ADVERTENTIE
Ken je onze podcast al?

Ga je bijna studeren en wil je meer weten over het studentenleven? Luister dan naar seizoen 1 van onze podcast Studententijd. Oscar, David en Dienke vertellen eerlijk over studententhema's als hospiteren, daten, schoonmaken, verenigingen. Vanaf september nieuwe afleveringen!

Luister de podcast

Samenvatting Aardrijkskunde Module 5: ‘Actieve Aarde’



Hoofdstuk 1: Anatomie van de Aarde




DE BLAUWE PLANEET



Tekst 1 Aardse sferen, grootte en vorm

Lithosfeer (gesteenteschaal) De korst die het inwendige omhult

Hydrosfeer (natte schil) Het water in de grond, aan de oppervlakte en als damp

Atmosfeer gasvormige schil

Biosfeer Hierin speelt het leven op aarde zich af

Afmetingen aarde De aarde is een ellipsoïde. Aardomtrek langs evenaar:40.077 polen:40.009

Temperatuur aarde De aardoppervlak temperatuur is gemiddeld 10 C. De temp. loopt op met ongeveer 3 C per honderd meter de aarde in. (=geothermische gradiënt)



Geografische polen De uiteinden van de as waarom de aarde draait.

Magnetische polen punten die zich langzaam rond de geografische polen verplaatsen.

Declinatie De afwijking tussen de geografische en magnetische noordpool op een bepaalde plaats.



Tekst 2 Graadnet

Graadnet stelsel van coördinaten dat bestaat uit lengte- en breedtecirkels

Lengtecirkels (meridianen) Lopen van de noord- naar de zuidpool en zijn halve cirkels.

Breedtecirkels (parallellen) Lopen parallel aan de evenaar en zijn hele cirkels die naar de polen toe kleiner worden.

0-meridiaan Meridiaan over de sterrenwacht van Greenwich, die de aarde verdeelt in een westelijk en een oostelijk halfrond.

Geografische lengte plaats van steden e.d. op het graadnet van de meridianen



Evenaar (equator) Ligt halverwege de polen en verdeelt de aarde in een noordelijk en zuidelijk halfrond.

Geografische breedte plaats van steden e.d. op het graadnet van de parallellen

Kreeftskeerkring 23,5 NB waarop de zon op 21 juni en 23 december een ogenblik loodrecht staat. Die data markeren de lente en de herfst op het noordelijk halfrond.

Steenbokskeerkring hetzelfde als de kreeftskeerkring alleen dan op 23,5 ZB

Poolcirkels liggen op 66,5 NB en ZB. Op die lijnen gaat de zon een keer per jaar niet onder en blijft hij ook een keer per jaar een nacht op. Hoe dichter je bij de polen komt hoe hoger het effect. (poolnacht & middernachtzon)



DE DUNNE KORST



Tekst 4 Dikte en samenstelling

Aardkorst 1% van het totale volume van de aarde

Hypsografische curve schema van de verdeling van de gemiddelde reliëfhoogten v.d. aardkorst

Sial-gesteente bestaat uit siliciumoxide & aluminiumoxide. De dichtheid is 2,65 g/cm3

Sima-gesteente siliciumoxide & magnesiumoxide. De dichtheid is vanaf 2,8 g/cm3

Oceanische korst bestaat uit sima-gesteente

Continentale korst bestaat uit sial-gesteente



Tekst 5 Afbraak

Afbraak door temp. Gesteenten zetten uit als ze warm zijn en krimpen door afkoeling. Daardoor breken ze langzaam in stukken.

Afbraak door water 1. water kan in spleten terechtkomen en dan bevriezen en uitzetten

2. in water kunnen stoffen zijn opgelost die het gesteente aantasten

verwering vergruizing die het gevolg is van de invloed van het weer en het plantendek

erosie uitschurende werking van verweringsmateriaal dat wordt meegevoerd door wind, water of ijs

glaciale erosie erosie als gevolg van ijs dat bijvoorbeeld grote stukken steen meevoert.

Mariene erosie erosie als gevolg van water dat bijvoorbeeld aan de kust stenen ‘afbreekt’

Fluviatiele erosie erosie als gevolg van stromend (rivier) water dat stenen, keien en zand meeneemt

Eolische erosie erosie als gevolg van met zand beladen lucht die over stenen schuurt.



Tekst 6 Transport

IJs vervoert o.a. grote en kleine rotsblokken, grind en zand, wat afkomstig is van berghellingen

Rivieren vervoeren o.a. grind, zand, klei. In de bergen nemen rivieren soms zelfs complete rotsblokken mee.

Wind vervoert o.a. zand, stof & vulkanisch as



Tekst 7 Sedimentatie

Sedimentatie het verschijnsel dat los materiaal na transport op het aardoppervlak terecht komt.

Glaciale afzettingen door ijs gesedimenteerde materialen (gletsjerpuin of morene)

Fluviatiele afzettingen door rivieren gesedimenteerde materialen (zand, fijn grind)

Mariene afzettingen door de zee gesedimenteerde materialen (klei, zand)

Eolische afzettingen door de wind gesedimenteerde materialen (zand en stof)

Chemische sedimenten bepaalde delen v.d. korst die zijn opgelost en later worden neergeslagen

Biogene sedimenten (organogene sedimenten) sedimenten afkomstig van plantaardige of dierlijke oorsprong



Tekst 8 Ontstaan van reliëf

Endogene krachten krachten die van binnen uit de aarde werken (bijv. Alpen en Himalaya zijn zo ontstaan)

Exogene krachten processen die van buitenaf op de aardkorst inwerken (bijv zand hoopt op tot duinen)

Orogenese gebergtevorming waarbij aardlagen worden opgetild en verfrommeld tot bergketens

Anticlinales plooiruggen (bovenste deel v.e. in elkaar gevouwen berg)

Synclinales plooidalen (onderste deel v.e. in elkaar gevouwen berg)

Plooiingsgebergte gebergte dat ontstaan is door orogenese

Horst hogere delen v.e. in elkaar gezakt gebergte

Slenk lagere delen v.e. in elkaar gezakt gebergte

Plateau gesteentelagen die horizontaal zijn opgedrukt en waar dus geen orogenese plaatsvindt

Tafelbergen restanten v.e. plateau die als enorme grafzerken of monumenten blijven staan

Jonge gebergten hebben scherpe kammen en hoge toppen, en bestaan tussen de 20 en 40 miljoen jaar

Oude gebergten hebben afgeronde bergtoppen

Schiervlakte compleet afgebroken bergen

Laagvlakten deel van het puin van de afgebroken gebergten



Tekst 9 Het reliëf van de zeebodem

Continentale plat (continental shelf) de zeebodem die aan een landmassa grenst en een diepte heeft van >200. Dit gebied was ooit land maar kwam tijdens het Holoceen onder water te staan.

Continentale hellingen grenzen aan continentale platen. Hier daalt de zeebodem af naar ± 3000 meter

Diepzeevlakten (abyssale vlakten) liggen naast de continentale hellingen op ± 3000 meter

Black smokers in de diepzeevlakten gelegen onderzeese vulkanen (bijv. Midden-Atlantische Rug)

Diepzeetroggen langgerekte diepe dalen (bijv. de Marianentrog)

Trog zone waar oceanische korst onder een andere plaat wegduikt



Tekst 10 Ouderdom van de aarde

Geologische tijdschalen perioden waarin de leeftijd van de aarde in is onderverdeeld

Absolute tijdschaal geologische tijdschaal die uitgaat van de ouderdom van de aarde in jaren

Relatieve tijdschaal geologische tijdschaal die de volgorde van ouderdom van de aarde aangeeft

Fossielen restanten van vroeger leven (letterlijk: ‘Dat wat opgegraven is’) bijv. delen van platen enz.

Gidsfossielen fossielen die op veel, ver uit elkaar liggende plaatsen voorkomen en die een betrekkelijk korte periode als soort hebben geleefd die daardoor de ouderdom van de aardkorst aangeven

Wet van superpositie gesteentelagen worden horizontaal boven op elkaar afgezet

Actualiteitsprincipe het oppervlak van de aarde wordt gevormd door processen die nu nog steeds plaatsvinden

*****leer ook de tijdschaal op pagina 346 van het theorieboek*****



Hoofdstuk 2: Platentektoniek



DE KORST IN STUKKEN



Tekst 11 Continenten tonen grote samenhang

Paleoklimatologie de kennis van klimaten in vroeger tijden

Schilden de alleroudste kernen van de continenten

Pangea (‘de gehele wereld’) Het door Wegener zo genoemde oercontinent



Tekst 12 Meer aanwijzingen

Magnetisch gesteente Gesteente dat zich heeft gericht naar het magnetische veld v.d. aarde. Dit ontstaat als het gesteente afkoelt.

Paleomagnetisme het terugvinden van het oorspronkelijke aardmagnetische veld van het gesteente.

Continentendrift bewegingstheorie v.d. aardplaten. Aanwijzingen hiervoor vinden we bijv. in het paleomagnetisme en in de paleontologie

Paleontologie wetenschap van het vroegere leven.



Tekst 13 Twijfels… en antwoorden

Bezwaren tegen Wegeners - waar lag het vaste punt waarbij je bij beweging van uit ging?

theorie - er bestaan niet zulke enorme krachten, dat ze een continent uit elkaar kunnen trekken.

Echolood hiermee kon de diepte van zeeën automatisch en sneller vastgesteld worden.

Platentektoniek nieuwste inzichten over de bouw en de beweging van de aardkorst



HOE HET ZIT



Tekst 14 Platentektoniek

mid-oceanische rug onderzees gebergte waar contact plaatsvindt tussen 2 oceanische platen, waarbij vanuit de aardmantel nieuw gesteente opwelt. Op deze punten ‘groeit’ de oceaanbodem.

Subductie contactzone tussen platen waarbij de oceanische plaat onder de continentale plaat schuift en verdwijnt in de mantel. Dit leidt tot heftige, schoksgewijze vulkaanuitbarstingen.

Frontale botsingen botsingen tussen platen die leiden tot heftige kreukels en het ontstaan van kreukelgebergte.

Langs elkaar schuiven dit gebeurt schoksgewijs, en hierbij vinden veel trillingen en aardbevingen plaats, hierbij kan vulkanisch materiaal omhooggeperst worden.

Breukzone plaats waar platen langs elkaar schuiven.

Accretie (aangroeiing) Het ‘vastlijmen’ van kleine stukjes plaat door smelting.

Hot spots zwakke plaatsen in de aardkorst waar gloeiend magma doorheen gaat.



Tekst 15 Twee soorten aardkorst

Continentale korst 2,65 g/cm3

Oceanische korst 2,9 g/cm3

Mantel 3,2 /cm3

Discordantie v. Mohorovic overgangszone tussen korst en mantel

Asthenosfeer vloeibare & buitenste deel van de mantel, vlak onder de korst



Tekst 16 Oorzaak van de beweging

Oceaanbodemspreiding Bij de breuk ontstaat oceanische korst, en in de subductiezones vergaat dit weer.

Mantelpluimen enorme bellen vloeibaar gesteente die uit het onderste deel v.d. mantel komen.



Tekst 17 Continentale drift in het geologische verleden

Paleografie de wetenschap die de ruimtelijke verdeling van landmassa’s en oceanen in het geologische verleden bestudeert.

Precambium (4,6-2,5) de structuur v.d. aarde verandert. De mantel en aardkorst ontstaan.

Paleozoïcum de continenten drijven verder uit elkaar. Uiteindelijk vormen alle continenten samen Pangea, het oercontinent.

Mesozoïcum – Krijt Pangea breekt in stukken, Gondwana enz. drijven uit elkaar. Later ontstaat de Alt. Ocean

Tertiair de continenten drijven verder uiteen en vormen de huidige oceanen en zeeën



Hoofdstuk 3: Vulkanen en aardbevingen



VULKANISME



Tekst 18 Vulkaantypen

Vulkaan plaats waar gloeiend heet magma uit de diepe ondergrond naar boven komt

Magma gesmolten gesteente (vloeibaar (lava), gasvormig of vast)

Eruptie vulkaanuitbarsting waarbij het magma onder grote druk naar het aardopp. wordt geperst.

Schildvulkaan vulkaan met een zeer flauwe helling (dunne lava)

Stratovulkaan opgebouwd uit afwisselend lava en aslagen. (dikke lava)

Hawaï -vulkaan betrekkelijk dunne lava met voortdurend kleine erupties, langdurige werking

Stromboli –vulkaan iets heftiger erupties, langdurige werking

Pliniaanse vulkaan druk is jarenlang opgebouwd, bijv. door een lavaprop. Als deze losschiet ontstaat een enorme explosie.

Gloedwolk mengsel van as en gifgas, dat zwaarder is dan lucht en langs de helling omlaagstroomt.



Tekst 19 Vulkanische nawerkingen

Stoombronnen leveren vooral waterdamp

Geisers spuitende heetwaterbronnen. Deze spuit als de druk v.h. koken groot genoeg is om het gewicht van de bovenliggende waterkolom aan te kunnen. (bij 20 m. is een druk van 3)

Gasbron komt in de buurt van vulkanen voor.

Minerale bronnen ontstaan op plaatsen waar grondwater tot op zekere hoogte verhit wordt.

Opwekking elektriciteit heet water wordt opgewekt, verandert in stoom die door turbines geleid wordt.



DE AARDE ROMMELT!



Tekst 20 Schalen van Richter en Mercalli

Aardbeving trilling van de aarde die het gevolg is van plotselinge verschuiving van stukken van de aardkorst of van de eronder liggende aardmantel.

Hypocentrum punt in de aardkorst of mantel waar bij een aardbeving de verschuiving begint en van waaruit de trillingen in eerste instantie afkomstig zijn.

Epicentrum de plaats op het aardoppervlak loodrecht boven het hypocentrum v.d. aardbeving.

Schaal van Richter meet de hevigheid van de bevingen aan de hand van de hoeveelheid vrijkomende energie

Schaal van Mercalli meet de hevigheid van de bevingen aan de hand van wat je ‘voelt’



Tekst 21 Seismologie

Seismische activiteit door verplaatsingen van aardschollen langs breuken in de aardkorst ontstane trillingen

Seismografen apparaten die aardbevingen registreren

Seismogram schema waarop kan worden afgelezen wanneer de beving plaatsvindt en hoe sterk deze is.

Bijdrage seismisch onder- kennis en inzicht in de aarde en de omvang van de kern, mantel en korst

zoek



Tekst 22 Hazard management

Hazard management het voorspellen van rampen en een daarop toegespitst beleid uitvoeren.

Nederlands rampenplan toegespitst op mogelijke overstromingen, fabrieksbranden en andere grote ongevallen



Hoofdstuk 4: Gesteenten en delfstoffen



BOUWSTENEN VAN DE KORST



Tekst 23 Gesteenten

Gesteenten bestaan uit mineralen

Mineralen stoffen met een bepaalde chemische samenstelling, kristalstructuur en andere natuurkundige eigenschappen zoals hardheid en soortelijke massa.

Mineraal ‘dat wat aan de aardkorst onttrokken kan worden’

Ertsen mineralen waarin metalen in een concentratie voorkomen die winning ervan lonend maakt.

Edelstenen mineralen die over het algemeen ‘mooi’ gevonden worden

Organische gesteenten gesteenten die gevormd zijn door organismen en hun overblijfselen

Magmatische gesteenten gesteenten ontstaan door stolling van magma of lava, bijvoorbeeld graniet en basalt

Afzettingsgesteenten ontstaan uit materiaal dat door water ijs of wind is neergelegd

Metamorfe gesteenten ontstaan doordat gesteenten onder hoge druk en/of bij een hoge temperatuur zijn opgesmolten.



Tekst 24 Soorten gesteenten

Deze tekst is niet relevant voor het proefwerk voor zover ik weet.



DELFSTOFFEN



Tekst 25 Ertsen en zouten

Indampingsproces is het geval bij zout. Resultaat: grote zoutafzettingen met diktes van +/- 1500 meter

Zoutpijler omhooggestuwde zoutlagen, meestal op plaatsen waar veel breuken zijn.



Tekst 26 Bruinkool en steenkool

Fossiele brandstoffen brandstoffen die opraken (bruinkool, steenkool, aardolie en aardgas)

Steenkool komt voor in de ondergrond, is ouder dan bruinkool, stookt beter, meer warmte en minder vervuiling dan bruinkool

Bruinkool tegenovergestelde van steenkool

Tekst 27 Aardgas en aardolie

Aardgas afkomstig uit plantaardige resten van oerwouden. Bestaat uit methaan

Aardolie ontstaan uit plankton

Anticlinalen hoogstgelegen plooien

Oil trap olie kan niet hoger dan de anticlinale waar ie nu in ligt.



WINNING VAN DELFSTOFFEN



Tekst 28 Reserves en winbaarheid

Winning van een mineraal afhankelijk van techniek (is het mogelijk), economie (kunnen we het betalen), politiek (is het verstandig?) en milieu (schaadt het het milieu?)



Tekst 29 Winning

Schachtbouw winnen van harde delfstoffen. Er worden tunnels en schachten diep de aarde in gebouwd.

Dagbouw bovenlaag weggraven, delfstof weghalen met machines. Dit kost weinig mensenarbeid.

Oppompen voor vloeibare delfstoffen als aardolie en water.

Kleinschalige winning bijvoorbeeld zoutwinning in droge gebieden door zonnewarmte



Tekst 30 Verspreiding en bezit van delfstoffen

Er staat in deze tekst echt niets dat interessant is.



Tekst 31 Resource management

Resource management een beleid, gericht op zorgvuldig beheer van delfstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen zodat langdurig gebruik mogelijk is en iedere verspilling wordt tegengegaan.



Hoofdstuk 5: De sluier van Moeder Aarde



SAMENSTELLING EN OPBOUW VAN DE ATMOSFEER



Tekst 32 Samenstelling van de atmosfeer

Atmosfeer luchtlaag rond de aarde die bestaat uit zuurstof, stikstof, waterdamp, en sporengassen. Samenstelling: stikstof 78%, 21% zuurstof en 1% sporengassen als argon en ozon.



Tekst 33 Warmtehuishouding van de aarde

Stralingsbalans het overzicht van de hoeveelheid straling die de aarde bereikt en de hoeveelheid die de atmosfeer weer verlaat

Hoeveelheid straling - de breedteligging: hoe dichter bij de evenaar, hoe lager de breedte dus hoe warmer

hangt af van: - de lengte van de dag en de zonnestand gedurende de dag

- de dichtheid van het wolkendek; hoe meer wolken, hoe minder straling

absorptie het verschijnsel dat het aardoppervlak de overgebleven zonnestraling opneemt

reflectie het verschijnsel dat het aardoppervlak zonnestralen terugkaatst in de vorm van warmtestraling.

Broeikaseffect verwarming van de aarde als gevolg van stoffen in de atmosfeer die wel de straling van de zon doorlaten, maar niet de warmtestraling van de aarde



Tekst 34 Opbouw van de atmosfeer

Troposfeer schil rond het aardoppervlak tot de tropopauze. (bevat alle waterdamp en ¾ van de gasmassa van de atmosfeer. De troposfeer wordt opgewarmd door warmtestraling van het aardoppervlak. (0-10 km)

Temperatuurinversie plaats waar de temperatuur over een paar kilometer constant blijft

Weer de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats en op een bepaald moment

Stratosfeer 10 tot 50 km. Hierin bevindt zich de ozonlaag (20-40 km) toenemende temp tot 0

Mesosfeer afnemende temp. tot –50 50-80 kilometer boven aardoppervlak

Thermosfeer temp neemt weer toe

-pauze eerst is er steeds een –sfeer, bijv. de troposfeer, dan een –pauze, bijv. de tropopauze



DE GROTE CIRCULATIE



Tekst 35 Luchtdruk en wind

Luchtdruk druk die de atmosfeer uitoefent op de aarde ( 1 kub. mtr. Lucht = 1,3 kg) in Hp of mb

Hogedrukgebied koude zware lucht

Lagedrukgebied warme lichte lucht

Isobaren de lengtemaat voor luchtdruk op het aardoppervlak of op een bep. plaats in de atmosfeer

Wind luchtstromingen tussen een hoge- en lagedrukgebieden

Luchtdrukgradiënt mate van ‘verval’ tussen verschillende luchtdrukgebieden



Tekst 36 Globale luchtcirculatie

Globale luchtcirculatie uitwisseling tussen koude en warmte breedtegraden

Equatoriaal minimum de plaats rond de evenaar waar continu sprake is van een lagedrukgebied

Polair maximum de plaats rond de Noord- en Zuidpool waar continu sprake is van een hogedrukgebied

Passaat wind die naar de evenaar waait

Subtropisch maximum hogedrukgebied op de subtropen waar een luchtconcentratie is die omlaag beweegt

Pubpolair minimum lagedrukgebied waar een opeenhoping van lucht ontstaat die alleen maar omhoog kan

Afkoelende lucht water condenseert, de lucht stijgt en er is veel regen



Tekst 37 Wet van Buys Ballot

Wet v. Buys Ballot Lucht beweegt van een hogedruk naar een lagedrukgebied, waarbij met de wind in de rug geldt: op het noordelijk halfrond met een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond met een afwijking naar links. Dit heeft te maken met de draaiing van de aarde.

Coriolis kracht de (schijn) kracht die de afwijking van de windstromen veroorzaakt



Tekst 38 Intertropische convergentiezone

Intertropische conver- (ITCZ) gebied nabij de evenaar waar de noordpassaat en de zuidoostpassaat elkaar

gentiezone ontmoeten, en waar het equatoriaal minimum heerst. Dit gebied verplaatst continu.



Tekst 39 Straalstromen

Straalstroom of jet stream De wind op een hoogte van 12.000, meestal in de troposfeer, die gebundeld is als een soort waterstraal uit een spuit. Deze wind heeft een grote snelheid (bijna altijd orkaan)

Subtropische straalstromen liggen op 30° noorder- en zuiderbreedte

Polaire straalstromen liggen op 55° noorder- en zuiderbreedte



Tekst 40 Fronten

Frontale zone overgangsgebied tussen koude en warme lucht (koud gaat vaak onder warm)

Koufront de koude lucht verdringt de warme lucht in een frontale zone

Warmtefront de warme lucht verdringt de koude lucht in een frontale zone

Frontale depressie lagedrukgebied met een tekort aan lucht. Hier vormen wolken en gaat het regenen



Tekst 41 (EXTRA) Moessons

Moesson halfjaarlijks wisselende winden in de landen rond de keerkringen



Tekst 42 Lokale winden

Land- en zeewinden lokale winden, die op zeer kleine schaal plaatsvinden



DE OPBOUW VAN DE HYDROSFEER



Tekst 43 Waterkringloop

Kringloop v.h. water voortdurende circulatie van water tussen oceanen, atmosfeer, het aardoppervlak en de boden

Korte kringloop water dat boven zee verdampt, kort erna condenseert en weer terugvalt in zee

Lange kringloop water dat boven zee verdampt, boven land condenseert en op het land als neerslag valt



ZOET WATER



Tekst 44 Water in de atmosfeer

Relatieve vochtigheid de verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die de lucht bevat en die de lucht maximaal zou kunnen bevatten bij de dan gemeten temperatuur

Stijgingsregen is het gevolg van plaatselijk snel opstijgende luchtmassa’s die vervolgens afkoelen (bijv. wolken boven een heideveld aan het eind van een warme dag)

Stuwingsregen als luchtmassa’s tegen bergen opgestuwd worden ontstaat neerslag als gevolg van de afkoeling van de lucht en waterdamp die zich daarin bevindt.

Frontale neerslag de neerslag die valt als een warmte- en koudefront tegen elkaar botsen en het warmtefront snel opstijgt



Tekst 45 (►) Bodem- en oppervlaktewater

Rivieren & beken stromen in de regel naar zee, maar soms ook naar de woestijn waar ze dan in het zand gesmoord worden

Zoet water 2% van de totale watervoorraad op aarde is zoet water, waarvan 0,01% zich in meren bevindt



ZOUT WATER



Tekst 46 Zout in de zee

Zout in oceanen zit in oceanen omdat het is opgelost uit gesteenten tijdens de vorming van de continenten



Tekst 47 Zeestromen

Zeestromen watermassa’s in beweging. Zeestromen zijn een wereldomspannende transportband voor voedsel en warmte.

Driftstromen zeestromen die in beweging zijn gezet door wind. Ze bewegen overwegend horizontaal en over het algemeen in de bovenste laag van de oceaan

Zeestromen ontstaan door bewegen naast horizontaal ook verticaal

temperatuurverschillen

El Niňo verstoring in de transportband van de oceanen. Het is een warme zeestroom die af en toe de koude Peru-zeestroom vervangt en daarmee de transportband verstoort.

Coriolis kracht ook zeestromen zijn onderworpen aan de Coriolis kracht



Tekst 48 Getijden

Hoogwater om de 12 uur en 25 minuten is er hoog water. Daartussen is het eb

Maan bereikt haar hoogste stand om de 24 uur en 50 minuten

Aantrekkingskracht de zon, aarde en de maan oefenen aantrekkingskracht op elkaar uit

- in de oceanen het water van de oceanen wordt aangetrokken, zodat er de vloed is aan de zijde waar de maan staat

- in gesteenten de gesteenten van de aarde en de maan bewegen naar elkaar toe

Vloed aan de kant van de deze wordt veroorzaakt doordat de aarde en de maan samen om een gemeenschappelijk

aarde waar de maan niet zwaartepunt draaien. Door de middelpuntvliedende kracht wordt oceaanwater naar de

staat ander kant van de aarde gedrukt

maan-dag per maan-dag is het twee keer vloed en eb

zon-dag per zon-dag is het een keer vloed en een keer eb

dood tij als er een minder diepe eb en een lagere vloed is omdat de zon haaks staat op de as aarde-maan

(Deze tekst is niet alleen vrij ingewikkeld maar ook vrij belangrijk. Lees dus tekst 48 in het boek zelf ook een keer

door, mede omdat er in het boek plaatjes bij staan, die de tekst flink wat verduidelijken.)



KLIMATEN



Tekst 49 De indeling van Köppen

Klimaat de gemiddelde toestand van het weer berekend over een langere periode (30-50 jaar)

- wordt beïnvloedt door geografische breedteligging, wind- en zeestromen, afstand tot de zee, reliëf en de hoogteligging

- de 5 aardse klimaten A. equatoriale of tropische klimaten (humide)

B. droge of aride klimaten

C. gematigde zeeklimaten of maritieme klimaten (humide)

D. continentale klimaten (humide)

E. koude of polaire klimaten (humide)

Criteria om klimaat vast de gemiddelde temperatuur in de warmste en koudste maand, de hoeveelheid neerslag

te stellen en de droogte-index

droogte-index gebaseerd op de hoeveelheid neerslag en de verdamping. De droogte index geeft de scheiding aan tussen B klimaten en vochtige of humide klimaten

- W Wüste (woestijn)

- S Steppe

humide klimaten A, C, D, en E. Het onderscheid tussen deze klimaten wordt gebaseerd op de gemiddelde temperatuur in de koudste en warmste maand van het jaar

isotherm (temperatuurlijn) lijn die alle punten van gelijke temperatuur met elkaar verbindt

A-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is niet lager dan 18° C

C-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is niet lager dan -3° C en in de warmste maand tussen de 10° C en 18° C

D-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is lager dan 3° C en de warmste maand hoger dan 10° C

E-klimaat de gemiddelde temperatuur in de warmste maand is niet hoger dan 10° C

A, C, D klimaten worden ook onderverdeeld aan de hand van de hoeveelheid neerslag m.b.v. een 2e letter

- w wintertrocken

- s sommertrocken

- f fehlt (in alle jaargetijden regen)

E klimaten worden ook onderverdeeld in temperatuur

- T Tundra (toendra) – gemiddelde temperaturen vd warmste maand ligt tussen 0° en 10° C

- F Frost (vorst)- gemiddelde temperatuur vd warmste maand blijft onder de 0° C

- H Hochgebirche



Tekst 50 Klimaten van A tot en met E

A klimaten Af en As. Ze komen voor in gebied van de intertropische convergentiezone. De temperatuur ligt het gehele jaar tussen de 18° en 25° C

- Af klimaat (tropisch regenwoudklimaat) als de neerslag in de droogste maand minstens 60 mm is

- As klimaat ligt naast Af klimaat. Deze gebieden hebben droge en natte perioden. (savanne en moessonklimaat)

B klimaten de woestijn(BW) en steppe(BS) klimaten. Ze staan onder invloed van het subtropische maximum op ongeveer 30° N.B. en Z.B. Ze hebben geringe neerslag die onregelmatig voorkomt

- BW klimaat valt jaarlijks gemiddeld minder dan 250 mm regen in korte, zeer hevige stortbuien. De temperatuur tussen dag en nacht wisselt sterk. ’s Nachts vriest het en overdag is het soms tussen de 40° en 50° C

- BS klimaat ligt rond woestijngebieden als een gordel waar de neerslag iets meer bedraagt. De neerslag ligt tussen de 250 en 700 mm per jaar, het merendeel valt in korte perioden

Semi-aride overgangszone tussen aride en humide streken (BS klimaat)

C klimaten Cs klimaat, Cw klimaat en Cf klimaat (Cw en Cf zijn subtropische klimaten)

- Cs klimaat gematigd klimaat met een droge zomer. De winters zijn zacht en vochtig

- Cw klimaat gematigd klimaat met droge zomers. Komt oa in China en Japan voor

- Cf klimaat gematigd neerslag klimaat. Komt voor in oa West Europa, Argentinië en VS

D klimaten (continentale klimaten of landklimaten) Df, Dw en Ds

Bergklimaat (EH) komt voor in hooggebergte

Toendraklimaat (ET) heeft een kort groeiseizoen, weinig vegetatie

Vorstklimaat (EF) heeft geen vegetatie. Het landschap is een permanente ijskap



VERANDERINGEN IN ATMOSFEER EN KLIMAAT



Tekst 51 Studie van klimaatveranderingen in het verleden

Paleoklimaten klimaten die in het verre verleden hebben geheerst

Paleoklimatologen wetenschappers die zich bezighouden met klimaatgegevens uit het verre verleden

Dendrochronologie bestudeert de jaarringen van bomen

Palynologie wetenschap die zich bezighoudt met bepaalde oude stuifmeelkorrels, waarvan klimatologische gegevens uit af te lezen zijn

Zuurstofanalyse wordt toegepast bij bestuderingen van kalkafzettingen

Zuurstof bestaat voor 0,2% uit isotoop O-18 en voor 99,8% uit isotoop O-16

Isotopen atomen met dezelfde chemische eigenschappen, maar met een verschillend atoomgewicht

Natuurlijke radioactiviteit geeft een goed inzicht in vroegere klimaten (vooral bij koolstof)



Tekst 52 Samenstelling van de atmosfeer verandert

Fotosynthese het proces waarbij groene planten in hun cellen uit licht, koolstofdioxide en water zuurstof en suikers produceren

Primaire atmosfeer de eerste aardse atmosfeer die niet op de huidige atmosfeer leek (4,5 miljard jaar geleden)

Secundaire atmosfeer de atmosfeer waarop onze huidige atmosfeer lijkt (ontstond 2 miljard jaar geleden)

Huidige atmosfeer blijft veranderen, o.a. het koolstofpercentage is in de afgelopen 100 jaar met 0,007% toegenomen door de Industriële Revolutie, toen het gebruik van fossiele brandstoffen ineens explosief steeg

Zure regen zwavel en stikstof, die in de lucht zijn gekomen door industrie, landbouw en verkeer. Ze verbinden zich dan in de atmosfeer met water tot zwavel- en salpeterzuren

Verzuring v. bodem door zure regen en stoffen als ammoniak

CKF Chlool-FluorKoolwaterstoffen, afkomstig uit spuitbussen e.d. en tasten de ozonlaag aan

Desertificatie het groter worden van woestijnen

Radioactieve fall-out grote hoeveelheden radioactief besmet stof die in de atmosfeer terechtgekomen zijn en door regen wordt neergeslagen



Tekst 53 Wordt het warmer of kouder?

IJstijden (glacialen) langdurige perioden waarin ijskappen en gletsjers aangroeien en de gemiddelde oppervlaktetemperatuur in de gematigde zone flink lager ligt dan nu

Stralingstheorie aannemelijke theorie over het ontstaan van ijstijden en interglacialen

IJstijden in:

- Pleistoceen hier kwamen grote ijstijden voor

- Holoceen ook in deze periode was het klimaat niet stabiel en kwamen ijstijden regelmatig voor

Warme perioden:

- 6.000 – 4.000 v. Chr. Het was toen ± 1 graad warmer en zeker vochtiger dan nu

- 900 – 1.300 n. Chr. Ook een warmere periode

broeikaseffect wordt veroorzaakt door stoffen als koolstofdioxide en methaan



Hoofdstuk 6: Biosfeer



ONTWIKKELING VAN DE EVOLUTIETHEORIE



Tekst 54 Evolutietheorie verdringt catastrofentheorie

Catastrofentheorie de gedachte dat de levensvormen op aarde, de soorten, in korte tijd in hun huidige vorm geschapen moesten zijn. Het uitsterven van soorten verklaarde men als het op grote schaal uitsterven als gevolg van zondvloeden of natuurrampen

Evolutietheorie gedachte dat er een langzame, geleidelijke ontwikkeling is van het leven. Deze theorie kreeg vanaf 1900 veel meer aanhangers en wordt tot vandaag de dag als de juiste ervaren



Tekst 55 Galápagos Eilanden

Vogels op deze eilanden zijn verschrikkelijk veel verschillende soorten vinken gevonden. Darwin, die de vogels ontdekte in 1835, vatte dit op als het bewijs van de evolutietheorie, want hij dacht dat de vogels ooit tot een soort hadden behoord, maar omdat ze op verschillende eilanden terecht waren gekomen, hadden ze zich allemaal naar hun eigen eiland aangepast



Tekst 56 Evolutie, selectie en extincties

Evolutie geleidelijke verandering van het leven

Wanneer is er evolutie: -Als er natuurlijke selectie plaatsvindt op grond van erfelijke eigenschappen. Dat betekent, dat de eigenschappen van een soort alleen bij de nakomelingen terug te vinden zijn, als ze de soort voordelen brengen. Een staart is bijv. bij mensen niet meer nodig en is dus ‘verwijderd’ uit ons lichaam. Bij apen is de staart nog wel nodig en daarom hebben zij nog steeds staarten

- Als een populatie gesplitst wordt. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de vinken

extinctie uitsterven van een soort

massa-extinctie uitsterven van vele soorten tegelijk als gevolg van bijv. een natuurramp



Tekst 57 Fossielen

Paleontologie de wetenschap die de verandering van het leven op aarde bestudeert. Dit gebeurt vooral aan de hand van fossielen

Fossiel v.e. dier heeft harde delen als een schild of botten. Het dier moet tijdens de fossiellering afgesloten zijn van lucht

Fossiele gemeenschap de verzameling fossielen die in een bepaalde laag aanwezig is.

Fauna/flora provincie een groot gebied met respectievelijk planten /diersoorten die alleen daar voorkomen



ONTWIKKELING VAN HET LEVEN



Tekst 58 Het eerste leven

Bacteriën de enige vorm van leven van 3 miljard jaar geleden



Tekst 59 Verovering van het water

Paleozoïcum ontwikkeling van het leven in water. De eerste fossielen die we hebben dateren uit die tijd: organismen vormen interne en externe skeletten

Ordovicium vele in zee levende soorten sterven uit (door continentale drift)

Vanaf Siluur de aan de massa-extincties ontsnapte dieren als schelpen en koralen ontwikkelen zich



Tekst 60 Leven op het land

Vanaf Paleozoïcum de meer ingewikkelde planten komen tot ontwikkeling. De eerste dieren (insecten & schorpioenen) komen op het land. Eerst ontwikkelen de amfibieën zich, later de reptielen

In het Carboon het plantenrijk overheerst, de zeespiegel stijgt, het dierenleven ontwikkelt zich en het wordt warm op aarde

In het Perm weer een massa-extinctie, planten en diersoorten sterven uit door een wereldwijde afkoeling



Tekst 61 Tijdperk van de Dinosauriërs

Mesozoïcum tijdperk van de Dino ’s, de continenten vormen Pangea. Later valt dit weer uit elkaar en gebergtes ontstaan. De zoogdieren blijven klein, in het water vormen zich weer vissen en de eerste vogels verschijnen. Zuid en Noord Amerika scheidt van Afrika en de Atlantische Oceaan wordt gevormd

Krijt warm klimaat en de continenten verdwijnen weer voor een groot deel onder water. Weer vindt massa-extinctie plaats en de dino ’s sterven uit



Tekst 62 Het nieuwste leven

Kenozoïcum (leven we nu in) bloeiende planten komen opnieuw tot ontwikkeling, zoogdieren overheersen & ontwikkelen zich zeer divers, het polaire ijs breidt zich uit en dit veroorzaakt afkoeling van de zeeën en ijstijden, mens ontwikkelt zich uit apen

Indricho-therium de grootste zoogdieren ooit, lid v.d. neushoornfamilie



Tekst 63 Meteorieten en massa-extincties

Vele meteorieten hebben de aarde geteisterd



Tekst 64 (EXTRA) Het boek van de aarde: Grand Canyon

Grand Canyon in de Canyon zijn duidelijk lagen te zien. De complete geschiedenis van de aarde vanaf het Precambium is hieruit af te lezen

Bekijk het plaatje van pagina 428 goed voor een dwarsdoorsnee van de Grand Canyon


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.