Jongens gezocht: hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Hoofdstuk 2

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1305 woorden
  • 20 februari 2016
  • 12 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
12 keer beoordeeld

Hoofstuk 2

Paragraaf 2

Energiebalans
De zon is de belangrijkste energiebron voor de aarde. De aarde ontvangt straling, neemt deze op en straalt het uiteindelijk weer terug het heelal in.
We stellen de hoeveelheid inkomende zonnestraling op 100 eenheden. 31 eenheden worden door stofdeeltjes(3), wolken(19) en het aardoppervlak(9) meteen weer terug het heelal in gekaatst. 20 eenheden worden geabsorbeerd door de atmosfeer en 49 door het aardoppervlak.
De inkomende zonnestraling is kortgolvig. De energie in de straling wordt compact vervoerd. De aarde zend langgolvige straling uit.
De aarde ontvangt 95 eenheden van het broeikaseffect. Bij elkaar opgeteld heeft de aarde dus 144 eenheden. 114 hiervan worden terug gekaatst: 12 direct naar het heelal en 102 naar de atmosfeer. De 30 overgebleven eenheden (144-114=30) worden omgezet in twee soorten energie: 23 latente energie en 7 voelbare warmte (geen straling), deze energieën gaan ook de atmosfeer in.
In de atmosfeer heb je dus uiteindelijk 152 eenheden waarvan er dus 95 naar de aarde gaan, de andere 57 gaan naar het heelal.
De aarde zend dus in het totaal 31 eenheden kortgolvige straling en 69 eenheden langgolvige straling uit: dit is de uitgaande straling.
Dit alles bij elkaar noemen we ook wel het dynamisch evenwicht; het is een gemiddelde en niet op ieder moment van de dag het zelfde.

Het broeikaseffect
Het broeikaseffect heeft een grote rol in de energiebalans: het pompt de warmte rond voordat het weer naar het heelal gaat. Zonder het broeikaseffect is het te koud op aarde. Voor het broeikaseffect zijn gassen heel belangrijk: atmosfeer bestaat uit: 78% stikstof, 21% zuurstof en 1% waterdamp, methaan en koolstofdioxide. Die 1% is cruciaal voor het broeikaseffect.
Het versterkt broeikaseffect ontstaat door dat de mens zorgt voor extra broeikasgassen, vooral koolstofdioxide.

Ruimtelijke verschillen in instraling
Als de zon recht invalt dan verwarmt ze “per zonnestraal” maar een klein stukje aarde en is het dus warmer, als de zon lager aan de hemel staat en dus een schuinere invalshoek heeft moet ze meer verwarmen en is het dus kouder.
In de bergen is het kouder omdat de lucht daar ijler is; er is daar een minder sterk broeikaseffect. Je verbrand daar dus ook sneller.

Paragraaf 3

Als het warm is zetten de lucht deeltjes uit en zijn er minder luchtdeeltjes per volume-eenheid, de lucht is lichter en geeft dus minder druk op de aarde; lagedrukgebied of minimum.
Lage druk stijgt op.de luchtdruk neemt af met de hoogte en de warmte neemt af. koude lucht kan minder vocht vast houden: het gaat regenen en de lucht gaat zijdelings afstromen. Bij 30° daalt het. hier is een hoge drukgebied (maximum): de lucht daalt en warmt op en is droog. (woestijn) weer stroomt de lucht zijdelings af; naar de polen en naar de evenaar.
60°: de lucht stijgt: de lucht van de pool is koud dus is de toestromende lucht relatief warm. Er ontstaat een (onstabiel) lagedruk gebied met regen en wind: ontstaan boven de oceanen, waaien naar Europa en Westkust van de VS.
Op de polen is er spraken van een hogedruk gebied. Mondiale luchtcirculatie/atmosferische circulatie/ grote windsystemen: al deze lucht stromen bij elkaar.

Paragraaf 4

Zeestromen: worden veroorzaakt door de wind.
Warme zeestroom: als deze afkomstig is uit een relatief warm gebied.
Koude zeestroom: als deze afkomstig is uit een relatief koud gebied.
Thermohaliene circulatie: zeestromen op grote diepte. Dit wordt veroorzaakt door dichtheidsverschillen, deze worden veroorzaakt door; tempratuur (thermo) verschillen en verschillen in zoutgehalte (halien).
Diepwaterpomp: proces, warmwater vanuit de tropen stoomt naar het noodr-oosten. Er verdampt veel water, zee wordt zouter. Het koeld af, warmte naar de koude lucht,  noordelijke atlantische oceaan. Een deel van het water bevriest en het andere deel wordt nog zouter. Het koude zoute water is zwaar en begint te zinken, dit is de motor voor de thermohaliene circulatie.
Oceanische circulatie: alle oceaan- en zeestromen.

Paragraaf 6

ENSO: El niño – southern oscillation.
El Niño: oceanische deel van dit system.
Zuiderlijke oscillatie: atmosferische deel van dit systeem. Het is een voortdurende, min of meer cyclische verandering in het luchtdrukverschil over de grote oceaan tussen Indonesië en Peru.
Dit wordt vaak weergegeven als een index (gemeten; Darwin- Tahiti): index positief; lagedruk boven Darwin, hogedruk boven Tahiti. Er is dan een noordoost passaat (Nhalfrond), op het zhalfrond een zuidoost passaat. Zeewater wordt door de oostenwind van Peru naar Indonesië geblazen. Voor Peru: ruimte voor opwelling koud diepzeewater, koelt de lucht af; hogedrukgebied, kust van Peru is woestijn. Indonesië en Noord-Australië: warmwater aangevoerd; lagedrukgebied versterk: tropisch regenwoud.
 (Normale situatie)
Index negatief; zwak lagedrukgebied boven Darwin, sterk lagedrukgebied boven Tahiti; Passaten verzwakken/verdwijnen, soms een westenwind; dit is gerelateerd aan de zeestromen in de grote oceaan. Dit kan zorgen voor overstromingen in de woestijn en bosbranden in de tropen.(El niño)
La niña: De normale situaties raken soms versterkt ; grotere luchtdrukverschillen, sterkere passaten en zeestroming van oost naar west.

Paragraaf 7

Klimaatclassificaties: klimaat grenzen.
Klimaatclassificatie van Köppen: samenhang tussen klimaat en natuurlijke plantengroei. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 5 hoofdgroepen: A (tropische klimaten), B (droge klimaten), C (gematigde klimaten (zeeklimaat)), D (landklimaten) en E (polaire klimaten). Deze klimaten krijgen nog een onderverdeling aan de hand van: periode waarin weinig regen valt/ droogte index/ tempratuur.

 

klimaattype

letter

Betekenis

A, C en D

onderverdeling; periode met neerslag

W

Wintertrocken: droge periode in de winter

S

Sommertrocken: droge periode in de zomer

F

Fehlt: altijd regen

B

onderverdeling; droogte index

W

Wüste: woestijn

S

Steppe

E
onderverdeling; tempratuur

T

Tundra: toendra

F

Frost: vorst

H

Hochgebirge: hooggebergte

Zie atlas blz. 222 en 223/224

Landschapszones:
Tropische zone: tropische klimaten, tropische regenwouden.
Aride zonde: droge klimaten, woestijn steppen.
Gematigde zone: gematigde klimaten, loofwoud (waar wij wonen.)
Subtropische zone: overgan gematigde en aride zonde, vb. Middellands Zeegebied.
Boreale zone: continentale klimaten/landklimaten, naaldwouden.
Polaire zone: polaire klimaten, bodem ’s winters bevroren, ’s zomers ontdooit bovenste laag. Moerassig. Noord en Zuidpool zijn ijskappen.
atlas 76C en D (?)

Paragraaf 8

In de afgelopen 2,6 miljoen jaar, het Kwartair, wisselde koude periode, ijstijden, en warme periode, interglacialen, elkaar af.
Oorzaak koude periode: de geïsoleerde ligging van Antarctica, op het noordelijkhalfrond; continenten kwamen in een krans rond de Noordpool te liggen; ijskappen konden worden gevormd. Tussen Noorwegen en Groenland kon warmwater binnendringen, de damp zorgde voor sneeuw op de ijskappen.
Ondanks de gunstige ligging ontstonden de ijstijden niet zomaar. Dit kan alleen gebeuren als de hoeveelheid zonnestraling op hoge breedte van het noordelijkhalfrond ’s zomers relatief laag is. Deze hoeveelheid veranderd als gevolg van variaties in de baan van de aarde: Milankovic-variabelen:

  • Excentriciteit: mate waarin de baan van de aarde niet helemaal cirkelvormig is, varieert op een tijdschaal van +/- honderdduizend jaar. Als de excentriciteit hoog is en de aarde in de zomer ver van de zon staat; onze zomers koel.
  • Scheefheid van de aardas, varieert op een tijdschaal van +/- 41 duizend jaar. Als de aardas minder scheef staat zijn de winters minder koud en de zomers minder warm.
  • Precessie: tollende beweging van de aarde die voor de jaargetijden zorgt. Nu staat de aarde verder van de zon in de zomer dan in de winter; over 11,5 duizend jaar is dit omgekeerd. Varieert op een tijdschaal van +/- 23 duizend jaar.

Als de afkoeling van de aarde, richting een ijstijd, is ingezet kan dit versterkt worden door terugkoppelingsmechanismen: processen die invloed hebben op hetgeen waardoor ze in werking worden gezet. (positief en negatief)

  • Thermohaliene circulatie verstoord tijdens ijstijden, hierdoor; toevoer warmwater naar het noordelijk deel van de Atlantische oceaan verminderd. Dit had te maken met verandering in mondiale luchtcirculatie in relatie in relatie met de ijskappen
  • Ondiepe zeeën vielen droog; veel water werd opgeslagen in de ijskappen.
  • Eind laatste ijstijd: de diepzeepomp in de noordelijke Atlantische Oceaan verstoord door plotselinge toevoer van zoet smeltwater, dit zorgde voor een nieuwe ijstijd.
  • Verhoogde activiteit van plankton zorgt voor daling CO2.
  • Een doorgroeiende ijskap kan door groeien doordat deze bovenop koud is.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.