Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Mens en Milieu, hoofdstuk 1

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1845 woorden
  • 26 augustus 2008
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Aardrijkskunde, Mens en Milieu

Paragraaf 1.1: de ecologische benadering

Vanuit deze invalshoek bekijk je het landschap als een ecologisch systeem, met onderlinge relaties.
Als een landschap al lang in dezelfde vorm bestaat, zijn de relaties stabiel. Wat dus betekent dat er evenwicht in het ecologische systeem. Een verandering in het systeem kan tot gevolg hebben dat het hele systeem verandert. Zo kunnen er bijvoorbeeld wegen aan worden gelegd, waardoor bepaalde soorten flora kan verdwijnen waardoor weer fauna kan verdwijnen enz.
• Abiotische wereld: niet-levende onderdelen van een ecosysteem of een landschap, zoals gesteenten, reliëf, grondsoorten, bodem, water, atmosfeer, enz.

• Biosfeer: de levende onderdelen van een ecosysteem: de wereld van planten (flora) en dieren (fauna); ook: alle ecosystemen op aarde samen.
• Noösfeer: de mensen als onderdeel van een ecosysteem
Zie extra bijgevoegd blad.

Paragraaf 1.2: de genetische benadering

Bij de genetische benaderingswijze bestudeer de ontstaansgeschiedenis: welke processen hebben het landschap gevormd? Dat kunnen natuurlijke processen zijn maar ook menselijk processen vormen het landschap: hoe beïnvloeden ze door allerlei activiteiten het uiterlijk van het landschap.

Paragraag 2.1: Geologie en geomorfologie

Het uiterlijk van het NL landschap is beïnvloed door verschillende natuurlijke processen. De wind, de zee, de rivieren en het ijs hebben allerlei afzettingen of sedimenten zoals grind, zand, keileem, klei of loss in NL neergelegd.
Door water, wind en ijs ontstonden er in het landschap heuvels, dalen en vlakten.

In de ontstaansgeschiedenis van NL onderscheidt men een aantal belangrijke geologische perioden.

• Sedimenten: materiaal dat onder invloed van bewegingen van wind, water en ijs wordt neergelegd; ook wel afzettingen genoemd.
• Geologie: het bestuderen van natuurlijke processen waardoor het landschap is ontstaan.
• Geomorfologie: het bestuderen van vormen van het landschap.

Paragraaf 2.2: de periode vóór het Kwartair

Het NL landschap is vooral tijdens het Kwartair gevormd. De ontstaansgeschiedenis van NL begon al veel eerder, want de aarde is waarschijnlijk ruim 4,5 miljard jaar oud.
Nederland heeft vroeger dan ook verschillende klimaten gekend:
1. Carboon › tropisch klimaat: NL was toen moerasachtig gebied waar dikke lagen veen werden gevormd, wat later weer werd samengeperst tot steenkool.
2. Perm › NL werd voor een deel overspoeld door de zee en legde klei neer met een hoog zout gehalte.
3. Trias › woestijnklimaat: NL was toen bedekt met een dikke lagen zand, wat later weer verhardden tot zandsteen.
4. Krijt › NL werd opnieuw overspoeld door de zee, uit afgestorven schelpdieren en kleiafzettingen ontstond later zachte kalksteen of mergel. In Zuid-Limburg vind je deze afzetting nog dicht aan het oppervlakte.
Maar de meeste afzettingen liggen honderden meters onder de grond, bedolven door jongere lagen die in het Kwartair zijn ontstaan.
• Kwartair: geologisch tijdperk van 2,5 miljoen jaar geleden tot het heden, bestaande uit de perioden Pleistoceen en Holoceen.

Paragraaf 2.3: het Pleistoceen

Het Pleistoceen wordt ook wel de periode van de ijstijden genoemd. IJstijden of glacialen zijn koude periode met een gemiddelde zomertemperatuur lager dan 10 °C. Ze worden afgewisseld met interglacialen of tussenijstijden met een gemiddelde temperatuur hoger dan 10 °C
Afzettingen:
1. Laag NL › afzettingen van het Pleistoceen vormen de ondergrond. Later werden deze sedimenten bedekt met jongere lagen uit het Holoceen.
2. Hoog NL › afzettingen van het Pleistoceen vormen de ondergrond. Deze zijn niet bedekt en liggen daarom ook vaak nog aan de oppervlakte.
• Glacialen: langdurige koude periodes tijdens het Pleistoceen met een gemiddelde zomertemperatuur lager dan 10 °C; ook wel ijstijden genoemd.
• Interglacialen: langdurige warmere periodes tussen twee glacialen met een gemiddelde zomertemperatuur hoger dan 10 °C: ook wel tussen ijstijd genoemd.
Periodes in het Pleistoceen:
Preglaciaal: kwam in NL afwisselend met glacialen en interglacialen voor. de grote rivieren uit het zuiden en oosten legden dikke lagen zand, klei en grind in de vorm van een puinwaaier over NL. In de koude perioden lag veel water opgeslagen in smeltkappen en kwam niet als smeltwater via de rivieren terug in de zee, daardoor lag de Noordzee droog en lagen veel rivieren meer naar het westen. Door de grote stroomsnelheid in de rivieren werd er grind en zand afgezet. In de warmere periodes schoof de kustlijn meer naar het oosten, hierdoor raakte zelfs een deel van NL overspoeld door de zee, daardoor nam weer de stroomsnelheid af en werd er klei neergelegd. Zo ontstond, doordat NL daalde, grote dikke lagen zand, klei en grind.
• Fluviatiele sedimenten: materialen die zijn afgezet door de win.
Aantekening Preglaciaal:
• Oudste periode • ijs tot in Zuid Scandinavië en Polen. Rest van Europa heeft toendra klimaat.
Dit gebied was doorsneden met smeltwater rivieren.
› flavio-glaciale afzettingen: (zand + grind)
Temperatuur net boven 0 °C
Glaciaal: ook wel Saalien genoemd en het is de voorlaatste ijstijd. In deze periode was het zo koud dat Scandinavisch landijs zich uitbreidde naar NL. Het ijs kwam tot in de HUN-lijn terecht doordat de ijstongen die in de zuidrand gevormd werden door de grote ijskap, makkelijk via de oude rivierdalen naar het zuiden konden schuiven. Het Preglaciale zand werd hierdoor gebruikt om stuwwallen mee te vormen (z.o.z.). Onder druk van de dikke ijsmassa werden zand en grind deels tot leem vermalen. Zo ontstond keileem of grondmorene onder het ijs. Samen met de meegevoerde zwerfkeien vormen zij glaciale sedimenten.
De ijstongen smolten aan de randen weg, dit water kwam in beekjes terecht en schuurde diepe smeltwaterdalen in de stuwwallen uit. Aan de andere kant van de wal werd het zand als fluvioglaciaal sediment neergelegd. Zo ontstond er een spoelzandvlakte of een sandr.
• Saalien: ijstijd tijdens het Pleistoceen, waarbij NL gedeeltelijk werd bedekt met landijs uit Scandinavië (tot aan de HUN-lijn); vroeger ook Riss-ijstijd genoemd.
• Stuwwallen: heuvelruggen ontstaan door het opstuwen van sedimenten door landijs tijdens het Pleistoceen.
• Keileem: glaciale afzetting, bestaande uit een ondoorlatend mengsel van hele stenen en tot leem vermalen keien, grind en zand.
• Glaciale sedimenten: materialen die zijn afgezet door landijs.
• Fluvioglaciaal sediment: materialen die zijn afgezet door het smeltwater van landijs.
• Sandr: flauw hellende vlakte naast een stuwwal, bestaand uit zand en grind afgezet door het smeltwater van het landijs dat de stuwwal vormde; ook wel spoelzandvlakte genoemd.
• Keileembulten: lage heuvels van opgestuwd keileem, ontstaan tijdens het tijdelijk uitbreiden van het landijs tijdens het laatste deel van het Saalien.
Aantekeningen Glaciaal:
• geomorfologsche afzettingen > stuwwallen (zie tekening) • ijs kwam tot de Haarlem Utrecht Nijmegen lijn (HUN-lijn) • glaciale afzettingen: zwerfkeien + keileem (zie tekening)
Postglaciaal: tijdens het Postglaciaal was er een korte warme periode, het Eemien. De rivieren en de zee legden zand en klei neer.
Daarna begon de laatste ijstijd, het Weichselien. Het was er niet zo koud dat NL bedekt werd met ijs, maar er heerste wel een toendraklimaat en de ondergrond was voortdurend bevroren (permafrost).
De zeespiegel was weer gedaald waardoor een deel van NL droog lag en ook was er weinig plantengroei waardoor er door westenwinden dikke lagen zand konden worden neergelegd. Dit dekzand vormden in Oost-NL langgerekte ruggen met hoogteverschillen van enkele meters. De fijnste deeltjes werden landinwaarts neergelegd, deze löss kwam terecht in de luwte van de stuwwallen bij Dieren en Nijmegen. Door de toendravegetatie bleef ook op de heuvels in Zuid-Limburg löss liggen. Dekzand en löss zijn windafzettingen of eolische sedimenten.
• Eemien: interglaciaal in het Pleistoceen tussen de glacialen Saalien en Weichselien.
• Weichselien: glaciaal in het Pleistoceen waarin de ondergrond van NL permanent bevroren was, maar waarin het landijs NL niet heeft bereikt.
• Eolische sedimenten: materialen die zijn afgezet door de wind.
Aantekeningen Postglaciaal:
• temperatuur stijgt • eolische afzettingen: dekzand + löss (in Zuid-Limburg en Nijmegen.

Paragraaf 2.4: het Holoceen

Na de laatste ijstijd volgde er weer een tussenglaciaal. Deze tijd, waarin we nog steeds leven, noemen we het Holoceen. De temperatuur steeg, de neerslag nam toe en naast kleine planten en struiken gingen er ook bomen groeien.
Vooral West- en Noord-NL met het Pleistocene landschap, werd bedekt met sedimenten van de zee. Daarnaast zorgden planten, wind, rivieren en beken voor nieuwe afzettingen. Ook heeft de mens tijdens deze periode grote invloed gehad.
• Holoceen: periode binnen het geologische tijdperk Kwartair van 10.000 jaar geleden tot heden.
1. West-NL › in het Holoceen waren er afwisselend regressieperiodes met langzame zeespiegelstijging en transregressieperiodes met een snelle zeespiegelstijging.
In de eerste regressieperiode steeg het grondwaterspiegel en ontstonden er moerassen, waar een eerste laag veen werd gevormd: basisveen.
Toen de zeespiegel daarna sneller steeg verplaatste de kustlijn zich landinwaarts. Ver voor de kust legde de zee zand neer (marien sediment) en ontstonden evenwijdig aan de kust strandwallen. De wind blies het zand tijdens het eb op en zo ontstonden de metershoge oude duinen. Achter de strandwallen lag nog een lagune die in verbinding stond met de zee (vergelijkbaar met de Waddenzee). Op het basisveen in die lagune werd door de zee oude zeeklei afgezet.
In de regressie periode die volgde slibde de lagune dicht en werd een moerasachtig gebied. In deze moerassen ontstond laagveen of Hollandveen.
• Regressieperiodes: periode van langzame relatieve zeespiegelstijging gedurende het Holoceen
• Transregressieperiodes: periode van snelle relatieve zeespiegelstijging gedurende het Holoceen.
• Organogeen sediment: materialen die zijn ontstaan door ophoping van organische planten- of dierenresten, bijvoorbeeld veen en kalksteen.
• Mariene sediment: materialen die zijn afgezet door de zee.
• Laagveen: afzetting, bestaande uit halfvergane plantenresten (zoals riet-, zegge-, en bosveen), die onder de zee- of grondwaterspiegel ligt.
Afzettingen
- regressieperiodes: veen (organogeen sediment)
- transregressieperiodes: zeeklei
2. Noord- en › hier verliep de afzetting van basisveen, oude zeeklei en laagveen
Zuidwest- NL op dezelfde manier als in West-NL. Maar in deze gebieden vormden de oude duinen geen duinenrij.
De zee sloeg tijdens de transregressie periodes de meeste oude duinen en het laagveen daarachter weg. Daarop werden er weer nieuwe strandwallen gevormd met daar weer op jonge duinen. In het lagunegebied achter deze duinen bezonk jonge zeeklei. Deze afzetting vind je dus op de bodem van het huidige Waddenzee en IJsselmeer.
3. Hoog-NL › in enkele gebieden in hoog-NL ontstond in het Holoceen hoogveen. Dit gebeurde vooral met een slecht doorlatende grond, zoals keileem in Noord-NL, of in gebieden met een oude kleilaag, zoals het Peelgebied. Hierdoor kon het water niet wegzakken en zo ontstonden er moerrassen waar zich veen vormde. Dat veen bestaat voor een groot deel uit het plantje veenmos. Dit plantje is, in tegenstelling tot vele andere veenplanten, niet afhankelijk van het grondwater maar van het voedselarme regenwater. Doordat dit keer op keer gebeurde, liggen de hoogveengebieden hoger.
• Hoogveen: afzetting, bestaande uit halfvergane plantenresten (met name veenmosveen), die boven de zee- grondwaterspiegel ligt.
4. Rivieren- › tijdens overstromingen van grote rivieren (Maas, Waal, Rijn en gebied IJssel) werden dicht bij de rivier zand en zavel afgezet. Zo ontstond aan beide kanten van de rivier een oeverwal. Op grote afstanden van de rivier bezonk klei in de komgronden. De komgronden liggen lager dan de oeverwallen omdat zand een groter volume dan klei heeft. Ook neemt het volume van klei bij vochtverlies af: inklinking. Een rivierbedding vormt samen met de oeverwallen een stroomrug. Een rivier koos na een overstroming regelmatig een andere loop/ de oude rivierbedding met oeverwallen werd bij nieuwe overstroming met klei bedekt. In het rivierengebied vind je nu een ingewikkeld patroon van stroomruggen, oeverwallen en komgronden.
• Oeverwal: hogere delen aan weerszijde van een rivier, bestaande uit zand, zavel en lichte klei, die zijn ontstaan tijdens overstromingen.
• Komgronden: lage komvormige delen van het rivierenlandschap waarin tijdens overstromingen (zware) klei is afgezet, die later is ingeklonken.
• Inklinking: onomkeerbaar proces waarbij het volume van klei- of veen vermindert door verdroging of oxidatie.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.