JBL-koptelefoon, Zalando- of Bol.com bon winnen?
Doe mee aan het Nationale Scholierenonderzoek. Vul de vragenlijst in over jouw toekomstplannen (ca 10 min) en maak kans.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Dag op zaterdag 14 december staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meld je aan!


Ak Uitreksel H 1: Wereld Globalisering. 16-10-2010 SE periode 1. CE en SE



1.2 ( Globalisering One World)

Globalisering: Proces waarbij de verwevenheid tussen gebieden en samenlevingen op aarde toeneemt. De samenhang ontwikkeling die er is ontstaan tussen bedrijven en instellingen die over de hele wereld verspreid zijn. Gevolgen van globalisering:

- Export neemt toe.

- Meer buitenlandse investeringen.

- Groei van het internationale transport en communicatie verkeer.

Ontwikkeling van Globalisering sinds 1980: (en ook de tijdruimtecompressie.)

- Opkomst van multinationals grote bedrijven.

- Verbetering van transport en communicatie technologie.

- Reis en vervoerstijden zijn spectaculair gedaald, alles verloopt veel sneller.

-Transport en communicatie zijn goedkoper geworden, vooral door de toenemende capaciteit van schepen en vliegtuigen en de komst van containers.

- De infrastructuur rond transport en data verkeer is verbeterd ( wegen, havens, vliegvelden)

- Wegvallen van handelsbelemmeringen.

MNO’sMultinationale ondernemingen: Grote bedrijven met vestingen in meerdere landen. Door samenwerking en overnames kunnen deze zo groot worden. Bijv: ABN of Nike. Zij kiezen locaties voor hun ondernemingen waar ze de meeste winst kunnen maken. Ze laten zich leiden door de:

- Arbeidsmarkt ( loon en kennisniveau)

- De ligging ( toegankelijkheid van een gebied)

- De opkomst kans van ene nieuwe afzetmarkt.

- De politieke stabiliteit van een land.

Het verschil met het verleden is dat het aanzetten tot globalisering niet genomen word door de staten maar door de MNO’s.

• Fast word: niet overal groet die globalisering even snel . Drie economische kerngebieden:

- Noord-Amerika ( vooral VS)

- Europese unie.

- Oost-Azië ( vooral Japan)

• Slow word: ongeveer 80 % van de wereldbevolking deelt niet mee aan de wereldeconomie. Zij lijden onder de concurrentie en handelsbarrières van de landen uit de fast word. Hun zwakke, traditionele economie heeft geen schijn van kans op de internationale markt. Het gaat vooral om de plattelandsbevolking in de periferie, maar ook om mensen die in achtergebleven gebieden wonen in westerse landen. Binnen een land kan er dus een fast en slow word ontstaan.

- Afrika( landen ten zuiden van de Sahara)

- Centraal Azië.

- Delen van Latijns-Amerika.

Fragmentarische modernisering: Een proces waarbij de modernisering maar in bepaalde gebieden of sectoren van de economie doordringt. Zodat er in bepaalde gebieden wel gebruik maken van moderne middelen zoals computers en machines, en andere delen van het land helemaal niet.

• Mondiale vervlechting verweving: het wereldwijd verstrengeldraken van bedrijven en of economieën door onderlinge banden en transacties.

• Afstandsverval: Situatie waarbij het voorkomen van een ruimtelijk verschijnsel afneemt naarmate de afstand tot het brongebied toeneemt

• Transnationale identiteit: Het in een persoon verenigd zijn van 2 culturen.

• Diffusie: De verspreiding van een ruimtelijk verschijnsel vanuit een brongebied. /versnelde spreiding van cultuur elementen. Kan leiden tot vermenging van culturen en zelfs ontstaan van nieuwe culturen.

Handelsbalans: Overzicht van de totale waarde van goederen die in en uitgevoerd worden.

• Kolonialisme: Systeem waarbij een land haar macht uitbreidt over een ander land met de bedoeling het gebied te exploiteren. (diffusie vroeger: verspreiding van godsdienst en talen door kolonialisme)

Liberalisering: minder regels, handelsbarrières worden opgeruimd, tariefmuren afgebroken.

Regionale ongelijkheid: Grote ongewenste schillen in ontwikkeling tussen gebieden.

• Sociale ongelijkheid: Als er grote verschillen zijn in ontwikkeling en welvaart tussen groepen mensen.

• Koopkracht: Dit kun je hier voor een dollar kopen.

Demografische transitie: De overgang van een hoog geboorte en sterfte cijfer naar een laag niveau.



1.3 (Globalisering van de wereldeconomie: de Oorzaken)

• Tijdruimtecompressie:de tijd word als het ware in elkaar gedrukt. De wereld word ruimer door afname van relatieve afstanden ( afstand uitgedrukt in tijd, geld en moeite), de absolute afstand is het aantal kilometers. Tijdruimtecompressie speelt een belangrijke rol in het globalisering proces. Belangrijke ontwikkelingen bevorderen dit proces zoals:

- het wegvallen van handelsbelemmeringen,

- een snelle ontwikkeling van transport en communicatietechnologie,

- en de internationalisering van bedrijven.

Maar niet overal verloopt dit even snel, voornamelijk in de ontwikkelde steden.

• Global village: de wereld is een dorp geworden door wereldwijde contacten zoals: telecommunicatie en verre reizen.

• Internationalisering: bedrijven en instellingen krijgen steeds meer contact over de grens. Deze term word gebruikt naast globalisering en mondialisering.

• WTO: ( Wereldhandelsorganisatie). Om sneller te kunnen handelen, zorgt het WTO er voor dat er minder handelsbelemmeringen zijn, en kunnen grote hoeveelheden goederen zonder extra betaling geïmporteerd en geëxporteerd worden. ‘’ het vrijer maken van de wereldhandel’’. vrijhandel.

• Transport en communicatie in de hoogste versnelling: Globalisering word mogelijk gemaakt door de transport en informatie technologie. De afgelopen 25 jaar is dat ontzettend snel gegaan. Sinds 1980 zijn 3 ontwikkelingen van belang: - reistijden zijn gedaald, - transport en communicatie is goedkoper geworden, en - infrastructuur rond transport en dataverkeer zoals havens, vliegvelden is enorm verbeterd.

Niet overal gaat dit even snel, de ontwikkelingen concentreren zich in de best ontwikkelde regio’s.

- Transporttechnologie: gaat om alle technologie die nodig is om het vervoer van grondstoffen, goederen en mensen mogelijk te maken. ( containers, en vliegtuigen)

- Informatie en communicatie technologie: de technologie om de uitwisseling van informatie mogelijk te maken.

• Geschiedenis wereldhandel: na het instorten van communisme in 1990 is de vrije markteconomie het lijdende economische systeem geworden. --> wereldhandel neemt toe en alles word internationaler. --> Oprichting van veel MNO’s. --> deze zitten op slimme plaatsen. (‘’ denk wereldwijd, handel lokaal)

• Productieketen: de route die een product aflegt van grondstof tot bij de consument. (Zie bron 11 box 1 blz 11), het zijn alle schakels in een productieproces, van ontwerp tot verkoop.

Assemblage: eindproduct door samenvoegen van onderdelen.

• Interactieve theorie van Ullmann: de uitwisselingen van personen, goederen en diensten is afhankelijk van complementariteit, tussenliggende mogelijkheden en transporteerbaarheid verplaatsbaarheid.

- Interactie: uitwisseling, contact, stroom zoals migratie, handel en vervoer. ( iets vult iets aan)

- Complementariteit: mate waarin gebieden elkaar aanvullen ( Stimuleert uitwisseling), het ene gebied moet iets kunnen leveren waar in het andere gebied vraag naar is.

- Tussenliggende mogelijkheden: meer uitwisselingen met gebieden die dichter bij elkaar liggen.

- Transporteerbaarheid verplaatsbaarheid: de goederen moeten tegen een redelijke prijs binnen een redelijke tijd van het ene gebied naar het andere vervoerd kunnen worden.



1.4 (globalisering van de wereldeconomie: de gevolgen)

Internationale arbeidsdeling: Verdeling van de wereld in gebieden die zich vooral bezig houden met de winning van grondstoffen, en gebieden die zich gespecialiseerd hebben in het maken van producten van die grondstoffen. Door de globalisering is de productieketen van goederen opgedeeld over meerdere landen.

- Triade: drie economische kerngebieden: N-Amerika, de EU, en Japan. Deze drie beheersen de wereldeconomie, maar de invloed van andere landen in de semiperiferie neemt toe, en vooral in Azie  Global shift, er zit een verschuiving van het economische zwaarte punt.

• Ruilvoet: de verhouding tussen de waarde prijzen van de export en de waarde van de import.

• Transitielanden: dit waren vroegere communistische landen die na 1990 op gang komen. Deze maken nu een overgang naar de markt economie.

• EPZ’s Export Processing Zones: gebieden landen proberen de internationale (MNO’s) te lokken met zeer gunstige vestingvoorwaarden de zogenaamde EPZ’s. Hierdoor vormt zich ook op regionale schaal ontwikkelingsverschillen.

• De- Industrialisatie: vooral in westerse landen treed verbrokkeling op. De verouderde industriegebieden zoals in het Ruhrgebied verdwijnen banen. De gebieden kunnen niet op tegenover de gebieden met concentratie van moderne hightechindustrie en hoogwaardige dienstverlening.

Verschuiving uitschuiving: verplaatsing (deel) productie naar andere gebieden. ( omdat de productiekosten daar lager zijn)

• Outsourcing: ( deel) productie uitbesteden aan andere bedrijven. ( vaak in andere landen).



1.6 ( globalisering: Cultureel bekeken)

• Globalisering verandert de ‘’ cultuurkaart’’: culturen veranderen en cultuurgebieden kunnen verschuiven. Globalisering speelt hierin een belangrijke rol. Door:TIMM vind er een versnelde diffusie ( verspreiding) van cultuurelementen plaats. Dit kan 1.Mondiaal: zoals verwestering. Dit kan 2 .Tussen landen: zoals Frans eten of Marokkaanse woorden in de straattaal van Nederland. Of 3.Binnen landen: omdat de import van vreemde culturen vaak in grote steden begint en zich dan langzaam over het land uitspreid. Bijv, boeren van het plattelant verkopen hun goederen in de stad.

- Toerisme

- Internationale handel

- Migratie

- Moderne communicatie middelen.

• Regionale identiteit bedreigd?: de wereld is aan het amerikaniseren, Engels is de voertaal van de globaliserende wereld. Sommige mensen zijn tegen de globalisering en vinden dat hun cultuur regionale identiteit bedreigt word.

• Culturen zijn diep geworteld in de samenleving: ondanks de amerikanisering, zal er toch niet snel een soort wereldcultuur ontstaan. Omdat:

- De overname van westerse ( Amerikaanse) cultuurelementen beperken zich vooral tot materiële zaken zoals kleding, eten, drinken, films. De diepere, immateriële elementen van een cultuur zoals de normen en waarden worden veel minder snel overgenomen.

- Westerse cultuurelementen worden in een niet-westerse cultuur vaak alleen door de boven laag rijkere overgenomen omdat dat status geeft. Het armere grotere deel van de bevolking kan het niet betalen.

- De westerse wereld staat ook o.i.v niet westerse culturen, denk maar aan de ‘globalisering’ van de keuken van de Mexicaan, Thai, en de chinees.

- Lokalisering: de lokale regionale culturen vullen de invloeden van buiten af steeds weer op een andere manier in. Voor een deel zal men de nieuwe ideeën, goederen en mensen omarmen en overnemen. Voor een groot deel echter zullen mensen deze mondiale verschijnselen een plek geven in de plaatselijke normen en waarden van de gemeenschap. Mondiale verschijnselen krijgen daardoor een unieke, lokale invulling en krijgen daarmee een eigen, nieuwe lokale betekenis.



1.7 ( Culturele en sociale globalisering: Oorzaken)

Culturele globalisering: naast materiële zaken worden ook immateriële ( levensstijlen, normen en waarden) zaken steeds internationaler. Deze factoren dragen bij aan de verdere mondialisering van culturen.

- Internationale toerisme.

- Migratie.

- Snelle groei van informatie- technologie: Zoals satellietverbindingen en de toepassing van glasvezel als datatransporteur hebben de informatiestromen enorm gestimuleerd. ( tijdruimtecompressie), hierdoor groeien ook de internationale contacten tussen landen.

• Geografische diffusie: Stroom van opvattingen en informatie leidt tot (geografische) - Diffusie: verspreiding van sociaal-culturele kenmerken zoals opvattingen en levenswijzen.

• Migratie: veel mensen wonen niet in hun geboorteland. De grootste stroom van (illegale) immigranten loopt van arme naar rijke landen. Tegenwoordig zijn grote verschillen in economische ontwikkeling de belangrijkste drijfveer voor migratie, zowel binnenlands als internationaal.

- Pushfactoren: de redenen om te vertrekken uit een gebied. Zoals: een laag inkomen, geen werk, geloof.

- Pullfactoren: de redenen om ergens naar toe te gaan. Zoals: de welvaart in rijke gebieden. Perceptie speelt hierbij een rol: een persoonlijk beeld dat iemand heeft over een gebied of land, een + beeld stimuleert de migratie.

• Migratiedruk: deze is vanuit de arme landen erg hoog. De westerse landen stellen eisen. Alleen goed opgeleide komen het land in, de andere moeten via het illegale circuit binnen zien te komen. Beide groepen dragen bij aan een verder menging van culturen in de wereld.





1.8 ( Culturele en sociale globalisering: gevolgen)

Mondiaal: eenheid en verbrokkeling: bij verspreiden van cultuurelementen speelt het diffusieproces (verspreiding) een centrale rol. Dit verspreidingsproces wordt gestuurd door de grote wereldsteden. Zij vormen het hart van de fast World. Een wereldstad of Global city is een grote stad die voor een deel van de wereld belangrijk is als economische, politiek en cultureel centrum. Deze steden zijn onderling op een tal van manieren verbonden en vormen een soort netwerk of cluster.  Netwerksamenleving.

 

 


1.15 (patronen van de landbouw in de EU) SE

• Welk soort landbouw op welke plek winstgevend is, werd eeuwenlang sterk bepaald door 2 factoren:

- Natuurlijke omstandigheden van een gebied.

- De nabije afzetmarkt.

I (Vroeger)

I

/ (Globalisering)

Nieuwe ontwikkelingen:

- In niet grondgebonden landbouw ( bio-industrie) zijn natuurlijke omstandigheden steeds minder belangrijk.

- De overheid stelt regels om te Intensieve landbouw te voorkomen.

- Modernisering van transport.

- Grondprijs rond steden is gestegen.

• Het landbouw beleid van de EU:

- Gezonde levensmiddelen tegen betaalbare prijzen.

- Boeren moeten een redelijk inkomen hebben ( inkomsten subsidies).

- Boeren in regio’s met moeilijk bebouwbare grond moeten subsidie krijgen. Om boeren tegen lage inkomsten de beschermen worden meer inkomstensubsidies dan productiesubsidies gegeven.



- 2e wereldoorlog --> nadruk op productieverhoging en prijs verlaging --> EU subsidies 1963 --> winst grote bedrijven  kleine bedrijven worden weggeconcurreerd en gaan failliet.

- Grootschalige landbouw en kleinschalige landbouw komen beide voor in de EU.



1.16 ( Veranderingsprocessen in de EU) SE

Globalisering --> toename internationale handel --> wereldwijde concurrentie --> daling van landbouwprijzen--> boeren moet nu hun productie kosten proberen te verlagen om geen verlies te leiden. --> grote multinationals nemen het over--> bedrijven in EU kunnen niet concurreren, in EU zijn grondprijzen hogen dan in landen als Brazilië of Oekraïne. --> Protectiemaatregelen; om boeren te scherpe concurrentie op de wereld markt te beschermen heffing import duurder, subsidies export goedkoper --> verstoring vrijhandel --> nadelig voor consument en bedrijven die op de wereldmarkt willen concurreren. --> WTO --> kleine boer failliet??

• Ruimte voor bio-boeren: schaalvergroting en investering hebben gevolgen voor de natuur en landschap. Het milieu word aangetast door overbemesting, en bestrijdingsmiddelen. Ook word het landschap saai door ruilverkaveling en schaalvergroting. Milieu organisaties waarschuwen voor verpesten van natuur door te intensive landbouw.  meer biologisch landbouw.

Nieuw landbouw beleid van de EU: meer aandacht voor duurzame productiewijzen en platteland. Komt omdat:

- Nadelen intensieve landbouw word zichtbaar, zoals uitbreken van ziektes; vogelpest, gekkekoeienziekte etc. ook loopt het milieu gevaar door overmatig mest en watergebruik.

- De kosten voor landbouwsubsidies worden steeds hoger.

- De liberalisering van de handel die de WTO heeft bereikt, leidt tot grotere concurrentie voor boeren in EU. Kostprijsverlaging is echter nauwelijks meer mogelijk. Daarom richten boeren zich op mogelijkheden om verder te zoeken of op biologische productiewijzen. ( liberalisering: vrijmaken van beperkingen).

- Door de toegenomen welvaart neemt de vraag naar recreatie mogelijkheden toe landschappelijke kwaliteit word belangrijker dan de agrarische functie.



1.17 ( Oostenrijk – Nederland: overeenkomsten en verschillen) SE

• De landbouw in Oostenrijk: Oostenrijk bestaat vooral uit bergen. Landbouw in de bergen is erg moeilijk omdat de bergen moeilijk met machines te bewerken zijn en het groeiseizoen maar kort is. Toch is 39 % van de Oostenrijkse boeren bergboer. Zij combineren veeteelt met bosbouw. De overheid hecht veel belang aan het instant houden van bergboerderijen. Omdat:

- Het schilderachtige landschap: 80 % van de toeristen komst speciaal voor dat landschap, en dit levert veel geld op

- De Typische plattelandscultuur: traditioneel, katholiek en conservatief.

- Het imago van ‘gezonde producten uit de bergen’

- Boeren helpen het kwetsbare ecosysteem in de bergen te beschermen.

Landbouw in Nederland: dit is heel anders dan Oostenrijk. Nederland is gericht op intensief en efficiënte landbouw. Hiervoor heeft Nederland veel subsidies gekregen uit Brussel. De concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw staat de laatste jaren onder druk. Dit heeft 2 oorzaken:

- Verdere intensivering in Nederlandse bedrijven is niet goed meer mogelijk omdat de grens van de milieubelasting is bereikt.

- De hoge grondprijzen in Nederland maken schaalvergroting erg duur.

Verschillen en overeenkomsten:

Verschil Overeenkomsten

Oostenrijkse landbouw is kleinschaliger dan dat van de Nederlanders. Zowel in Oostenrijk als in Nederland gaat de schaalvergroting samen met bedrijfsbeëindiging. Dit komt door:

- Boeren worden uitgekocht vanwege stadsuitbreiding. ( in Nederland gebeurt dit meer dan in Oostenrijk)

- Oude boeren hebben geen opvolger. (vooral in Nederland vergrijst de boeren bevolking)

-Er gaan boeren failliet. Zij kunnen de concurrentie niet bijhouden.



In Oostenrijk is het gemiddelde oppervlakte per bedrijf is kleiner dan in Nederland en is het aantal grote bedrijven minder.



1.18 ( verdwijnt de landbouw?)

Melkveehouderij in Oostenrijk: de Oostenrijkse overheid investeert veel in milieu en landschapsbeleid, het behoud van een mooi landschap trekt toeristen, en levert dus geld op. Ook wil graag de Oostenrijkse consument gezonde producten. Helaas verdwijnt langzaam de kleinschalige melkveehouderij en blijven de grote bedrijven in gunstig gelegen gebieden overeind. (door globalisering)

Melkveehouderij in Nederland: de grootschalige intensive melkveehouderij heeft in de veen polders ( Noord en zuid Holland) weinig toekomst, doordat de ondergrond te nat is. Melkveehouderij heeft wel toekomst in de Zeekleigebieden ( Noord en zuid en west Nederland). Dit ligt verder van de steden en is goedkoper er is dus ruimte voor schaalvergroting. De overheid stimuleert daarom deze bedrijfsverplaatsingen.

• Een nieuwe start voor de landbouw: Nederland besteed het geld uit Brussel aan innovaties, en Oostenrijk meer aan bio-boeren. De boer kan op 3 manieren reageren op de globalisering.

- Intensivering: hierbij probeert de boer een grotere opbrengst per hectare, per dier en per arbeider te halen. --> verder schaalvergroting --> om natuur niet aan te tasten, alleen geschikt in zeekleipolders.

- Specialisatie: De boer richt zich op kennisintensieve teelten zoals in de tuinbouw. Kwaliteit gaat hier voor kwantiteit. Door bijvoorbeeld veredeling van gewas.

- Diversificatie: De boer doet niet alleen aan landbouw, maar verdient ook zijn geld aan toerisme en recreatie.

De EU wil meer duurzame landbouw, waarbij het milieu niet verpest word, zodat ook latere generaties nog landbouw kunnen bedrijven. Kortom: de boer kan gaan voor groot, voor slim of voor breed, maar wel altijd schoon!.



1.19 ( Biologisch, is dat logisch)

• In Oostenrijk is 10 % bio-boer . de kleine bedrijven zijn hier nog niet weggevaagd, door dat de boeren een forse overheidssteun krijgen als je omschakelt naar biologische productie. De Oostenrijkers hechten veel waarde aan gezondheid en natuurlijk voedsel.

• In Nederland: de Nederlandse consument is vooral zuinig en wil vooral goedkoop voedsel. De overheid streeft naar biologische landbouw in 2010, maar trekt daar slechts 60 miljoen euro voor uit. En het geld word niet aan de boeren besteed die willen omschakelen, maar dient voor 2 andere doelen:

- Het stimuleren van de vraag naar biologische producten. Zoals het goedkoper maken, en voorlichtingen geven.

- Het vergroten van kennis over duurzame productie, met als doel deze in reguliere landbouw toe te passen. Bijv: lieveheersbeestjes en sluipwespen, ipv bestrijdingsmiddelen in kassen.

De grote supermarkten zoals Ahold in Nederland en Rewe in Oostenrijk zijn de aanjagers van schaalvergroting, intensivering en globalisering in de landbouw. Ze kopen hun producten overal ter wereld tegen de laagste prijs in. Dit heeft 2 negatieve gevolgen:

- Boeren en voedingsfabrieken in de EU gaan failliet.

- Het assortiment word steeds eenvoudiger.

Als reactie op de globalisering is de slow food beweging ontstaan.

 


1.15 (patronen van de landbouw in de EU) SE

• Welk soort landbouw op welke plek winstgevend is, werd eeuwenlang sterk bepaald door 2 factoren:

- Natuurlijke omstandigheden van een gebied.

- De nabije afzetmarkt.

I (Vroeger)

I

/ (Globalisering)

Nieuwe ontwikkelingen:

- In niet grondgebonden landbouw ( bio-industrie) zijn natuurlijke omstandigheden steeds minder belangrijk.

- De overheid stelt regels om te Intensieve landbouw te voorkomen.

- Modernisering van transport.

- Grondprijs rond steden is gestegen.

• Het landbouw beleid van de EU:

- Gezonde levensmiddelen tegen betaalbare prijzen.

- Boeren moeten een redelijk inkomen hebben ( inkomsten subsidies).

- Boeren in regio’s met moeilijk bebouwbare grond moeten subsidie krijgen. Om boeren tegen lage inkomsten de beschermen worden meer inkomstensubsidies dan productiesubsidies gegeven.



- 2e wereldoorlog --> nadruk op productieverhoging en prijs verlaging --> EU subsidies 1963 --> winst grote bedrijven  kleine bedrijven worden weggeconcurreerd en gaan failliet.

- Grootschalige landbouw en kleinschalige landbouw komen beide voor in de EU.



1.16 ( Veranderingsprocessen in de EU) SE

Globalisering --> toename internationale handel --> wereldwijde concurrentie --> daling van landbouwprijzen--> boeren moet nu hun productie kosten proberen te verlagen om geen verlies te leiden. --> grote multinationals nemen het over--> bedrijven in EU kunnen niet concurreren, in EU zijn grondprijzen hogen dan in landen als Brazilië of Oekraïne. --> Protectiemaatregelen; om boeren te scherpe concurrentie op de wereld markt te beschermen heffing import duurder, subsidies export goedkoper --> verstoring vrijhandel --> nadelig voor consument en bedrijven die op de wereldmarkt willen concurreren. --> WTO --> kleine boer failliet??

• Ruimte voor bio-boeren: schaalvergroting en investering hebben gevolgen voor de natuur en landschap. Het milieu word aangetast door overbemesting, en bestrijdingsmiddelen. Ook word het landschap saai door ruilverkaveling en schaalvergroting. Milieu organisaties waarschuwen voor verpesten van natuur door te intensive landbouw.  meer biologisch landbouw.

Nieuw landbouw beleid van de EU: meer aandacht voor duurzame productiewijzen en platteland. Komt omdat:

- Nadelen intensieve landbouw word zichtbaar, zoals uitbreken van ziektes; vogelpest, gekkekoeienziekte etc. ook loopt het milieu gevaar door overmatig mest en watergebruik.

- De kosten voor landbouwsubsidies worden steeds hoger.

- De liberalisering van de handel die de WTO heeft bereikt, leidt tot grotere concurrentie voor boeren in EU. Kostprijsverlaging is echter nauwelijks meer mogelijk. Daarom richten boeren zich op mogelijkheden om verder te zoeken of op biologische productiewijzen. ( liberalisering: vrijmaken van beperkingen).

- Door de toegenomen welvaart neemt de vraag naar recreatie mogelijkheden toe landschappelijke kwaliteit word belangrijker dan de agrarische functie.



1.17 ( Oostenrijk – Nederland: overeenkomsten en verschillen) SE

• De landbouw in Oostenrijk: Oostenrijk bestaat vooral uit bergen. Landbouw in de bergen is erg moeilijk omdat de bergen moeilijk met machines te bewerken zijn en het groeiseizoen maar kort is. Toch is 39 % van de Oostenrijkse boeren bergboer. Zij combineren veeteelt met bosbouw. De overheid hecht veel belang aan het instant houden van bergboerderijen. Omdat:

- Het schilderachtige landschap: 80 % van de toeristen komst speciaal voor dat landschap, en dit levert veel geld op

- De Typische plattelandscultuur: traditioneel, katholiek en conservatief.

- Het imago van ‘gezonde producten uit de bergen’

- Boeren helpen het kwetsbare ecosysteem in de bergen te beschermen.

Landbouw in Nederland: dit is heel anders dan Oostenrijk. Nederland is gericht op intensief en efficiënte landbouw. Hiervoor heeft Nederland veel subsidies gekregen uit Brussel. De concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw staat de laatste jaren onder druk. Dit heeft 2 oorzaken:

- Verdere intensivering in Nederlandse bedrijven is niet goed meer mogelijk omdat de grens van de milieubelasting is bereikt.

- De hoge grondprijzen in Nederland maken schaalvergroting erg duur.

Verschillen en overeenkomsten:

Verschil Overeenkomsten

Oostenrijkse landbouw is kleinschaliger dan dat van de Nederlanders. Zowel in Oostenrijk als in Nederland gaat de schaalvergroting samen met bedrijfsbeëindiging. Dit komt door:

- Boeren worden uitgekocht vanwege stadsuitbreiding. ( in Nederland gebeurt dit meer dan in Oostenrijk)

- Oude boeren hebben geen opvolger. (vooral in Nederland vergrijst de boeren bevolking)

-Er gaan boeren failliet. Zij kunnen de concurrentie niet bijhouden.



In Oostenrijk is het gemiddelde oppervlakte per bedrijf is kleiner dan in Nederland en is het aantal grote bedrijven minder.



1.18 ( verdwijnt de landbouw?)

Melkveehouderij in Oostenrijk: de Oostenrijkse overheid investeert veel in milieu en landschapsbeleid, het behoud van een mooi landschap trekt toeristen, en levert dus geld op. Ook wil graag de Oostenrijkse consument gezonde producten. Helaas verdwijnt langzaam de kleinschalige melkveehouderij en blijven de grote bedrijven in gunstig gelegen gebieden overeind. (door globalisering)

Melkveehouderij in Nederland: de grootschalige intensive melkveehouderij heeft in de veen polders ( Noord en zuid Holland) weinig toekomst, doordat de ondergrond te nat is. Melkveehouderij heeft wel toekomst in de Zeekleigebieden ( Noord en zuid en west Nederland). Dit ligt verder van de steden en is goedkoper er is dus ruimte voor schaalvergroting. De overheid stimuleert daarom deze bedrijfsverplaatsingen.

• Een nieuwe start voor de landbouw: Nederland besteed het geld uit Brussel aan innovaties, en Oostenrijk meer aan bio-boeren. De boer kan op 3 manieren reageren op de globalisering.

- Intensivering: hierbij probeert de boer een grotere opbrengst per hectare, per dier en per arbeider te halen. --> verder schaalvergroting --> om natuur niet aan te tasten, alleen geschikt in zeekleipolders.

- Specialisatie: De boer richt zich op kennisintensieve teelten zoals in de tuinbouw. Kwaliteit gaat hier voor kwantiteit. Door bijvoorbeeld veredeling van gewas.

- Diversificatie: De boer doet niet alleen aan landbouw, maar verdient ook zijn geld aan toerisme en recreatie.

De EU wil meer duurzame landbouw, waarbij het milieu niet verpest word, zodat ook latere generaties nog landbouw kunnen bedrijven. Kortom: de boer kan gaan voor groot, voor slim of voor breed, maar wel altijd schoon!.



1.19 ( Biologisch, is dat logisch)

• In Oostenrijk is 10 % bio-boer . de kleine bedrijven zijn hier nog niet weggevaagd, door dat de boeren een forse overheidssteun krijgen als je omschakelt naar biologische productie. De Oostenrijkers hechten veel waarde aan gezondheid en natuurlijk voedsel.

• In Nederland: de Nederlandse consument is vooral zuinig en wil vooral goedkoop voedsel. De overheid streeft naar biologische landbouw in 2010, maar trekt daar slechts 60 miljoen euro voor uit. En het geld word niet aan de boeren besteed die willen omschakelen, maar dient voor 2 andere doelen:

- Het stimuleren van de vraag naar biologische producten. Zoals het goedkoper maken, en voorlichtingen geven.

- Het vergroten van kennis over duurzame productie, met als doel deze in reguliere landbouw toe te passen. Bijv: lieveheersbeestjes en sluipwespen, ipv bestrijdingsmiddelen in kassen.

De grote supermarkten zoals Ahold in Nederland en Rewe in Oostenrijk zijn de aanjagers van schaalvergroting, intensivering en globalisering in de landbouw. Ze kopen hun producten overal ter wereld tegen de laagste prijs in. Dit heeft 2 negatieve gevolgen:

- Boeren en voedingsfabrieken in de EU gaan failliet.

- Het assortiment word steeds eenvoudiger.

Als reactie op de globalisering is de slow food beweging ontstaan.

 


Gebruik op eigen risico!!

 


Dit is een uitgebreid uitreksel en géén korte samenvatting. die moet je zelf maar maken. veel zinnen staan ook letterlijk in je boek. dit is alleen maar om het overzichtelijk te maken.  verder veel succes met het leren van je SE of CE  ! :)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Robert

Robert

Waarom ga je van 1.8 naar 1.15?

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

V.

V.

Weet je dat je overal 'Fast word' en 'Slow word' hebt staan? ;p Het is 'worLd'. Hopelijk voor jou had je dat niet ook op je toets geschreven. xD

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

ja mee eens ik had echt geen zin om het te maken XD

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Hartstikke bedankt! Dit scheelt mij een hoop tijd en het ziet er keurig uit! Helemaal top!

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast