Hoofdstuk 8, paragraaf 1 t/m 6

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1126 woorden
  • 9 mei 2002
  • 37 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 37 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Hoe is het Nederlandse landschap ontstaan?
Het landschap is het zichtbare deel van de aarde door geologie kun je er veel over weten.
Deze wetenschap bestudeert de eigenschappen en de geschiedenis van de aardekost.
Levensloop (tijdvlakken) de laatste tijdvlak heet het kwartair.
Het kwartair word weer verdeeld in Pleistoceen dat 2.5 miljoen geleden begon een kenmerk van Pleistoceen is de ijstijden.
Holoceen begon 10000 jaar geleden waar we nu nog in leven.
De mens speelt steeds een belangrijke rol.

Fossielen= versteende afdrukken van planten en dieren, fossielen vertellen iets over vroeger toen die plant nog leefde namelijk:
- de ouderdom van aardlagen en het vroegere landschap
- Het klimaat en de flora en in die fauna geologische tijdvlak.
Tijdens kwartair daalde de ondergrond dat word opgevuld door sedimenten (grind)
De dalingen gingen niet overal even snel.
- In noord en west een snellere daling en daardoor dikke lage sedimenten.
- In zuiden en oosten een langzame daling dunne lage sedimenten
- Het zuiden en oosten van Limburg niet gedaald zeer oude gesteente aan oppervlak.

Wat was de invloed van water en ijs?
Water en ijs zijn belangrijke landschapvormers.
Landijs= ijsmassa die grote delen van het land bedekt.
In het Pleistoceen bracht dit veel ongesorteerd materiaal naar Nederland.

- Zwerfstenen= grote keien die vervoerd waren door ijs.
- Keileem = taaie klei en daarin allemaal keitjes het fijngemalen door ijs en ondergrond.
Water zet gesorteerd materiaal af als het water langzamer gaat stromen bezinken eerst de grote dingen en dan steeds kleinere.
Aan het begin van Pleistoceen had onze rivieren veel smeltwater, in heel Nederland legde ze veel grind en zand neer.
Die lagen in midden -Nederland zijn door landijs opgestuwd tot stuwwallen.
Momenteel in het Holoceen word langzaam door de grote rivieren veel rivierklei afgezet en mond uit op zee.
Omdat rivierklei in de weg ligt en toch naar zee moet gaat het vertakken.
De rivier vormt een delta west en midden Nederland zijn delen van zo’n Delta.
De zee heeft in Holoceen zand bij de kust afgezet, het strand.
Als na overstromingen het water op strand terechtkomt en bezinkt dan blijft zeeklei over.
Door overstromingen gaat wel veel land verloren.

Welke landschapvormen maakt de wind?
Aan het eind Pleistoceen dat landijs verdwenen was werd Nederland een groot deel bedekt met windafzettingen. De omstandigheden daarvoor waren gunstig.
- Er heerst een guur en droog toendra klimaat, zodat het zand makkelijk werd opgenomen.
- De Noordzee lag droog vol met sedimenten.
- Er groeide niks om de sedimenten vast te houden.
De wind had dus vrij spel. Het materiaal dat door de wind werd verplaatst, leverde verschillende soorten afzettingen op.
- Dekzand= grof zwaar zand dat met sprongentjes word vervoerd.
- Löss= fijn licht zand dat word door de wind vervoerd en komt in luwte van de bergen in Limburg terecht. (löss noem je ook wel stuifklei)
Ook Holoceen kende windafzettingen:
- Duinen= Langs de kust hoge bergen die wel tien tal meters hoog kunnen worden. (door vegetatie en word vastgelegd)
- In het Holoceen werden dekzandgebieden begroeid en werden door mensen en dier verwoest en dan gaat het weer stuiven (zandverstuivingen)
Pleistoceen of IJstijdvak, een geologisch tijdvak dat volgde op het Tertiair. Ouderdom ca. 1,8 miljoen jaar tot ca. 10000 jaar (begin van het Holoceen). Een reeks van belangrijke temperatuurdalingen die vermoedelijk over de gehele aarde optraden, had in dit tijdvak een ingrijpende invloed op de groei van gletsjers en landijs (zie ijstijd), op erosie en sedimentatie, op de het niveau van de zeespiegel, op flora en fauna en waarschijnlijk ook op het optreden van de mens, die zich vlak voor het Pleistoceen begon te ontwikkelen uit Homo habilis.
De ijstijden veroorzaakten herhaaldelijk een verlaging van de sneeuwgrens, en zeespiegelverschillen tot meer dan 100 m. Tussen de ijstijden in werden steppen en woestijnen herschapen in oerwouden met rijke fauna en flora.
Pleistocene afzettingen zijn wijd verbreid met eensdeels glaciale gesteenten als morene, keileem, dekzanden en löss, anderzijds overwegend terrasgrinden en zanden.

Zijn planten en dieren ook landschapbouwers?
Veen is een grondsoort die bestaat uit plantenresten, als planten sterven en onder water terecht
Komen ontstaat er veen.
Dit onstaat vooral bij moerassige gebieden.
Er zijn twee soorten veen:
- Laagveen= uit dode waterplanten of planten die van leven grondwater dat moeilijk weg kan.
- Hoogveen= Gevormd uit planten die ver boven het grondwaterniveau leven.
Gedroogd veen en turf werd vroeger gebruikt als brandstof, er is zoveel gebruikt dat er haast niet over is. Het wordt beschermt door natuurbeheer.
Omdat laagveen onder het grondspiegel ligt ontstonden er grote water plassen.
Het moest toen eerst gedroogd worden voor gebruik.
Kalksteen in Limburg ook wel mergel genoemd is voornamelijk ontstaan uit skeletten van zeedieren er zitten vaak mooie fossielen in.

En wat maakt de mens ervan?
Door ingrijpen van mens in natuurlandschappen ontstonden er cultuurlandschappen, daarbij word het fors verandert.
De afwateringen in Nederland is flink aangepakt, door het aanleggen van polders.
- Polders zijn ingedijkte gebieden waar de waterstand kunstmatig kan worden geregeld.
In hoge delen van Nederland is de afwatering ook verbeterd ze hebben de bochten uit de rivieren gehaald en recht gemaakt dit noem je normaliseren.
Het landschap lever bovendien grondstoffen o.a.:
- Zand, grind, klei en mergel worden gebruikt als bouwmaterialen en er blijven grindgaten, zandgroeven, kleiputten en mergelgroeven over.
- Turf diende vroeger als brandstof, door turf winning ontstonden er grote waterplassen.
Landbouw verandert ook sterk het landschap door stallen, gewassen en kavels.
- Verkaveling= op nieuw in delen van land.
Vroeger hadden ze allemaal een bepaald vorm.
Tegenwoordig zijn er grote veranderingen:
- Mechanisatie en specialisatie= van landbouw vereisen grote rechthoekige kavels. Ruilverkaveling en landinrichting worden toegepast.
- Door moderne landbouwtechnieken is het landbouw niet erg gebonden aan een stuk grond.
- De oorspronkelijke nederzettingen gaan weg en er komen nieuw bouw wijken.
- Er worden huizen gebouwd en wegen gelegd er blijft geen groen meer over.
Om te verkomen dat het steekeigen karakter verdwijnt kan regering een stuk land aanwijzen als waardevol cultuurlandschap.

Hoe zijn de landschappen over ons land verspreid?
Er zijn drie type verkaveling:
- Blokverkaveling; rechthoekige blokken.
- Strokenverkaveling: lang en smal
- Moderneverkaveling; groot rechthoekig.
De verdeling van de verbouwing over een gebied is afhankelijk van grondsoort.
Zo kun je bij laagveen allen verbouwen langs stroompje, daardoor ontstaat er een langgerekte of lineaire bebouwing. (Lintbebouwing).
Als huizen bij elkaar staan of bij elkaar liggen spreek je van een geconcentreerde bebouwing
Bij verspreide bebouwing zijn huizen regelmatig verdeelt over een stuk grond.
Hoever het uitzicht reikt in het landschap is afhankelijk van verbouwing en relief en de vegetatie.
Deze bepalen de openheid van het landschap.
Openheid kun je verdelen in drie takken:
- Open je kan verkijken
- Gesloten met veel hegge en bomen en/of relief.
- Halfopen een tussenvorm.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Uuyaijh

3 jaar geleden