Hoofdstuk 12

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2170 woorden
  • 5 juni 2015
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.1
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§1 



Je hebt een bepaald aantal factoren die de kwaliteit van een woonomgeving bepalen:




  1. De inrichting van de wijk

  2. De aanwezigheid van voorzieningen

  3. Het leefmilieu

  4. De verzorgdheid van de wijk

  5. De gemeentelijke dienstverlening





§2



Nederlandse steden hebben veel overeenkomsten: Een binnenstad, stadscentrum, daaromheen de binnenstad. Eromheen zijn er wijken die steeds jonger zijn.



Toch zijn er veel verschillen in steden. Er zijn in Nederland 3 verschillende soorten steden:



1.Historische steden



  -Voor 1870 ontstaan



  -Begon meestal als handelssteden



  -Na 1870 een groeiperiode door de komst van industrie



  -Kleine woningen, hoge bebouwingsdichtheid




  1. Industriesteden



   -In 1870 ontstaan door de groei van industrie



   -Veel fabrieken aan de rand van de stad



3. Beleidssteden



   -Na 1970 door een overheidsbeleid



    •Vinexwijken, deze steden moeten wildgroei van grote steden beperken.



    •Groeisteden, deze steden krijgen extra geld om vestiging van bedrijven          aantrekkelijker te maken.



    •Groeikernen, deze steden liggen in het groene hart en moesten suburbanisatie     tegen     gaan.





De randstad is opgebouwd uit twee soorten gebieden:




  1. De stedenring, bestaat uit twee zones:



-De Noordvleugel, ook dit is weer opgedeeld in twee zones: 



    •De Amsterdamse stedelijke zone, Amsterdam en Schiphol zijn hier het         centrale punt van.



    •De Utrechtse stedelijke zone, Utrecht ligt centraal en is doormiddel van         wegen en openbaar vervoer het knooppunt tussen de randstad en de rest         van Nederland.



-De Zuidvleugel, de autowegen,waterwegen en spoorlijnen lopen tussen de zuidelijke steden.






  1. Het middengebied:



-Dit is het groene hart. Wat bestaat uit veel natuur en wat kleine dorpjes.





§3, Vraagstukken van grote en middelgrote steden in Nederland: 



3.1 Oplossen van stedelijke problemen: een bestuurlijk-ruimtelijk vraagstuk:



Grote steden in Nederland:



Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht.



Middelgrote steden in Nederland:



Eindhoven, Tilburg, Almere, Groningen, Breda, Nijmegen, Enschede, Apeldoorn, Haarlem, Arnhem, Amersfoort, Zaanstad, Haarlemmermeer, Den Bosch, Zoetermeer, Zwolle, Maastricht, Dordrecht, Leiden, Emmen, Ede, Westland.





Problemen in grote en middelgrote steden:



• Afnemende bereikbaarheid.



• Ruimte gebrek.



• Omgang van de komst van groepen met een andere culturele achtergrond.



• Economie blijven vernieuwen om de (internationale) concurrentiekracht te behouden.





(bron21)



Deze problemen kunnen de ontwikkeling van een stad belemmeren. Veel oplossingen van deze problemen kan de overheid bij helpen. Om de problemen op te lossen heb je samenwerking nodig tussen gemeenten en provincies. Dit werkt niet altijd goed, en dus is er sprake van een bestuurlijk-ruimtelijk vraagstuk. De randstad is een voorbeeld van zo’n bestuurlijk netwerk, de besluitvorming van belangrijke projecten verloopt bijvoorbeeld vaak te traag. Een positief voorbeeld is vrijwillige regionale samenwerking in de randstad, zo maken zij afspraken over bijvoorbeeld het verkeer. 



3.2 Afnemende bereikbaarheid: het congestievraagstuk.



Verstoppingen van wegen word congestie genoemd. De congestie word veroorzaak door de groei van het autobezit en het autogebruik. Dit zorgt voor files en dit zorgt weer voor veel reistijdverlies. De bereikbaarheid van steden nemen af en de economische nadelen daarvan worden steeds groter. Hierdoor gaan steeds meer bedrijven naar betere bereikbare locaties buiten de grote steden. 



Oplossingen voor de congestie op de autowegen zijn:



1. Invoering van de kilometerheffing.



Bij kilometer heffing gaan automobilisten betalen voor het aantal kilometers dat word gereden. De kosten verschillen per tijdstip en plaats. Op deze manier wordt het gebruik van drukke wegen op drukke momenten ontmoedigd. 



2.  Uitbereiding van de capaciteit van de wegen.



Doormiddel van extra rijstroken en spitsstroken toevoegen aan wegen. 



3. Bevordering openbaar vervoer. 



Goed en goedkoop openbaar vervoer kan het verkeersaanbod op de autowegen en in de stad verminderen. Belangrijk hierbij is dat de verhoging van de frequentie en een goede afstemming van de bus en trein. 



De samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven heet een publiek-private samenwerking (PPS). Een voordeel hiervan is de financiële daadkracht. Deze samenwerking is vaak erg efficiënt.



Congestie in de steden zorgt voor steeds meer problemen. Er is een slechte doorstroming van verkeer en er is te weinig parkeerruimte. De levering van goederen aan bedrijven (stedelijke distributie) gaat steeds moeilijker. De afnemende bereikbaarheid van het stadscentrum bedreigt het functioneren van de stad. De centrale plaats van een stad is waar allerlei diensten aanwezig zijn voor de bevolking. Het minimum aantal klanten dat een winkel nodig heeft om te bestaat wordt een drempelwaarde genoemd. De omzet die kun je uitdrukken in het aantal klanten dat nodig is en die het draagvlak van de dienst noemen. Het gebied waar de klanten vandaan komen heet het verzorgingsgebied. 



(bron 29) 



Als het draagvlak van winkels en bedrijven word aangetast en de drempelwaarde niet meer gehaald wordt, gaan mensen naar een ander centrum op te winkelen. De reikwijdte van winkels en andere diensten neemt af en het verzorgingsgebied word kleiner. 





Sommige winkels moeten door slechte bereikbaarheid een andere locatie zoeken. Ze gaan dan op een plaats zitten waar je met de auto goed kan komen en waar veel parkeerruimte is, bijvoorbeeld aan de rand van een stad of aan een snelweg. 



In steeds meer steden word congestie bestreden door een (gedeeltelijk) autovrij centrum.  Allerlei maatregelen maken het rijden of parkeren van een auto in het centrum minder aantrekkelijk. 



3.3 Ekkersrijt: voorbeeld van een locatievraagstuk. 



Ekkersrijt is een groot bedrijventerrein aan de noordrand van Eindhoven. Het ligt op een verkeersknooppunt. Het is goed te bereiken met veel parkeerplaatsen. Er moest wel een beslissing genomen worden over de bestemming van de schaarse ruimte. Dit is een locatievraagstuk. De toename van ruimtebehoefte maakt het Nederland steeds moeilijker. Er is veel concurrentie om de ruimte.





3.4 De multiculturele opbouw van onze steden: een sociaal-cultureel vraagstuk. 



In een multiculturele stad moeten mensen uit verschillende culturen met elkaar samenleven. Dit is vooral in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Een op de drie inwoners is hier van niet-westerse herkomst. De meeste allochtonen wonen in de randstand omdat hier de kans op werk groter is en omdat de mogelijkheden om een goedkope woning te vinden hier het grootst is. Ook heeft de aanwezigheid van een groep allochtonen met de zelfde taal ene cultuur een aantrekkingskracht op nieuwe migranten. 



De komst van allochtone migranten van westerse en niet-westerse herkomst heeft zowel positieve als negatieve gevolgen. Verrijking van de bestaande cultuur is een positief gevolg. de negatieve gevolgen van de komst van de migranten hangt samen met hun vaak zwakke sociaal-economische positie. Ten aanzien van het wonen en de positie op de arbeidsmarkt zijn er de problemen:



1. Segregatie en polarisatie.



Als bevolkingsgroepen gescheiden wonen is er sprake van ruimtelijke segregatie. De segregatie belemmerd de intergratie van allochtonen. 



Als er weinig uitwisseling van ideeën waarden en normen tussen groepen gebeurd heet dit sociale segregatie. De afzondering kunnen de tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen versterken en dit heeft het gevolg: polarisatie. Dit kan leiden tot conflicten die de leefbaarheid en veiligheid in een wijk verminderen. 



2. Duale arbeidsmarkt.



Op de arbeidsmarkt hebben niet-westerse allochtonen vaak een minder goede positie. ER is een duale arbeidsmarkt met een tweedeling tussen een bovenlaag en een onderlaag.



(bron 36)



Twee factoren verklaren de zwakke positie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt:



1. Het opleidingsniveau



Ze hebben vaak een lager opleidingsniveau bv. door: taalproblemen.



2. Discriminatie



Discriminatie bemoeilijkt de toegang tot de arbeidsmarkt ernstig. 



3.5 Behoud van concurrentiekracht: een innovatievraagstuk. 



Innovatie: een nieuwe manier van werken (de organisatie) en in de producten en diensten van de stedelijke economie. De vernieuwing moet zorgen voor een economie die gericht is op het ontwikkelen en toepassen van een nieuwe technologie: een kenniseconomie. Belangrijk zijn twee vormen van bedrijvigheid:



1. De kennisintensieve sector.



Een kenniscentrum is een bundeling van kennis die ontstaat als universiteiten en onderzoeksinstituten met elkaar gaan samenwerken. Dit zorgt dat deze steden aantrekkelijk worden voor hightechbedrijven. 



2. De creatieve bedrijvigheid.



Een creatieve stad is een stad waar een groot deel van de beroepsbevolking in de creatieve bedrijvigheid werkt. Kunsten, media en entertainment en de creatieve zakelijke dienstverlening vormen samen de creatieve sector. 



§4, De leefbaarheid van de stadswijken in Nederland. 



4.1 Leefbaarheid: een lastig verzamelbegrip.



Een wijk of een buurt is het gebied rond zijn woning en woonstraat. Verloedering is de algemene achteruitgang van de leefbaarheid van een wijk. Leefbaarheid is een verzamel begrip en lastig te omschrijven. Het geeft de mate aan waarin de woningen in een wijk voldoet aan de woonwensen van de bewoners en waarin de woonomgeving als veilig, sociaal, schoon en gezond wordt ervaren. Leefbaarheid is samengesteld uit drie elementen:



1. de fysieke leefbaarheid



Dit geeft de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving aan en de beschikbaarheid van buurt- en wijkvoorzieningen. De ouderdom en de opbouw van de woonwijk speelt hier een grote rol. Dit leidt tot verschillen in woningkenmerken (ouderdom, onderhoud, woningtype, eigendom).



2. De sociale leefbaarheid.



Dit heeft te maken met de bewoners en de bewonerskenmerken (inkomen, grootte van huishoudens, gezinsfase, leeftijd, etniciteit). Ook is de verblijftijd van de bewoners en de wijk belangrijk.



3. De sociale onveiligheid.



Dit geeft de mate aan waarin de bewoners van een wijk zich beschermd voelen van personen of gevaren.



(bron 46)



Leefbaarheid heeft een subjectieve hoek en een objectieve hoek. 



• De objectieve leefbaarheid wordt bepaalt op basis van cijfers en feiten. 



• De subjectieve leefbaarheid wordt bepaalt door de indruk (perceptie) van de mensen die in de wijk wonen. 



Om het beeld dat bestaat over leefbaarheid te verklaren is een buurtprofiel nodig. Dit geeft een overzicht van alle objectieve en subjectieve kenmerken die samen de leefbaarheid bepalen. 



4.2 Aandacht voor de probleemwijken. 



Achterstandswijken in Nederland zijn wijken waar de kwaliteit van de leefomgeving sterk achter blijft bij die van andere wijken. De overheid heeft veertig probleemwijken geselecteerd met een grote achterstand in leefbaarheid. Deze wijken krijgen komende jaren extra geld en aandacht om de leefbaarheid te vergroten. 



De aandacht voor achterstandswijken is al vanaf 1960 begonnen. De overheid probeert door stadsvernieuwing verouderde wijken op te knappen. Dit gebeurde op twee manieren: via sloop of via renovatie. Er was in het begin weinig aandacht voor problemen zoals werkloosheid en spanningen tussen bevolkingsgroepen. Daarom ging de overheid zich richten op herstructurering. Ze gingen ook aandacht aan de sociale cohesie geven. Dat deden ze door verschillende woningen in een wijk te zetten zodat er een gevarieerde woningsopbouw was om ruimtelijke segregatie en polarisatie te voorkomen.  Hierbij spelen woningcorporaties een belangrijke rol. Deze organisaties zijn eigenaar van de sociale huurwoningen in het land en zorgen voor het toewijzen van woningen. 





4.3 De fysieke leefbaarheid: voldoen aan de woning en de woonomgeving?



Steden zijn opgebouwd uit verschillende bouwperioden. De bouwperiodes hebben verschillende woningtypes, bouwhoogtes, bebouwingsdichtheden, stratenpatronen en hoeveelheden groen. (bron 51)



In Nederland zijn er vier bouwperioden die de basis vormen voor de fysieke leefbaarheid:



1. Woonwijken gebouwd voor 1920.



Deze woonwijken liggen pal tegen de binnenstad. Er zijn weinig problemen ten aanzien van de leefbaarheid. Er is sprake van gentrificatie: een proces van opwaardering (sociaal, economisch) van wijken door de vestiging van hogere inkomensgroepen. 



2. Woonwijken uit de bouwperiode 1920-1940.



Er is een lage bebouwingsdichtheid en een beperkte hoeveelheid openbaar groen. Ruime woningen en vooral gezinnen met jonge kinderen vinden hier een mooie woonplek. 



3. Woonwijken uit de bouwperiode 1950-1970.



Deze wijken hebben vaak een lage fysieke leefbaarheid wat zorgt dat er veel probleemwijken zijn. Vooral goedkope en sobere huurwoningen met weinig variatie. Er wonen vooral bewoners met een laag inkomen, migranten en eenoudergezinnen.



4. Woonwijken gebouwd na 1970.



Wijken uit deze bouwperiode vormen geen probleemwijken. Hier woont een op de zes Nederlanders in. 



4.4 De sociale leefbaarheid: is de wijk een sociale eenheid?



De objectieve bewonerskenmerken van een buurt hebben veel invloed op het oordeel van bewoners over de leefbaarheid. (bron 55)



De sociale cohesie heeft invloed op het oordeel van bewoners over de leefbaarheid. Meerdere factoren bevorderen de sociale cohesie:



1. Verbondenheid tussen bewoners qua gelijkheid qua inkomen, beroep en opleiding, maar ook in culturele achtergrond. 



2. De verantwoordelijkheid die de bewoners voelen voor de leefbaarheid. 



3. De verblijftijd van de bewoners in een wijk. 



4. De aanwezigheid van sociale netwerken. Een kenmerk van een sociaal netwerk is sociale controle. De bewoners controleren en corrigeren elkaar en letten op afwijkend gedrag. 



4.5 Sociale veiligheid en leefbaarheid. 



Sociale onveiligheid kan een grote bedreiging zijn van de leefbaarheid in een gemeente. Dit kan gaan om:




  1. Overlast; het laten slingeren van afval, grote groepen jongeren die onbeleefd zijn in ieder geval hinderlijk gedrag.

  2. Criminaliteit; hierbij gaat het om misdrijven.



De objectieve sociale veiligheid kan worden bepaald door het aantal meldingen bij de politie. Doormiddel van enquêtes kan het subjectieve sociale veiligheid bepaald worden. dit gaat om de oordelen van de mensen zelf.



Erg belangrijk is het onderhoud en de overzichtelijkheid van de openbare ruimte. hierbij horen parken, pleinen, parkeerterreinen, woonerven enz. Wanneer deze openbare ruimtes slecht toegankelijk zijn kunnen ze voor onveilige situaties zorgen. Ook is het toezicht in de openbare ruimtes belangrijk. Dit vergroot zowel de subjectieve als objectieve veiligheid. 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.