Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 4, paragraaf 13 en 14: landschappen in NL

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 816 woorden
  • 9 september 2008
  • 28 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 28 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Samenvatting Aardrijkskunde Hoofdstuk 4 §13 en §14

§13 Nederland - waterland

► Nederland ligt eigenlijk maar voor een deel boven de zeespiegel. Dit deel wordt Hoog-Nederland genoemd. Men probeerde vroeger al in Laag-Nederland te gaan wonen. Dit gebeurde eerst door middel van vluchtheuvels (terpen, woerden, werden of warden). Rond het jaar 1000 begon men dat met dijken te doen.
● Een polder is een stuk land met daaromheen dijken. De neerslag wordt uit de polders weggepompt met een gemaal of een windmolen.
▪ Dit polderwater wordt vaak via een boezem en het buitenwater richting de zee geleidt.

► Om aan te geven hoe hoog of hoe laag een polder ligt gebruik je de term NAP (Normaal Amsterdams Pijl) Er zijn drie verschillende soorten polders:
● Zeepolders werden pas ingedijkt toen ze zo hoog water opgeslibd dat ze zelfs bij vloed niet meer onder water liepen
● Veenpolders werden ingedijkt omdat men het veen wilde gebruiken. Omdat veen van nature in moerassig gebied groeit, hebben ze in de late Middeleeuwen de polders met windmolens droog gepompt. Toen het veen weg was lag het land een stuk lager en men ging het beschermen met dammen (uit deze tijd stammen veel plaatsnamen met ‘dam’).
● Droogmakerijen waren vroeger meren die rond 1600 zijn droog gepompt.
Beschrijving Poldersysteem
zeepolder veenpolder droogmakerij
Hoogte t.o.v. NAP + 1m/2m - 1m/2m - 3m/6m
Wat was het voordat het werd ingepolderd kwelder/schor moeras meer/plas
Grondsoort zeeklei veen zeeklei
Bodemgebruik akkerland grasland akker-/grasland
Waar het voorkomt Groningen/Friesland Noord-/Zuid-Holland Flevoland/Noord-/Zuid-Holland
Manier van afwateren natuurlijk kunstmatig kunstmatig
► Nederland heeft na deze tijd nog meer dingen gedaan om zich te beschermen tegen het water. Voorbeelden zijn de Zuiderzeewerken en de Deltawerken. Hierdoor is de kustlijn zo’n 1000 km korter geworden. Dat maakt het makkelijker de andere 700 km te beschermen.
● Men heeft het voormalige Zuiderzeegebied vooral droog gelegd vanwege de landwinning voor landbouwgrond. Maar na 1970 was dat niet meer nodig en is het Markerwaard plan nooit uitgevoerd.

▪ Dankzij de Zuiderzeewerken is er minder verzilting in de Zuiderzee. Nu heeft het IJsselmeer de belangrijkste zoetwatervoorraad voor Noord-Nederland.
▪ Ook de mogelijkheden voor recreatie zijn door deze werken vergroot
● Bij de Deltawerken stond de veiligheid voorop. Deze werken bestaan vooral uit vele dammen, sluizen en stormvloedkeringen.
Vergelijking Zuiderzeewerken en Deltawerken
Zuiderzeewerken Deltawerken
hoofddoelstelling veiligheid veiligheid
belangrijke nevendoelstellingen landaanwinning/zoetwaterhuishouding ontsluiting/recreatie
belangrijkst verschil veel landaanwinning geen landaanwinning
voorbeeld dat er rekening is gehouden met het milieu Oostvaardersplassen Oosterscheldedam
ramp die leidde tot uitvoering Watersnoodramp 1916 Watersnoodramp 1953
Periode uitvoering 1920 - 1990 1953 - 1990
Verandering in aanleg en inrichting Zuiderzeewerken
kenmerk Wieringermeerpolder Zuidelijk Flevoland
jaar waarin de polder is drooggevallen 1930 1968
aantal nederzettingen per 10.000 ha 2 ½
mate van verstedelijking niet-stedelijk behoorlijk stedelijk
grootte landbouwpercelen klein groot
aandeel natuur- en recreatiegebieden gering behoorlijk
§14 IJstijden en zeespiegelstijging
► De geschiedenis van Nederland begint in het Pleistoceen. Toen wisselden warme perioden en koude perioden (ijstijden) zich af.
● De één na laatste ijstijd was waarschijnlijk ook de meest barre. Het ijs kwam toen tot de HUN-lijn (Haarlem-Utrecht-Nijmegen).
● Gedurende het Pleistoceen lag de Noordzee vaak droog. Nederland werd door zijn rivieren vaak bedolven onder dikke lagen grof zand en grind.
● Het ijs, soms nog wel honderden meters dik, duwde dat zand en grind omhoog. Zo zijn de stuwwallen (± 200 meter hoog) in Het midden van Nederland ontstaan.
▪ Het ijs uit Scandinavië wreef grote keien fijn tot keileem en liet dat achter op de plaats waar het ijs uiteindelijk smolt.
▪ Er zijn momenteel nog steeds stukken van dat keileem en stuwwallen in Nederland te zien.
● De laatste ijstijd (die Nederland overigens niet bereikte) zorgde ervoor dat de begroeiing dood ging en Nederland bedekt werd met fijn stuifzand, ook wel dekzand genoemd. Het aller-fijnste stof heet löss.
▪ De wind heeft dus in heel Nederland voor dekzand gezorgd en in Limburg voor löss.
► Na dit tijdperk begon het Holoceen. Toen steeg de zeegspiegel 125 meter (25 meter hoger dan de huidige zeespiegel) en begon de vorming van onze huidige kustlijn.
● Het zeezand vormde op de kust brede strandwallen. Op deze wallen begon de duinvorming toen ze ook bij vloed droog bleven.
● Achter deze strandwallen lag een soort waddengebied. Dit gebied werd afwisselend aangevuld met klei en zand (of oude zeeklei).
● ± 5.000 jaar geleden nam de zeespiegelstijging weer af. Intussen lagen sommige delen van het waddengebied al droog zodat daar oeverplanten zoals riet gingen groeien. Uit deze plantenresten ontstonden veenlagen (laagveen) van 5 a 6 meter dik.
▪ Veel van dit veen is weggeslagen door de zee. Een ander deel is uitgegraven en gedroogd om het als de brandstof turf te gebruiken.
► Naast de vorming van Hoog- en Laag-Nederland is er ook nog de vorming van hoogveen en de rivierafzettingen.
● Door het keileem in het noorden van Nederland kon het regenwater niet wegzakken en ontstonden er plassen waar veen (hoogveen) ging groeien. Ook veel van dit veen is afgegraven en het onderliggende dekzand word nu gebruikt als akkergrond.
● Door de stijgende zeespiegel konden de Rijn en de Maas geen grind meer meenemen. Ze namen nu alleen nog maar zand en klei mee, dit zorgde voor rivierklei in het midden van Nederland.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.