Hoofdstuk 1; Regionale Beeldvorming

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • havo | 1068 woorden
  • 2 december 2003
  • 25 keer beoordeeld
Cijfer 7.6
25 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1 Regionale Beelden en ruimtelijk gedrag. 1.1 Wat is een regionaal beeld? Regionaal beeld: het beeld dat mensen van een gebied hebben, indruk van de ligging en grootte van een gebied en de kenmerkende verschijnselen die er voorkomen. 1.2 Subjectieve en objectieve informatie. Objectieve informatie: controleerbare informatie, berust op feiten en cijfers. Subjectieve informatie: Informatie die gebonden is aan personen, informatie die met een bepaald doel word gegeven vanuit een bepaalde opvatting. Al de informatie die de ontvanger krijgt voegt ie samen tot een mentaal beeld (toeristische bedrijven). Mentaal beeld: een verzameling van subjectieve beelden. Geografisch beeld: - ligging van een gebied ( wereldbol, klimaatzone). - ruimtelijke kenmerken ( bevolking, economie). - samenhang tussen de kenmerken. Imago: als een beeld van een gebied sterk en uitgesproken is. Stereotype: algemene karakterisering van een groep gebieden of een groep mensen. 1.3 Regionaal beeld = mentaal beeld + geografisch beeld. Primaire informatie: eigen waarnemingen. Secundaire informatie: informatie van anderen. Kaarten kunnen objectieve informatie geven. Uit een combinatie van mentale beelden en geografische beelden vorm je een regionaal beeld.
2 Ruimtelijk gedrag en regionaal beeld. Ruimtelijk gedrag: alle dingen die mensen doen waarvoor ruimte nodig is (wonen, werken, recreatie en cultuur). 3 factoren die een rol spelen bij de inrichting van deze ruimte: - Wensen van de mensen: jong of oud, mooie plek belangrijk of lage kosten. - Het regionale beeld dat mensen van een gebied hebben: mensen kiezen voor de plek waar ze het beste regionale beeld bij hebben. - Beperkingen die het ruimtelijk gedrag beinvloeden: regels en wetten, waarden en normen, of je je daar wel goed voelt. 3.1 Twee voorbeelden van gevaar. Bevolking van Nepal weet dat de gletsjers gevaarlijke zijn maar toch blijven ze er wonen. - Buitenlanders hebben een vreemd beeld van Nederland, het ligt onder zeeniveau, maar toch blijven ze er rustig wonen. Nederlanders zelf hebben een heel ander beeld, ze hebben vertrouwen in de kennis van onze ingenieurs. 3.2 Inschatting van het gevaar van natuurrampen. Mensen hebben de neiging om het gevaar van natuurrampen te negeren of minimaliseren. Het mentale beeld komt dus niet overeen met een inschatting van de situatie zo als die zich voor zou kunnen doen. Bij inschatting van natuurrampen spelen 2 factoren een rol: -de frequentie van het voorkomen van natuurrampen: Als een natuurramp minder vaak voorkomt worden er minder maatregelen genomen. Mensen die langer in een gebied wonen zijn minder bang dan mensen die er net wonen. Mensen denken vaak dat het gevaar zich op andere plekken voordoet. Negeren gevaren voor hun eigen regio. -Het kennis en ontwikkelingsniveau van de mensen: samenlevingen met hoog kennisniveau vertrouwen vaak op de maatregelen die ze genomen hebben.
Hoofdstuk 2 Manipuleren van regionale beelden. 1.1 De zender zendt niet alles uit. Veel zenders proberen regionalen beelden te beinvloeden. Iedere zender heeft zijn eigen doel bij het aanbieden van een bepaald gebied. - beinvloeding van nieuwsberichten bv objectief of subjectief brengen. - Doelen die zich richten op een verkoopboodschap en economisch of commerciewel terrein. Probeert bv nieuwe bedrijven te trekken. - Politieke doelen: Overheid wil draagvlak vinden voor besluiten die grote gevolgen hebben voor de bevolking, bv aanleg spoorlijn. 1.2 De ontvanger ontvangt niet alles. Je regionale beeld is nooit volledig. Mensen selecteren bewust of onbewust informatie. De ene uit tijdschriften of tv en de ander uit de atlas. Uit die informatie stroom wordt meestal onbewust informatie opgepikt die het beste in jouw regionaal beeld past. Citymarketing: alle activiteiten die het doel hebben om een imago van een stad te verbeteren. 2.1 Een gunstiger beeld door het weglaten van informatie. Manipuleren: De zender kan voor het realiseren van zijn doel met bepaalde technieken een regionaal beeld aanbieden. Vaak wordt er bepaalde informatie weggelaten. 2.2 manipuleren met kaarten en grafieken : kaartprojectie. Met kaarten en grafieken kan je uitstekend manipuleren. De kaartprojectie is van invloed. Met een kaart teken je een ronde aardbol op een plat papier. Zo kan de aarde er heel anders uit gaan zien. Bv. Dat sommige gebieden veel groter gaan lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Er zijn twee bekende kaarten: -mercator projectie – oppvl. Word richting de Polen groter, daardoor lijken landen groter ten opzichte van elkaar. Europa werd in het midden gesteld. -petersprojectie – laat de omvang van de landen wel goed zien. Hun vorm word alleen minder goed weergegeven, ze lijken langer dan ze in werkelijkheid zijn. Oppervlaktegetrouwe kaarten: de oppervlakte van gebieden worden goed weergegeven, dit kan ten koste gaan van de vorm en hoeken (petersprojectie). Hoekgetrouwe kaarten: de hoeken en richtingen worden goed weergegeven. De oppervlakte en afstand is minder goed. Gebieden en afstanden kunnen dus minder goed met elkaar vergeleken worden (kompaskoersen). Afstandsgetrouwe kaarten: de afstanden worden in de juiste verhoudingen weergegeven. (reisafstanden vergelijken). 2.3 Manipuleren met kaarten en grafieken: kaartelementen en kaartkleuren. Kaartelementen: symbolen en lijnen. Hier volgen een paar voorbeelden - Door grenzen op een kaart duidelijk aan te geven, kan een land benadrukken dat bepaalde gebieden erbij horen, door grenzen weg te laten, lijkt het gebied groter. - De vorm een grootte van symbolen: Voor plaatsen worden stippen gebruikt, door die groter of kleiner te maken ontstaat een andere indruk. Ook bij grafieken, doormiddel van de waarden van de x en de y as en de breedte daarvan - Pijlen: door dikkere pijlen lijkt de stroming groter - Kaartkleuren: Je bent bij groen gewend dat het natuur is. Maar op een hoogtekaart betekent dit vaak iets anders. Dus men laat zich snel beivloeden door kleuren.
2.4 Manipuleren met kaarten en grafieken: klassen en klassengrenzen. De keuze van klassegrenzen en klasse beinvloed sterk het kaartbeeld. Bv. Kaart van verstedelijking kan je door alleen steden met 25000 inwoners of meer aangeven maar je kan het ook doen met steden van 50000 inwoners of meer. Hoofdstuk 3 Geografische controle van het regionale beeld. 1.1 Wat is een geografisch beeld? 10-puntenplan: een plan om op een systematische manier gegevens over een gebied te verzamelen en ze ordenen tot een samenhangend geheel. Drie fasen: Verkenning: Het bepalen van je doel. Analyse: welke punten wil je gebruiken en welke niet, informatie verzamelen en verwerken. Reflectie: terugblik, heb je je doel bereikt? 1.2 Werken met het 10-puntenplan: verkenning. 3 mogelijkheden: - Het samenstellen van een compleet geografisch beeld: over alle kenmerken gegevens verzamelen. - Gebieden vergelijken. - Regionale beelden controleren: een beeld wat gemaakt word door de media kun je zo controleren. Is er sprake van manipulatie? 1.3 Werken met het 10-puntenplan: analyse. Verzamelen van gegevens, en ze dusdanig bewerken dat je een antwoord op je vraag hebt.
1.4 Werken met het 10-puntenplan: reflectie. Kritisch kijken naar het gevonden resultaat.

REACTIES

D.

D.

ik wil samenvatting 1 de kaart kaart 1

12 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.