Migratie en vervoer

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo | 4575 woorden
  • 3 april 2004
  • 88 keer beoordeeld
Cijfer 7.6
88 keer beoordeeld

Samenvatting Aardrijkskunde Migratie en vervoer Hoofdstuk 1 Migratiestromen Paragraaf 1 Hoe vinden migratiestromen op wereldschaal plaats? Circulatie: Vorm van geografische mobiliteit waarbij mensen tijdelijk van woonplaats veranderen en waarbij ze een grens tussen twee plaatsen overschrijden. Emigratie: Trek van mensen vanuit een land naar een ander land met de bedoeling zich daar te vestigen. Geografische mobiliteit: Stromen van mensen, goederen, energie, ideeën en informatie tussen gebieden. Immigratie: het zich vestigen in een bepaald land, komend uit een ander land. Migratie: vorm van geografische mobiliteit waarbij mensen permanent van woonplaats veranderen en waarbij ze een grens tussen twee plaatsen overschrijden. Migratiesaldo: Verschil tussen vestiging (immigratie) en vertrek (emigratie) Ruraal-urbane migratie: trek van het platteland naar de stad. Zuid – Noordmigratie: de trek van mensen uit de arme niet- of minder geïndustrialiseerde landen, ook wel ontwikkelingslanden genoemd, naar de rijke meer geïndustrialiseerde landen, ook wel ontwikkelende landen genoemd. Gedwongen migratie: migratie waarbij de pushfactoren bepalend zijn en waar de pullfactoren vrijwel geen rol spelen; het betreft hier vaak migratie om lijfsbehoud. Pullfactor: positief kenmerk van een gebied, dat voor mensen een reden kan zijn om naar dat gebied te trekken. Pushfactor: negatief kenmerk van een gebied, dat voor mensen een reden kan zijn om het gebied te verlaten; afstotingsfactoren vormen het spiegelbeeld van pullfactoren. Integratie: proces van aanpassing van etnische groepen en opname in de samenleving. Intermediaire factor: factor die migratie kan bevorderen of verhinderen, buiten de kenmerken van de vertrek- vestigingsgebieden. Vrijwillige migratie: migratie waarbij de pullfactoren overheersend zijn en waarbij de pushfactoren vrijwel geen rol spelen; het betreft hier vaak migratie om arbeidsredenen. Het grootste deel van migratie vindt plaats binnen het arme deel van de wereld. (het zuiden) Het daarna grootste deel vind plaats is Noord – Amerika en daarna komt Europa. De migratie in het zuiden is groter dan de migratie van het zuiden naar het noorden. Dit geldt vooral voor Afrika en Azië. Migranten in Afrika zijn vooral vluchtelingen. In Azië komen zowel arbeidsmigranten als vluchtelingen voor. Migratiestromen zijn te verklaren door: - Kenmerken van de vertrek- en vestigingsgebieden, de push (gedwongen) en pullfactoren. (vrijwillig) - Intermediaire factoren die migratie kunnen bevorderen of belemmeren. - Persoonlijke kenmerken van de migrant -> Het gaat om hoe de migrant
de push en de pullfactoren van het vestigings- en vertrekgebied

ervaart. Een loon van 5 euro is in het noorden hoog en in het westen
laag en daar draait het ook om bij het beslissen. - Groepskenmerken van de migrant -> iemand neemt zelden alleen een
beslissing om te vertrekken. Hij vraagt dan meestal raad aan familie, vrienden en dorpsgenoten. Paragraaf 2: Welke migranten zijn er in Europa? Compartimentering: het aaneensluiten van landen in blokken om politieke of economische redenen. Complementariteit: term van Ullman: landen die elkaar goed aanvullen, zullen meestal veel handel met elkaar drijven. Decompartimentering: het uiteenvallen van statenblokken of staten om politieke of economische redenen. Gastarbeid: van oorsprong bedoeld als tijdelijk bedoelde trek van arbeidskrachten uit een ander gebied of land; meestal is het laagwaardig en ongeschoold werk. Voormalige wervingsgebieden van gastarbeiders en voormalige koloniën zijn nog steeds bepalend voor de nationaliteit van veel buitenlanders in een land. Daarnaast vormen ook mensen met de nationaliteit van de buurlanden een belangrijke categorie buitenlanders. 3 belangrijke factoren die de herkomst van buitenlanders in een land bepalen zijn: - nabijheid - voormalige koloniale gebieden - voormalige wervingsgebieden van gastarbeiders Paragraaf 3: Hoe verloopt de migratie van en naar Nederland? Allochtoon: Persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, die buiten Nederland is geboren of van wie één van de of beide ouders buiten Nederland zijn geboren. Arbeidsmigrant: economisch actieve met als doel arbeid en inkomen te verwerven in een immigratieland. (vrijwillige basis/ eigen initiatief) Buitenlander: iemand die (nog) niet de nationaliteit bezit van het land waar hij/zij woont of verblijft
Economisch migrant: iemand die om economische redenen migreert, vaak als gevolg van verschillen in welvaart, bestaansmogelijkheden en werkgelegenheid. Gezinshereniging: buitenlanders die zich willen herenigen met hun gezinsleden, die al in het immigratieland verblijven. Gezinsvormende migratie: het laten overkomen van een buitenlander om te gaan trouwen of samenwonen. Lorenz-curve: Lijn die de inkomensverdeling in een land weergeeft; je kunt hieraan aflezen welk percentage van het totale inkomen verdient. Remigratie: terugkeermigratie naar het herkomst gebied. Segregatie: het ontstaan van ruimtelijke scheiding tussen verschillende bevolkingsgroepen; door segregatie neemt ook de sociale afstand tussen groepen toe. Vluchteling: een voormalig asielzoeker die tot Nederland is toegelaten en de status van een vluchteling heeft, alsmede een asielzoeker die naar Nederland is gekomen en een vergunning tot verblijf heeft gekregen. Volmigratie: Zelfde als gezinshereniging. De politieke situatie in Oost – Europa leidt tot politieke decompartimentering: staten vallen uiteen in afzonderlijke eenheden. Dit leidt tot grote migratiestromen. Het is mogelijk dat politieke compartimentering in de EU en in de NAVO dit kan voorkomen. Tot aan het begin van de jaren zestig was Nederland overwegend een emigratieland. Vooral na de tweede wereldoorlog was het vertrek heel groot. Dat veranderde toen in het begin van de jaren zestig gastarbeiders werden uitgenodigd om te werken aan de wederopbouw van Nederland. Later volgden meer immigranten. Nederland is daardoor een immigratieland geworden. De emigratie werd door de Nederlandse overheid begeleid om zo het bevolkingsaantal te verkleinen en op die manier de werkloosheid terug te dringen. Naast werkloosheid waren de andere argumenten: angst voor Russische invasie, angst voor overbevolking en aangenamer klimaat. Toch hebben die aantallen emigranten de bevolkingsontwikkeling maar weinig beïnvloed. De relatie tussen emigranten en overbevolking heeft zich anders ontwikkeld: door de naoorlogse wederopbouw was er weer genoeg werk, ondanks een groeiende bevolking. De economische groei heeft zelfs tot belangrijke immigratie geleid. De belangrijkste immigranten in Nederland zijn: - Nederlanders (terugkerend na immigratie) - Indonesiërs (vluchtelingen voor en na de onafhankelijkheid in 1949) - Marokkanen en Turken (arbeidsmigranten, gezinsherenigers, gezinshervormers) - Surinamers en Antillianen (vluchtelingen en arbeidsmigranten) - Iranezen, Irakezen en Somaliers (vluchtelingen) - Arbeids-, economische en huwelijksmigranten uit andere EU – landen

Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zijn de belangrijkste woonregio’s van immigranten. Hier speelt het probleem van segregatie: vooral rond de stadscentra wonen veel immigranten. Ook in de industriegebieden in het oosten en zuiden van Nederland wonen Turkse en Marokkaanse immigranten. Hoofdstuk 2 Migratievraagstukken Paragraaf 1 Welke gevolgen heeft migratie binnen het Zuiden? Door migratie stijgt het percentage mensen dat in steden woont. Dit geldt vooral in de arme landen. In de arme landen is 60% van de verstedelijking het gevolg van migratie uit plattelandsgebieden. Dus: de stedelijke bevolking groeit in de arme landen sneller dan in de rijke landen. De voornaamste oorzaak is de migratie. Positieve effecten van emigratie voor het vertrekgebied zijn: - afname van de armoede - stimulans voor de huizenbouw - beter onderwijs - voeding - betere gezondheidszorg - vernieuwingen in landbouw-> productiviteit omhoog
Deze effecten worden mogelijk gemaakt door de migrant zelf. Als hij uit een land vertrekt zal zijn familie hem helpen en als de migrant eenmaal in het nieuwe land is aangekomen zal hij een deel van zijn inkomen naar zijn familie sturen. Die kunnen dit geld weer uitgeven. Een negatief effect is het vertrek van de meest ondernemende mensen. De overheidsmiddelen om het wegtrekken van mensen te voorkomen zijn beperkt. In veel steden in arme landen heersen slechte leefomstandigheden. Om de problemen aan te kunnen pakken, moet het stadsbestuur de bestaande situatie eerst legaliseren (wettig maken). Dit gebeurt nu niet, omdat dat leidt tot nieuwe migratie naar de stad. Paragraaf 2 Welke invloed heeft de Zuid - Noordtrek op de bevolkingssamenstelling? Brain Dain: de emigratie van de beter opgeleide mensen van de beroepsbevolking; vaak betreft dit Zuid – Noord migratie. Tweede generatie allochtonen: allochtonen waarvan de ouders uit het buitenland afkomstig zijn, maar die zelf in Nederland geboren en getogen zijn. (vb. Een kind dat in een asielzoekerscentrum geboren wordt of 2 Surinamers komen hier wonen en krijgen een kind) Migratie is een selectief proces. Een leeftijd van 15-45 jaar en goede scholing zijn algemene kenmerken voor emigranten. Vertrek van jonge mensen betekent voor het vertrekgebied niet alleen een direct bevolkingsverlies, maar ook een dalend geboortecijfer. Ook is het verlies van hooggeschoolden (brain dain) vaak nadelig voor de verdere ontwikkeling van dat gebied. In veel steden zijn de mannelijke migranten verreweg in de meerderheid. De vrouwen en kinderen laten ze in de dorpen achter. De migratie van de man leidt er ook vaak toe dat de vrouw werk gaat zoeken in de commerciële f industriële centra. Dit omdat de geldzendingen van de mannen klein zijn. Immigratie heeft verschillende effecten op de bevolking: - toename van het aantal etnische mensen - verandering in de etnische samenstelling van de bevolking - de seksesamenstelling van de allochtone bevolking is niet identiek aan die van de autochtone bevolking. - De leeftijdssamenstelling is naar verhouding jong. - Verdeling van de inkomens Paragraaf 3 Hoe gaan overheden om met het migratievraagstuk? Aanmeldcentrum: centrum aan de landgrens, waar een asielzoeker zijn/haar asielverzoek moet indienen en waar hij/zij wordt geregistreerd. Asielverzoek: verzoek van een potentiële immigrant bij de overheid om als vluchteling te worden erkend en toegelaten. Asielzoeker: iemand die zijn verblijfsland is ontvlucht en zich tijdelijk in een immigratieland wil vestigen; hij/zij heeft nog geen vergunning tot verblijf. Asielzoekerscentrum: centrum waar asielzoekers, die wachten op een woning of die in afwachting zijn van de uitslag van de toelatingsprocedure, tijdelijk wordt gehuisvest. Conventie van Genève: internationale overeenkomst tussen ruim honderd staten uit 1951 waarin is vastgelegd wie als vluchteling moet worden beschouwd. Eerste land van binnenkomst: het eerste Schengen-land waar een asielzoeker aanvraagt; het resultaat van de asielprocedure is vervolgens geldig voor alle Schengen-landen. Laissez – passer: reisdocumenten die nodig zijn om mensen te kunnen uitzetten naar een ander land. Opvang- en onderzoekscentrum: centrum waar een asielzoeker medisch wordt onderzocht en waar hij nader gehoord wordt over het waarom van zijn asielaanvraag

Schengen - akkoord: verdrag tussen Europese staten waarin vrij personenverkeer wordt toegestaan tussen de ondertekende landen. Terugkeerbeleid: beleid dat gericht is op het verlenen van speciale hulp aan migranten die terug willen naar hun land bijvoorbeeld bij het opzetten van een eigen bedrijf aldaar. Veilig land van herkomst: een land wordt veilig gezien als veilig land van herkomst, als mensen er geen vervolging te duchten hebben van de overheid. Verblijfsvergunning: Een A-status of de toelating als vluchteling of een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden op grond van individuele omstandigheden. Vertrekcentrum: Centrum waar speciale medewerkers het vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers bij wie de terugkeer moeilijk te realiseren is, toch proberen te regelen. Vluchtelingenverdrag: zie: conventie van Genève
Vreemdeling: zie: buitenlander
Voor immigranten kent het Nederlandse beleid tegenwoordig drie toelatingscriteria: 1. Internationale verplichtingen -> arbeidsmigranten uit de Europese Unie. Voor hen geldt, overigens onder een aantal voorwaarden, het vrije verkeer van arbeidskrachten. Ook de bescherming van vluchtelingen is internationaal geregeld en wel in de Conventie van Genève van 1951. Volgens deze conventie is een vluchteling iemand die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of niet wil inroepen. Als laatste zijn de afspraken uit het Schengen - akkoord als internationaal afgesproken criteria van het Nederlandse toelatingsbeleid te beschouwen. 2. Nederlandse economische belangen-> De situatie is sinds 1970 veranderd. Gezien de hoge werkloosheid in Nederland in de periode daarna is de toelating van arbeidskrachten ongewenst geworden. Voor bepaalde categorieën van (vaak hooggeschoolde en gespecialiseerde) arbeid en met name voor diegenen die in het kader van internationale bedrijven Nederland willen binnenkomen, geldt dit echter niet of veel minder. Voor hen blijft toelating moeilijk. 3. humanitaire redenen -> Voor velen, die niet op basis van bovengenoemde twee gronden toelating verkrijgen, vormen humanitaire toelatingsgronden de enige mogelijkheid om zich van buiten de EU (legaal) in Nederland te vestigen. Voor de traditionele immigrantengroepen zijn gezinsherenigingen en gezinsvorming de belangrijkste grond voor toelating geworden, met name doordat dit in feite verkregen rechten zijn geworden. Voor potentiële immigranten die geen beroep kunnen doen op één van bovenstaande gronden blijft het asielverzoek over als laatste mogelijkheid om legaal binnen te komen in een land. Met asielverzoek vraagt de immigrant of de overheid hem als vluchteling in de zin van de Conventie van Genève te beschouwen en toe te laten. Als dat verzoek is ingewilligd is hij geen asielzoeker meer, maar een vluchteling. Dus het verschil tussen een asielzoeker en een vluchteling is dat een vluchteling wel een vergunning tot verblijf in een land heeft en een asielzoeker niet. In een asielzoekerscentrum verblijven twee soorten groepen: - erkende vluchtelingen aan wie verblijfsvergunning is toegekend, maar nog in afwachting zijn van een woning. - Asielzoekers die in afwachting zijn van hun beroep op een afgewezen asielaanvraag. 1995 -> verdrag van Schengen trad in werking
Een belangrijke voorwaarde voor het Schengen- akkoord is dat de buitengrenzen hermetisch worden afgesloten. Voor het Europese vreemdelingenbeleid heeft het Schengen-akkoord twee belangrijke gevolgen: 1 -> de afspraak tussen de Schengenlanden is dat een asielzoeker in het eerste Schengenland van binnenkomst asiel moet aanvragen
2 -> Asielzoekers die via zogenaamde veilige landen (landen die vluchtelingenverdrag respecteren) in de deelnemende Europese landen zijn binnengekomen, moeten terug naar dat veilige land om daar asiel aan te vragen. Er is geen sprake van een gelijk Europees asielbeleid: - De diverse Europese partners hanteren verschillende lijsten met veilige landen. - In verschillende landen moeten, anders dan in Nederland, Duitsland of Scandinavische landen, asielzoekers zolang het asielverzoek niet in behandeling is genomen voor zichzelf zorgen. - In landen als Frankrijk, België, Italië en Spanje is de toegang tot gratis rechtshulp voor asielzoekers relatief slecht geregeld. - In veel landen mogen asielzoekers de uitkomst van hun beroep tegen afwijzing van hun asielverzoek niet langer afwachten. - Landen als Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk stellen individuen die niet door de staat, maar door een etnische groep worden vervolgd, buiten het Vluchtelingenverdrag van Genève. Het onduidelijke, ongelijke en strenge Europese asielbeleid heeft grote gevolgen: - Het aantal aanvragen, toelatingen en tijdelijke beschermingsregelingen verschillen in Europa enorm. - Deel van de migratie gaat ondergronds en komt in het criminele circuit. - Vervalsingen van reisdocumenten, werkdocumenten en verblijfsdocumenten is een florerende misdaadtak geworden. - Er is een schrikbarende toename van de handel in ongewenste vreemdelingen. Hoofdstuk 3 Wereldhandel Paragraaf 1 Hoe verlopen vervoersstromen? Global shift: accentenverschuiving in de productie en handelsstromen; de nadruk lag vroeger op de landen in West-Europa en het oosten van de VS en komt nu meer te liggen op de landen rond de Grote Oceaan. Infrastructuur: Alle voorzieningen die nodig zijn voor bedrijven om te functioneren (in de praktijk wordt dit soms beperkt tot wegen, spoorlijnen enz.) Intervening opportunities: Term van Ullman: hindernissen in de internationale handel, waardoor meestal meer handel wordt gedreven tussen landen die dicht bij elkaar liggen dan tussen landen die ver van elkaar verwijderd zijn. Transferability: term van Ullman: welke mogelijkheden zijn er om een product te vervoeren; daartoe horen o.a. de infrastructuur en de kosten. In sommige gebieden worden veel goederen vervoerd en in andere gebieden weinig. Volgens Ullman spelen daarbij drie factoren een grote rol: - Er is veel handel tussen gebieden als die gebieden elkaar aanvullen -> Dit is het beginsel van vraag en aanbod. (complementenregel) vb. Wij hebben geen aardolie in de grond en dat importeren we uit andere landen. Wij hebben wel veel aardgas en dat exporteren we dan naar landen die dat niet hebben. - Hoe goed kan een product vervoerd worden (transferability) -> Om goederen te verplaatsen zijn schepen, wegen, spoorlijnen en dergelijke nodig en moet transport niet gehinderd worden. Deze kunnen ertoe leiden dat hongersnood ontstaat, omdat vervoer van voedingsmiddelen wordt gehinderd door blokkades of vernietiging van wegen en spoorlijnen. Ook transportkosten zijn van belang. - Zijn er tussenliggende mogelijkheden (intervening opportunities) -> Veel producten hebben meerdere producenten en meerdere afnemers. Bij gelijke prijs en kwaliteit zal meestal de kortste afstand gekozen worden. Daarom liggen in Belgische winkels wel Nederlandse tomaten, maar geen Amerikaanse. Paragraaf 2 Hoe veranderen internationale vervoersstromen? Collectienetwerk: dat deel van het transportnetwerk waarvoor de goederen bij de producent worden opgehaald en vervoerd naar de mainport. Distributienetwerk: dat deel van het transportnetwerk waarvoor de goederen vanuit de mainport bij de eindgebruiker worden afgeleverd. Distripark: bedrijvencomplex waar grote hoeveelheden goederen worden opgeslagen, die vervolgens in kleine hoeveelheden op afroep naar klanten worden gebracht. Hub: een grote haven of luchthaven die vanuit alle richtingen goederen en mensen ontvangt en die vervolgens weer in allerlei richtingen doorstuurt. We zien in de wereld een sterke opkomst van nieuwe industrielanden in (vooral) Zuid- en Oost-Azië. Deze Global shift betekent een verschuiving in de richting van wereldhandelsstromen. In 1998 was er een crisis in Azië een crisis waardoor de economische groei stagneerde. Er zijn in de internationale vervoersstromen bepaalde patronen te herkennen. Deze patronen met transportlijnen en knooppunten noemen we transportnetwerken. Niet alle knooppunten zijn in deze netwerken even belangrijk. Hoe meer delen van het netwerk in een knooppunt samenkomen, hoe belangrijker dit knooppunt is. Ieder product dat via het transportnetwerk wordt vervoerd, loopt via een bepaalde transportketen. Een transportketen omvat alle activiteiten die samenhangen met het vervoer van dit ene product. De transportketen bestaat uit drie netwerken: - In een collectienetwerk worden goederen verzameld - In een verplaatsingsnetwerk worden goederen vervoerd van A naar B - In een distributienetwerk worden goederen vanuit het distributienetwerk naar de klant vervoerd. Een verplaatsingsnetwerk kan op 3 schaalniveaus voorkomen: - Tussen continenten - Binnen continenten - Binnen landen

Overal in de wereld worden goederen geproduceerd, die daarna naar alle uithoeken vervoerd worden. Plaatsen waar deze goederen worden ingeladen en overgeladen zijn daarom heel belangrijk geworden. Dit zijn zeehavens en vliegvelden. Zo’n groot knooppunt dat vanuit alle richtingen goederen aangevoerd krijgt en ze daarna vervoerd noemen we een hub. De allergrootste knooppunten noemen we mainports. Van die mainports worden goederen, passagiers en informatie verder gedistribueerd. Vervoer en transport via een mainport zijn dus veelal intercontinentaal. Er vindt meestal ook een wisseling van transportmiddel plaats bijvoorbeeld van zeevaart naar luchtvaart. Meestal gaat het ook om zeer omvangrijke vervoersstromen waarbij vaak bepaalde vervoersstromen overheersen. Wanneer jaarlijks meer dan 1 miljoen containers, of in het geval van een luchthaven meer dan 25 miljoen passagiers worden verwerkt mag je van een mainport spreken. In Nederland: Schiphol, Rotterdam. mainports hebben een gunstige economische en geografische ligging. Paragraaf 3 Welke invloed hebben vervoersstromen op de locatiekeuze van bedrijven? Achterland: gebied dat goederen ontvangt van en levert aan een haven of luchthaven. Corridor: verkeersras tussen belangrijke steden, geschikt als vestigingsplaats voor bedrijven die afhankelijk zijn van goed transport. Inlandterminal: overslagpunt van goederen, landinwaarts gelegen in de buurt van een corridor. Locatiefactor: verklaring die duidelijk maakt waarom een bedrijf zich ergens heeft gevestigd. Massagoederen: goederen die los in schepen en andere transportmiddelen worden gestort en vervoerd. Relatieve afstand: de tijd die het kost om de afstand tussen twee plaatsen te overbruggen
Schaalvoordelen: voordelen die optreden door in grote bedrijven te produceren of door grote hoeveelheden tegelijk te vervoeren
Stukgoederen: goederen die stuk voor stuk geladen, gestapeld en gelost worden; tegenwoordig zijn ze meestal verpakt in containers. Van alle goederen die over de wereld vervoerd worden, gaan de grootste hoeveelheden per zeeschip. Meer dan 70% van de lading van schepen bestaat uit massagoederen. Deze worden voor een groot deel automatisch geladen en gelost. Een nat massagoed is bijvoorbeeld olie en een droog massagoed is bijvoorbeeld ijzererts, steenkool of graan. Scheepslading kan ook bestaan uit stukgoederen. Deze worden meestal, om tijd te besparen, samengevoegd op pallets of in containers. Er wordt steeds gezocht naar manieren om de transportkosten te drukken. - Je kan de transportmiddelen groter maken, zodat er bespaard wordt op personeels- en energiekosten (economies of size) - Je kan de bestaande infrastructuur beter gebruiken door nieuwe verbindingen aan te leggen (economies of density) en door verschillende vervoersstromen samen te voegen. (economies of scope) Veel schaalvoordelen werden mogelijk gemaakt door technische veranderingen. Transportmiddelen zijn steeds groter en sneller geworden: de relatieve afstand is afgenomen en de transportprijs lager. Het belang van de verschillende vestigingsplaatsfactoren is afgenomen daarom -> handel drijven met alle landen in wereld. Nieuwe industrielanden profiteren hiervan. Vooral havensteden profiteren van de sterke toename van het transport. Plaatsen waar verschillende verkeerswegen bij elkaar komen, zijn bijzonder aantrekkelijk voor bedrijven. Nog belangrijker zijn de plaatsen waar verschillende transportmiddelen bij elkaar komen. In Rotterdam worden goederen van schepen overgeladen naar vrachtauto’s, binnenvaartschepen en treinen. Daarmee worden de goederen naar het achterland vervoerd. In het havengebied zijn daarvoor grote opslagplaatsen gebouwd en er staan fabrieken die de aangevoerde producten verwerken. De verkeersknooppunten zijn zo groot geworden dat er een enorm ruimtegebrek ontstaan is. Dit probleem beperkt zich niet voor de naaste omgeving van een haven of vliegveld, maar geldt voor wegen in de verre omtrek. Daardoor duurt het steeds langer voordat de goederen op plaats van bestemming zijn -> de relatieve afstand is dus groter geworden. Een oplossing voor die problemen is een snelle afvoer van producten, bijvoorbeeld van Rotterdam naar Nijmegen of Venlo. Dit gebeurt dan per schip, om de drukte op de wegen te vermijden en op het water valt die drukte nog wel mee. In Nijmegen of Venlo worden de producten overgeladen op een ander transportmiddel en dan verder vervoerd. De knooppunten die zo ontstaan zijn inlandterminals. Je ziet ook dat bedrijven zich langs de rand van autosnelwegen vestigen. Er gaan veel auto’s langs (reclame) en het is goed bereikbaar voor vrachtwagens etc. Zo’n autosnelweg tussen belangrijke plaatsen, waarlangs zich veel bedrijven vestigen noemen we een corridor. Dus: Voor elk bedrijf is de keuze van een goede vestigingsplaats afhankelijk van de vestigingsplaatsfactoren. In landen als Nederland speelt bereikbaarheid een grote rol. Belangrijke vestigingsplaatsen voor bedrijven zijn plaatsen in de nabijheid van verkeersknooppunten en langs corridors. Hoofdstuk 4 Vervoersstromen veranderen Nederland Paragraaf 1 Hoe verlopen de vervoersstromen in Nederland? Europees distributiecentrum: zie distripark. Logistiek: totale planning van transportstromen. Modal split: verdeling van goederen over verschillende transportmiddelen. Onze welvaart is voor een groot deel afhankelijk van de transportsector: De werkgelegenheid: Directe werkgelegenheid zijn mensen die echt in de transportsector werken Bijv. vrachtwagenchauffeur of machinist. Indirecte werkgelegenheid zijn mensen die wel met transport te maken hebben, maar zelf niet op reis gaan. Bijv. mensen die bij reisbureau werken of mensen die bij autogarage werken. BNP = inkomsten van alle werkende mensen
Aantal inwoners van Nederland

Hoe hoger het BNP, hoe welvarender de bevolking van Nederland is. En hoe meer welvaart, hoe meer transport. De toegevoegde waarde: Sommige goederen worden als ze in Nederland aankomen bewerkt. Zo worden de goederen meer waard -> er is waarde toegevoegd. Ook door goederen naar een andere plek te brengen, neemt de waarde toe. Dit is gunstig, want hierdoor wordt het aanbod aan producten in Nederland veel groter. Transportsector: Transportsector zorgt ook voor vervoer van mensen. Buitenlandse vakanties zijn onmogelijk zonder transportmiddelen. Als Nederland niet goed te bereiken was, zouden er maar weinig buitenlanders zijn. Onze welvaart is dus voor een groot deel afhankelijk van de transportsector. Om dit zo te houden moet transport ook in de toekomst mogelijk blijven. Vliegvelden, wegen en havens moeten steeds weer gemoderniseerd worden en uitgebreid. Paragraaf 2 Hoe kan Nederland haar distributiefunctie behouden en versterken? TEU: Twenty feet Equivalent Unit. Een standaard maat voor containers van ongeveer 6,20 x 2,40 x 2,40 meter; er zijn containers van 1 TEU en 2 TEU. De haven van Rotterdam is erg groot, maar er wordt nu al weer aan uitbreiding gedacht. De groei van de havenactiviteiten wordt vooral verwacht bij het containervervoer, bij de distributie van allerlei goederen, bij de aanvoer en doorvoer van fruit en in de chemie. Voor de inrichting van het havengebied betekent dit: 1. Uitbreiding van de maasvlakte in de richting van de Noordzee. Er wordt gedacht aan een tweede maasvlakte voor de kust met een opp. van 2700 ha. Naast havengebied wordt hier ook een gedeelte ingericht als recreatie en natuur. 2. Tussen Hoek van Holland en Maassluis komt een distributiecentrum voor fruit en misschien komt er ook een nieuwe haven. 3. Activiteiten die niet echt diep vaarwater nodig hebben, kunnen misschien verplaatst worden in de richting van Dordrecht en de Moerdijk
4. Tenslotte zal blijken dat enkele oude havens in de binnenstad niet meer zo veel gebruikt worden. Een deel van deze havens kan gedempt worden. Dus: bij de inrichting van nieuwe gebieden wordt niet meer uitsluitend gelet op economische voordelen, maar bijvoorbeeld ook op het milieu. Om de distributiefunctie van Nederland te versterken is niet alleen versterking van de mainports belangrijk, maar ook de verbindingen met het achterland. Daarom worden ondanks gebrek aan ruimte en hoge kosten nog enkele spoorwegen aangelegd en wegen verbreed. Paragraaf 3 Hoe beoordeel je het ruimtelijk vervoersbeleid van de Nederlandse overheid? Belevingswaarde: de mate waarin de mens zich prettig voelt in de ruimte. Gebruikswaarde: Migratie waarbij de pushfactoren bepalend zijn en waar de pullfactoren vrijwel geen rol spelen; het betreft hier vaak migratie om lijfsbehoud. Mainport: Zeer grote haven of luchthaven die tevens een belangrijke distributiefunctie heeft. Nimby-wet: wet die protesten van burgers tegen ruimtelijke plannen ondergeschikt maakt aan het algemeen belang. Toekomstwaarde: de mate waarin de ruimtelijke kwaliteit voor toekomstige generaties in stand wordt gehouden. ViNEx: Vierde Nota Extra: aanpassing van de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening, waarin de actuele plannen worden uitgewerkt. Het toenemende vervoer in Nederland is van invloed op de leefbaarheid van de omgeving. De leefbaarheid van een omgeving is afhankelijk van de ruimtelijke kwaliteit: welke functie heeft die ruimte. - Op de eerste plaats kan die ruimte worden gebruikt om in de behoeften van mensen te voorzien. Als het gaat over de functies die de ruimte kan vervullen spreken we van gebruikswaarde. Een voorbeeld is hoe beter de infrastructuur is, dus hoe meer wegen en parkeerplaatsen, hoe meer mogelijkheden er zijn voor meer vervoer en hoe hoger de gebruikswaarde is. - Op de tweede plaats is het belangrijk dat de mens zich prettig voelt in de ruimte: dat hij deze ruimte als mooi of goed ervaart -> belevingswaarde. Een voorbeeld is hoe meer de ruimte als mooi, goed of veilig wordt ervaren, hoe hoger de belevingswaarde is. Dus niet overal waar je de auto neer kan zetten deze neerzetten. - Tenslotte moeten wij ervoor zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit ook voor toekomstige generaties goed blijft -> toekomstwaarde. Hoe duurzamer ons gebruik van de ruimte is, hoe hoger de toekomstwaarde. Voorbeeld: met het aanleggen van meer wegen en het aanleggen van meer parkeerplaatsen dienen we ook het vervoer in de toekomst. In Nederland zorgt de Overheid voor de ruimtelijke ordening. Om woningen, bedrijven en wegen te bouwen moet er toestemming zijn van de overheid. De plannen van de regering worden eerst door de provincies uitgewerkt in streekplannen en daarna door de gemeenten in bestemmingsplannen. Zodra de nieuwe plannen bekend gemaakt zijn, mogen tegenstanders protesteren. Het aantal protesten is soms erg groot en dat kan jaren vertraging veroorzaken. Daarom heeft de regering een paar jaar geleden de Nimby-wet aangenomen. Nimby betekent Not in my backyard, niet in mijn achtertuin. Deze wet geeft aan dat een collectief belang altijd zwaarder telt dan een individueel belang. De aanleg van de hogesnelheidslijn is belangrijker dan de boeren die een strook grond moeten verkopen. Een duidelijk regeringsbeleid voor verkeer en vervoer is er in Nederland niet. Dat komt o.a. doordat de regering rekening wil houden met allerlei tegengestelde belangen van de belangenorganisaties. Een aantal belangenorganisaties zijn: 1. Transport en Logistiek Nederland. De belangenorganisatie van het goederenvervoer. 2. Roover. Een organisatie die de belangen behartigt van reizigers in het openbaar vervoer. 3. De NS en andere openbaar-vervoer bedrijven. Belangenbehartiger voor openbaar vervoer. 4. Milieudefensie. Belangenbehartiger voor milieu. 5. De bovag, de Rai en andere organisaties. Belangenbehartiger die de belangen van de automobilist in de gaten houden. 6. De overheid. Belangenbehartiger van de overheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.