Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 1 en 2 (Politiek en ruimte)

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2296 woorden
  • 4 april 2004
  • 55 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 55 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
H1 ruimtelijk gedrag en bestuurlijke indeling

§1

· urbanisatie (1) 19e eeuw
Agglomeratie = grote stad met de daaraan vastgegroeide, aangrenzende gemeenten.
· suburbanisatie (2) 1960 -> toename mobiliteit
· desurbanisatie (3) eind 20e eeuw
Stadsvernieuwing = slopen en bouwen, renoveren en opknappen van stadswijken.
Ruimtelijke complementariteit = gebieden vullen elkaar aan in behoeften en aanbod van goederen en diensten.
Stadsgewesten = geheel van stad met het omliggende gebied, dat voor voorzieningen en werk afhankelijk van die stad is.

Stedelijke zone = elkaar overlappen met stadsgewesten
· Re-urbanisatie (4) begin deze eeuw (21e eeuw)
Groeikernen = een door de overheid aangewezen plaats in de buurt van grote steden die de suburbanisatie van de bevolking uit de grote stad moeten opvangen.
VINEX-locaties = nieuwbouwlocaties die zoveel mogelijk aansluiten bij bestaand stedelijk gebied.
Compactestadbeleid = overheidsbeleid gericht op het concentreren van werk, wonen en infrastructuur op kleine stedelijke oppervlakte (verdichting, het opvullen van leegstaande gebouwen etc.)

Verplaatsing binnen een wijk, in de 19e eeuw (urbanisatie) ging bijna niemand ver weg, een enkele keer naar het ziekenhuis, maar voor de rest bleven deze in hun wijk om boodschappen te doen etc.
Verplaatsing binnen een agglomeratie, mensen leggen tegenwoordig grotere afstanden af voor hun behoeftes en werk, hun ruimtelijk gedrag is veranderd.
Ruimtelijk gedrag = alle menselijke activiteiten waarvoor ruimte nodig is, zoals het verplaatsen naar je werk en weer terug, bezoeken van familie, etc.

Cityvorming = proces waarbij het centrum van een stad de woonfunctie verliest ten gunste van dienstverlenende activiteiten. Dit wil zeggen dat mensen grotere afstanden afleggen om bijvoorbeeld naar het ziekenhuis te gaan.
Verplaatsing binnen stedelijke zone, door de suburbanisatie bleef het woon-werk verkeer niet beperkt tot alleen agglomeratie, maar het aantal verplaatsingen binnen stadsgewesten nam toe. Het verplaatsingsgedrag loopt over grote afstanden. De re-urbanisatie hoopt ervoor te zorgen dat het verplaatsingsgedrag weer beperkt wordt tot kleinere oppervlaktes.

Via tijdruimtediagrammen en stroomcartogrammen kun je het verplaatsingsgedrag in beeld brengen. Bij een tijdruimtediagram kun je de tijd en de afstand aflezen, en bij stroomcartogrammen zie je aan de dikte van de pijl de hoeveelheid van de verplaatsing.

§2

Reikwijdte = de maximale afstand die mensen willen afleggen voor een voorziening.
Centrale plaats = plaats waar een centraal goed kan worden aangeschaft.
Centraal goed of dienst = goed of dienst dat in de centrale plaats wordt aangeboden en door consumenten uit het omliggende verzorgingsgebied wordt geconsumeerd.
Verzorgingsgebied = gebied waar de mensen wonen die van een bepaalde voorziening gebruik maken ook wel marktgebied en verzorgingsrayon genoemd.
Drempelwaarde = minimum aantal klanten dat een voorziening nodig heeft om te kunnen blijven bestaan
Profitorganisaties = op winst gerichte vorm van dienstverlening
Non-profitorganisaties = niet op winst gerichte vorm van dienstverlening
Draagvlak = het totaal aantal klanten dat van een voorziening gebruik zou kunnen maken
Schaalvergroting = het vormen van grotere organisatie-eenheden, bijv in de politiek of economie

De geograaf W. Christaller (Duitse geograaf uit begin 20e eeuw) hield zich bezig met de vraag waarom ergens voorzieningen lagen.
voordat Christaller zijn theorie ontwikkelde formuleerde hij een aantal uitgangspunten:
· Consumenten betalen zelf de transportkosten naar de centrale plaats.
· Consumenten gaan naar de dichtstbijzijnde plaats voor hun centraal goed.
· Alle plaatsen zijn even makkelijk te bereiken, de ondergrond is overal hetzelfde.
· Er is geen verschil in inkomen tussen mensen en gebieden.
· Iedereen is volledig op de hoogte van vraag en aanbod en heeft dezelfde.
Hiërarchie van centrale plaatsen:
· Centrale plaatsen; die alle soorten goederen en diensten aanbieden komen het minst vaak voor. Het verzorgingsniveau is hoog.
· Hoe lager het verzorgingsniveau, hoe meer centrale plaatsen waar deze goederen en diensten worden aangeboden.
· Hoe hoger het voorzieningsniveau, des te groter het verzorgingsgebied. Er is dus een samenhang tussen het voorzieningsniveau en de omvang van het verzorgingsgebied.
· Centrale plaatsen met een aanbod van goederen en diensten op het hoogste niveau bieden ook goederen en diensten op een lager niveau aan.
· Verzorgingsgebieden van goederen en diensten op een hoger niveau omvatten ook verzorgingsgebieden van lagere niveaus.

§3

Verdrag van Schengen = verdrag met als doel afschaffing van grenscontroles tussen een aantal lidstaten van de Europese gemeenschappen.
Bestuurlijke indeling van een land:
Politiek-ruimtelijke structuur = de manier waarop gebieden politiek en bestuurlijk georganiseerd zijn
Territoriale organisatie = een bestuurlijke indeling van een gebied in deelgebieden met eigen rechten en bevoegdheden.
Functionele organisatie = een bestuurlijke indeling van een gebied die is gekoppeld aan bepaalde (beleid) thema’s
Grenzen en bestuurlijke veranderingen;
Stadsprovincie = een (eventuele) vierde bestuurslaag tussen gemeenten en provincies.
Annexatie = bestuurlijke overname van (een gedeelte van) een gemeente door een andere gemeente.
Gemeentelijke herindeling = het veranderen van de bestuurlijke indeling op lokaal niveau

Gemeentelijke herindeling in het verleden
1 januari 2001 vonden veel herindelingen is het oosten plaats. Vanaf 1851 tot nu ging het zo:
· Te weinig kandidaten voor verkiezingen
· Ruimtegebrek door urbanisatie
· Decentralisatie van overheidstaken
· Ruimtelijke knelpunten door veranderd ruimtelijk gedrag
· Dreiging van stadsprovincies

Gemeentelijke herindeling in de toekomst
Bestuurlijke schaalvergroting = vergroting van de omvang van bestuurlijke gebieden

· Vergroten van de kwaliteit van het bestuur
· Gemeenten krijgen steeds meer taken
· Oplossen van ruimtelijke knelpunten
· Onzekerheden over het voortbestaan van gemeenten
Kaderwetgebieden = zeven door de centrale overheid aangewezen gebieden waar gemeentes bevoegdheden moeten overdragen aan boven gemeentelijke besturen

Hoe komt de gemeente aan het geld voor het (her)inrichten van gebieden:
· Inkomsten uit het gemeentefonds
· Eigen inkomsten
· Specifieke uitkeringen
· Subsidies vanuit grotestedenbeleid

§4

fysiekruimtelijke structuur = inrichting van de ruimte met concrete objecten als gebouwen, (spoor) wegen, rivieren etc.
Stedelijke netwerken = sterk verstedelijkt gebied bestaande uit goed met elkaar verbonden grotere steden en kleinere steden.
De vijfde Nota Ruimtelijke Ordening onderscheidt 2 soorten stedelijke netwerken op verschillende ruimtelijke niveaus:
· Nationale stedelijke netwerken stedelijke netwerken die van belang zijn bij de internationale economie, omdat ze een knooppunt vormen in Europese transportnetwerken. (arnhem-Nijmegen etc.)
· Regionale stedelijke netwerken; deze stedelijke netwerken moeten zich als belangrijke knooppunten van openbaar vervoer en vrachtverkeer ontwikkelen ( Zwolle, Kampen, Ede, etc.)

Ruimtelijke veranderingen waar nieuwe gemeenten beter op in kunnen spelen zijn:
· Aanleg van de westerscheldetunnel
· Vergrijzing en de brain dain = wegtrekken van de hoogopgeleiden
· Behoud van landbouw en het landschap

H2 De Europese Unie; scharnier tussen Nederland en de wereld.

§1

Raad van europa = intergouvernementeel overlegorgaan van zelfstandige staten met als doel de democratische eenheid in europa te bevorderen
Organisatie voor Europese samenwerking en ontwikkeling = economische samenwerkingsorganisatie tussen landen in Europa, Australië, en Noord-Amerika ( in eerste instantie een organisatie die financiële hulp vd verenigde staten na de tweede wereldoorlog over europa verdeelde)
Europese gemeenschap voor kolen en staal (EGKS) = een supranationaal orgaan dat de Frans-Duitse kolen- en staal productie beheerde.
Europese Economische Gemeenschap (EEG) = economische samenwerkingsorganisatie met als doel een gemeenschappelijke markt te creëren en het economisch beleid onderling op elkaar af te stemmen.
Euratom (Europese Gemeenschap voor Atoomenergie) = een samenwerkingsorganisatie tussen Europese landen op het gebied van atoomenergie
Europese gemeenschap (EG) = samenvoeging van de EEG, EGKS en het Euratom
Verdrag van Maastricht = verdrag tot oprichting van de EU
Europese Vrijhandelsassociatie = een samenwerkingsorganisatie tussen met name Scandinavië en de alpenlanden
Centraal Europese Vrijhandelsassociatie (CEVA) = een samenwerkingsorganisatie tussen de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europese landen die is ontstaan uit de Comecon.

Argumenten (politiek en economisch) om samen te gaan werken in de EU:
· Economisch herstel
· Vrede en veiligheid
· Betere onderhandelingspositie (politiek)
· Betere concurrentiepositie (economisch)
· Schaalvergroting ( het vormen van grotere organisatie-eenheden.)
· Regionale specialisatie ( comparatieve voordelen = relatief kosten voordeel van een economische activiteit in een gebied vergeleken met andere gebieden)
· Minder welvaartsverschillen binnen europa

Europese samenwerking = organisatievorm met overleg tussen de regeringen van lidstaten van de EU waarbij elke staat zijn soevereiniteit behoudt.
Europese integratie = organisatievorm waarbij lidstaten in Europa bepaalde nationale bevoegdheden overdragen aan een overkoepelende bestuurslaag van de EU.
Aquis communautaire = alle afspraken, wetten en richtlijnen van de EU voor landen die willen toetreden.

Interne grenzen = grens tussen 2 lidstaten vd EU
Externe grenzen = grens tussen lidstaten van de EU en de niet-lidstaten
Fort Europa = het afsluiten van de gemeenschappelijke buitengrenzen van de EU en de niet-lidstaten
Euregio’s = gebieden aan weerszijden van de grens van Europese landen waartussen samenwerking bestaat.

MOE-landen = landen uit het Midden en Oost –Europa die willen toetreden tot de EU
Agenda 2000 = alle voorstellen en aanbevelingen van de EU voor de mogelijke uitbreiding met tien landen uit het midden Oosten van Europa
Associatieverdragen = overeenkomst tussen de Eu en de derde wereldlanden gericht op samenwerking, bijv. Europa akkoorden en de Lome akkoorden

§2

Triade = de 3 grote economische en politieke machtsblokken in de wereld en hunonderlinge relaties; de EU, Noord-Amerika NAFTA, en Japan
Triadisering = proces van toenemende economische en politieke relaties tussen de drie machtsblokken in de wereld
BNP = Bruto Nationaal Product, het gemiddelde inkomen per inwoner van de totale bevolking
BBP = Bruto Binnenlands Product, totale waarde van de geproduceerde goederen en diensten in een land
Liberalisering = het afschaffen van internationale handelsbelemmeringen
Invoertarief = bedrag dat je moet betalen om een product of dienst over de grens te krijgen.
Productquotum = een maximum op de hoeveelheid die bijvoorbeeld het buitenland naar ons land mag invoeren.
Internationalisering = proces van schaalvergroting waarbij bedrijven en instellingen steeds meer grensoverschrijdend gaan samenwerken op economisch, politiek, sociaal en cultureel gebied.
Globalisering = proces waarbij de (ruimtelijke) samenhang tussen bedrijven en instellingen over de wereld toeneemt en landsgrenzen vervagen ( de wereld als een Global village)
Joint venture = samenwerkingsverband tussen ondernemingen/instellingen uit verschillende landen die gericht zijn op het combineren van kennis van de lokale situatie met buitenlands kapitaal (geld) en kennis.
Open economie = economie van een land dat sterke handelsrelaties heeft met andere landen.

3 soorten vervoer;
# Uitvoer (eigen producten naar buitenland).
#Doorvoer (invoeren en meteen weer uitvoeren van buitenlandse producten).
# wederuitvoer (uit het buitenland invoeren, in Nederland doorverkopen en vanuit de nieuwe eigenaar weer naar het buitenland)

Distributieland = land van waaruit van overzee aangevoerde goederen verspreid worden over andere landen, bijvoorbeeld alle spullen die in Rotterdam binnenkomen en meteen naar andere landen gaat.

§3

agrosector = alle agrarische bestaansmiddelen (akkerbouw, veeteelt, tuinbouw, en bosbouw) samen met de toeleverende en verwerkende economische activiteiten.
protectie = het afschermen van een markt met handelsbelemmeringen
vrijhandel = het ontbreken van handelsbelemmeringen
Comparatief voordeel = relatief kostenvoordeel van een economische activiteit in een gebied vergeleken met andere gebieden.
Exportrestituties = subsidie op (Europese) uitvoer, wanneer producten op de wereldmarkt te weinig opleveren

GLB Gemeenschappelijk Landbouwbeleid oude stijl =
· Zorgen voor hogere opbrengsten per bedrijf en per arbeider (productiviteit) in de landbouw
· Zorgen voor voldoende voedsel, zodat europa niet meer afhankelijk is van voedselimport.
· De Europese consumenten moeten landbouwproducten kunnen kopen voor betaalbare prijzen.
· De Europese boeren moetenverzekerd zijn van een redelijk inkomen.
· Voorkomen dat de voedselprijzen te sterk schommelen.
Structuurbeleid = Nederlander Sicco Mansholt heeft hieraan bijgedragen, het bevorderde de bedrijfsvergroting. En schaalvergroting was het toverwoord. landbouwbeleid gericht op verbeteren van de productiviteit van agrarische bedrijven door ruilverkaveling, afvloeiing van boeren, bedrijfsvergroting, mechanisatie, automatisering etc.
Om dit te bereiken gebruikte men de markt- en prijsbeleid toe. Dit had 3 fases:
1. Invoerheffingen en drempelprijzen; meer eigenproductie, weinig import, import voor buitenland duur maken.
2. Garantieprijzen; boeren kregen per zoveel productie een bedrag zodat ze bleven produceren tot het maximum.
3. Quoteringen en superheffingen; om niet teveel geld kwijt te zijn aan garantieprijzen kwam er een quotering (maximum) als je erover heen ging kreeg je per zoveel producten een boete, superheffing dus.

GLB nieuwe stijl =
· GLB oude stijl was te duur
· in de wereld kwamen protesten tegen het GLB vanwege de dure belastingen over de import
· milieuproblemen
· Platteland raakte ontvolkt, de leefbaarheid ging achteruit.
· Door verwachte toetreding van de MOE-landen zou de GLB oude stijl onbetaalbaar worden.
Omdat de landbouw veel grond nodig heeft zijn de ruimtelijke gevolgen van het Europese landbouwbeleid te groot:
1. Door GLB oude stijl nam de intensiteit van het grondgebruik toe, zijvoorbeeld door bio-industrieën.
2. de regionale specialisatie nam toe. Dat wil zeggen dat mensen zich per regio gingen specialiseren in iets.
3. Ook was de invloed van de EU op de landbouw verminderd. Dat leidt tot meer internationale concurrentie wat verschillende gevolgen met zich meeneemt. Het ene gebied merkte meer van de concurrentie dan het andere gebied;
· akkerbouw (met name graanteelt) merkte veel van de concurrent VS.
· Veeteelt (met name zuivelteelt) had met het quoteringstelsel te maken. Zij merkten dus ook veel van de concurrentie.
· Tuinbouw (sierteelt) zal haar sterke positie op de internationale markt kunnen behouden. Fruitteelt heeft veel concurrentie van Z-Europa en de ontwikkelingslanden

Vissersbeleid moet je nog even doorlezen op blz 66, dat is verder niet echt heel erg moeilijk.

§5

Regionale differentiatie =fysische, demografische, sociale, economische, politieke of culturele verschillen tussen (delen van) een land.
regionale ongelijkheid = grote onrechtvaardige sociaal-economische verschillen tussen (delen van) landen
NUTS-gebieden = statische verdeling van EU-lidstaten in deelgebieden (nuts = Nomenclature des unites territoriales de statistiques)
3 belangrijke vragen voor als je de regionale ongelijkheid wilt verkleinen;
1. Op welke ruimtelijke schaal is er sprake van regionale ongelijkheid?
2. Welke kenmerken gebruik je om de ruimtelijke ongelijkheid te meten?
3. Hoe bepaal je of er sprake is van regionale ongelijkheid?

Argumenten van de Europese leiders om de regionale ongelijkheid te verminderen:
· Solidariteit met bewoners van afgelegen gebieden
· De politieke stabiliteit binnen Europa wordt dan groter
· Zo voorkomt met dat de migratiestromen tussen Europese regio’s te groot worden
· Hogere inkomens in alle regio’s vergroten de afzet mogelijkheden voor Europese bedrijven
· Grote loonsverschillen kunnen ertoe leiden dat armere regio’s alleen bedrijven aantrekken die weinig toegevoegde waarde opleveren, zoals assemblagebedrijven.
· Te lage inkomens kunnen de waarde van de euro ondermijnen.

4 structuurfondsen;
· Het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)
· Het Europees sociaal Fonds (ESF)
· Het Europees Oriëntatie en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL)
· Het financieel Instrument voor de Oriëntatie van de visserij (FIOV)
Er zijn verschillende regio’s met economische achterstanden:
· Doelstelling 1-regio’s; met algemene ontwikkelingsachterstand. Het BRP ligt hier lager dan 25% per inwoner dan het EU-gemiddelde.
· Doelstelling 2-regio’s; gebieden met oude stagnerende industrieën. Door concurrentie zijn bepaalde bedrijfstakken helemaal verdwenen.
· Doelstelling 5b-regio’s plattelandsgebieden waar een groot deel van de beroepsbevolking een laag inkomen heeft en afhankelijk is van de landbouw.
· Doelstelling 6-regio’s; zeer dun bevolkte gebieden, met name zweden en Finland.

Doelstelling 3-, 4-, 5a-, regio’s hebben betrekking op het oplossen van verschillende vormen van langdurige werkloosheid, of structurele problemen in de landbouw en visserij.

Al deze maatregelen zijn in te delen in 2 groepen;
1. Regionale investeringen;
2. Regionale stimuleringsmaatregelen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.