Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Migratie

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo | 1293 woorden
  • 2 september 2008
  • 16 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 16 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Atlantis HAVO uitgeverij: ThiemeMeulenhoff
Aardrijkskunde samenvatting Migratie en Vervoer:

MIGRATIE

Paragraaf 1; Wat is migratie?

§1.1

Verhuizen: binnen één gemeente wisselen van woning
Migratie: verhuizen van het ene naar het andere administratieve gebied.
- binnenlandse migratie & - buitenlandse migratie.
Intraregionale migratie: verhuizen binnen een regio (lees: landsdeel, provincie…)
Interregionale migratie: verhuizen buiten een regio (lees: landsdeel, provincie…)
Migratiesaldo: verschil tussen emigraten en immigranten.

- binnenlands migratiesaldo: mensen die in een land verhuizen.
- buitenlands migratiesaldo: mensen die van land naar land verhuizen.
Absoluut: totaal aantal migranten.
Relatief: gem. aantal per 1.000 inwoners.

§1.2

Vreemdeling: iemand zonder Nederlandse nationaliteit.
Naturalisatie: het proces dat een vreemdeling de Nederlandse nationaliteit krijgt.
Allochtoon: “buitenlander”. (ten minste 1 ouder is in het buitenland geboren).
Autochtoon: “binnenlander”.(beide ouders in Nederland geboren ongeacht land v. geboorte).

§1.3

Etnische minderheden: buitenlanders.
Groep allochtonen en/of personen:
- van een bepaalde nationaliteit
- die binnen een gebied een minderheid vormen

- die zich in een soc.ec.achterstand bevinden.
o Bijv: Turken, Marokkanen, Antillianen, Grieken etc.

Paragraaf 2; Hoe komt migratie tot stand?


§2.1

Interactietheorie van Ullman: personen verplaatsen zich alleen als aan de volgende 3 voorwaarden is voldaan:
1. Complementariteit: het ene gebied vult het andere aan. Bijv. migratie tussen VS en Mexico.
2. Interventing Opportunity: tussenliggende mogelijkheden. Bijv. voor Oost-europezen die naar NL willen - Duitsland.
3. Transferability: relatieve afstand; de tijd, kosten, moeite etc, om een relatieve afstand te overbruggen.

§2.2

Pushpull-model: besluit om te migreren hangt af van 3 factoren:
1. kenmerken van het vertrek- en vestigingsgebied;
pushfactoren(afstotende): gebrek aan werkgelegenheid, oorlog, armoede
pullfactoren(aantrekkende): goed netwerk van sociale voorzieningen.
2. Tussenliggende hindernissen; onoverbrugbare afstanden, kosten, familiebanden.
3. persoonlijke kenmerken; spelen rol bij push en pull factoren en de tussenliggende hindernissen. Perceptie: manier waarop mensen tegen een gebied aankijken beïnvloed door leeftijd, opleiding, ervaringen.

Paragraaf 3; Binnenlandse migratie.


§3.1

Nederlanders verhuisden vanwege werk of betere woonomgeving.
4 migratieperiodes in NL:
-tot 1960 urbanisatie
-1960-1975 suburbanisatie
-1975-1980 desuburbanisatie (steeds verder van de stad)
-na 1980(vooral na 1990) re-urbanisatie (weer naar steden)
Urbanisatie tot 1960
2 belangrijke push-factoren:
1. mechanisatie landbouw - minder werk.
2. verdwijnen ambachtelijke huisnijverheid op pl.land.
Expulsiegebied: gebied met jarenlang vertrekoverschot.
Suburbanisatie 1960-1975
Door weelvaartstijging ging men op zoek naar een mooiere leefomgeving.
Agglomeraties ontstonden doordat er nieuwbouwwijken kwamen aan de stadsrand.
Desuburbanistaie 1975-1980
Mensen vertrokken naar gebieden nog verder van de stad.
Re-suburbanisatie na-1980
Overheid besloot: compacte stadsbeleid: aantrekkelijker maken van steden.
Er komen VINEX-locaties dixht bij steden, compleet nieuwe wijken + goed OV naar stad.

§3.2

Utrecht heeft vestigingsoverschot; noord- en zuid-holland negatief migratiesaldo.

§3.3

Gevolgen van Urbanisatie:
Nationale gevolgen:
- Toename van mensen in west Nederland.
- Toename economische groei,
Regionale gevolgen:
- Arbeidsaanbod in expulsiegebieden minder groot, minder werkloosheid op pl.land.
- Vergrijzing
- Voorzieningen verdwijnen door het kleine aantal inwoners.
- Geluid-, stank-, file- overlast.
- Woningprijzen stijgen.
Gevolgen van Suburbanisatie:
- Rustigere woonomgeving, meer ruimte.
- Toenemende verkeersstromen.
- Selectieve migratie leidt tot: vergrijzing, daling gem. inkomen, koopkracht daalt.
- Wijvoorzieningen verdwijnen: afname van koopkracht.
Gevolgen van Re-suburbanisatie:
- Combi: werk & wonen in stad voorkomt verkeersstromen naar/uit de stad.
- Meer woningen, wijkvoorzieningen, winkels- leefbaarheid steigt.
- Inwonersaantal neemt toe, grotere vraag naar voorzieningen.

Paragraaf 4; is Nederland een immigratieland?


§4.1

1945-1960
Mensen emigreerden naar traditionele migratielanden: Australië, Canada, VS, N.Z.land.
Grote werkloosheid en slechte economische situatie na WO-II.
Veel Indonesiërs en Molukken kwamen hier, meestal voor tijdelijk.
1960-1973
Tekort aan laaggeschoold personeel.
Er werden gastarbeiders naar NL gehaald. Eerst uit: Portugal, Spanje, Joegoslavië en Griekenland, daarna uit Marokko en Turkije.
Immigratie van Antillianen en Surinamers op gang; zij kwamen voor betere scholing en leefomstandigheden.
1973-midden jaren tachtig.
2 immigratiestromen na oliecrisis 1973:
1. gezinshereniging van gastarbeiders.
2. onafhankelijkheid van Suriname.
Midden jaren tachtig tot nu.
Gezinshereniging werd gezinsvorming - huwelijkskandidaten werden hierheen gehaald.
Asielzoekers en vluchtelingen.

§4.2

Huidige toelatingsbeleid hangt samen met verdragen:
Verdragen in verband met arbeidsmigratie.
Vanaf 1973 alleen nog werkvergunning als er in NL geen te vinden zijn.
Verdrag van Maastricht (1991); vanuit EU mag iedereen komen werken, van buiten de EU is het vrijwel onmogelijk om een werkvergunning te krijgen.
Akkoord van Schengen (1985); grenzen binnen EU open - geen controles, buitengrenzen dicht - wel controles.

Verdragen in verband met gezinsvorming, asielzoekers en vluchtelingen.
Toelatingsbeleid WAS soepel, nu moet je voor een verblijf langer dan 3 maanden een verblijfsvergunning aanvragen en het doel van je verblijf vermelden. Verblijfsvergunning moet je elk jaar verlengen. Na 5 jaar - vestigingsvergunning, heeft onbeperkte duur.
Vluchtelingenverdrag van Genève (1951) definitie van een vluchteling: iemand die reden heeft te vrezen voor vervolging om godsdienstige, politieke redenen, naionaliteit, ras, het behoren tot een bep. Sociale groep. Slachtoffers natuurrampen - geen vluchtelingen.
Verdrag van Dublin (1997) eerste land waar vluchteling terechtkomt is verantwoordelijk voor asielaanvraag.
Nieuwe vreemdelingenwet (2001); al deze verdragen bij elkaar.
Iemand mag Nederland niet in, tenzij:
1. met hun komst Nederlands belang gediend is.
2. verdragen daartoe verplichten.
3. zwaarwegende humanitaire redenen.
Asielzoekers moeten zich bij een van de 4 Nederlandse meldpunten melden.
Verschillende statussen:
1. A-status; vluchteling volgens Verd.v. Genève. Meeste kansen.
2. C-status; vergunning tot verblijf (vtv) als je echt niet terug kán naar land ven herkomst(lvh).
3. Voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv); hangt af van algehele situatie in lvh.
4. alleenstaande minderjarige asielzoeker(ama); familie wordt gezocht, lukt dat niet: verblijfsvergunning na 2 keer verlengen kan die vergunning worden omgezet in C-status.

§4.3

Verspreiding van vreemdelingen over Nederland hangt af van:
- Spreiding van bedrijfstakken.
- Aanwezigheid van landgenoten
- Spreidingsbeleid van de overheid
- De ligging t.o.v. buurlanden.
In de randstad woont grootste percentage allochtonen. - 19e eeuwse wijken, standsranden.
Ruimtelijke segregatie: sociaal economische groepen concentreren zich op één plek.
-etnische segregatie bij allochtonen.
Heeft de volgende oorzaken:
- Beschikbaarheid van goedkope huisvesting.
‘witte vlucht’ -autochtonen “vluchtten” naar pl.land voor verpauperde wijken waar allochtonen woonden (VB: Bijlmer)
- Beleid van woningbouwverenigingen en de lokale overheid.
- Kettingmigratie (allochtonen zoeken elkaar op)
- Aanwezigheid van voorzieningen voor allochtonen.

§4.4

Is Nederland vol?dichtbevolkte gebieden met allochtonen:” ja”! Dunbevolkte gebieden:” nee”.
Er wordt beweerd dat immigranten de tijdelijke tekorten op de arbeidsmarkt oplossen.
Multicultureel; westerse cultuur overheerst alle anderen.
Acculatie: verandering van culturen door in aanraking komen met elkaar.
Assimilatie: immigranten passen zich volledig aan de cultuur aan. - sprake van integratie.

Paragraaf 5; internationale migratie.

§5.1

Immigranten in EU zijn hoofdzakelijk uit de omringende EU-landen.
Verhoudingen van samenstelling van migranten:
België. Frankrijk, Portugal - Afrikaanse nationaliteiten.
Duitsland - Oost/Zuid-Europesen.
Nederland - van alles en nog wat.

§5.2

Migratiegeschiedenis van Europa vs. Nederland.
In de oorlog kwamen er veel mensen van buiten europa naar europa.
In eind jaren 60, begin 70 ging het beter met europa en waren er laaggeschoolde krachten nodig - gastarbeiders. Zij keerden jaarlijks terug naar lvh - cirkelmigratie.
Oliecrisis 1973 - geen arbeiders meer nodig grenzen werden gesloten.
Migratiemogelijkheden:
- Gezinshereniging/vorming
- Asielzoeker/vluchteling
- Illegale migratie
Verdeling EU-landen sterk beïnvloed door 4 factoren:
1. verdeling v. industrie en diensten tijdens arbeidsmigratie
2. oude koloniale banden
3. aanwezigheid van landgenoten
4. relatieve ligging van Unielanden t.o.v. herkomstlanden.

§5.3

Aantrekkingsgebieden: (west) europa, Noord-Amerika, Oceanïe, Pacifische eilanden.
Afstotingsgebieden: Latijns-Amerika,Afrika.
Gemengd beeld: Azië.

§5.4

Er is een economische welvaartskloof tussen noord en zuid.
Meeste migratie vind plaats van zuid naar noord.
Geen een land in EU noemt zich immigratieland. Na 1973 (Oliecrisis) alle europese grenzen dicht. - gevolg, illegaliteit.
Fort Europa - buitengrenzen van EU zijn economische vrijwel waterdicht afgesloten.

§5.5

Ruraal-urbanische-migratie = zuidelijk asielzoekers vestigen zich eerst in plattelandsgebieden en daarna in grotere steden.
Urbaan-urbane-miratie= van kleine naar grotere steden migreren. & als dat zich een aantal malen herhaalt: getrapte-migratie.
Primate city= allesoverheersende stad. Asielzoekers richten zich hier vaak op.

§5.6

Invloed van migratie op economische ontwikkelingen, zowel vestiging als vertrekland.
Gevolgen voor vertrekgebied:
- ondernemende mensen vertrekken; komt een tekort aan - brain drain.
- Migranten maken geld over naar hun moederland.
Gevolgen bij getrapte migratie:
- Overurbanisatie: te weinig werk voor het aantal mensen
- Te weinig woningen - krottenwijken.
- Migranten maken kennis met andere manier van leven; sociale problemen
Gevolgen voor vestigingsgebied bij internationale migratie:
- Kosten voor opleidin, ziekte etc
- Procentuele daling (Suriname -30% NL +0,7%)
- Samenstelling van bevolking veranderd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.