Kwartair, Natuur en Milieu H1

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 1124 woorden
  • 25 augustus 2003
  • 36 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
36 keer beoordeeld

Natuur en Milieu H 1. Nederland, een mozaïek aan landschappen. Landschap en natuur. Midas Dekkers. Natuur = waar de mens van af is gebleven. Landschap = ex-natuur waar de mens iets moois van heeft gemaakt. Ex-natuur = waar de mens iets lelijks van heeft gemaakt. Natuurlandschap = als de basisstructuur van een landschap bepaald is door natuurlijke processen. De belangrijkste kenmerken van zo’n landschap zijn: - De bodem. - Het reliëf. - De vegetatie. Cultuurlandschap = als de belangrijkste kenmerken van een landschap het gevolg zijn van menselijke activiteiten. De belangrijkste kenmerken van zo’n landschap zijn: - Nederzettingsvormen. - Kavelvormen. - Infrastructuurpatronen. - Typen bodemgebruik. Hoofdvraag. Hoe ziet de landschappelijke diversiteit van Nederland er uit en op welke wijze zijn de verschillende landschappen door natuurlijke en menselijke processen gevormd? § 1. Het landschap door verschillende brillen. Deelvraag. Op welke drie manieren kun je het landschap bestuderen. Landschappen onderscheiden zich van elkaar door verschillen in: - Grondsoort. - Hoogteligging. - Flora en fauna. - Agrarisch bodemgebruik. - Typen nederzettingen

Deelvraag. 1. De visuele benaderingswijze. * Als de uiterlijke vormen van het landschap het uitgangspunt zijn. Landschapsvormen = onderdelen van het landschap met een specifieke reliëfvorm. Bijvoorbeeld: heuvels, dalen, vlakten, plateaus. Landschapselementen = naast landschapsvormen ook andere zichtbare landschapsonderdelen. Bijvoorbeeld: dijken, akkers, bomen, rivieren, kanalen, plassen, bebouwing, spoorlijnen. ** Het maakt niet uit of dezen vormen en elementen door natuurlijke of door menslelijke processen zijn ontstaan. 2. De ecologische benaderingswijze. * Als je het landschap bekijkt als een ecologisch systeem, met nadruk op de interne werking. Het gaat hierbij om de relatie tussen de levende (biotische) en niet-levende (abiotische) onderdelen van het landschap. Bijvoorbeeld: water, bodem, vegetatie. Dit heet een landschapssysteem. Eén onderdeel kan het hele systeem veranderen. Maar als een landschap al lang in dezelfde vorm bestaat, dan zijn de relaties stabiel geworden en dan is er een evenwichtssituatie ontstaan. Het evenwicht bepaald dan ook het karakter van het landschap. Bij deze benaderingswijze kijk je naar de onderlinge beïnvloeding van: reliëf, grondsoort, atmosfeer, bodem, water, klimaat, flora, fauna, mens en hoe die de werking en het uiterlijk van een landschap bepalen. 3. De genetische benaderingswijze. * Als je onderzoekt welke processen gezorgd hebben voor het ontstaan van het landschap. Relicten = overblijfselen (die je in het landschap terug vind). Met de ontstaansgeschiedenis (genese) als uitgangspunt kun je een landschap weer op een hele andere manier bekijken en beschrijven. Elk landschapssysteem is beïnvloed door verschillende natuurlijke en menselijke processen. § 2. Puur natuur. Deelvraag. Hoe hebben natuurlijke processen de landschappelijke diversiteit beïnvloed. Kwartair. 1. Holoceen = van ± 10.000 jaar geleden tot nu. In deze periode ontstonden duinen. In deze tijd veranderde het klimaat. Door de temperatuurstijging en de toename van de neerslag ontwikkelde zich een weelderige plantengroei met kleine planten, struiken en bomen. Er was toen in Nederland een Pleistoceen landschap dat bedekt werd door verschillende mariene sedimenten. Deze snelle zeespiegelstijging (transgressieperiodes) en deze lange zeespiegelstijging (regressieperiodes) hadden als gevolg dat de poolijskappen gingen afsmelten. In het Holoceen speelt de invloed van de mens op het landschap ook een steeds grotere rol. 2. Pleistoceen = ijstijden, van ± 2,5 miljoen jaar geleden tot ± 10.000 jaar geleden. In deze tijd hebben afzettingen in heel Nederland gezorgd voor het ontstaan van de ondergrond van laag-Nederland en de voor de landschapsvormen van hoog-Nederland. De pleistocene afzettingen in laag-Nederland werden tijdens het Holoceen bedekt met jonger afzettingen. ** We leven nu in de kwartaire periode. Pleistoceen. A. Postsaalien = na de ijstijd. Heel veel zand over Nederland heen gewaaid, je ziet het in Nederland nog op bijv de Veluwe. B. Saalien = ijs in Nederland. IJs over Nederland heen geschoven, stuwwallen is een heuvel, zand dat opgedrukt is. C. Presaalien = voor de ijstijd. Dit was de enige keer dat er een ijstijd was in Nederland, in Duitsland waren er 4 ijstijden. Een ijstijd ontstaat als er sneeuw wordt omgezet in ijs wat niet kan smelten, dan krijg je grote bergen ijs. Dan versnelt het proces. Deze koude periode het glaciaal. Glacialen, oftewel ijstijden, zijn dus periodes met een gemiddelde zomertemperatuur die lager is dan 10 °C. Men denkt dat zo’n bult ijs circa 200 meter hoog is. Op een gegeven moment gaat het bovenste van zo’n berg ijs weer smelten, die tussen periode heet: interglaciaal. Vervolgens krijg je weer een hele warme periode. Het is namelijk een golfbeweging. Bij een ijstijd is het water uit de zee en ligt het in de vorm van ijs op het land. Er is dan sprake van twee lagen zeeklei en 1 laag veen. Als de grond bevroren is kan het water er niet doorstromen. * Sedimenten = afzettingen. * Vóór het Saalien zorgden de grote rivieren vanuit oostelijk en zuidelijke richtingen voor Fluviatiele sedimenten in de vorm van een rivierpuinwaaier. Hoe lager de stroomsnelheid, hoe lichter (en fijner) het materiaal moet zijn dat meegenomen kan worden door het water. De stroomsnelheid van het water is dus afhankelijk van het reliëf. Meer reliëf betekent een hogere stroomsnelheid. * In Noord- en Midden-Nederland komen glaciale sedimenten uit het Saalien voor. Deze landijsafzetting ontstonden als volgt: het landijs breidde zich uit en smolt af. Op een aantal plaatsen is zand, grind en/of kleileem opgestuwd door het oprukkende landijs. Glaciale landschapsvormen, zoals stuwwallen, ontstonden hierdoor. Stuwwallen kunnen ontstaan uit landijs, maar ook uit glaciale sedimenten die in eerdere fases door het Scandinavische landijs waren afgezet en bij het opnieuw uitbreiden en bij het opnieuw uitbreiden van het ijs werden opgestuwd. * Keileembulten = de lage stuwwallen. Het landijs zorgde dus voor stuwwallen, maar ook voor glaciale afzettingen zoals bijvoorbeeld: keileem of grondmorene en zwerfkeien. * Sandrvlakten = spoelzandvlakten = licht hellende, vlakke landschapsvormen. Ze ontstaan als volgt: smeltwater schuurde op veel plaatsen in de stuwwallen smeltwaterdalen uit. Door het smeltwater werden zand en grind voor de stuwwallen afgezet. * Eemien =een interglaciaal na het Saalien. Nadat de permafrost hierin, uit de bodem was verdwenen, kon het water van de smeltwaterbeken in de grond zakken en zo ontstonden de ‘droge dalen’. Tijdens deze periode werden zeeklei en zand afgezet door rivieren en door de zee. * Weichselien = een ijstijd, oftewel een glaciaal. Tijdens het Weichselien zorgde de wind voor eolische sedimenten. De dalen van Nederland werden bezaaid met dekzand, dit zand komt uit hele andere delen van Nederland. In het Weichselien zijn de Noordzeebekken drooggevallen, daar komt het zand vandaan. Het zand bedekte vervolgens de oudere pleistocene afzettingen. De microreliëf, dat veel voorkomt in hoog-Nederland is hierdoor ontstaan. Door het opwaaien en verplaatsen van zand uit de droge rivier- en beekbeddingen ontstonden er rivierduinen. Nederland ligt in een dalingsbekken, door bewegingen van de aardkorst. Dit gebied wordt ook wel het Noordzeebekken genoemd. Tijdens een regressieperiode werden in West-Nederland in moerasgebieden organogene sedimenten gevormd. Veen behoort tot de afzettingen. Toch betekend afzt
Landschappelijke diversiteit = als er allerlei factoren en processen van invloed zijn geweest op het uiterlijk van het landschap, waardoor er een grote verscheidenheid van landschappen ontstaat.

REACTIES

L.

L.

wow wat een slechte verslag totaal een 1

9 jaar geleden

M.

M.

dat is niet waar vindt het een 10

9 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.