Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 1 en 2

Beoordeling 4.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1155 woorden
  • 13 november 2003
  • 13 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.1
  • 13 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Aardrijkskunde Hoofdstuk 2.1: Ruimtelijk gedrag en politiek.

§ 1.1 Ruimtelijk gedrag en politiek

Ruimtelijk gedrag:

 Het gedrag waarin je ruimte gebruikt noem je ruimtelijk gedrag.
 De ruimte waarin dat gebeurt noem je gedragsruimte.

Om die twee goed te laten plaats vinden zijn er een bestuur en politieke, ruimtelijke spelregels nodig.

De gedragsruimte is de ruimte waarvan mensen die op een bepaald plek wonen gebruik maken. Ze doen er hun dagelijkse activiteiten en creëren er hun eigen leefsfeer.

Het afbakenen van gedragsruimte: je kunt onderscheid maken tussen:


 Functionele gedragsruimte: Bij het afbakenen van functionele gedragsruimte let je op:

1. Woon / werkplaats.
2. Verplaatsingen voor het gebruik van commerciële diensten.
3. Verplaatsingen van niet- commerciële diensten.

Een plaats waarvan het meest gebruikt wordt gemaakt van de voorzieningen en de verplaatsingen naartoe overheersen, noem je de primaire gedragsruimte.

 Mentale gedragsruimte: Bij mentale gedragsruimte staat de binding met het gebied en de mensen centraal. Mensen voelen zich met elkaar verbonden vanwege:

1. Maatschappelijke gewoonten, tradities, dialect of bijv. gerechten.
2. Verbondenheid met het woongebied. De trots verbindt mensen met elkaar. Dat heet regionaal bewustzijn.

Soms willen groepen met een sterk regionaal bewustzijn 'vreemde' mensen uitsluiten. Dit noem je exclusiviteit.


Aardrijkskunde Hoofdstuk 2.2: economie en politiekruimtelijke organisatie.

§ 1.0 is Nederland deel van Europa?

Vervlechting met andere EU-landen: de wereld begint steeds meer te lijken op een 'global village'. De kenmerken daarvan zijn o.a. de afname van de relatieve afstand tussen landen. We reizen honderden kilometers tegenwoordig die al binnen een paar uur te overbruggen zijn. Er is internationale media via satelliet. Goederen, diensten en geld gaan in grote hoeveelheid en snelheid de wereld rond.
Landen en groepen vormen krijgen steeds meer relaties met elkaar en gaan daardoor samenhangen. Die eenwording noemen we integratie. Op den duur kunnen ze een hechte eenheid vormen. Dit noemen we vervlechting. Door vervlechtingen ontstaan er zowel economische- als politieke blokken. Een voorbeeld daarvan is de Europese unie.

De Europese Unie: de EU (voor 1992 de Europese Gemeenschap) werd in 1958 opgericht met het doel een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer van goederen, kapitaal en diensten te vormen. In dit politiek-economische integratieproces zijn twee belangrijke kenmerken te vinden:

 De uitbreiding van het samenwerkingsverband: Nu bestaat de EU uit 15 landen. Andere (Oostbloklanden) willen ook graag lid worden. Daarvoor zijn associatieverdragen gesloten. Daarin staan verdragen waarin de EU steunt belooft voor economische en financiële hervormingen.
 De intensivering van de integratie: door versterkingen van handelsrelaties en investeringen tussen EU-landen wordt de vervlechting sterker.
1. Handelsrelaties: Het resultaat van lange samenwerking in de EU is goed te zien in Nederland. Nederland importeert 66% en exporteert 76% van- en naar landen uit de EU.
2. Investeringsrelaties: De 6 hechtste landen in de EU investeren ieder gemiddeld 7,5% in elkaar.

Toenemende concurrentie en regionale specialisatie: door het wegvallen van de grenzen zullen veel bedrijven in alle landen van de EU-staten te maken krijgen met toenemende concurrentie. Landen benutten hun comparatief voordeel door producten te maken die ze in verhouding met andere landen goedkoper en efficiënter kunnen produceren (oorzaak: goedkopere grondstoffen, klimaat, etc). Je kunt hier ook spreken van regionale specialisatie. Het land benut zijn beste mogelijkheden om anderen te kunnen beconcurreren. Goederen die het land alleen slechter en duurder zou produceren in vergelijking met andere landen worden geïmporteerd.

De concurrentiekracht: de concurrentiekracht heeft te maken met de positie van een product op de markt. Hoe sterk is bijv. de Hollandse tomaat op de Eu-markt? De concurrentiekracht wordt bepaalde door vijf factoren:

 De productiefactoren: de efficiëntheid van productiefactoren zoals klimaat, arbeidskrachten, grondstoffen.
 De ondernemersgeest: hoe is de houding van de ondernemer. Heeft hij een hoog innovatiegehalte? Heeft hij vermogen om samen te werken? Is hij efficiënt?
 De marktorganisatie: hoe is de afzet georganiseerd en wie doet wat? Wat is het gedrag van veilingen?
 De overheid: door de stimulatie van de ontwikkeling van de concurrentiekracht heeft ook de overheid flinke invloed.
 De toevalsfactoren: dit zijn onvoorspelbare zaken zoals koerswisselingen, politieke beslissingen en oorlogen.

Aardrijkskunde Hoofdstuk 2.2: economie en politiekruimtelijke organisatie.

§ 2.0 Samenwerking of protectie?

Het waarom van een Europees landbeleid: het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) werd ontwikkeld tussen 1958 en 1968. Sinds 1968 is er een gemeenschappelijke landbouwmarkt. Dit houdt in dat EU-landbouwproducten zonder belemmeringen over de grens van een EU-land vervoerd worden. De landbouwsamenwerking gaat uit van 4 doelstellingen:

1. Productiviteitsverhoging van de landbouw: productiefactoren moeten efficiënter gebruikt worden. Het gaat om schaalvergroting: lagere kosten voor een hogere winst.
2. Het verzekeren van een redelijk levenspeil voor de agrarische beroepsbevolking: het geven van een hogere levensstandaard aan landbouwers. Je noemt dit inkomenspariteit.
3. Evenwicht geven tussen vraag en aanbod van landbouwproducten: op die manier wordt er gestreefd naar stabiele landbouwprijzen.
4. Voldoende voedsel van goede kwaliteit tegen een lagere prijs: het veiligstellen van de voedselvoorziening van de consument.

Het marktprijsbeleid: Het markt- en prijsbeleid in de EU zorgt ervoor dat het inkomen van de boer min of meer veilig gesteld wordt en de consument normale voedselprijzen betaalt. Het omvat een ingewikkeld geheel van maatregelen. Belangrijke economische onderdelen van zo'n maatregel zijn:

 De basisrichtprijs: de streefprijs die jaarlijks voor elk product wordt vastgeld met het oog op de kosten en inkomens van landbouwers.
 De interventieprijs: ook dit is een richtprijs en is vastgesteld op 5 tot 10% lager dan de basisrichtprijs. Als de werkelijke prijs van tarwe op de markt beneden de interventieprijs zakt, grijpt de EU in. De EU koopt grote hoeveelheden tarwe van de boeren op zodat de prijs de waarde op de markt stijgt. Dit noemen we ook wel de garantieprijs.

De nadelen: het markt- en prijsbeleid heeft twee belangrijke nadelen.

1. De noodzaak van protectie: Import: Aan de EU-grens geldt een drempelprijs. Komt het niet EU-product onder die prijs, moet er heffing betaald worden. Die wordt afgeleid aan de basisrichtprijs. Export: omdat EU-producten door het markt- prijsbeleid vaak te duur zijn voor export naar andere landen, geeft de EU subsidies aan producenten van producten zodat ze toch kunnen concurreren op de wereldmarkt. Dit noemt men restitutie.
2. Het ontstaan van productieoverschotten: Door het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) gingen landbouwers steeds meer produceren voor steeds lagere kosten.

Liberalisering in de wereldhandel: dit wil zeggen: het vrijmaken van de wereldhandel. Het (gedeeltelijk) opheffen van subsidies en heffingen zoals in bijv. het Europese markt- prijsbeleid. Dit wordt bevorderd door de WTO, een internationale organisatie die afspraken maakt over dit onderwerp.

Het plan MacSharry: Naar aanleiding van de ongewenste overproductie en grote financiële tekorten, ontwikkelde MacSherry een plan:

1. Quota: Boeren die productiequota overschreden zouden voortaan boetes krijgen, ook wel superheffingen genoemd.
2. Het verminderen van prijssteun: De garantieprijzen moesten met 30% omlaag. Er zou dus minder bescherming nodig zijn aan de buitengrens van de EU.
3. Inkomenssteun: Het inkomens verlies als gevolg van 1 en 2 wordt gedeeltelijk gecompenseerd.

Aardrijkskunde Hoofdstuk 2.2: economie en politiekruimtelijke organisatie.

§ 3.0 Even een regionaal vlekje wegtrekken

Doelen en middelen in het 'uitstrijken' van rijkdom: Als instrumenten om regionale ongelijkheid weg te werken, heeft de EU vijf structuurfondsen in het leven geroepen. Daartoe behoort het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling. Er gaat vooral veel geld naar achtergebleven regio's (periferie). Nog meer doelen en bijbehorende geldmiddelen van de Europese ontwikkelingspolitiek:

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.