Hoofdstuk 3 Samenhang en verscheidenheid. 

Hoofdvragen van hoofdstuk 3:

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van globalisering van de wereld?
Hoe heeft de wereldsamenleving zich in de loop van de tijd ontwikkeld?
Waarom doet niet ieder land in dezelfde mate mee met globalisering?

 

2.1 De definitie van globalisering.

Bij de productie van veel dingen zijn meerdere landen betrokken. Voor het maken van deze producten zijn mondiale stromen van goederen en grondstoffen nodig. Dit wordt mogelijk gemaakt door globalisering. 

Globalisering heeft 3 kenmerken:

1. Bedrijven, landen en mensen werken meer samen. 

    Dmv. internationale taakverdeling, waardoor er sprake is van een netwerk samenleving. 

2. Er zijn steeds meer grensoverschrijdende stormen van goederen,mensen en informatie. 

    Dmv. toenemende tijd-ruimtecompressie. 

3.Bedrijven, landen en mensen oefenen steeds meer invloed op elkaar uit. 

   Er is wereldwijde standaardisering.

 

2.2 Internationale taakverdeling

Bij een wereldwijde samenhang tussen bedrijven, landen en mensen is het niet handig als iedereen hetzelfde doet. Hierdoor nemen landen taken op zich; dit heet internationale taakverdeling. Door de taakverdeling krijgt de wereldeconomie zijn vorm. 

Met behulp van de Ullman interactietheorie kun je beredeneren wanneer ruimtelijke verplaatsingen kunnen optreden. Deze stromingen kunnen plaatsvinden als voldaan wordt aan drie voorwaarden:

1. Complementariteit: gebieden vullen elkaar aan. 

(bijv: verschillen in veiligheid of welvaart)

(bijv: verschillen in loonkosten)

(bijv: verschillen in de omvang van de consumentenmarkt)

2.Geen tussenliggende mogelijkheden: als een bedrijf van Nederland naar China trekt is dat een hele afstand. 

(bijv: een land ligt wel dichterbij, maar heeft een corrupt regime)

(bijv: een land ligt wel dichtbij, maar heeft weinig geschoolde arbeidskrachten)

3. Transporteerbaarheid: bij een ruimtelijke verplaatsing is er altijd sprake van kosten. 

(bijv: zwaar bewaakte grens is een barrière voor migratie)

(bijv: hoge importheffingen vormen een hindernis voor handel)

(bijv: een bedrijf krijg van de regering geen toestemming zich in een land te vestigen)

 

Een groot deel van de ruimtelijke verplaatsingen in de wereldeconomie vindt plaats tussen de belangrijkste wereldsteden (Tokio, London en New York). Er worden veel goederen, mensen, informatie en geld verplaatst tussen deze steden. De kapitaal stromen zijn het gevolg van de internationale taak verdeling en zijn daarmee kenmerkend voor globalisering. 

 

2.3 Netwerksamenlevingen.   

Doordat er steeds meer onderlinge contacten zijn krijgen deze vorm in allerlei netwerken. De wereld vormt hierdoor steeds meer een netwerksamenleving.  De belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van de talrijke internationale netwerken is de toename van mobiliteit in de wereld. Naast productie netwerken zijn er ook sociale netwerken.  internationale migranten zorgen ook voor netwerken. 

 

2.4 Tijd-ruimtecompressie. 

De afstanden van tijd, geld en energie (relatieve afstand) worden steeds korter doordat transporteren steeds makkelijker gaat. Het verschijnsel van in de tijd steeds korter afstanden heet tijd-ruimtecompressie. 

Het is mogelijk gemaakt door twee technologische ontwikkelingen:

1. De ontwikkeling van de transporttechnologie. 

2. De ontwikkeling van de communicatietechnologie.

 

2.5 Standaardisering.

Door invloed van bedrijven, landen en mensen op elkaar is er in de wereld steeds meer sprake van standaardisering of amerikanisering. Alhoewel dit begrip niet klopt, in 1980 was dit wel het geval, maar nu niet meer. De lingua franca van de wereld is nu engels. Lingua franca betekend de meest gesproken taal in een land, werelddeel of in de hele wereld.

Fordisme betekent massaproductie met behulp van een lopende band.

Toyotisme betekent het produceren via productie netwerken. Bij toyotisme maak je gebruik van toeleveranciers die allemaal losse onderdelen van een productieketen leveren. Een voordeel hiervan is dat bedrijven veel makkelijker kunnen inspelen op de lokale wensen van consumenten. 

 

3.1 Handelskolonialisme 

Handelskolonisatie is gebieden met winstgevende handelswaar veroveren om zelf als land winst te maken van uit je kolonie. 

 

3.2 Exploitatiekolonialisme

Toen rond 1770 uit was gevonden hoe je stroomkracht kunt toepassen op machines begon de industriële revolutie. Dit maakte het mogelijk om meer te produceren dan voorheen. Dat zorgde weer voor een nieuwe reden om te koloniseren. Niet meer voor handel, maar voor de grondstoffen. Landen trokken er op uit om in Azië grondstoffen te gaan exploiteren. Daarom noemen we deze periode het exploitatiekolonialisme. Ook Afrika werd een kolonisatiegebied. Afrika werd in Berlijn netjes tussen de Europese landen verdeeld, dit zorgde voor nieuwe grenzen in Afrika. 

 

3.3 De tegenstelling centrum-periferie. 

Door het kolonialisme ontstond er in de wereld een verdeling tussen centrum landen en landen in de periferie. In dit centrum-periferie model bepaalden de Europese landen wat er in de periferie moest gebeuren. Dit was de start van de groei van de ongelijkheid. De regionale verschillen tussen de Europese centrum, landen en de perifere koloniën werden steeds maar groter. Daarmee namen ook de sociale verschillen toe. Centrum periferie tegenstellingen zijn er niet alleen op het mondiale schaalniveau van landen. Ook binnen landen zijn er tegenstellingen. Bijvoorbeeld het verschil in ontwikkeling tussen de grote steden en het platteland. 

 

Het exploitatiekolonialisme heeft bij veel voormalige koloniën gezorgd voor de economische problemen. Het verschil in evenwicht tussen de waarde van de export en de waarde van de import is ruilvoetverslechtering. Er ontstonden door de verslechtering van de ruilvoet grote tekorten op de handelsbalans. In veel gevallen moesten hierdoor leningen afgesloten worden om de landen niet failliet te laten gaan. Er ontstond zo in veel voormalige koloniën een schulden problematiek. 

 

4.1 Het ontstaan van een Oost-Westtegenstelling. 

De tweede wereldoorlog zorgde voor een grote verandering van de machtsverhoudingen in de wereld. De VS en de SU waren de grote overwinnaars. De strijd tussen de VS en de SU staat bekend als de koude oorlog. Dit is een strijd tussen de twee politieke verschillen: het kapitalisme (VS) en het communisme (SU). Het kapitalisme is veel vrijheid, terwijl in het communisme gelijkheid belangrijker is. De VS zag het communisme als een grote bedreiging voor de vrijheid. In de SU beschouwden ze het kapitalisme als het grote kwaad. Toen er een ijzeren gordijn (muur van prikkeldraad) kwam zorgde dit voor een politieke scheiding tussen kapitalisme en het communisme dit heet de Oost-Westtegenstelling. Dit heet ook wel de Eerste (kapitalisme) en de Tweede wereld (communisme).

 

Rond 1990 maakte de val van het communisme een eind aan de Oost-Westtegenstelling. Er kwam in deze landen een politieke transitie. In de transitie landen werd de communistische planeconomie geleidelijk aan vervangen door een markteconomie in een democratie. Er kwam dus een verdere ruimtelijke verspreiding (ruimtelijke diffusie) van het kapitalisme. 

 

4.2 Het ontstaan van een Noord-Zuidtegenstelling. 

Na de tweede wereldoorlog wilden veel kolonies onafhankelijk worden. Na hun onafhankelijkheid kwamen ze in een neokoloniale situatie terecht. Dit betekent dat er niet veel veranderde ten opzichte van de koloniale tijd. Deze kolonies hebben een zwakker economische ontwikkeling. Dit komt omdat ze afhankelijk zijn van primaire producten. Deze landen worden ook wel de Derde Wereld genoemd. Daarmee kreeg je de Noord-Zuidtegenstelling. 

 

Kenmerken ontwikkelingslanden:

1. Er is sprake van ernstige armoede onder brede lagen van de bevolking. De levensomstandigheden zijn dus slecht. 

2. Ze hebben een zwakke economische structuur. Hiervan kun je spreken bij één of meer van de volgende eigenschappen:

•Een groot deel van de bevolking is werkzaam in de landbouw;

•Er is alleen export van primaire producten. 

•De economie berust hoofdzakelijk op één product;

•De uitvoer is gericht op één of een beperkt aantal landen.

3. Er is sprake van fragmentarische modernisering. De ontwikkeling en technologische vernieuwing gebeurt meestal maar gedeeltelijk. Er is sprake van een mix van modern en traditioneel. 

 

4.3 Politieke globalisering. 

Na de tweede wereldoorlog is er sprake van politieke globalisering. Dit leidde tot de oprichting van een aantal intergouvernementele organisaties (IGO’s). Dit zijn de organisaties waar landen op overheidsniveau lid van zijn. De meest belangrijke is de VN. Deze is opgericht om te werken aan wereldwijde vrede en veiligheid. De VN heeft ook de millennium doelen vastgesteld. Belangrijk voor de globalisering van de economie van de landen in de wereld is de wereldhandelsorganisatie (WTO). Deze organisatie probeert door onderhandelingen tussen landen af te spreken. Het einddoel is volledige vrijhandel. 

 

5.1 Global shift. 

Als het economisch zwaartepunt in de wereld verschuift noemen ze dit een Global Shift. Dit is kenmerkend voor de economische globalisering in de wereld. 

 

De verschuiving van het economische zwaartepunt was vooral naar de zogeheten nieuwe industrielanden (NIC’s). Deze worden ook wel tijgerlanden genoemd. Alle industrielanden hebben één ding gemeen: ze hebben een omvangrijke beroepsbevolking en een laag loon niveau. Voor arbeidsintensieve bedrijven in hoge lonen landen was dit een aantrekkelijk perspectief. 

 

5.2 Het triadisch netwerk. 

Door de economische groei van de nieuwe industrielanden werd Zuid-Azië een nieuwe economisch machtsblok. Samen met de VS en de EU maakt dit het triadisch netwerk. In deze triade vind het grootste deel van de wereldhandel en de industriële productie plaats. 

 

Niet alle nieuwe industrielanden zijn uitgegroeid tot centrumlanden. Japan, Zuid-Korea, Singapore en Taiwan zijn wel uitgegroeid tot centrum landen. Landen die niet meer bij de periferie horen maar ook nog niet bij de centrum landen behoren tot de semi-periferie. Hier bij horen landen als Mexico, Brazilië, Zuid-Afrika en Maleisië. 

 

5.3 Toyotisme bevordert Global Shift. 

Door het toyotisme is men meer met toeleveranciers gaan werken. Deze verzorgen ieder een onderdeel van de totale productie keten. Het hoofdbedrijf brengt alles samen. De assemblage is de laatste stap in een productienetwerk, alle onderdelen komen samen en worden in elkaar gezet. Vooral nieuwe industrielanden profiteren van het toyotisme, het vormde de basis voor de Global Shift. 

 

6.1 Multinationale ondernemingen. 

Multinationale ondernemingen (MNO’s) zijn belangrijk voor de globalisering. Bedrijven die voorop lopen bij technologische ontwikkelingen. 

Een MNO kun je onderscheiden van gewone bedrijven op basis van:

•Veel kennis en kapitaal. 

•Verlagen Loonkosten

•Behalen van belastingsvoordelen. 

•Strategisch handelen.

                   -Strategisch alliantie. 

                   -Greep krijgen grondstoffen/hulpstoffen.

 

6.2 De productlevenscyclus:

1. Introductiefase nieuw product. 

2. Expansiefase, product is geslaafd, en er wordt naar de afzetmarken/uitbereiding gekocht. 

3. Verzadigingsfase/Rijpheidsfase, meeste mensen hebben het product en er is veel concurrentie. 

4. Teruggangsfase, de vraag daalt en de productie stopt. 

 

6.3 De staat en de vestiging van bedrijven. 

1) Vrije handelszone/ EPZ’s.

2) Verbeteren infrastructuur. 

3) Lonen laag houden. 

4) Vakbonden in de wet beperken. 

5) Weinig milieu eisen stellen aan bedrijven. 

 

7.1 Op weg naar een mondiale cultuur? 

Cultuur bestaat uit twee onderdelen:

1. Geestelijke cultuuraspecten. 

Deze zijn de algemeen geaccepteerde waarden en normen. Bijv. Godsdienst.

2. Materiële cultuuraspecten.

Bijv. Taal, kleding, gerechten. 

Door de globalisering is er steeds meer een mondiale cultuur ontstaan, deze cultuur vind je op bijna de hele wereld wel weer. 

 

7.2 Transnationale identiteit. 

Migrantennetwerken hebben veel invloed op de globalisering van cultuur. Via migrantennetwerken worden vele geestelijk en materiële cultuuraspecten overgebracht. Migranten worden wel beïnvloed door de dominante cultuur maar ze raken niet meteen hun eigen cultuuraspecten kwijt. Hierdoor ontstaat er een mengcultuur. Dit wor ook wel een transnationale identiteit genoemd.

7.3 Cultuur en de demografische transitie. 

Hoe mensen over voortplanting en sterfte denken heeft ook met cultuur te maken. Dit kun je terug zien in het model van de demografische transitie. 

Er zijn 4 soorten transitiefase’s:

1. Pre-transitiefase.

Hoge geboorte- en sterftecijfers. 

2a. Transitiefase.

Het sterftecijfer gaat omlaag, geboorte cijfer blijft ongeveer gelijk.

2b. Transitiefase. 

Het sterftecijfer is laag en het geboorte cijfer gaat omlaag.

3.Post-transitiefase.

Het sterftecijfer en het geboorte cijfer zijn allebei laag. 

 

In de transitiefase ligt het sterfte cijfer een stuk lager dan het geboorte cijfer, deze landen hebben de grootste bevolkingsgroei. Dit zorgt in de leeftijdsopbouw voor een groene druk. Dit betekend dat een groot deel van de bevolking jonger is dan 15 jaar. In de rijke landen is het tegenovergestelde aan de gang, hier hebben ze last van een grijze druk, doordat een groot deel van de bevolking ouder is dan zestig jaar. 

 

Bij dalende geboorte cijfers wordt een belangrijke bijdrage geleverd door familieprogramma’s. Dit is een programma om ouders er van bewust te maken dat twee kinderen genoeg is. Dit doen ze om de bevolkingsgroei te beperken zodat de bevolking sneller kan profiteren van een economische groei. 

 

8.1 De geleding van de wereld.

Er zijn zes verschillende soorten landen:

Periferie:

1. Minst ontwikkelde landen (MOL)

Zij hebben weinig ontwikkelingskansen. (absolute armoede)

2. Ontwikkelingslanden. 

Deze landen hebben ontwikkelingskansen. (armoede)

Semi-periferie:

3. Rijke oliestaten. 

Landen met gemiddeld hoog inkomen maar een zwakke economische structuur.  De belangrijkste inkomstenbron is vaak aardolie. Deze landen hebben een kwetsbare positie, omdat hun economie vrijwel stilvalt als de wereld andere energiebronnen gaat gebruiken.

4. Transitielanden. 

Vooral het voormalige Oostblok, voormalige tweede wereld. (nog veel armoede).

5. Nieuwe industrielanden. 

Op basis van het BNP horen ze niet meer tot de ontwikkelingslanden. Ze hebben een sterke groei van de industrie een behoorlijke economische groei hebben gekend. 

Centrum: 

6. Hoogst ontwikkelde landen. (HOL)

Het bruto nationaal product is per inwoner meer dan ,000. In deze landen worden de belangrijkste economische en politieke beslissingen genomen. 

 

8.2 Indicatoren om ontwikkeling te meten.

Je kunt ontwikkeling van een land meten door het HDI van de VS. Het is een getal tussen de 0 en de 1 vanuit een berekening met drie soorten cijfers:

•Educatie-index

Het is een cijfer dat de educatieve ontwikkeling van een land aangeeft. Hierbij word rekening gehouden met het analfabetisme. 

•De levensverwachting bij geboorte. 

Dit geeft informatie over de gezondheids- en voedselvoorziening in het land. 

•De levensstandaard.

Hier wordt rekening gehouden met het gemiddeld inkomen en de koopkracht in een land.

•Percentage van de bevolking onder de armoede grens. 

•Binnenlandse regionale ongelijkheid. 

 

8.3 Eenwording of verbrokkeling?

1. Een voorbeeld van eenwording is de groei van het aantal landen dat lid is van de wereldhandelsorganisatie.  

2. Een voorbeeld van verbrokkeling is de strijd van de Westerse landen tegen gewelddadig islamitisch fundamentalisme. Er is sprake van het versterken van tegenstellingen (polarisatie) tussen opvattingen. Het is een strijd tussen democratie en vrijheid tegenover extreme vormen van religie. 

3. Er wordt bij de economische globalisering gesproken van een tweedeling in de wereld: de Fast World en de Slow World. 

•In de Fast World gebeurt het meest. 

•In de Slow World zijn de bedrijven minder kapitaalkrachtig. Er gebeurt minder dan in de Fast World.

 

Globalisering zorgt voor veel mogelijkheden voor landen met goede kansen voor ontwikkeling. Maar het vergroot de kloof in de wereld. 

 

8.4 Waarom doen niet alle landen mee?

Veel landen profiteren van globalisering, maar er zijn ook landen die niet mee doen. Drie soorten oorzaken kunnen een rol spelen: 

1. Veel landen zijn te arm, waardoor buitenlandse bedrijven zich er niet willen vestigen. De landen hebben vaak een slechte infrastructuur en een laag geschoolde beroepsbevolking. 

2. Sommige landen kennen een dictatuur. Ze houden de wereld buiten de eigen landsgrenzen. Deze landen zijn niet aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven. 

3. Bepaalde landen vinden globalisering een westers fenomeen en hebben culturele bezwaren tegen globalisering. In een cultuur gebied zijn er landen die hun regionale identiteit belangrijker vinden dan economische ontwikkeling. 

3. Bepaalde landen vinden globalisering een westers fenomeen en hebben culturele bezwaren tegen globalisering. In een cultuur gebied zijn er landen die hun regionale identiteit belangrijker vinden dan economische ontwikkeling. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

bij punt 5.2 staat zuid-Azië, dit moet Zuid-Oost Azië zijn

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast