verdroging Het grondwaterpaal is laatste decennia erg gedaald . In Oost NL is spraken van verdroging. Dit proces is versneld door rechttrekken van beken. Hoogveengeb. Word ook bedreigd. Het grondwaterpeil moet hier hoog blijven anders sterft het veen af. Tegengaan door bos onder water te laten lopen en terrasjes aanleggen op kale hellingen + bomen. Uitputting

In een hoog tempo worden natuurlijke voorraden (delfstoffen, energiebronnen, bodemmateriaal etc.) verbruikt. De natuur kan niet in hetzelfde tempo de voorraden weer aanvullen. Voor delfstoffen en fossiele energiebronnen geld op=op
Door een aantal oorzaken is de ernst van een milieuprobleem groter als het op een hoger niveau van de ruimtelijke schaal ligt. 1. verstoringen worden vaak pas laat ontdekt (aantasting ozonlaag) 2. problemen op een hogere ruimtelijke schaal zijn moeilijker te bestrijden
3. op een hoger ruimtelijke schaal duurt het herstel van een milieuprobleem langer dan op een lager schaalniveau. $ 2.1 Wat is de milieugebruiksruimte? Voedsel, zoet water, grondstoffen en energie zijn natuurlijke hulpbronnen
Milieuvoorraad = beschikbare hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen op aarde. Niet vernieuwbare hulpbronnen of grondstoffen hebben een voorraadkarakter. Hiertegenover staan vernieuwbare grondstoffen of hulpbronnen met een stroomkarakter vb. water, wind en zon. Bronnen die je onbeperkt kan gebruiken. Milieugebruiksruimte (is eindig) = de hoeveelheid energie, grondstoffen, water en landbouwgrond die we gebruiken om te leven
Milieugebruiksruimte heeft 5 componenten: beschikbaarheid van water, vruchtbaarheid van bodem, aanwezige energiebronnen van de bodem, aanwezige grondstoffen, beschikbaar opp. voor de menselijke activiteiten. De laatste decennia neemt beschikbare milieugebruiksruimte af door: - groei van de wereldbevolking - de welvaartsstijging en verandering van leefstijl -> economische groei, meer verbruik - toenemende vervuiling -> verontreiniging,aantasting,uitputting
1971: club van Rome meld dat we te onverantwoordelijk met de aarde omspringen. De Club van Rome en twee oliecrises hebben ontwikkelingen op gang gebracht en milieugebruiksruimte weer vergroot door: - ontwikkelingen kennis en techniek -> stuwdammen, Hydro elecktrici, windmolens - vergroting omvang winbare hulpbronnen-> worden nog steeds nieuw voorraden ontdekt. - $ 2.2 Wie krijgt welk deel van de milieugebruiksruimte? Wereld energiereserves / aantal wereldbewoners = Milieugebruiksruimte per individu

Milieugebruiksruimte per individu x aantal inwoners van een land = beschikbare mgr dat voor dat land. Ecologische voetafdruk = de indirecte ruimte die nodig is om de duurzaamheid van verbruikte hulpbronnen te garanderen word berekend. Als mensen in een gebied over weinig natuurlijke hulpbronnen beschikt kunnen ze ook de milieugebruiksruimte in andere geb. op aarde benutten ze importeren: grondstoffen, voedsel water en energie. $ 3 wel of niet -> http://www.examenbundel.nl/examenbundel/pagina.asp?pagnaam=havo_aardrijkskunde Hoofdstuk 3 Klimaatveranderingen. $ 1.1 Weer en Klimaat Weer = de toestand van de onderste laag van de atmosfeer op een bepaalde plaats op een bepaald tijdstip. Deze laag is van invloed op het menselijk handelen en word de troposfeer genoemd
Klimaat = gemiddelde toestand van het weer in een groot gebied meestal word het klimaat berekend over een periode van 30 jaar. 1.2 Een mondiale airconditioning Met de energiebalans en de algemene luchtcirculatie in de atmosfeer kun je het klimaat verklaren. Een zonnestraal legt namelijk een langere weg af naar de polen dan naar de evenaar (stralings/energie balans). Hierdoor verliest het warmte aan bewolking en stofdeeltjes. Dus is het kouder op de polen. Door opwarming van de tropen zet de lucht daar uit (warme lucht groter volume dan koude) Hierdoor ontstaat aan het aardopp. Rond de evenaar, een tekort aan lucht: lage drukgeb. Hoog in de troposfeer (15 km) komt een stroming op gang die van de tropen af gericht is. Rond 30 graden NB en ZB (subtropen) zakt de inmiddels koude lucht naar het aardopp: hoge drukgeb. Verloren lucht aan de evenaar moet worden aangevuld dus er komt een wind op gang vanuit het N + Z richting de tropen. Rond de polen is de situatie omgekeerd. De lucht is erg koud en zakt-> hoge luchtdruk. In de polaire zone. Het teveel aan lucht verplaats zich naar het Z. op ong. 50 graden NB en ZB botst de koude lucht tegen warme lucht van de tropen. Warme lucht stijgt over koude lucht er ontstaat een laag drukgeb. 1.3 Klimaatfactoren Om voor een bepaalde plaats op aarde het klimaat te verklaren zijn ook van belang: - Scheve stand van de aardas-> op de hele wereld zorgt het voor seizoenen en de middernachtzon in de poolstreken ( zon gaat niet op en niet onder) - Door de hoge zonnestand wordt het aardopp. In de tropen sterk verwarmt . Op hoogte condenseert water waardoor het in de lucht gaat regenen -> stijgingsregens. - Verdeling land en zee -> uit de zee kan water verdampen dat vervolgens op een andere plaats weer op de aarde neerslaat, de zee heeft een grotere warmtecapaciteit dan het land zeewinden hebben in de zomer een verkoelende werking en in de winter een verwarmende werking (matigende werking), luchtstromen drijven stromingen in water aan - Hoogteligging -> omdat de atmosfeer van onderop wordt verwarmd door de aarde, wordt het met toenemende hoogte kouder - Ligging gebergte -> wanneer aanvoer van de lucht de bergen bereikt moet de lucht stijgen de lucht koelt af en het water in de lucht condenseert en het gaat regenen (stuwregens) aan de andere zijde van de berg daalt de lucht en word het warmer en droog.
1.4 Elk klimaat een eigen plek Je kunt de wereld indelen in klimaatzones. - tropisch regenklimaat-> tropisch regenwoudklimaat en het savanneklimaat - subtropen -> steppeklimaat (groeien, pollen struiken en planten) en het woestijnklimaat (zand en er groeit vrijwel niets) - polaire zones -> toendraklimaat (groeien struiken en planten, sneeuw, in de zomer niet) en het poolklimaat (altijd sneeuw geen begroeiing) - gematigde zone (streken tussen subtrop. en polaire zone)-> zeeklimaat (koele zomers milde winters, relatief veel neerslag) en het landklimaat. Bij het zeeklimaat onderscheid met gematigd zeeklimaat en Middellandse-Zeeklimaat. (hoge temp. en een drogere zomer dan een gematigd zeeklimaat. Landklimaat heeft strenge winters en warme/hete zomers met weinig neerslag (zie blz. 69 -> bron 5) $ 2.1 Had Nederland ooit een tropisch klimaat? Klimatologen doen onderzoek naar hoe het klimaat een bepaalde tijd geleden was. Dit onderzoek kunnen ze op verschillende manieren doen. Ze kunnen bijv. gebruik maken van het geologisch onderzoek. Dit wordt vooral verricht op de bodem van oceanen en op de landijskappen (Antarctica, Groenland). Op deze plekken zijn ongestoorde opeenvolgingen van afzettingen terug te vinden.. Een andere methode is het stuifmeelonderzoek. De samenstelling van het stuifmeelmengsel in een grondmonster geeft aan welke vegetatie er in het verleden voorkwam. De vegetatie zegt op haar beurt weer iets over het toenmalige klimaat (blz. 72 -> bron 8) 3.2 De aarde als broeikas De atmosfeer functioneert als natuurlijke broeikas. De zon zendt straling uit van een relatief korte golflengte. De atmosfeer laat een groot deel van deze zonnestraling door. Het aardopp. Wordt hierdoor opgewarmd en zendt straling uit met een langere golflengte. Deze straling word geabsorbeerd door een aantal gassen koolstofdioxide, waterdamp, methaan en chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK). Door de absorptie van straling warmt de aarde op. Door een aantal gassen en verbranding van fossiele brandstoffen sinds het begin industriële revolutie (19e eeuw) is het broeikaseffect toegenomen. Versterkte broeikaseffect = de verwachte temp. stijging als gevolg van de toename van deze gassen. Er zitten negatieve kanten aan deze versterking: -Stijging van de zeespiegel -> door een temp. toenamen zullen de kleine landijskappen smelten voor laaggelegen kustgeb. Zal dit voor grote problemen zorgen. - Het opschuiven van klimaatzones -> bij toename van gemiddelde wereldtemp. Met 1 graad zullen klimaatzones 200 tot 300 meter opschuiven naar het noorden. Het Kyotoprotocol
Vanaf jaren 80 werd duidelijk dat CO2 uitstoot verminderd moest worden. Ontwikkelingslanden vinden dat zei geen beperkingen in de uitstoot van CO2 hoeven. Dan gaan ze economisch nog verder achteruit. In 1997 werd het Kyotoprotocol opgesteld
1. Geïndustrialiseerde landen moeten in 2010 gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen hebben teruggebracht naar minstens 5% 2. Aan ontwikkelingslanden wordt nog geen uitstootbeperkingen opgelegd tot 2010
3. Industrielanden mogen hun reductieverplichting via maatregelen in het buitenland realiseren
4. Het gaat om een dwingende verplichting (bron 23 blz. 81) $ 3.3 Minder oerwoud, ander klimaat? Het tropisch regenwoud heeft een belangrijke verkoelende werking in een gebied. Je haalt met het kappen van de bossen de voeding uit de bodems. Zonder woud, zou er een woestijn ontstaan. Ook word de algemene luchtcirculatie beïnvloedt. Er wordt minder luchtvochtigheidnaar geb. op hogere geografische breedte getransporteerd. Een mondiaal gevolg is dat er een stijgend gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de atmosfeer komt en dat draagt weer bij aan een versterkt broeikaseffect. $ 3.4 De ozonlaag Cfk’s zijn broeikasgassen. Deze gassen en met name de halonen hebben een schadelijke werking. Hoog in de atmosfeer breken ze ozonmoleculen af. In de stratosfeer (20 tot 40 km hoog) is de concentratie ozon het grootst. De ozonlaag is een beschermende laag rondom de aarde waarin het grootste deel van de ultraviolette straling (UV straling) van de zon word geabsorbeerd(opgenomen). UV straling zorgt ervoor dat we in de zomer bruin worden. Maar wanneer de ozonlaag voor een deel word afgebroken en te veel UV straling de aarde kan bereiken levert dit gevaar op voor de gezondheid (huidkanker, oogaandoening, afnemende weerstand maar ook afnemende landbouwopbrengsten)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.