Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Hoofdstuk 1

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 1733 woorden
  • 26 september 2016
  • 31 keer beoordeeld
Cijfer 6.4
31 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video
Samenvatting AK Proefwerk Hoofdstuk 1   Begrippen:
§2   Bruto Nationaal Product per hoofd (BNP):
Alles wat in één jaar wordt verdient door een land, gedeeld door het aantal inwoners.   Koopkracht:
Hoeveel je in een land kunt kopen voor één dollar.   Formele sector:
Het officiële deel van de economie. De activiteiten in de formele vind je terug in de statistieken van de overheid.   Informele sector:   Het niet officiële deel van de economie, ook wel scharreleconomie genoemd. De activiteiten van de sector komen meestal niet in de statistieken van de overheid terecht.   Beroepsbevolking:   Alle mensen die tegen betaling werken, plus de werklozen.   Tertiaire sector:   Beroepen bij kantoren, banken, winkels, de overheid; beroepen in de dienstverlening.   Centrumlanden:   Meest ontwikkelde landen.   Semiperiferie:   Landen die zich sterk aan het ontwikkelen zijn.   Periferie:   De armste landen, die nog sterk agrarisch zijn en vooral grondstoffen uitvoeren.   Ontwikkelingslanden:   Landen die niet horen tot de rijke geïndustrialiseerde landen.          
§3:   Welzijn:   De rijkdom van een land gemeten op basis van levensomstandigheden, bijvoorbeeld gezondheid, scholing, voedsel. Ook wel maatschappelijke welvaart genoemd.   Levensverwachting:   Geeft aan hoe oud mensen gemiddeld worden.   Kindersterfte:   Percentage sterfgevallen onder kinderen vanaf het eerste jaar na de geboorte tot 5 jaar.   Alfabetiseringsgraad:   Geeft aan hoeveel procent van de bevolking kan lezen en schrijven.   VN-welzijnsindex:   Een aanwijzing voor het welzijn in een land. Je let dan op de koopkracht, de levensverwachting en de alfabetiseringsgraad van de bevolking.   Sociale ongelijkheid:   Grote verschillen in inkomen tussen groepen mensen.   Regionale ongelijkheid:   Grote, ongewenste, verschillen in ontwikkelingsgraad binnen één land.

§4   Grondstoffen:
Nog niet bewerkte goederen   Halffabricaten:
Bewerkte grondstoffen, zit tussen grondstof en eindproduct in.   Eindproducten:
Producten die gereed zijn en verkocht kunnen worden.   Multinationale onderneming:
Grote bedrijven die in meerdere landen fabrieken en kantoren hebben.   Globalisering:
Proces waarbij gebieden wereldwijd op een aantal terreinen steeds meer met elkaar verbonden worden.   Communicatiemiddelen:
Middelen zoals de computer of fax om informatie uit te wisselen   BRIC-Landen:
Brazilië, Rusland, India en China: vier landen uit de semiperiferie met een snelle economische ontwikkeling.           §7:   Handelsbalans:
Overzicht van de waarde van goederen die in- en uitgevoerd worden   Arbeidsmigrant:
Er wordt voor het maken van een product veel arbeid gebruikt en weinig machines.
Betalingsbalans:
Overzicht van alle inkomsten en uitgaven van een land met het buitenland.   Mainport:
Haven of vliegveld dat een belangrijke rol speelt in het internationale vervoer   Lagelonenlanden:

Land in de periferie waar de lonen veel lager zijn dan in de centrumlanden. Zij vormen een aantrekkelijk vestigingsgebied voor arbeidsintensieve bedrijven   Arbeidsintensief:
Er wordt voor het maken van een product veel arbeid gebruikt en weinig machines  
§8:   Achterland:
Het gebied dat voor de aan- en afvoer van goederen afhankelijk is van een haven.   Vestigingsplaatsfactoren:
Reden voor een bedrijf om zich op een bepaalde plaats te vestigen   Distributieland:
Land dat een belangrijke rol speelt in de verdeling van goederen over het achterland    
Samenvatting:
§2: Welvaart   Meten van welvaart:   Je kan twee manieren gebruiken om de welvaart van een land te meten.
1: Het BNP van de bevolking. Dat is alles wat in een jaar verdiend wordt, gedeeld door het aantal inwoners. Het BNP wordt uitgedrukt in dollars of euro’s. In Nederland is dat ongeveer 25000 euro.
- We gebruiken meestal koopkracht om welvaart te vergelijken, dat is wat je in een land kan kopen voor één euro.
- In Nederland wordt bijna alles opgegeven aan de belasting, dat noem je de formele sector. In arme landen wordt bijna niets opgegeven aan de belasting, dat noem je de informele sector. Dan is het BNP lager dan het in werkelijkheid is.   2: De beroepsbevolking. Het werk wat mensen doen, is verdeeld in 3 sectoren: 1: De primaire sector 2: De secundaire sector 3: De tertiaire sector.   De verdeling van welvaart:   Je kunt de wereld indelen in drie groepen landen.   - Centrumlanden: Meest ontwikkelde landen, zoals USA en Nederland. Veel mensen hebben een hoog inkomen en werken in de dienstsector

- Semiperiferie: Landen die al een eind op weg zijn in hun ontwikkeling, zoals Brazilië en China. De landbouw wordt minder belangrijk, de dienstsector neemt toe.
- Periferie: Groep arme landen waar landbouw belangrijkste bron van inkomsten is. Ze hebben laag inkomen, de meesten hebben minder dan 2 dollar per dag te besteden.   Ontwikkelingslanden:   Je kan de landen dus indelen in drie groepen. Soms gebruik je ook andere namen.   - Arme landen: Ontwikkelingslanden, derdewereldlanden
- Rijke landen: Ontwikkelde landen     §3: Welzijn   De VN-welzijnsindex:   Welvaart zegt nog niet zoveel over welzijn. Daarmee bedoel je levensomstandigheden van mensen. Welzijn meet je door te kijken naar:   - De levensverwachting: Hoe oud mensen gemiddeld worden in een land. De hoogte van levensverwachting hangt sterk samen met hygiëne. Waar situatie slecht is, sterven veel kinderen.
- Koopkracht
- Alfabetiseringsgraad: Hoeveel mensen kunnen lezen en schrijven: in arme landen kunnen veel mensen niet lezen en schrijven omdat: kinderen al vroeg moeten werken of er weinig onderwijsvoorzieningen zijn.   Deze factoren vormen samen de VN-welzijnsindex.   Sociale ongelijkheid:   Het BNP is een gemiddeld getal, het zegt weinig over hoeveel armen en rijken er zijn in een land. In veel landen is dat niet gelijk verdeeld. In Brazilië krijgt de rijkste 10 procent 45 procent BNP, en de armste 10 procent 1 procent BNP. Dit noem je sociale ongelijkheid.   Regionale ongelijkheid:   In landen zoals Turkije is er veel toeristenindustrie. De mensen die daar wonen leven best wel goed. Maar in het binnenland is het niet zo, veel mensen trekken naar steden, op zoek naar een beter leven. Binnen die steden zijn villawijken en krottenwijken.
Zoiets noem je Regionale ongelijkheid.  
Sectoren:   Primair: Landbouw, mijnbouw, visserij
Secundair: Industrie, ambacht, bouw
Tertiair:       Handel, verkeer, overheidsdiensten, banken en verzekeringen                      
§4: De wereld wordt een dorp   De wereld krimpt   Goederen kun je indelen in drie soorten:
- Grondstoffen:  Nog niet bewerkte goederen
- Halffabricaten:  Bewerkte grondstoffen, ze zijn nog niet af
- Eindproducten: Het product dat klaar is   Alles kan nu veel makkelijker worden verspreid. Goederen kunnen op grote afstanden worden verhandeld en vervoert. Je bent altijd op de hoogte van het laatste nieuws. Zo’n proces noem je globalisering.   Oorzaken van globalisering   Drie belangrijke ontwikkelingen zijn verantwoordelijk voor het proces van globalisering:
- Multinationale onderneming: Grote bedrijven hebben fabrieken en kantoren in meerdere landen. Vaak omdat in andere landen alles veel goedkoper kan worden gemaakt

- Handelsbelemmeringen verdwijnen: Veel landen hebben momenteel hun grenzen openstaan voor de wereldmarkt. Dat komt ook door het vallen van de Sovjet-Unie, en sommige landen zijn lid geworden van de Europese Unie
- Afstanden krimpen: Er zijn goede communicatie middelen, de fax en computers. Ook is het vervoer beter geworden   Gevolgen van de globalisering voor rijk en arm   Vroeger verdienden arme landen vooral geld met exporteren van grondstoffen. Maar productie van alle goederen vindt steeds vaker buiten rijke landen plaats. MNO’s laten producten maken waar het maken het goedkoopst is. De BRIC landen spelen daar een grote rol bij. Veel landen ten zuiden van de Sahara spelen nauwelijks een rol hierbij, dat komt omdat:
- Geen belangrijke hulpbronnen hebben
- Niet interessant om een daar een bedrijf te stichten
- Niet aantrekkelijk is voor toeristen
- Slecht bestuurd worden       §7:   Nederland in de wereld:   Economisch gezien is Nederland groot, het heeft een van de grootste havens ter wereld en exporteert veel landbouwproducten.
In 2007 heeft de gemiddelde Nederlander een koopkracht van 25 600. En staat daarmee op de tiende plaats. Het inkomen lag in 2007 ook 31 procent boven het Europese gemiddelde. Op welzijn heeft het de achtste plaats.   De handelsbalans van Nederland   De handelsbalans geeft een overzicht van de waarde van goederen die je invoer en uitvoert. Een land verdient ook geld met:
- Toerisme
- Vervoer van goederen
- Overboekingen van in het buitenland verdiend loon   De betalingsbalans geeft een overzicht van inkomsten en uitgaven met het buitenland. De ingevoerde grondstoffen worden voor een deel in Nederland verwerkt tot dure eindproducten, en een groot dool wordt onbewerkt doorgevoerd naar de rest van Europa. Een grote haven of vliegveld is een mainport. Nederland heeft er twee:
- Rotterdam-Europoort

- Schiphol-Amsterdam   Hoe gaat het verder?   Veel arbeidsintensieve bedrijven zijn vertrokken naar lagelonenlanden. Daar is het maken van producten veel goedkoper.  
§8:   Toegangspoort tot Europa   Nederland veel aardgas en een klein beetje olie. Maar de Nederlandse welvaart is vooral om de gunstige ligging. Het ligt aan de rand van Europa en aan de monding van een paar belangrijke rivieren. Aan de voorkant ligt de Noordzee, daar ligt Rotterdam. De enige Europese havenstad met een open zeeverbinding. Aan de achterkant kun je over de rivieren binnenvaren. Ook in de lucht en over land is Nederland goed te bereiken.   Vroeger en nu   In de zeventiende eeuw werd voor Nederland veel bedrijven een aantrekkelijke vestiging plaats. Japanse en Amerikaanse bedrijven die naar Europa komen, kiezen nu nog steeds vaak voor Nederland, dat komt door:
- De gunstige ligging en goede bereikbaarheid
- De gerichtheid van Nederland op het buitenland
- Goed opgeleide bevolking met beheersing van meerdere talen
- Lage belasting voor buitenlandse bedrijven
Buitenlandse bedrijven die zich vestigen in Nederland, hebben toegang tot heel Europa. Twee derde van onze import gaat naar andere landen van de EU.   Distributieland of kennisland?   Veel goederen met bestemming Europa gaan via Nederland. We noemen Nederland ook wel een distributieland. Om die rol te kunnen spelen moet je over prima verbindingen beschikken. De verbindingen met het achterland dreigen dicht te slibben. Op de wegen staan veel files en Schiphol kan het vliegverkeer nauwelijks aan. Daarom zeggen steeds meer mensen: ‘Nederland moet geen distributieland blijven, maar een kennisland worden’    

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.