Hoofdstuk 9 Indonesie

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 5006 woorden
  • 22 mei 2015
  • 35 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 35 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

2. Een complexe natuur met veel natuurlijke hulpbronnen.



2.1 De opbouw van eilanden door subductie.



Indonesië is een archipel (= een eilandengroep of een gebied met veel eilanden, meestal vulkanisch van oorsprong). Subductie is verantwoordelijk voor het ontstaan van de eilanden, de aanwezigheid hiervan is te zien aan de diepzeetroggen voor de kust van de eilandboog (zie afbeelding).



Doordat de Indisch-Australische plaat onder de Euraziatische plaat duikt komt er explosief vulkanisme voor (subductie). Door de samendrukking en plooiing van lagen sediment op de zeebodem ontstaan plooiingsgebergte. Subductie veroorzaakt in Indonesië: het ontstaan van eilanden, het voorkomen van explosief vulkanisme en plooiingsgebergte.



De meeste eilanden kennen de volgende geologische opbouw:




  1. Reliëfrijke kerngedeelte.




  • Bestaat uit jong plooiingsgebergte en een rij stratovulkanen of calderavulkanen.

  • Vulkanen worden omringd door vulkanische afzettingen: lagen gestolde lava die uit graniet bestaan en lagen basalt die bij verwering een vruchtbare bodem geven à belangrijk voor landbouw.




  1. Kustzones.




  • Lager gelegen gebieden komen voor, met kalklagen die door de zee zijn afgezet. De kalkgebieden zijn vaak droog en moeilijk te bebouwen.

  • Riviervlakten met rivierklei. De vruchtbare rivierklei zorgt voor productieve bodems (à intensieve rijstbouw).



2.2 Een tropisch klimaat met veel neerslag.



Door de absolute ligging rondom de evenaar ligt Indonesië in de tropische landschapszone waardoor het een A-klimaat (tropisch regenklimaat) heeft met hoge temperaturen. Ten aanzien van de neerslag is er een onderscheid in een Af-klimaat (hele jaar neerslag) en een Aw-klimaat (moessonklimaat) met halfjaarlijkse neerslag in de zomer. De neerslag wordt veroorzaakt door de intensieve verhitting van de zon rondom de evenaar, die zorgt voor opstijging van lucht en lage druk (à ITCZ). De grote hoeveelheid neerslag in Indonesië valt onregelmatig verdeeld over het jaar. Dit komt door de halfjaarlijkse verplaatsing van de lage druk die de loodrechte zonnestand volgt. Het gevolg is een halfjaarlijkse omkering van de windrichting van de passaten. De passaten hebben daarom het karakter van een moesson die afwisselend voor droogte en voor neerslag zorgt.




  • Periode november-april. De moessonwind waait vanaf Azië via Indonesië naar Australië. Australië kent een lagere druk dan Indonesië omdat het in deze periode sterker verwarmd wordt. Op het Aziatische continent is het in deze periode winter waardoor het een hogere druk heeft. Wind gaat altijd van hoge druk naar lage druk. Dus: de wind waait vanaf Azië vanuit noordoosten. Hierna passeert de wind de evenaar, draait de wind en waait vanuit het noordwesten en westen (afwijking naar links op het zuidelijk halfrond door wet van Buys Ballot). Deze natte westmoesson brengt door opname van vocht boven zee veel neerslag in Zuid-Sumatra en Java (zie afbeelding).

  • Periode mei-oktober. De moessonwind waait nu van Australië via Indonesië naar Azië. In Noord-Australië is er nu een hoge druk, doordat het daar winter is. Azië wordt nu sterker verwarmd en heeft een lage druk. Ten zuiden van de evenaar is in Indonesië sprake van een droge oostmoesson. Het is droge karakter komt door het hogedrukgebied boven Australië en de korte weg over zee. Ten noorden van de evenaar draait de wind en waait er een natte zuidwestmoesson (zie afbeelding).



2.3 Veel natuurlijke gevaren.



Natuurrampen komen veel voor in Indonesië, waarvan aardbevingen, aardverschuivingen en overstromingen het meest. Natuurrampen zorgen voor veel doden en gewonden, maar ook voor landdegradatie. De belangrijkste soorten natuurrampen zijn:




  • Aardbevingen en tsunami’s. Door de aanwezigheid van plaatgrenzen en breuken komen er in Indonesië regelmatig aardbevingen voor. Vooral bij de subductiezones zijn er zware aardbevingen. Wanneer de zeebodem in trilling wordt gebracht kan door de zeebeving een tsunami ontstaan.

  • Vulkanisme. Vulkanisme met een soms hevig explosief karakter hoort bij Indonesië. In Indonesië zijn een honderdtal vulkanen nog vrij recent actief. Op Java zijn het bijvoorbeeld de vulkanen: de Merapi (2010), de Kelut (2010), de Bromo (2011) en de Semaru (2012). Alle vulkanen worden in de gaten gehouden met een vulkaanbewakingsdienst met hoofdstation op Jakarta en 5 substations op Sumatra, Bali, Java, Papoea en Sulawesi.

  • Overstromingen. Wateroverlast hoort ook bij Indonesië. Door moessonregens en tropische stormen krijgen rivieren in een korte tijd veel water te verwerken. Een plotselinge, alles vernielende overstroming die dorpen en landbouwgronden bedreigt, is het gevolg. In het Indonesisch heet zo’n plotselinge stroming een bandjir. Door de intensieve verwering en de sterke erosie bevatten rivieren erg veel slib; de grote slibafvoer is vooral in havengebieden een groot probleem.

  • Modderstromen en aardverschuivingen. Door de combinatie van hellingen met een dikke verweringslaag en intensieve tropische regenval komen er veel modderstromen en aardverschuivingen voorkomen. Vooral de lagen vulkanische as op vulkaanhellingen zijn erg gevoelig voor helling afwaarts transport. Een lahar is een bijzonder soort modderstroom als gevolg van een vulkaanuitbarsting. Door vulkaanuitbarstingen kunnen enorme wolkbreuken optreden; het water samen met het losse vulkanische materiaal vormt dan een modderstroom.



2.4 Een grote rijkdom aan delfstoffen.



Indonesië is zeer rijk aan delfstoffen. De belangrijkste zijn:




  1. Aardolie en aardgas.


    • In Indonesië te vinden op zowel de eilanden als in de zee.

    • Winning sinds 1967 intensief doordat het voor buitenlandse ondernemingen mogelijk werd om in de productie van aardolie en aardgas te investeren.

    • De productie is de afgelopen vijftien jaar gedaald door gebrek aan investeringen in nieuwe putten. Het binnenlands gebruik groeide echter wel waardoor Indonesië vanaf 2004 aardolie moest gaan importeren.



  2. Ertsen en mineralen.

    • Aanwezigheid van metaalertsen hangt samen met de aanwezigheid van plooiingsgebergte en vulkanisme.

    • Het ontstaan: bij opheffing van het plooiingsgebergte is magma in de kern van de gesteentelagen gedrongen en gestold à er ontstonden ertsaders die door erosie dicht aan de oppervlakte zijn gekomen.

    • Belangrijke metaalertsen die in Indonesië worden gewonnen zijn tin, nikkel, goud, zilver en koper. En in de vulkanische gebieden wordt ook vaak zwavel gewonnen.

    • Indonesië bezit ook grote voorraden bauxiet, het is een restproduct van de intensieve tropische verwering waarbij alle mineralen behalve aluminium en ijzer zijn opgelost. Als aluminium overheerst er wordt gesproken van bauxiet.





3. De uitgangssituatie voor globalisering: het Nederlandse koloniale verleden.



3.1 Een mix van volken en culturen.



Indonesië is een land met:




  • Veel etnische verschillen. Bewoners van Indonesië horen tot de volgende etnische bevolkingsgroepen:


    • Maleiers. Zij vormen de belangrijkste etnische bevolkingsgroep. Het zijn licht getinte mensen, zij vormen de basis van de Indonesische bevolkingsgroep. Zij bewonen heel Indonesië behalve Papoea en zijn oorspronkelijk afkomstig van Zuid-Azië. Binnen de Maleiers zijn de Javanen (41% van de bevolking) de belangrijkste bevolkingsgroep; zij wonen op het dichtbevolkte Java en hebben de meeste culturele én politieke macht. Veel Javanen bekleden belangrijke functies bij de overheid en het leger. Het Maleis is binnen Indonesië de universele taal (lingua franca) en heeft in tegenstelling tot andere landen met veel etnische bevolkingsgroepen geen nationaal taalprobleem.

    • Melanesiërs. Zij vormen de donker gekleurde etnische bevolkingsgroep in Indonesië. Het zijn vooral Papoea’s die in Papoea hun woongebied hebben.

    • Chinezen. Zij vormen de grootste etnische minderheidsgroep. De ruim 8 miljoen Chinezen vormden in 2010 3.7% van de bevolking.



  • Veel taalkundige verschillen. Er zijn meer dan 300 verschillende etnische groepen waardoor er ook 300 verschillende talen worden gesproken.

  • Veel religieuze verschillen. Via Indiase en Arabische kooplieden kwam er een kennismaking met de Islam. Indonesië is nu het grootste islamitische land ter wereld: 87% van de bevolking is islamitisch.



3.2 Handelskolonialisme en exploitatiekolonialisme.



Van 1602 (de stichting van de VOC) tot 1945/1949 (de onafhankelijkheid), werd het lot van Indonesië bepaald door de Nederlandse koloniale macht:




  • Er was eerst een periode van handelskolonialisme (1602-1850). Het ging de Nederlanders vooral om de handel in specerijen. Dit deden ze vanuit handelsposten. Batavia (het latere Jakarta) op Java werd de centrale plaats van waaruit alle activiteiten werden geregeld. Rond 1625 was de VOC de machtigste handelsonderneming ter wereld: zij hadden als enige toegang tot de nootmuskaat, foelie en kruidnagels op de Molukken en de pepergebieden op Java en Sumatra.

  • Door de Industriële revolutie ontstond exploitatiekolonialisme (1850-1949). Indonesië was vanaf nu niet alleen leverancier van allerlei grondstoffen maar een ook afzetgebied voor de opkomende industrie in Nederland. Daarvoor moest Indonesië een stabiel en veilig karakter krijgen. Er werden een aantal oorlogen gevoerd (op Aceh, Lombok en Bali) om Indonesië onder Nederlands bestuur te laten vallen. Pas rond de Eerste Wereldoorlog was Nederlands-Indië een politieke eenheid geworden.



Na 1850 groeide de plantagebouw: op de plantages werden allerlei gewassen verbouwd bestemd voor Nederland en de wereldmarkt. Op Java kwamen er suikerplantages, op andere eilanden (zoals Sumatra) werden er andere gewassen belangrijk zoals rubber, tabak, koffie en palmolie. De opkomst van de plantages zorgde ervoor dat contactarbeiders uit China migreerden naar Indonesië.



3.3 De koloniale bijdrage aan ontwikkeling.



Naast negatieve effecten had de koloniale tijd ook positieve kanten voor Indonesië. De koloniale tijd zorgde voor ontwikkeling in:




  1. Een goede infrastructuur. Er werd gezorgd voor de aanleg van spoorlijnen, wegen, bruggen en havens, bedoeld om grondstoffen en agrarische producten snel en goedkoop te kunnen afvoeren en naar Nederland te verschepen. Ook werden er drinkwatervoorzieningen aangelegd en kwam er elektriciteit in een groot aantal steden en dorpen.

  2. Irrigatielandbouw. -Nederlandse ingenieurs hebben grote oppervlakten landbouwgrond geschikt gemaakt voor agrarische productie. Er zijn irrigatiesystemen en afwateringskanalen aangelegd die nog steeds functioneren. Nederland heeft gezorgd voor de invoering van de plantagelandbouw. Grote ondernemingen werden opgericht die op grote schaal voor de export produceerden.

  3. Gezondheidszorg en onderwijs. Rond 1900 ging Nederland zich verantwoordelijk voelen voor de ontwikkeling van Indonesië en begon met een ethische politiek. Er werden scholen en hospitalen gebouwd en de gezondheidszorg werd doormiddel van vaccinatieprogramma’s verbeterd.

  4. Centraal gezag. Nederland heeft de basis gelegd voor de eenheidsstaat Indonesië. Heel Indonesië is onder één bestuur gebracht, wat erg lastig was door het archipelkarakter en de vele volkeren. Met veel moeite en oorlogen is er in 1920 eenheid gekomen.



3.4 De dekolonisatie in een notendop.



Het huidige Indonesië neemt volop deel aan de globalisering. De weg erheen is in een aantal fasen verlopen:




  1. Onafhankelijkheid. Er ontstond steeds meer verzet tegen de koloniale overheersing, vanaf 1928 begon er een strijd om onafhankelijkheid onder leiding van Soekarno. De Japanse bezetting van Indonesië was een tussenfase in die onafhankelijkheidsstrijd. De overgave van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger aan de Japanners in maart 1942 was belangrijk: Nederland bleek niet onoverwinnelijk. Enkele dagen na de Japanse capitulatie (17 augustus 1945) riep Soekarno de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Pas op 27 december 1949 erkende Nederland de soevereiniteit van Indonesië. Soekarno werd het eerste staatshoofd.

  2. Beperking van buitenlandse invloed. De start van het onafhankelijke Indonesië verliep niet gunstig. Er waren te weinig mensen om de economische opbouw te leiden en de financiële middelen ontbraken ook. Veel bedrijven waren verwoest en in buitenlandse handen. Indonesië beperkte de buitenlandse invloed. In 1957 nationalisatie van eerst de Nederlandse bedrijven en later van alle buitenlandse bedrijven. De beperking van buitenlandse invloed had voor de economie had weinig resultaat, ook omdat de prijzen voor exportproducten als rubber en tin het op de wereldmarkt ook niet goed deden.

  3. Een nieuwe economische orde. Groeiende ontevredenheid leidde in 1965 tot een staatsgreep waarbij generaal Soeharto president werd. Het leger kreeg een dubbelfunctie: militaire taken maar ook een rol bij de economie en politiek. Er kwam een nieuwe economische orde met die invloed van het buitenland meer toeliet wat zorgde voor economische groei.

  4. Meer openheid. In 1997 kwam er een einde aan de economische groei door de Aziatische financiële crisis. Veel buitenlandse beleggers verloren hun vertrouwen in de Aziatische markt en trokken zich terug. Daardoor verloren miljoenen Indonesiërs hun baan. De onvrede nam toe en Soeharto moest aftreden. Zijn opvolgers zorgden voor economische en politieke hervormingen en er kwam steeds meer openheid naar het buitenland. Het gevolg was een toename van investeringen en vestigingen van buitenlandse bedrijven. De economische ontwikkeling is sindsdien voorspoedig.



4. Globalisering en de landbouw.



4.1 Kenmerken van de Indonesische landbouw.



Kenmerkend voor ontwikkelingslanden is dat een groot deel van de landbouw werkzaam is in de primaire sector (landbouw, bosbouw, visserij en mijnbouw). In Indonesië is dit ook het geval.



De Indonesische landbouw is te verdelen in:




  1. Traditionele landbouw: gericht op de teelt van voedselgewassen, zoals rijst. De voedselgewassen zijn bestemd voor eigen gebruik of voor de lokale markt.

  2. Commerciële landbouw: produceert handelsgewassen en voedselgewassen voor de nationale markt en de export. Belangrijk in deze groep is de plantagelandbouw met export van bijvoorbeeld palmolie, koffie of rubber.



De handelsbalans (= de verhouding tussen de waarde van de import en export) van voedselgewassen en plantagegewassen verschilt. Ten aanzien van de voedselgewassen streeft Indonesië naar zelfvoorziening en het voorkomen van import van voedsel. Ten aanzien van plantagegewassen is dit anders. Veel export zorgt voor een positieve handelsbalans voor inkomsten. Om te lage prijzen (en een slechte ruilvoet) te voorkomen wordt er gestreefd naar exportvalorisatie (= exportproducten moeten door een hogere kwaliteit of door een bewerking een hogere waarde krijgen (bijvoorbeeld bij bosbouw: geen export van ruw hout, maar meubels).



4.2 De traditionele landbouw.



Zwerflandbouw (ladang) vindt veel plaats in Indonesië. (bijv. Op Kalimantan en Papoea) Het is een oude, eenvoudige landbouwtechniek in het tropisch regenbos. Werking:




  1. Boeren ontginnen een stuk bos door het af te branden.

  2. Er worden gewassen geplant zoals rijst, cassave of mais.

  3. Akkers worden na twee jaar verlaten omdat de vruchtbaarheid sterk is afgenomen.

  4. Boeren ontginnen een ander stuk bos.

  5. Oude akkers blijven meestal tien jaar braak liggen tot de vruchtbaarheid weer goed is en de akker weer gebruikt kan worden.




  • Nadeel: Door bevolkingstoename is er behoefte aan meer eten en moet de braaktijd in worden gekort. De tijd voor herstel is dan te kort waardoor de bodem uitgeput raakt en de grond word nutteloos voor agrarisch gebruik.



Traditionele landbouw waarbij de grond permanent verbouwd word, komt ook veel voor in Indonesië. Rijst is in Indonesië het belangrijkste voedselgewas; het heeft een warm klimaat, een goede watervoorziening en zonlicht nodig. Het meest voorkomende is natte rijstbouw op geïrrigeerde akkers of sawa’s. Op sawa’s word ook suiker, tabak en soja verbouwd. Sawa bouw is een zeer intensieve vorm van landbouw die veel oogst oplevert. Droge rijstbouw kan alleen in gebieden met veel neerslag.



Door bevolkingsgroei en het systeem van verervering (volgens het islamitisch erfrecht erven alle kinderen) is er een versnippering van landbouwgrond waardoor bedrijven te klein worden om te bestaan.



Rond 1970 leverde de traditionele landbouw niet voldoende voedsel op en voedsel moest fors geïmporteerd worden. Maar door de Groene Revolutie veranderde dat dankzij de invoering van een aantal technische vernieuwingen in de landbouw vanuit westerse landen. Er werden nieuwe productieve rijstsoorten (High Yielding Varieties) toegepast. Deze hadden wel meer meststoffen. Dure bestrijdingsmiddelen en goed irrigatie en drainage nodig. Toch ging de productie uiteindelijk erg vooruit. Het nadeel was dat door de hoge kosten van de technische vernieuwingen in de landbouw kleine boeren door schulden in de problemen kwamen en hun grond moesten verkopen.



4.3 Moderne commerciële landbouw.



De plantagelandbouw is voor Indonesië erg belangrijk. Het is landbouw op grote bedrijven waar met moderne landbouwmethoden handelsgewassen worden geproduceerd voor de wereldmarkt. Voorbeelden van handelsgewassen zijn rubber, palmolie, koffie, thee, cacao, suiker, specerijen en tabak. Kort na de onafhankelijkheid ging het niet goed met plantagelandbouw. Door nationalisatie ontstonden er inefficiënte staatsbedrijven door nationalisatie. Na 1975 stimuleerde de overheid de uitbreiding van het aantal plantages, vooral op Kalimantan en Sumatra. De plantagelandbouw moest meer produceren voor internationale markt om zo afhankelijk te zijn van de inkosten uit olie en aardgas. Belangrijk zijn de palmolieplantages: het wordt voor veel producten gebruikt. Het is een grondstof voor margarine en bakolie en is noodzakelijk voor zeep, kaarsen, verf, voedingsmiddelen, en cosmetica. Unilever gebruikt het voor verschillende merken en het is nodig bij het maken van biobrandstof. Indonesië en Maleisië zijn in de wereld de twee grootste producenten van palmolie. De teelt is door overheid sterk gestimuleerd vanwege de toenemende vraag naar palmolie.




  • Een voordeel: het schiep werk doordat kleinere boeren ook plantagegewassen voor de export mochten produceren. Ze moesten adviseren bij productietechnieken en bij de keuze van soorten planten en bomen. Ze konden hun productie ter verdere verwerking verkopen aan de staatsplantages. Het inkomen steeg voor de kleine boeren.

  • De nadelen: 1. voor de plantages moet veel tropisch regenwoud worden gekapt. 2. Lokale boeren worden weggejaagd door de grote ondernemers.



4.4 Veranderingen in het voedingspatroon.



De productie van voedsel in Indonesië stijgt sinds 2000 te weinig om heel de bevolking te voeden waardoor Indonesië voedsel moet importeren. De oorzaken:




  • De vermindering van subsidies voor de aankoop van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.

  • Door de groei van steden is er minder landbouwgrond.

  • Globalisering. De overname van westerse levensstijl, de groei van inkomen bij een kleine groep mensen en de komst van buitenlandse ketens hebben ervoor gezorgd dat het voedselpatroon is veranderd: rijst overheerst niet meer en er is een toenemende consumptie van tarweproducten, fruit, groenten en veeteeltproducten à die moeten gedeeltelijk worden ingevoerd.



5. Globalisering en industrie en diensten.



5.1 Beklimt Indonesië de technologische ladder?



De opbouw van industrie en diensten in Indonesië heeft verband met economische ontwikkeling in de landen in Oost- en Zuidoost-Azië. Indonesië kan profiteren van zijn relatieve ligging (= de ligging van een gebied ten opzichte van een ander gebied, rekening houdend met de afstand en de bereikbaarheid) ten opzichte van landen die sterke economische groei kennen. Indonesië heeft veel externe economische relaties met Japan, Singapore, Zuid-Korea, Maleisië, Thailand en sinds kort China. Deze twee factoren leiden voor Indonesië tot een omvangrijke en groeiende handel.



Er zijn tussen de landen in Oost- en Zuidoost-Azië duidelijke verschillen in de Het verloop van de technologische ontwikkeling (technologische ladder) van een land:




  1. Van een laagwaardig niveau met weinig kennis, arbeidsintensieve productie, een laag loonniveau en veel primaire producten.

  2. Naar een hoogwaardig niveau met veel kennis, veel investering van kapitaal, een hoog loonniveau en veel hoogwaardige producten.



Wanneer een land de technologische ladder steeds hoger beklimt, kan het zijn voordeel voor bepaalde typen industrie of diensten verliezen. Als de loonkosten bijvoorbeeld stijgen, kunnen andere landen met een veel lager loonniveau de arbeidsintensieve productie overnemen.



Globale weergave van de ontwikkeling van de technologische ladder van landen in Oost- en Zuidoost-Azië:




  1. 1950-1960: Opbouw van importvervangende industrie en exportindustrie in Japan.

  2. 1960-1980: Opbouw van arbeidsintensieve exportindustrie op basis van lage lonen door eerste groep Nieuwe Industrie Landen: Hongkong, Singapore, Taiwan en Zuid-Korea. Japan investeert in mijnbouw (in o.a. Indonesië) om de aanvoer van grondstoffen veilig te stellen.

  3. 1980-1998: Eerste groep Nieuwe Industrielanden start met kennisintensieve en kapitaalintensieve productie. Tweede groep industrielanden (Thailand, Maleisië, de Filippijnen en China) neemt deel van de arbeidsintensieve productie over. Japan verplaatst arbeidsintensieve en vervuilende industrie naar onder andere Indonesië.

  4. 1998-heden: Japan en eerste groep Nieuwe industrielanden concentreren zich helemaal op kennisintensieve productie. Eenvoudige productie naar snel groeiende ontwikkelingslanden (zoals Indonesië en Vietnam). China is ten aanzien van arbeidsintensieve productie een grote concurrent van Indonesië.



5.2 De opbouw van industrie.



Opbouw importvervangende industrie



Na de onafhankelijkheid wilde Indonesië een eigen industrie opbouwen met het doel: zelf goederen produceren die anders moesten worden ingevoerd (importsubstitutie) zodat ze minder afhankelijk van het buitenland. Allereerst werden alle Nederlandse en andere buitenlandse bedrijven genationaliseerd en werden er staatsbedrijven opgericht. Vanaf 1980 werden er staatsbedrijven opgericht die Indonesië op een hoger technologisch niveau moesten brengen (vliegtuigindustrie, staalindustrie, auto-industrie (met hoge invoerrechten wat beschermt tegen buitenlandse concurrentie). Problemen waar Indonesië tegenaan liep tijdens de industrialisatie: gebrek aan kapitaal voor aankoop van grondstoffen en machines en er waren weinig ervaren hoogopgeleide managers.



Opbouw exportindustrie



Vanaf 1980: Indonesië meer een gemengde economie; naast staatsbedrijven ook particuliere bedrijven, gestimuleerd door de toenemende openheid naar het buitenland. Indonesië ging mee doen aan globalisering en richtte zich op de opbouw van een exportindustrie.  Er werden buitenlandse investeerders aangetrokken die tegen gunstige belastingtarieven investeerden en nieuwe bedrijven oprichtten. De buitenlandse investeringen (o.a. uit Japan) groeiden sterk.



De exportgerichtheid wordt gestimuleerd door de aanwijzing door de overheid van een aantal exportindustriezones (export processing zones) met gunstige vestigingsvoorwaarden en lage belastingen. De twee grootste exportindustriezones zijn:




  1. Exportzone in Noord-Jakarta die aan bijna 80.000 arbeidskrachten werk geeft.

  2. Het eiland Batam vormt een onderdeel van de economische groeidriehoek SiJoRi (= succesvolle samenwerking tussen Singapore, Maleisië, Indonesië).



Exportindustrie groeiden sterk door de komst van MNO’s uit vooral Japan, de VS, Europa en Zuid-Korea waarbij het lage loonniveau de aantrekkingsfactor was. Assemblage (= in elkaar zetten van industrieproducten uit losse onderdelen) van auto’s door fabrikanten (Honda, Toyota etc.) vindt ook veel plaats in Indonesië. In Java  zijn er veel fabrieken voor productie van textiel, kleding, plastic, voedingsproducten en elektronica. Java heeft de grootste concentratie van industrie binnen Indonesië. Meer dan de helft van de industrie zijn kleine en middelgrote bedrijven met menselijke arbeid, de grote bedrijven zijn wel grotendeels gemechaniseerd.



Onder andere door de opbouw van de exportindustrie is de handelsbalans vanaf 1990 positief. De waarde van de export van goederen en diensten is groter dan de import. Aan de samenstelling van het import-/exportpakket (= aantal en de soorten goederen en diensten die door een land worden geïmporteerd en geëxporteerd) is te zien dat bij de export de primaire producten het belangrijkst zijn, maar het aandeel van goederen uit de industrie groeit echter wel.



5.3 De Indonesische dienstensector



Formele sector



Vormen van dienstverlening met een vergunning van de overheid en waarbij belasting wordt betaald. De dienstverlening (tertiaire sector) draagt in 2010 voor ruim 35% mee aan bnp en bijna 49% van de beroepsbevolking vindt er werk. Vooral na 1990 is er, door de globalisering, een sterke groei van de handel, transport, financiële dienstverlening en het toerisme. Veel mensen vinden werk bij de overheid, banken, advocaten, ingenieursbureaus, supermarktketens, etc. (formele sector). De dienstensector vindt vooral plaats in de steden en neemt steeds meer toe door de MNO’S.



Voordelen toerisme:




  1. Het levert veel harde buitenlandse valuta op, waarmee Indonesië in het buitenland producten kan kopen.

  2. Het levert veel directe, maar nog meer indirecte werkgelegenheid op. (bijvoorbeeld: een hotelbed levert ook werk voor een wasserij, de taxibranche, gidsen, cateraars etc.)

  3. Het biedt mogelijkheden om cultuurschatten zoals de Borobudur en andere tempels te beschermen.

  4. Het biedt een bestaan aan vele kleine traditionele ambachtelijke bedrijven die door de industriële ontwikkeling in de problemen zijn gekomen.



Nadelen toerisme:




  1. Afhankelijkheid van toerisme maakt een land kwetsbaar. Als de toeristen wegblijven, ontstaan er problemen.

  2. Toeristen kunnen bedreigend zijn voor de Indonesische cultuur als zij geen rekening houden met de normen en waarden van de Indonesische bevolking.

  3. Voor de veeleisende toerist moeten vaak luxeproducten uit het buitenland worden ingevoerd en dat is duur. Inkomsten uit het toerisme  vloeien dan weer weg.



Informele sector (= het geheel van kleine bedrijfjes en activiteiten die niet formeel, dus niet binnen de wet en met een vergunning, bestaan en plaatsvinden)




  • Onvoldoende werk in de industrie en de dienstensector, daarom moeten veel mensen in de steden hun inkomen halen uit de informele sector.

  • Voorbeelden zijn: eetkraampjes, schoenenpoetsers, illegale taxichauffeurs, sjouwers.

  • Toerisme belangrijk voor deze vorm van dienstverlening.

  • De informele sector groeit nog dagelijks door de uittocht van mensen uit de landbouw en het platteland.



5.4 Java als centrum tegenover de periferie.




  • Mondiaal behoort Indonesië tot de periferie.

  • Nationaal: Java is het bestuurlijke en economische centrum van Indonesië.

  • Regionaal: tegenstelling tussen stad en platteland.

  • Lokaal: tegenstelling zakenwijken en krottenwijken



In Indonesië is er een grote tegenstelling tussen Java en de eilanden buiten Java (de buitengewesten). Er is sprake van een centrum-periferietegenstelling:



























Java (Centrum)



Eilanden buiten Java (Periferie)



Hoge bevolkingsdichtheid



Dunbevolkt



Sterke concentratie van industrie en diensten



Landbouw en mijnbouw bepalen de economie



Regio met het hoogste bruto nationaal product, levert ook hoogste bijdrage aan bnp.



Volgt Java op grote afstand op het gebied van bnp.



Hier worden op economisch gebied de belangrijkste besluiten genomen en komen de meeste investeringen terecht.



Een groot deel van de inkomsten komt uit mijnbouw, landbouw en bosbouw.






6. Globalisering en de bevolking



6.1 De bevolking en de demografische transitie



Er wonen 240 miljoen mensen in Indonesië. Het land staat dan ook op plaats 4 wat betreft de bevolkingsomvang in de wereld. De bevolkingsontwikkeling van Indonesië past in het algemene beeld van de demografische transitie:




  1. De pretransitiefase. Voor 1900: hoge geboorte en hoge sterftecijfers. Hoge sterftecijfer door hongersnoden, interne oorlogen en verschillende epidemieën.

  2. De transitiefase. Na 1900: sterftecijfer daalt door verbetering medische voorzieningen. Geboortecijfer blijft hoog à bevolkingsexplosie en toename jongeren. Geboorteplanning lag cultureel gevoelig à een groot aantal kinderen vergroot de bestaanszekerheid, het inkomen en garantie voor de oude dag.

  3. De posttransitiefase. Vanaf 1990: verandering gedachte over voortplanting door culturele globalisering à lage geboortecijfers. Door de overheid gestimuleerde gezinsplanning (family planning) speelde een belangrijke rol. Twee kinderen werd in de voorlichting het ideaal. Sinds 2000: evenwicht tussen geboorte en sterfte. Indonesië zit nu in de posttransitiefase. In de leeftijdsopbouw van Indonesië heeft Indonesië een vrij jonge bevolking met relatief weinig ouderen. Dit gaat in de toekomst veranderen: de lage sterftecijfers en de daling van geboortecijfers zal het aantal ouderen fors gaan toenemen.



6.2 Sterke groei van steden door migratie.



De urbanisatiegraad (= het percentage van de bewoners dat in steden woont) en het urbanisatietempo (= het groeitempo van de steden) zijn in Indonesië hoog. De sterke groei van steden heeft 3 oorzaken:




  1. Voor  ⅓e is de groei een gevolg van natuurlijke bevolkingsgroei (= verschil tussen geboorte en sterfte).

  2. Voor meer dan 50% is de groei een gevolg van sociale bevolkingsgroei (de migratie van platteland naar stad).

  3. Door inlijving van delen van het omringende platteland (verstedelijking).



Binnen Indonesië is de verstedelijking ongelijk verdeeld. Jakarta is een primate city (= een stad die meer dan 2x zoveel inwoners heeft dan de tweede stad in de rangorde). Ook het verstedelijkte gebied rondom Jakarta groeit: Jabotabek (Jakarta, Bogor, Jangerang, Bekasi). De steden vormen samen een stedelijk netwerk met veel economische relaties. Jakarta is in de stedelijke hiërarchie (rangorde van belangrijkheid van steden in een stedelijk netwerk) als centrumstad het belangrijkst. De verstedelijking heeft in Indonesië geleid tot overurbanisatie (=stedelijke bevolking groeit sneller dan de bestaansmogelijkheden). Dit leidt tot het ontstaan van sloppenwijken. Alleen de informele sector de arme mensen in de sloppenwijken een bestaan bieden.



6.3 Transmigratie



Om de bevolkingsdruk en de overurbanisatie te bestrijden was de oplossing door de overheid, tot 2000, transmigratie. Hiernaast moest transmigratie ook voor economische ontwikkeling in de onderbevolkte gebieden zorgen. Maar voor het oplossen van het bevolkingsprobleem bleek de transmigratie niet geschikt. Er was nog meer kritiek:




  1. De transmigratie leidde door de ontginningen tot een aantasting van regenwoud.

  2. De meeste projecten bij de transmigratie waren eenzijdig op de landbouw gericht en zorgden niet voor een verbreding van de economische ontwikkeling.

  3. De vestiging van Javanen in Kalimantan en Papoea heeft geleid tot toenemende invloed en politieke controle van Java: Javanisering. Er werd door de Javanen meestal geen rekening gehouden met de landrechten en de cultuur van de inheemse bevolking.

  4. De transmigratie heeft door botsende culturen geleid tot bloedige conflicten bijv. door verstoring van geloofsoverwicht.



6.4 Internationale arbeidsmigratie



Indonesië kent een omvangrijke Internationale arbeidsmigratie naar Zuidoost-Azië (Maleisië en Singapore), Oost-Azië (Japan, Taiwan, Hong Kong), Midden-Oosten (Saoedi-Arabië). Er is sprake van selectiviteit van migratie: het zijn meestal laaggeschoolde mensen, het liefst ongehuwde vrouwen, die eenvoudige arbeid gaan verrichten. De Indonesische overheid stimuleert internationale arbeidsmigratie. Het zorgt voor minder druk op binnenlandse arbeidsmarkt en geldovermakingen vanuit buitenland (deviezen).



7. Groei naar eenheid in de Indonesische staat.



7.1 Eenheid is geen vanzelfsprekende zaak.



Factoren die de eenheid van Indonesië bemoeilijken:




  • Het eilandenkarakter bevordert de isolatie van gebieden en het varen van een eigen koers.

  • De verscheidenheid aan etnische volken met een eigen cultuur bevordert tegenstellingen.

  • De godsdienstverschillen kunnen aanleiding geven tot religieuze conflicten.

  • De welvaartsverschillen tussen het rijkere centrum en de armere periferie kunnen ertoe leiden dat bevolkingsgroepen zich onderdrukt en achtergesteld voelen.



Zorgen voor nationale eenheid en identiteit was dus de taak. Er moest een eenheid groeien tussen volk, staat en natie: natievorming (nation building). De basis van de natievorming: de eigen Indonesische staatsideologie (de Pancilla) die door Soekarno is geformuleerd. Er zijn vijf grondbeginselen:  geloof in god,  liefde voor de natie en het vaderland, menselijke waardigheid, democratie. Om de eenheid ten aanzien van godsdienst te bevorderen gebruikte Soekarno de formulering ‘geloof in de Ene-Almachtige’. Hiermee werd het religieuze karakter van de samenleving aangegeven, zonder te kiezen voor één speciale godsdienst.



7.2 Natievorming in de Indonesische praktijk.



Hoe werd de natievorming aangepakt?




  1. Aanleg van infrastructuur waardoor gebieden uit hun isolement komen.

  2. Een gemeenschappelijke eenheidstaal (lingua franca): het Bahasa Indonesia.

  3. Nationale symbolen die herinneren aan een eenheidsstaat.

  4. Doorbreken van etnische tegenstellingen door transmigratie (=Javanisering).

  5. Verminderen van sociale en economische ongelijkheid tussen gebieden à door transmigratieprojecten.



8 Is Indonesië nog steeds een ontwikkelingsland?



Om er achter te komen of Indonesië nog een ontwikkelingsland is, of dat het inmiddels een Nieuw Industrieland is geworden, moeten we kijken of de kenmerken van een ontwikkelingsland nog op Indonesië van toepassing zijn:




  1. Heeft Indonesië een zwakke economische structuur? Ja:


    1. 44% van de beroepsbevolking werkt nog in de landbouw.

    2. Indonesië voert veel grondstoffen en agrarische producten uit en industrieproducten in.

    3. Er is sprake van gevoeligheid voor ruilvoetverslechtering.



  2. Is er sprake van ernstige armoede onder brede lagen van de bevolking? Ja:

    1. 18% van de bevolking leeft onder de armoedegrens, en een groot deel van de bevolking zit er net boven. Zij zijn zeer kwetsbaar. De armoede is ongelijk verdeeld.



  3. Is er in Indonesië sprake van fragmentarische modernisering? (van fragmentarische modernisering is sprake als bij technologische vernieuwing niet ieder persoon of bedrijf en niet elk gebied hiervan kan profiteren). Ja:

    1. In Indonesië is dit in ruime mate het geval in de landbouw en op het platteland. In de landbouw is er ongelijke toegang tot moderne landbouw technieken, vooral de moderne plantagebedrijven en grotere, rijkere boeren gebruiken deze.

    2. In de industrie is er een grote tegenstelling tussen de moderne industrie en de meer traditionele bedrijfjes. Het zijn vooral machtige Indonesiërs en MNO’s die van de globalisering profiteren.

    3. In de dienstenstelling is er een grote tegenstelling in toegang tot kennis en kapitaal tussen de officiële geregistreerde sector (de formele sector) en de informele sector.

    4. De buitengewesten buiten Java profiteren maar in beperkte mate van de ontwikkeling en de modernisering.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.