ADVERTENTIE
Ken je onze podcast al?

Ga je bijna studeren en wil je meer weten over het studentenleven? Luister dan naar seizoen 1 van onze podcast Studententijd. Oscar, David en Dienke vertellen eerlijk over studententhema's als hospiteren, daten, schoonmaken, verenigingen. Vanaf september nieuwe afleveringen!

Luister de podcast

Aardrijkskunde module 6A



Hoofdstuk 1



Landschap = gebied met bepaalde kenmerken.

Aantal belangrijke elementen van landschap:

• Grondsoort

• Reliëf

• Water

• Begroeiing

Samen vormen deze elementen een landschap.



Cultuurlandschap= ontstaan uit natuurlandschap een natuurplanschap als dit natuurlandschap veranderd wordt door menselijke handelen.

Geologie= wetenschap die zich bezighoudt met de aarde als geheel, haar structuur, samenstelling en geschiedenis, en met processen die bepalen hoe de aarde er nu uitziet.



Kwartair= geologische tijdschaal waarin wij nu leven



Nederland lag in een dalingsgebied en hier overheerst sedimentatie.

Sedimentatie= verschijnsel dat los materiaal na transport door water, wind of ijs op het aardoppervlak terecht komt en blijft liggen.

Geomorfologie= landschapsvormen



Gesteenten uit de periode voor het kwartair liggen diep onder het oppervlak. Behalve in zuid-limburg.



Landschap van zuid-limburg is een uitloper van Ardennen.

In het krijt werd Nederland overspoeld door de zee. De resten van de organismen die hierin leefden (kalkschaaltjes) dwarrelden samen met kleideeltjes naar de bodem en vormden dikke lagen. Later werd het kalksteen.--> wordt ten onrechte mergel genoemd= kalksteen met veel klei. Het bestaat voornamelijk 96% uit kalk.

Doline= oplossingslaagte in kalk



kwartair





Pleistoceen Holoceen



Glacialen= ijstijden

Interglacialen= warmere perioden tussen de ijstijden.



Pleistoceen



In het Pleistoceen 3 delen onderscheiden die van belang zijn voor NL

• Vroeg- Pleistoceen -> fluvatiele afzetting (door de rivier afgezet) tijdens glacialen werd er in de bergen door water en gletsjers diepe dalen uitgesleten ->materiaal werd afgezet in lager gelegen gebieden

Vlechtende rivieren= tijdens een glaciaal zijn de rivieren ondiep en breed met veel grindbanken

Meanderende rivieren= tijdens de interglacialen zijn ze dieper en smaller en stromen ze in bochten



• Midden- Pleistoceen -> glaciale afzetting (door ijs afgezet tijdens Saale-ijstijd) ijs bedekte Nedreland tot de lijn Alkmaar- Nijmegen.

Stuwwallen= grote ijslobben duwden de waneden van de rivierdalen opzij. ->Utrechtse Heuvelrug en Veluwe

Tongbekkens/ glaciale bekkens= de door ijs diep uitgesleten dalen. -> Gelderse Vallei

Keileem= als ijs smelt, blijven de onder het ijs tot leem vermalen keien, vermengd met hele stenen achter.

Zwerfstenen= grote keien die achtergebleven zijn na afsmelten van het ijs tijdens de op Saalien volgende interglaciaal.

Sandrs= aan de voet van een stuwwal grote vlakte met zand en grind

• Laat-Pleistoceen -> eolische afzetting (door wind afgezet) werd overheerst door Weichselien= laatste glaciaal voor Holoceen. Het werd koud in Nl maar niet bedekt met ijs. Noodzee was drooggevallen en West- Europa behoorde tot poolwoestijn.

Poolwoestijn= in een poolwoestijn is de ondergrond in de greep van permafrost. Bovengrond is niet begroeid en de wind kan vat krijgen op zandkorreltjes en andere fijne deeltjes op de bodem.

Dekzand= zand dat door de wind wordt afgezet. Vooral in Oost, Midden en Zuid- Nederland.

Löss= afzetting van fijner stof. Alleen in Zuid- Limburg

Rivier duinen of donken= zijn gevormd doordat zand uit de bedding van rivieren geblazen werd.

Dekzandruggen= dekzand bleef liggen onder invloed van toenemende plantengroei

Paraboolduinen= U-vormige dekzandruggen



Holoceen



Twee belangrijke kenmerken van Holoceen:

• Temperatuurstijging; landijs smolt en de zeespiegel steeg

• Een verandering van de begroiing: toendrabegroeiing verdween, naaldbossen kwamen

Ook andere kenmerken

• Grote zoogdieren sterven uit

• Mens grijpt in het natuurlijke milieu in



Absolutiezeespiegelstijging= stijgt daadwerkelijk, ijs smelt

Totale zeespiegelstijging=

Relatievezeespiegelstijging= absolute bodemdaling



Inklinking= veenlagen en kleilagen worden in elkaar gedrukt door het gewicht van de afzetting erboven.

Veen= onvolledig afgebroken resten van planten die ter plaatse zijn gegroeid en zijn afgestorven.

Mineralisatie= organische stoffen worden door bacteriën afgebroken tot anorganische stoffen, die ze opnieuw voor planten ter beschikking komen.

Verlanding= veenvorming begint begint in een ondiepe meertje of moerasgebied. -> groeit dicht met planten en bomen.

Successie= volgorde van vegetatieontwikkeling zie verder blz 450

Eutroof= voedselrijk

Oligotroof= voedsel arm



West en noord Nederland



Waddengebied= ondiep zeegebied dat bij eb over grote oppervlakten droogvalt en bij vloed weer onder water loopt. -> zand en klei

Slikken= wadplaten die zijn ontstaan uit gegroeide planten die de klei vasthouden.

Kreken= water concentreert zich in geultjes tussen de platen.

Kwelders= slikken die niet meer overstromen

Oude zeeklei= ophoping met zand en klei-> houdt water tegen

Zie verder blz 454



Strandwallen= zandlichamen die evenwijdig aan de kust liggen

Strandwallen raakten op een geven moment begroeid met planten die met hun wortels het zand vasthielden -> oude duinen

de zee dringt het land weer binnen. Jonge zeeklei wordt afgezet. Soms op veen.

De wind kreeg de vat op het zand en zo ontstonden jonge duinen. Ze bedekten delen van oude duinen daartussen gelegen venen en kleien.



Midden Nederland



Vooral fluviatiele afzetting.

Stroomrug=hoger gelegen zandruggen langs een rivier.

Komgrong= in de komvormige laagtes, sedimenteerde zich klei en vormde zich plaatselijk veen. -> lage, vochtige delen

Stuifzand= dekzand dat tijdens Holoceen wordt verstuifd. -> hoge, droge delen



Zuid- en oost Nederland



Keileem en klei uit tertiair bepaalden de ontwikkeling van Zuid en Oost Nederland

Op hogere en droge gebieden vormden zich stuifzandgebieden



De invloed van water in de bodem is van belang bij de vorming van landschappen



Aanvoer bestaat uit

• Atmosfeer (neerslag) in de vorm van regen, sneeuw en hagel

• Hydrosfeer (oppervlaktewater) via grote rivieren en meren



Kwel= waterstroom in de ondergrond (onder dijken)



Afvoer van water



Evapotranspiratie:in de zomer het hoogst

• Infiltratie= water dring de bodem in

• Transpiratie= verdampen van water door planten

• Evaporatie= bodem verdampt het water

Effectieve neerslag= evapotranspiratie – hoeveelheid neerslag



Grondwater= als je gat in de grond graaft en je komt water tegen

Grondwaterspiegel= het oppervlak van grondwater

Bodemwater= water dat van boven komt (infiltratie) en water dan van beneden komt (grondwater)

Poriën= holtes in de bodem

Zie verder blz 460



Bodem= bovenste deel van de verweringslaag of los sediment, waarin bodemvorming is opgetreden.

Bodemhorizonten= lagen in de bodem met verschillende kleur, samenstelling of dichtheid.

Bodemvorming= het ontstaan van horizonten

De bodem bestaat uit een vaste fase, grond, uit een vloeibare fase, bodemwater en een gasvormige fase, lucht.



Bodemvormende factoren

• Klimaat: heeft vooral invloed via neerslag en temperatuur

Uitspoeling= water lost op zijn weg stoffen op en transporteert deze naar dieper gelegen lagen of het grondwater.

Zonaliteit= verschijnsel dat klimaat, plantengroei en bodemsoorten een samenhang vertonen

• Biosfeer: planten dragen aan bij bodemvorming door hun wortels en strooisel en door het beïnvloeden van de effectieve neerslag (neerslag op te vangen op hun balderen)

• Moedermateriaal: korrelgrote en samenstelling van het materiaal

• Tijd: bodemvorming is een constant proces. Er kan zich uit ene bodemsoort een andere ontwikkelen.

Zie verder blz 464



5 bodemsoorten in Nederland:

• Podzolgronden

• Brikgronden

• Vaaggronden

• Eerdgronden

• Veengronden

Zie verder blz 466



Hoofdstuk 2



Functies van het landschap:

• Productiefunctie: landschap speelt een rol bij het produceren van zowel stoffelijke goederen als diensten

• Draagfunctie: mens gebruikt landschap als ondergrond voor zijn activiteiten

• Informatiefunctie: landschap heeft ons iets te leren. Educatieve en wetenschappelijke waarde

• Regulatiefunctie: bepaalde landschapselementen kunnen regulerend werken.zo heeft beplanten van duinen aangroei van die duinen tot gevolg.



Verkaveling= manier waarop dat gebied in allerlei afzonderlijke stukjes is opgedeeld.

Percelen= een door duidelijke grenzen afgebakend stuk grond, meestal met 1 soort grondgebruik. -> Gebruikseenheid.

Kavel= aaneengesloten stuk grond van 1 eigenaar of gebruiker, omgeven door grond van andere eigenaren of door wegen, kanalen.--> juridisch eenheid



4 typen verkaveling:

• Blokverkaveling: hier zijn vaak patronen van kreekbruggen en geulen nog te herkennen. Riviertjes en kreekjes vormden deze perceelsgrenzen

• Strookverkaveling zonder bewoning op de percelen: akkertjes, zelfvoorzienende landbouwgemeenschap

• Strokenverkaveling met bewoning op de percelen: ontginningsgebieden die rond het jaar 1000 nog moerassig waren( Groningen, Friesland en West-Nederland)

• Modern rationele verkaveling: grote rechthoeken en komt in de droogmakerijen en sinds 16e eeuw ingedijkte en ingepolderde gebieden

Zie verder blz 474



Schaalvergroting= alle veranderingen die leidden tot een grotere productie per arbeider. Kosten omlaag en opbrengst omhoog.



Schaalvergroting door:

• Bedrijven te vergroten: hierdoor kan er efficiënter geproduceerd worden

• Mechanisatie: arbeidskrachten vervangen door machines

• Intensivering: zorgen voor een grotere opbrengst door productie per hectare te vergroten( d.m.v bio-industrie) of door gewassen te gaan verbouwen die meer opbrengst leveren.

• Specialisatie: als een bedrijf zich gaat neerleggen op 1 gewas of het fokken van 1 bepaalde diersoort

Monocultuur= vorm van landbouw waarbij in een uitgestrekt gebied gedurende een langere tijd maar 1 gewas wordt verbouwd.



Ruilverkaveling: je streeft ernaar om de verspreid liggende kavels samen te voegen tot een grote kavel, gelegen rond de bedrijfsgebouwen. -> landbouw opnieuw ingericht-> eentonig

Landinrichting= er wordt een totaalplan van een gebied gemaakt, waarbij naast de landbouw ook rekening wordt gehouden met recreatie, natuur, verkeer en bosbouw.



6 Landschappen



Zandlandschap= voor grootste deel gevormd in Pleistoceen. -> zijn in het algemeen podzolgronden, vaaggronden en eerdgronden. Ze zijn niet waardevol, want ze zijn niet erg vruchtbaar. Daarom word er gebruik gemaakt van gemengd- bedrijf- oude- stijl

gemengd- bedrijf- oude- stijl was gebaseerd op het gebruik van verschillende soorten agrarisch land:

• Akkerbouwgrond: bestond uit essen (drenthe, twente) enken ( gelderland, utrecht) of akkers (noord- brabant) lagen dicht bij het dorp -> esdorp

• Weidegrond: was gemeenschappelijk bezit (niet verkaveld dus) en werden merkegronden genoemd.
1. broekgronden of groengronden: drassige stukken land langs een beek

2. het veld; de hogere gebieden, waar de schapen graasden (droog voor landbouw)

Potstal systeem= mengsel van mest en heideplagen werd door de grond van akkers gewerkt

kransakkerdorp= al het land lag dicht bij elkaar -> Budel



Duinlandschap= langs de kust te vinden landschap.

Geestgronden= oude duinen afgegraven tot 55 cm boven het grondwater. -> voor bloembollenteelt in de 17e eeuw

Jonge duinen:

1. beschermen van Nederland tegen de zee

2. drinkwaterwinning zie verder blz 486



Krijt- lösslandschap= veel bomen gekapt hier (zuid-limburg) = bodemerosie als gevolg

Colluvium= samengespoelde löss

Graften= bij de ontginnig van een stuk bos, hellingopwaarts, liet men deze steilranden met rust. -> begrieid met bos of struikgewas

Holle wegen= door erosie sterk verdiepte wegen



Zeekleilandschap= komt in ons kustgebied veel voor-> in Holoceen gevormd door de zee

Het is wat betreft cultuurlandschap te verdelen in 3 gebieden:

• noordelijk zeekleigebied

• zuiswestelijke zeekleigebied

• de droogmakerijen

Zeepolder= ontstaan door de bedijking van kwelders

Droogmakerij= leegpompen van een meer of een deel van de zee -> kunstmatige lozing

Veenpolder= veengebieden komen onder zeeniveau te liggen door inklinking en door stijging v/d zeespiegel -> vooral in laagveenlandschap

Kwelderwallen= ontstaan door stormvloeden

Terpen= verhoogd woongebied door afval en klei

Recht van opstrek= eigenaren kregen eigendomsrechten van het aangrenzende buitendijkse land. -> strokenverkaveling met bewoning op de kavels.

Knipklei= klei van zeer fijn materiaal, en heeft een slechte vruchtbaarheid -> alleen geschikt voor grasland

Poelgronden= klei op veengronden. Liggen door inklinking lager in het landschap

Oudland= geheel van kreekruggen en poelgronden

Nieuwland= geheel van opwas (zandplaten die opeen gegeven moment kwelders vormden) en aanwas (gebied is hoog genoeg, wordt ingedijkt) -> akkerbouw en fruitteelt. ->Strokenverkaveling met bebouwing op de percelen

Zie verder blz 494

Droogmakerijen= de polders die hier ontstaan, liggen beneden de NAP en maken gebruik van kunstmatige lozing. -> verkaveling is grootschalig en rechtlijnig: modern rationele verkaveling



Rivierkleilandschap= hier zijn 2 soorten afzettingen belangrijk:

• stroomruggen (kalkrijke, lichten -kleigrond)

• komgronden (klei, soms afwisselend met lagen veen)

Er werden dijken langs de rivier gelegd. Kans groot dat het dijk gaat breken want het gebied tussen de 2 dijken werd steeds gevuld met sedimenten uit de rivier.

Wiel= kolkgat, water slijt een diep gat uit achter de dijk.

Overslaggronden= materiaal dat rondom het wiel wordt afgezet. -> Blokvormige, onregelmatige verkaveling. ->Fruitteelt en akkerbouw. De kommen zijn na bedijking strookvormig verkaveld.



Veenlandschap= komt in heel Nederland verspreid voor. -> in Holoceen want= was een vochtige klimaat waarin plantengroei mogelijk was

2 soorten landschap:

• Laagveen= (Noord- en Zuid-) Holland en Utrecht zijn van oorsprong een

• hoogveenlandschap= bestond uit moerassen met hoogveen



Cope-ontginning= systeem waarmee het veenlandschap tussen de duinstreek en de hogere zandgronden is ontgonnen (cope was 100 m breed) -> door inklinking veranderde hoogveen in laagveen, kwam binnen bereik van grondwater. ->Veeteelt

Baggerbeugel= veen dat onder water was werd hiermee opgeschept. -> natte verveningbolster= bovenste deel van hoogveenpakket is niet als turf geschikt. Het is de jongste laag veenmosveen-> goed voor bemesting


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.