Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 2

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3753 woorden
  • 8 juni 2010
  • 43 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 43 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Samenvatting Aardrijkskunde H 2 09-10!
2.1: De olifant wordt een Aziatische tijger.
Redenen om in bv. Sjanghai je te vestigen.
Nationaal: goedkope arbeidskrachten en een enorme afzetmarkt.
Regionaal: zeer goed bereikbaar en goede voorzieningen (zakencentrum, enzovoort).
In Sjanghai verandert het platteland ook nog omdat het omliggende land steeds betere voorzieningen krijgen en de kinderen in Sjanghai werken en dus geld naar het platteland sturen.
Hoe verder je buiten de economische belangrijke steden komt nemen het aantal buitenlandse bedrijven af.

Meten
BNP per hoofd
Beroepsbevolking
Relatieve groei
Absolute groei. Economisch
Absolute groei
Formele sector
Informele sector
Relatieve groei
Waar wonen we
Bevolkingsspreiding.
Bevolkingsdichtheid
Migratieoverschot
Megasteden
Suburbanisatie Demografisch
Geboortecijfer.
Leeftijdsopbouw.
Sterftecijfer
Levensverwachting
Verschillen:
Handelsbalans
Centrum – semiperiferie – periferie
ongelijkheid Cultureel
Taal
Godsdienst
cultuurgebied
Begrippenlijst:
Absolute groei: De toename in hele getallen.
Relatieve groei: De toename in procenten.

Formele sector: De officiële economie.
Informele sector: de niet-officiële economie.
Bevolkingsspreiding: De manier waarop de bevolking over een gebied is verdeeld.
Migratieoverschot: er gaan veel mensen weg uit de stad of er komen juist te veel mensen in de stad.
Megasteden: Steden met meer dan 10 miljoen inwoners
Suburbanisatie: Proces waarbij mensen en bedrijven vanuit de stad naar het omringende platteland gaan.
Leeftijdsopbouw: De verdeling van de bevolking over de verschillende leeftijdsklassen of cohorten.
Levensverwachting: Het aantal jaren dat iemand gemiddeld nog te leven heeft gelet op de huidige sterftekans. De levensverwachting bij de geboorte wordt het meest gebruikt.
Handelsbalans: balans van een eerlijke handel.
Cultuurgebied: Gebied waar culturen voorkomen die sterk op elkaar lijken.

2.2 Verschillen in welvaart.
Welvaartsverschillen in landen kun je op meerdere manieren meten.
1. BNP per inwoner. Dit bereken je door de waarde van alle goederen en diensten die in een land in een jaar worden geproduceerd op te tellen. Daar voeg je de inkomsten uit het buitenland aan toe en je deelt het bedrag door het aantal inwoners. Om vergelijking mogelijk te maken druk je het BNP uit in dollars of euro’s. Inkomsten uit het buitenland laat je buiten beschouwing.
2. De VN-index of welzijnsindex. Hierbij let je naast de koopkracht ook op de levensverwachting en de alfabetiseringsgraad. Deze index loopt van 1 tot 0. Nederland staat met een 0,9 op de 5de plaats, Siërra Leone is laatste met 0,27.
3. Naast het BNP/hoofd en de welzijnsindex is er nog een reeks van aanwijzingen voor de mate van ontwikkeling. Denk aan de verdeling van de bevolking, toegang tot drinkwater, scholing, gezondheidszorg, voedselsituatie, beschikbaarheid van telefoon en computer.
Helaas zijn er een aantal problemen bij het meten van de welvaart:
1. Voor $1 kun je in het ene land meer kopen dan in het andere land. Om die onzuiverheid te ondervangen heeft men de koopkracht pariteit bedacht. Daarbij is de prijs van een gevulde boodschappenmand voor elk land omgerekend naar 1 standaard: de dollar. Voorbeeld: Voor brood in Nederland betaal je $2 en in China $0,20. Dan doe je 1 : 27 en 1 :7 dus de chinezen zijn in feite minder arm dan het BNP / hoofd doet vermoeden.
2. De inkomsten uit de informele sector, de ruilhandel en de zelfvoorziening, tellen niet mee in de statistieken van de formele sector. IN veel arme landen is de informele sector groter dan de formele sector. Hierdoor is in de praktijk de situatie in veel arme landen veel rooskleuriger dan de cijfers laten zien.
3. Het bnp per hoofd is geen gem. getal en de afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde kunnen erg groot zijn. In Brazilië verdienen de rijkste 10% de helft van het hele inkomen. Ongewenste en grote verschillen in inkomen en ontwikkelingskansen tussen groepen mensen noem je sociale ongelijkheid. Dit komt het meest voor in de een semi-periferie.
4. Het BNP per hoofd laat geen regionale verschillen zien. Een kind dat in Anhui geboren wordt, loopt twee keer zoveel kans voor zijn 5de jaar te sterven dan een kind dat geboren is in Sjanghai. Degelijke onrechtvaardige verschillen in welvaart en ontwikkeling tussen gebieden noem je regionale ongelijkheid.
Je kan de wereld indelen in: Centrum, semi-periferie en de periferie.
Het BBP/hoofd zijn de getallen lager, want dan tel je de inkomsten uit het buitenland niet mee.
De welzijnsindex is beter om de welvaart mee te meten, omdat je daarmee beter de levensomstandigheden kunt afmeten. Het BNP/hoofd zegt alleen iets over geld.
Nadeel BNP/hoofd als maatstaf Oplossing
1 Dollar niet overal evenveel waard A Koopkrachtpariteit gebruiken
2 Sociale ongelijkheid wordt niet zichtbaar B Uitgaan van welzijnsindex
3 Informele sector telt niet mee C Verbeteren nationale statistiek
4 Regionale ongelijkheid wordt niet zichtbaar D Inzoomen naar lager schaalniveau
Een Hoe zin: Hoe lager de welvaart hoe Lager het welzijn.
Communistische landen in O EU scoren veel hoger op de welzijnsindex op de lijst dan de koopkrachtparieti . Dit komt doort het vroegere politieke stelsel. In het communistische systeem werd veel aandacht besteed aan onderwijs en gezondheidszorg. Het is meestal gratis en voor iedereen toegankelijk
2.3: Bevolkingsspreiding en cultuurgebieden.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid op aarde is 50 inwoners per km2. Maar deze 6,5 miljard inwoners zijn onregelmatig verdeeld. De gehele wereldbevolking woont op slechts 10% van het aardoppervlak, 80% woont op het noordelijk halfrond tussen de 20 en 60o NB. Tweederde woont binnen 500km van de zee. Het heeft dus ook snel mee te maken waar je kan wonen.
De grootste contineten met mensen liggen bij:
- kustvlaktes
- vruchtbare gebieden
- langs rivieren.
Maar om een goed beeld van de bevolkingsspreiding te krijgen moet je som van schaalniveau wisselen. Het spreidingspatroon is een momentopname en veranderd dus telkens.
Dit komt door de natuurlikje groei en migratie. Er is veel trek van het platteland naar de stad bij de semi-periferie en de periferie.
De spreiding van de bevolking is een mis van natuurlijke en sociaaleconomische factoren.
1. De natuurlijke mogelijkheden ( dichtbevolkt, klimaat, vruchtbare bodems, water, niet te bergachtig, agrarische samenleving )
2. De ligging ( gunstig ten opzichte van de economische kerngebieden in de wereld of daar goed mee zijn verbonden, zijn dichter bevolkt dan perifeer gelegen ontoegankelijke streken. )
3. Het koloniale verleden ( er was veel gekeken naar de kustgebieden. Hoe de Europeanen land ontdekten. )
Het westerse cultuurgebied beslaat het grootste oppervlak, maar de Chinese cultuur telt de meeste leden. Cultuur is een breed begrip, maar in de geografie kijken we vooral naar de zichtbare sporen in het landschap. Je let dan op de manier waarop mensen hun gebied hebben ingereicht, de bouwstijl van huizen e van religieuze gebouwen, de wijze van land, kleiding. De Taal en godsdienst zijn de twee belangrijkste cultuurelementen die je gebruikt in het indelen van de wereld. Culturen veranderen en voordurend wordt een cultuurgebied ban buitenaf beïnvloed. Denk aan de kolonisatie. De verspreiding vanuit een kerngebied van een ruimtelijk verschijnsel noem je diffusie. Vaak wordt hier het nieuwe cultuurelement ingepast in de bestaande cultuur. Dan spreek je van cultuurvermenging of acculturatie. Er is wel zelden sprake van het verdringen van je eigen cultuur.
Er is een verschil tussen spreiding en dichtheid namelijk, Bevolkingsdichtheid geeft het gemiddelde aantal inwoners per km2 aan, terwijl je bij spreiding ook kunt zien waar zij precies wonen.
Vluchtelingenstromen komen vooral voor in de sub-Sahara. De meeste vluchtelingen blijven in de regio. In dit gebied komen veel politieke conflicten (oorlogen) voor.
De Golfstaten zijn door de hoge olieopbrengsten welvarende landen geworden met een grote vraag naar tijdelijke, laaggeschoolde arbeidskrachten. Dit trekt tijdelijke migranten aan.
De immigranten nemen kenmerken van andere culturen mee en sommige daarvan worden overgenomen door de autochtone bevolking. En dit leidt dus weer tot acculturatie.
Een voorbeeld v an hoe we diffusie verstaan en hoe daarbij acculturatie ontstaat: Je ziet hoe de rapmuziek zich in de loop van de tijd verbreidt over de VS en dat daarbij door cultuurmenging in Detroit een variant op de rap ontstaat.
2.4 De politieke en sociale wereldkaart.
Er zijn ongeveer tweehonderd soevereine staten in de wereld. Een soevereine staat, zoals Nederland, mag als enige macht uitoefenen over de bevolking en het grondgebied van de staat. Bovendien wordt de staat internationaal erkend. De manier waarop een staat wordt bestuurd, blijkt uit het politieke stelsel. We onderscheiden hier 3 vormen:
1. Democratie: Burgers hebben door vrije verkiezingen invloed op het bestuur. In een democratie zijn ook tal van andere vrijheden gewaarborgd, zoals vrijheid van meningsuiting en godsdienst. Dit vind je van oudsher in westerse landen.. Sinds 1975 werden meer dan 100 landen een democratie. Zelf de Oost Europese landen die tot 1989 onder invloed waren van de Sovjet unie. Iniedergeval meer democratisch. Natuurlijk gaat dit niet zo snel, de vroegere elite probeert nog zoveel mogelijk macht te behouden. Al lukt dit niet meer ontzettend goed.
2. Beperkte democratie: IN deze landen wordt het land sterk gecontroleerd door de centrale overheid. De burgers hebben wel stemrecht maar dan alleen op 1 of 2 politieke partijen. De corruptie is wijd verbreed en sommige groepen van de bevolking ( denk aan vrouwen, minderheden ) zijn uitgesloten van het stemrecht. Deze landen zijn vooral in Latijns-Amerikaan en de nieuwe staten van de voormalige Sovjet-Unie.
3. Dictatuur: Hierbij wordt het land autoritair bestuurd door 1 partij, een kleine minderheid of door 1 iemand. Ook wel dictator genoemd. De politieke vrijheid is klein voor de burgers. De mensen rechten worden er met de voet getreden. Er zijn dus niet veel vrijheden. Elke oppositie tegen de leiding wordt hardhandige onderdrukt. 2,2 miljard mensen wonen in dit soort staten. Vooral liggen ze in Afrika, Azië, China en het Midden-Oosten.
Het democratische gehalte is in de wereld sinds de val van de Muur toegenomen. Maar de weg naar een echte democratie is nog erg lang.
Een van de belangrijkste elementen van de welzijnsindex is de alfabetiseringsgraad. Wereldwijd gaat een op de zeven kinderen niet naar school. Een nog grotere groep verlaat de school al na een paar jaar onderwijs. In arme landen worden meisjes als eerste thuisgehouden. Dit komt door:
- Schoolkosten
- Het belang ervan word niet gezien.
- Ze kunnen in het huishouden helpen
Souvereine staat: Een internationaal erkende staat, die als enige macht mag uitoefenen op haar grondgebied.
Alfabetisme is een goede graadmeter om iets te zeggen over sociale omstandigheden. Als alfabeet heb je meer kansen je levensomstandigheden te verbeteren dan wanneer je analfabeet bent.
2.5 Patronen in Ghana, Tunesië en Nederland.
Kenmerk Nederland Tunesië Ghana
Klimaat Gematigd zeeklimaat N: Mediterraan N: Savanne
Z: Steppe/woestijn Z: Tropisch
Bevolking:
* aantal 16,4 miljoen 10 miljoen 19,5 miljoard
* Dichtheid 466 per km2 61 per km2 82 per km2
* Spreiding nadruk op Westen nadruk Noord-Oosten nadruk op kust
Bevolkingsgroei: 4% 10% 13%
* geboortecijfer 12% 16% 24%
* sterftecijfers 8% 6% 11%
Koopkracht ( per cap. ) € 24.600 € 5.900 € 1.900
welzijnsindex 0.95 ( nmr 5 ) 0.7 0.5
Ongelijkheid
10% rijkste 25% ink. 32% ink. 30% ink.
10% armste 2.8% ink. 2.3% ink. 2.2% ink.
% onder armoedegrens 0 7 31
Anafabetisme 1% 26% 26%
levensverwachting 79 jaar 75 jaar 56 jaar
Cultuurgebied
* taal Nederlands Arabisch + Frans Engels
* godsdienst Katholiek: 33% Moslim: 98% Inheems: 38%
Protestands: 20% Moslim: 30%
moslim: 5.5% Christen: 24%
Geen: 42 %
Politiek systeem Constituionele monarchie Republiek Republiek
mate van vrijheid Vrij Onvrij, politieke beperkingen. Vrij
Werkzaam in de informele sector: ( niet geregistreerde sector. Er wordt geen belasting over betaald. )
Nederland: 13%
Tunesië: 38%
Ghana 38%
Ook heerst er veel werkloosheid: Nederland maar 5%, Tunesië 14% maar Ghana heeft toch wel het meeste met 20%.
Economisch: koopkracht, verdeling beroepsbevolking.
Demografisch: geboortecijfer, levensverwachting.
Sociaal: analfabetisme, welzijnsindex.
Andere woorden voor elkaar:
Een onafhankelijke staat: Soevereine staat.
Groepen met hun eigen taal en cultuur: Cultuurgebied
In het noorden zijn de weerstomstandig- Welzijn
heden slechter, de levensstandaard lager
en het onderwijs en gezondheidszorg
zeer matig.
Het verschil in welvaart van een land Regionale ongelijkheid
Vanuit het buitenland over het land Diffusie
Verspreid.
Nationaal inkomen BNP
Verschil in welvaart tussen Sociale ongelijkheid
Bevolkingsgroepen neemt toe.
Scharreleconomie Informele sector
Een ontwikkelingsland periferie
2.6: Ontwikkeling en werk.
Als we de economische geschiedenis van de wereld bekijken, dan zien we 3 ingrijpende veranderingen.
1. De agrarische revolutie: De overgang van het jagen en verzamelen naar de landbouw.
2. De industriële revolutie: de overgang van het handarbeid naar grootschalige fabrieksmatige productie.
3. De opkomst van de dienstenmaatschappij.
Deze veranderingen hadden gevolgen voor de economische structuur van landen. IN feite is er een tijd/ruimte patroon te ontdekken. In de centrumlanden begint na 1850 de uitstoot van arbeid uit de landbouw naar de industrie. De industrialisatie valt samen met de mechanisering en de schaalvergroting in de landbouw. Vanaf de jaren zestig tot de twinstige eeuw neemt door de mechanisering, automatisering en later de uitschuiving naar lagelonenlanden de secundaire sector in omvang af. Die dienstenmaatschappij met zijn sterk ontwikkelde tertiaire en quartaire sector dient zich aan. In de semiperiferie is de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving pas na de Tweede Wereldoorlog gestart. De echte perifere landen zijn nog voornamelijk agrarisch. Het verschuiven van het zwaarte punt in de economie van de ene naar de andere sector noem je het doorschuiven van sectoren.
Tegenwoordig liggen producten uit de hele wereld in de schappen van Nederland. Voorheen was dat niet zo. Het heeft dus gevolgen voor de internationale arbeidsverdeling. Hieronder verstaan we de specialisatie van werkgelegenheid en de verschillende delen van de wereld. Je kunt de internationale arbeidsverdeling aflezen aan:
- de internationale verdeling van de beroepsbevolking
- de samenstelling van het exportpakket van de landen.
In allebei deze gevallen treed er de laatste eeuwen een belangrijke verschuiving op. In de jaren 60 bestond het exportpakket uit ontwikkelingslanden nog bijna geheeld uit grondstoffen. Industriële producten vormden in die tijd nog geen 20% nu is het meer dan 50%. Voor de semiperiferie werkt hierin. Alleen de allerarmste landen hebben nog een exportpakket dat vooral uit grondstoffen bestaat. Denk aan de Sub Sahara.
Grondstoffenafhankelijk maakt ons land ook kwetsbaar.
1. de prijzen voor grondstoffen, met uitzonering van aardolie, zijn sinds 1960 minder snel gestegen dan de prijzen van eindproducten.
2. de prijzen kunnen sterk wisselen. Door de grote vraag naar grondstoffen en energie vanuit India en China stijgen de prijzen van grondstoffen de laatste jaren sterk.
3. Wanneer de export uit handelsgewassen bestaat, dreigt altijd het gevaar van misoogsten. In een klap kan daardoor het inkomen van een land gehalveerd worden.
Voor grondstoffen in 2006 was het een topjaar. Maar voor wie eigenlijk. Veel olievelden en ertsmijnen zijn in handen van multinationals uit de westerse landen. Het grootste deel komen bij de aandeelhouders terecht en vloeien het land uit. De bevolking heeft het nakijken op het geld.
Een tijd ruimte patroon is : Het verschuiven in de wereld van de verdeling van de beroepsbevolking in de loop van de tijd.

LET OP GRAFIEK TEKENEN ZIE BOEK!

2.7 Ontwikkeling en demograife.
Bevolkingsgroei:
Op het mondiale schaalniveau meet je de natuurlijke bevolkingsgroei door het vrschil tusen het geboorte- en sterftecijfer vast te stellen. In de lange geschiedenis van de mens is het geboortecijfer altijd hoger geweest dan het sterftecijfer en was er dus sprake van een natuurlijke groei. Dat is niet hetzelfde als de totale bevolkingsgroei. Op een lager schaalniveau moet je immers ook nog rekening houden met migratie. Verschil tussen het aantal nieuwkomers en het vertrekkers levert het migratiesaldo op. Dat kan een + of – zijn. Als je kijk naar de groei van de wereldbevolking vallen er twee dingen op:
1. De groei gaat steeds sneller. In de twintigste eeuw is de bevolking 4x zo groot geworden.
2. De groei gaat niet overal even snel. In ontwikkelingslanden gaat het hard
De natuurlikje bevolkingsgroei is wereldwijd gedaald van 23 naar 16 promille. De relatieve groei neemt dus af, maar de absolute groei gaat nog door. Dat komt doordat de moeders van morgen al geboren zijn. En zij zijn in grote getale. Ze zullen wel veel minder kinderen krijgen dan hun moeders. De vruchtbaarheid, het aantal leven geboren kinderen per 1000 vrouwen van 15 tot 45 jaar, daalt. Gemiddeld moet een vrouw 2,1 kind krijgen om haar generatie te vervangen. In de westerse landen ligt het onder de grens maar in de ontwikkelingslanden ligt het ver boven de grens. Soms wel met 4 tot 4 kinderen. Er zal dus 95% van de bevolking in een arm land geboren worden.
Het Nederlandse geboortecijfer is 12%, dat van Mali 47%. Dat arme landen zo’n hoog geboorte cijfer hebben is erg divers.
1. Demografisch: arme landen kennen een jonge leeftijdsopbouw. Veel vrouwen in de vruchtbare leeftijd betekent automatisch een hoger geboortecijfer dan bij de oude bevolking.
2. Scholing: in het algemeen daalt de vruchtbaarheid wanneer de scholingsgraad van vooral de meisjes stijgt. De kennis over geboorteregeling neemt toe en bovendien hebben deze jonge vrouwen betere carrièremogelijkheden. Het krijgen van veel kinderen past niet in dat patroon.
3. Religie: het katholieke geloof stimuleert grote gezinnen en wijst abortus en het gebruik van voorbehoedsmiddelen af. In de westerse landen gingen de ontkerkelijking en het gebruik van de pil in hand in hand.
4. Cultuur: in veel culturen geeft een groot gezin met vooral zonen aanzien; vooral voor de vrouw.
5. Gezondheidssituatie: voornamelijk het hoge zuigelingensterfte. Dat is het aantal baby’s per duizend levendgeborenen dat in het eerste levensjaar sterft. Een hoge zuigelingensterfte stimuleert het geboortecijfer. Het gezin wil er zeker van zijn dat een aantal kinderen overleeft om later voor de ouders te kunnen zorgen.
6. Armoede: veruit het belangrijkste reden. Er is een direct verband tussen een stijgende welvaart en een dalende vruchtbaarheid. Wanneer de welvaart stijgt, daalt de kindersterfte, de mensen worden beter opgeleid, de invloed van godsdienst neemt vaak af en de sociale zekerheid wordt groter. De noodzaak om en grote gezin te stichten verdwijnt.
De ontwikkeling van de geboorte en sterftecijfer kun je weergeven in een model; het demografisch transitiemodel. De verandering van geboorte en sterfte hangt naus samen met de stijging van de welvaart in een land.
Fase I: Zowel het geboorte als het sterftecijfer is hoog. Het sterftecijfer kan sterk wisselen door het voorkomen van oorlog, honger en ziekte.
Fase II: Het geboortecijfer blijft hoog, maar het sterftecijfer daalt sterk. De bevolking groeit snel. Het gevolg is een zeer jonge, piramidevormige leeftijdsopbouw
Fase III: Het geboortecijfer gaat dalen en de groei neemt af. De leeftijdsopbouw neemt de vorm van een klik aan.
Fase IV : geboorte en sterftecijfer komen op een veel lager niveau weer in evenwicht. Soms is het sterftecijfer zelfs hoger. De leeftijdsopbouw lijkt een urn.
De wereldbevolking groeit na 1950 explosief en een steeds groter deel van de wereldbevolking woont in ontwikkelingslanden.
In ontwikkelingslanden daalt het sterftecijfer na 1950 snel, maar in tegenstelling tot de rijke landen blijft het geboortecijfer hoog.
2.8:Ontwikkeling en verstedelijking.
Het platteland lijkt de slag met de stad te verliezen. Meer dn de helft van de wereldbevolking woont tegenwoordig inde stad. Het proces waarbij het aandeel van de bevolking dat in de stad woont groeit, noem je urbanisatie en dat je druk je uit in de urbanisatiegraad. In Nederland ligt die op 89%. De urbanisatiegraad in rijke landen is hoger dan in arme landen toch moet je voorzichtig zijn met deze getallen.
• Lang niet alle landen verstaan hetzelfde onder een stad. Op IJsland noemen ze een vlek van 500 inwoners al een stad, in Japan ligt de grens bij 50 000.
• De hoogte van de urbanisatiegraad hand ook sterk af van de geografische omstandigheden. Wanneer een land voor een belangrijk deel uit woestijn of onherbergzame gebieden bestaat, woont een groot deel van de bevolking als snel geconcentreerd in een paar steden. Daarom komt een arm land zoals de Westelijke Sahara aan een urbanisatiegraad van 94%.
De ontwikkelingslanden hebben een lage urbanisatiegraad, maar de stadbevolking neemt er wel snel toe. Ze kennen een hoog urbanisatietempo. Hiermee meet je de jaarlijkse toename van de urbanisatiegraad. Groeicijfers van 6 tot 8% zijn geen uitzondering.
De groei in de Derde wereld kent 3 oorzaken
1. De trek van het platteland naar de stad. In de westerse landen was de ruraal-urbane migratie in de negentiende eeuw het gevolg van de mechaisering van het platteland en de industrialisatie in de steden. Dit is ook in ontwikkelingslanden soms ook maar meestal niet. Het arbeidsoverschot op het platteland ontstaat niet door productieverhoging, maar juist door stagnatie. Bovendien weten de plattelanders door televisie en reizen tegenwoordig ook heel goed wat de mogelijkheden van de stad zijn Er is veel vraag naar arbeidskracht. Een uitdijende informele sector is het gevolg.
2. De trek van de ene stad naar de andere.
3. Natuurlijke bevolkingsgroei. In veel ontwikkelingslanden is in grote steden de natuurlijke groei hoger dan het vestigingsoverschot. Vooral jongeren wagen de sprong naar de stad. Als ze daar eenmaal een plek hebben gevonden stichten ze een gezin.
De rijke landen hadden 1839-1930 een versnelde urbanisatie. Maar hierna slaat er suburbanisatie toe. We gaan nu juist op het platteland wonen. Door de toegenomen welvaart is de infrastructuur verbeterd, het autobezit neemt toe en veel mensen kunnen zich een huis permitteren en is er volop werk. Werk verlaat de stad om het centraler te maken.
In arme landen richt de migratie zich steeds meer op de grootste steden. Al in de koloniale tijd kregen deze steden de meeste aandacht. Na de onafhankelijkheid bouwden de nieuwe leiders hun hoofdstad verder uit. Van de 20 megasteden ( minimaal 10 miljoen ) liggen er maar 3 in de rijke landen. De eenzijdige gerichtheid op 1 of twee steden heeft tot gevolg dat het stedelijke patroon van veel ontwikkelingslanden afwijkt van dat in de westerse landen. In de arme landen ontstaat 1 overheersende stad. In deze primate city woont een groot deel van de stedelijke bevolking en daar concentreren zich alle belangrijke activiteiten. ( bestuur, cultuur, diensten en industrie ). De verdeling van steden naar omvang is in de westerse landen gelijkmatiger, hoewel steden als Parijs en Londen ook trekjes van een primate city vertonen.
Urbanisatie is het proces waarbij een groter deel van de bevolking in de stad gaat wonen. Dat druk je uit in de urbanisatiegraad. De snelheid waarmee dat proces plaatsvindt, druk je uit in het urbanisatietempo.
Primate city: De grootste stad in het land die op tal van terreinen de andere steden overheerst.
Stedelijke ontwikkeling kan je ook wel omschrijven in de rijke landen als suburbanisatie.
Er is een verband tussen de industrialisatie en de mechanisering van de landbouw, namelijk Door de industrialisatie kwamen er landbouwmachines, die handarbeid in de landbouw vervingen. De vrijgekomen landarbeiders konden als industriearbeider in de stad aan de slag.
De ontwikkeling sinds 1980 heeft plaats gevonden en hoe het zich in naar verwachting houd in 2020:in landen met een laag BNP/hoofd is de urbanisatiegraad nog laag. Veel mensen werken nog in de landbouw, maar de armoede op het platteland is groot. Velen trekken naar de stad (urbanisatie). Door het hoge urbanisatietempo neemt de urbanisatiegraad de komende tijd snel toe. De grootste steden groeien uit tot echte primate city’s. In westerse landen is er al lange tijd een trek uit de stad aan de gang (suburbanisatie). Het stedelijk patroon is hier ook veel evenwichtiger.
2.9: Samenhang in Ghana, Tunesië en Nederland:
Uitspraken:
• Hoe armer het land hoe hoger de bijdrage van de primaire sector aan het BNP
• Tunesië hoort tot de semi-periferie en Ghana tot de periferie
• Er is een verband tussen welvaart en verdeling van de beroepsbevolking.
 Iedereen probeert een graantje mee te pikken van de groeiende toerisme en de Bedoeïen spelen in op de vraag van toeristen.
Kijk nog even naar de fases eerder genoemd !! Dit klopt erover
Tunesië zit in de overgang van fase II naar fase III in het demografisch transitiemodel. Dat zie je aan de snelle daling van vruchtbaarheid. Deze verandering is vooral op gang gekomen na 1990 en hangt sterk samen met stijgende welvaart.
De stadjes rond Tunis groeien de laatste jaren ook snel. Dit komt komt door de suburbanisatie van de rijke bewoners vanuit Tunis.
Het verband tussen ontwikkeling en demografie blijkt het sterkste uit het verschil in kindersterfte.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

R.

R.

halloo..

ik vind het een best wel goede samenvatting en het is makkelijk tte lezen voor iemand uit 2 havo. er zitten geen moeilijke woorden bij en de moeilijke woorden zijn omschreven in een begrippenlijst..!!

Xroxsanne

11 jaar geleden