Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 2

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 886 woorden
  • 2 juli 2014
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

§2   Heelal = Alles wat er in de ruimte is.



Ster = gloeiend hete gasbol die door kernreacties enorme hoeveelheden energie produceert en uitstraalt.



Planeet = koude bol die rond een ster draait en daardoor verwarmd wordt.



Basalt = vulkanisch gesteente (stollingsgesteente) waaruit de oceaanbodem is opgebouwd.



Graniet = stollingsgesteente dat op de continenten voorkomt.



Organische sedimentgesteenten = sedimentgesteente dat bestaat uit overblijfselen van planten en dieren



Ons zonnestelsel bestaat uit de zon, een ster, met acht planeten die daaromheen draaien. de aarde staat samen met de buurplaneten Venus & Mars relatief dicht bij de zon. deze 3 planeten lijken erg op elkaar het verschil is de samenstelling v/d korst en de atmosfeer. de aarde heeft als enige een atmosfeer met CO² en zuurstof. alleen op aarde is leven mogelijk.



Doordat gedurende miljoenen jaren levende organismen zijn opgeslagen in organische sedimentgesteenten. is CO² deels uit de atmosfeer gehaald en opgeslagen in de aardkorst.



Het water op aarde is gevormd nadat vulkaanuitbarstingen direct na het ontstaan waterdamp produceerden dat condenseerde.





§3   Ozonlaag = dit gas bevindt zich op grote hoogte in de dampkring en beschermt de aarde tegen    



       schadelijk UV-straling



Trilobieten = de fossiele overblijfselen van uitgestorven schelpdieren die op de zeebodem leefden.



ammonieten =  de fossiele overblijfselen van uitgestorven inktvissen met een opvallende schelp die in het water ‘zweefden’



mammoet = dit dier behoort tot de olifantachtige en leefde tot 10 000 jaar geleden in de toendra’s.





In de afgelopen 4,5 miljard jaar heeft de aarde er telkens anders uitgezien. de continenten verschoven en veranderden van vorm.




  • 620 miljoen jaar geleden kende de aarde alleen levende organismen onder water. leven op het land was onmogelijk door het ontbreken van een ozonlaag. (PRECAMBRIUM)

  • 270 miljoen jaar geleden bestond het supercontinent Pangea. in de zeeën leefden vissen en schelpdieren zoals trilobieten. op het land kwamen naast planten ook reptielen voor. de atmosfeer bevatte inmiddels zuurstof. (PERM)

  • 100 miljoen jaar geleden was de temperatuur op aarde erg hoog en stond de zeespiegel hoger dan ooit. dinosaurussen leefden op het land en in de zee kwamen ammonieten voor. (KRIJT)

  • 18 000 jaar geleden was er een ijstijd. de zeespiegel stond veel lage dan nu en op het land leefden mammoeten. (KWARTAIR)



§4   Fossiel = een (versteend) overblijfsel of afdruk van een dier of plant.



Sedimentgesteente = gesteente dat ontstaat uit samengeperste korrels.



evolutie van het leven = de ontwikkeling naar steeds complexere vormen van leven tijdens de geologische geschiedenis.



uitsterven = tijden de geologische geschiedenis zijn er een aantal momenten waarop tegelijkertijd grote groepen planten & dieren uitsterven



relatieve ouderdom = de volgorde waarin bepaalde gesteenten/fossielen zijn ontstaan



absolute ouderdom = de ouderdom gemeten in jaren.



Fossielen ontstaan wanneer de overblijfselen van levende organismen niet verrotten. dit kan alleen als ze snel bedekt raken en niet in contact komen met zuurstof. dit kan gebeuren bij de vorming van sedimentgesteenten.



Door de fossielen in de verschillende lagen sedimentgesteenten te onderzoeken heeft men ontdekt dat het leven op aarde zich geleidelijk aan heeft ontwikkeld, waarbij telkens soorten uitstierven en andere soorten ontstonden in de volgorde:



Weekdieren –  schelpdieren – vissen – landplanten – reptielen –  zoogdieren.



deze ontwikkeling naar steeds complexere vormen van leven wordt de evolutie v/h leven genoemd. Hiermee heeft men de geschiedenis van de aarde ingedeeld in geologische tijdvakken.



De relatieve ouderdom van gesteente wordt bepaald met fossielen en de absolute ouderdom met behulp van radioactieve deeltjes in het gesteente.



§8   Dalingsgebied = een gebied dat miljoenen jaren lang wegzakt en wordt opgevuld met sedimenten.



Breuken = scheur in de grond waarlangs bewegingen kunnen ontstaan.



Kalksteen = gesteente dat is opgebouwd uit samengeperste schelpen en kalkskeletjes van algen.



Zandsteen = sedimentgesteente dat ontstaat uit samengeperste zandkorrels.



Steenzout = lagen zout die in de aardkorst voorkomen.



Steenkool = gesteente dat ontstaat als veen onder hoge druk wordt samengeperst.



De ondergrond van Nederland geeft aan dat Nederland in de afgelopen 300 miljoen jaar 2 bewegingen heeft gemaakt:




  • Nederland is 5 kilometer weggezakt

  • Nederland heeft zich 10 000 kilometer verplaatst.



Uit de lagen sedimentgesteente kan worden afgeleid wat voor klimaat er geheerst heeft op het moment van vorming, en met fossielen kan de ouderdom worden bepaald.



In Nederland zijn lagen sedimentgesteente zo mooi opgestapeld omdat Nederland een dalingsgebied is. Hierdoor liggen de oudere lagen onder en de jongste lagen boven. Uit breuken in de ondergrond kan worden opgemaakt dat de aardkorst in Nederland niet overal is gedaald. In het oosten en zuidoosten van Nederland is de aardkorst zelfs omhoog gekomen. Dit blijkt uit de oude gesteentelagen die daar aan de oppervlakte komen.



§9   Delfstoffen = Stoffen die uit de aardkorst worden gehaald omdat ze nuttig zijn voor de mens.



Aardolie = olie die ontstaat wanneer micro-organismen die op de zeebodem hebben geleefd worden samengeperst.



Inkolingsproces = het proces waarbij veen door samenpersen verandert in steenkool



Zoutdiapieren = zoutpijler die omhoog geperst is.



Seismisch bodemonderzoek = het opsporen van delfstoffen met behulp van kunstmatig opgewekte trillingen.



Omdat Nederland een dalingsgebied is dat bestaat uit sedimentgesteenten, hebben zich hier bepaalde delfstoffen kunnen vormen:




  • Steenkool à gevormd uit overblijfselen van een tropisch regenwoud die geleidelijk zijn weggezakt & samengeperst, het inkolingsproces

  • Zout à gevormd onder woestijnachtige omstandigheden

  • Aardgas àheeft zich opgehoopt op plaatsen waar het werd tegengehouden door een ondoorlaatbare laag. Door de grote druk zijn de zoutlagen vervormd en hebben zich zoutdiapieren gevormd.

  • Aardolie à bijproduct van het samenpersen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.