Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 6724 woorden
  • 24 oktober 2014
  • 5 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
5 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie

§1

Amerika is ontdekt in 1492 en was toen een leeg werelddeel op een half miljoen indianen na.  Maar toen de immigranten kwamen bouwden zij huizen en legden akkers aan.  Het bewoonbaar maken en inrichten van een gebied noem je kolonisatie.

De eerst immigranten kwamen vooral uit Engeland.  Zij stichtten aan de oostkust dertien koloniën die zich in 1776 los maakten van Engeland en samen de VS vormden.

Tussen 1800 en 1920 kwamen er meer dan 30 miljoen Europese immigranten bij. In veel Europese landen kwam er honger, armoede en werkloosheid voor. Er waren oorlogen en niet overal was vrijheid van meningsuiting.

Rond 1850 was het tempo van de kolonisatie nog laag. Daarom nam de overheid maatregelen.

 1862 - Homestead Act:

  1. Elke immigrant van 21 jaar en ouder kreeg een gratis stuk grond van 64 ha als hij er vijf jaar bleef wonen.
  2. Spoorwegmaatschappijen kregen gratis een strook land van tien tot twintig mijl aan weerszijden van de nieuwe spoorlijnen in eigendom.

Hierna (en vanwege de ontdekking van goud in Californië), rukte de frontier snel op naar het westen. Hierdoor was er steeds minder leefgebied voor de indianen en zij werden daardoor verdreven naar de slechtere gronden in het westen van de VS. In die streken wonen nog steeds veel indianen in reservaten waar ze leven volgens tradities van hun cultuur.

De Appalachen – middelgebergte – 500-1500 meter hoog (hoogste top Mount Mitchell: 2038) – oud gebergte (de toppen zijn afgrond door erosie)

The Rocky Mountains – hooggebergte – 1500+ meter hoog (toppen die vaak hoger zijn dat 4000) – jong gebergte (spitse toppen bedekt met eeuwige sneeuw)

Interior Plains – Ligt tussen de Appalachen en de Rocky mountains in – Oosten: laagvlakte (lager dan 500m) Westen: Hoogvlakte (hoger dan 500m) – Oosten: in de cornbelt wordt veel maïs verbouwd. Westen: Steppe, Akkerbouw (voornamelijk tarwe) is alleen mogelijk door het oppompen van irrigatiewater, Je vind er ook extensieve veeteelt.

De 100◦-meridiaan – Verdeelt de VS in twee helften – Oosten: meer dan 500mm neerslag, Westen: minder

Grote Bekken – Ligt ten westen van de Rocky Mountains. – Hoogvlakten (plateaus) van 1500 meter hoog – het is er erg droog –

Central Valley – ligt in de regenschaduw in het westen van de VS – met behulp van irrigatie verbouwen boeren er fruit.

Reliëfvorm

Hoogte

Hooggebergte

Meeste toppen hoger dan 1500m

Middelgebergte

Meeste toppen tussen 500m – 1500m

Heuvelland

Meeste toppen tussen 200m – 500m

Laagland

Vrijwel overal lager dan 200m

§2

Temperatuurfactoren

Er zijn drie temperatuurfactoren:
1. Breedteligging: hoe verder van de evenaar, hoe kouder
2. Hoogte ligging: hoe hoger, hoe kouder
3. Land-zee verdeling: Hoe verder van de zee, hoe warmer in de zomer en kouder in de winter

1.
De kachel van de aarde is de zon. De zon geeft niet overal even veel warmte af. In de poolstreken, is het koud en in de tropen, is het warm. Dat heeft te maken met de hoogte van de zon. Omdat de aarde een bol is, vallen de zonnestralen schuin in de poolstreken. Schuine zonnestralen geven minder warmte af dan rechte stralen om twee redenen: ze moeten een groter oppervlak verwarmen en In de lucht bevinden zich wolken en stofdeeltjes, als de zonnestralen daar tegenaan botsen worden ze weerkaatst. Bij schuine stralen kom je meer wolken en stofdeeltjes tegen dan bij rechte stralen.

2.
Zonnestralen geven hun warmte pas af als ze het aardoppervlak raken. Daardoor wordt het aardoppervlak zelf ook warm en straalt die warmte uit. De aardse stralen verwarmen de lucht. De dampkring wordt dus van onderaan verwarmd en daardoor is het onderaan de berg het warmst.

3.
Land wordt anders verwarmd dan water. Land wordt (sneller) warmer maar ook kouder dan water. Dat verschil heeft ook gevolgen voor de lucht erboven. Boven zee zal de temperatuur nooit er hoog of erg laag zijn, de zee heeft daarom weinig invloed op de temperatuur. Boven land kan de lucht erg warm en erg koud worden, maar de temperatuur kan ook erg snel wisselen.

Als de wind van zee komt noem je dat een aanlandige wind. Als de wind van het land komt noem je dat een aflandige wind. Een aanlandige wind geeft in de zomer verkoeling en in de winter dooi. Een aflandige wind geeft in de zomer nog meer warmte en in de winter vorst.

Als de wind langdurig één kant uit waait ontstaan er zeestromen.  Deze zeestromen kunnen warm water uit de tropen naar de poolstreken brengen, en andersom.  Elke zeestroom heeft een naam en heeft invloed op de temperatuur op het land.

Een gebergte kan als een muur voor de wind dienen. Het is een klimaatscheiding tussen twee gebieden.  Aan de ene kant van het gebergte kan warme lucht blijven hangen terwijl aan de andere kant het juist er koud is.

 

Neerslag

Neerslag heeft te maken met opstijgende lucht. Hoe hoger je komt hoe kouder het is, dus lucht die opstijgt, koel dan ook af. Koude lucht kan minder water vasthouden dan warme lucht. Daardoor kan het gaan regenen, hagelen of sneeuwen. Droogte komt door lucht die daalt en opwarmt. Warme lucht kan meer water bevatten dan koude lucht en de bewolking lost op.

De windkant van een berg heet de loefzijde, aan de andere kant ligt de lijzijde. Aan de loefzijde wordt lucht omhooggestuwd en koelt af. De regen die ontstaat noem je stuwingsregen. Aan de lijzijde daalt de wind en wordt warmer. Daardoor valt er aan die kant weinig regen, oftewel het gebied ligt in de regenschaduw.

§3

Rond 1800 wonen er 3.9 mensen in de VS waaronder 750.000 Afrikaanse slaven. Daarna komt de immigratie pas echt op gang. Tot 1960 zijn de blanke Europeanen de dominante groep. Daarna komen er nieuwe groepen.

The American dream – iedereen heeft kans op rijkdom. Als je succes hebt, heb je dat aan jezelf te danken. Heb je geen succes, dan is dat je eigen schuld.

Meltingpot – een mengelmoes van de immigranten, die in het begin erg goed werkte met Noord- en West-Europeanen die in Amerika wilden blijven en zich wilde aanpassen. Het ging een beetje mis bij de komst van Oost- en Zuid-Europeanen. Zij wilden bij elkaar in aparte wijken wonen.

Immigratie en emigratie

Bij buitenlandse migratie verhuis je naar een ander land. Dat heet ook wel landverhuizing. Emigratie is het verlaten en immigratie is het binnenkomen van een land.

Push- en pullfactoren

Redenen om te vertrekken uit een land noem je pushfactoren, om te blijven zijn pullfactoren. De belangrijkste factoren zijn: economische, politieke en fysische factoren. Mensen die verhuizen door gebrek aan geld en werk noem je economische migranten of arbeidsmigranten. Mensen die binnen hun eigen lang verhuizen om politieke redenen noem je ontheemden. Mensen die buiten hun eigen land verhuizen om politieke redenen noem je vluchtelingen. Mensen die verhuizen omdat ze bijvoorbeeld het klimaat ergens anders mooier vinden, zijn fysische migranten.

Allochtonen en autochtonen

Een allochtoon is iemand van wie een of beide ouders in het buitenland is geboren. Alleen de eerste generatie allochtonen is in het buitenland geboren. De tweede generatie allochtonen is geboren in het land waarin ze nu wonen, maar hun vader en/of moeder niet. Als allebei je ouder zijn geboren in het land waar je nu leeft ben je een autochtoon. Westerse allochtonen komen uit het cultuurgebied van de westerse wereld. Niet-westerse allochtonen zijn afkomstig uit een ander cultuurgebied.
 

§4

Het punt waarvan ten oosten en ten westen evenveel inwoners leven heet het demografische zwaartepunt. De bevolking van een gebied verandert door 2 factoren:
1. Natuurlijke veranderingen: geboorte en sterfte. Als er in een jaar meer geboortes zijn dan sterftes, is er sprake van een geboorteoverschot. Het omgekeerde is een sterfteoverschot.
2. Migratie: als meer mensen zich in één plaats vestigen dan vertrekken, is er sprake van een vestigingsoverschot. Het omgekeerde is een vertrekoverschot. Vestiging en vertrek vormen samen het migratiesaldo

Bevolkingscijfers: absoluut en relatief

Bevolkingscijfers kun je op twee manieren weergeven:
1. Absolute getallen: hierbij gaat het om aantallen of hoeveelheden
2. Relatieve getallen: hierbij gaat het om percentages (per 100 of %) of promillages (per 1000 of ‰)

Het aantal geboortes per jaar per 1000 inwoners noem je het geboortecijfer. Bij sterftes is dat het sterftecijfer.

 

§5

Etnische wijken

Het apart wonen van bevolkingsgroepen met bepaalde kenmerken in bepaalde wijken noem je ruimtelijke segregatie. Een etnische wijk is een woonwijk waar je vooral mensen uit één bepaalde etnische groep wonen. Het voortbestaan in etnische groepen heeft te maken met drie factoren:
1. Mensen zoeken de veiligheid van de eigen groep.
2. Veel inwoners zijn arm en hebben geen geld voor een duurder huis buiten de wijk.
3. Als ze wél een duurder huis kunnen kopen, lopen ze meer kans om gediscrimineerd te worden.



§7

Köppen

A             Tropisch klimaat                                 (Aw – savanneklimaat)
B             Droog klimaat                                     (BW – Woestijnklimaat, BS – Steppeklimaat)
C             Zeeklimaat                                          (Cs – Middellandse Zeeklimaat)
D             Landklimaat        
E             Koud klimaat                                       (F: eeuwig sneeuw in poolgebieden – H: eeuwige sneeuw in                                                                                              hooggebergte – Toendra

Aan de klimaten A,C en D worden (kleine) letters toegevoegd die iets zeggen over de droge tijd.

f – fehlt – droge tijd ontbreekt
s – sommer – droge tijd in de zomer
w – winter – droge tijd in de winter

Glaciale landschapsvormen

Het pleistoceen werd gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden (glacialen) en warmere perioden (interglacialen). Door de schurende bewegingen van het ijs zijn er verschillende vormen in het landschap ontstaan. Hier worden drie glaciale landschappen behandeld.

Morene

Morene bestaat uit (gesteente)materiaal dat door een gletsjer is aangevoerd. Een voorbeeld is keileem (een mengsel van tot leem vermalen keien vermengd met nog heel gebleven stenen. Grondmorene is het sediment wat achterblijft als de gletsjer smelt. Eindmorene is het verpulverde materiaal wat de gletsjer voor zich uitschuift.

Tongbekkens

Het landijs verplaatste zich vaak via rivierdalen. Daardoor schoof het niet in een rechte lijn, maar in ijstongen. Het landijs diepte rivierdalen uit tot tongbekkens. Door de druk van het ijs werden de zijkanten van die rivierdalen opzij geduwd. Zo ontstonden stuwwallen. Stuwwallen zijn geen eindmorenes omdat het materiaal waaruit ze bestaan er al langer geleden is afgezet en niet is meegevoerd door het ijs.

Fjorden

In berggebieden schuurden gletjers diepe trogdalen uit. Ze hebben een U-vorm: steile bergwanden met een vlakke dalbodem. In Noorwegen zijn ze ondergelopen met water en heten ze fjorden.

Landijs, drijfijs en pakijs

In het hart van het poolgebied komt de temperatuur zelfs in de zomer niet boven o ◦C, plantengroei is niet mogelijk en neerslag is altijd in de vorm van sneeuw. Die sneeuw smelt nooit weg (eeuwige sneeuw). De laag wordt steeds dikker en zwaarder en wordt samengeperst tot ijs. Zo ontstaan op het land een gigantisch dikke laag landijs. Een ijskap die door het eigen gewicht de zee in glijdt en er stukken van afbreken noemen we drijfijs. Bevroren zeewater noemen we pakijs.

Toendra

Als de zomertemperatuur lager is dan 10 ◦C kunnen er geen bomen groeien. Je bent dan in de toendra. De winters zijn hier lang, de bodem is ongeveer negen maanden lang bevroren en met sneeuw bedekt. Iets dieper in de grond vind je de permafrost (vorst die het hele jaar blijft zitten).

Taiga

Als de temperatuur in de zomer hoger dan 10 ◦C maar lager dan 15 ◦C komt is het te koud voor loofbomen, maar groeien er wel naaldbomen. Je bent dan in de taiga (naaldboomgordel)

Loofbossen

Als de temperatuur in de zomermaanden stijgt tot boven de 15 ◦C, dan is het er warm genoeg voor loofbomen. Dan ben je in de loofboomgordel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Begrippenlijst

 

Aanlandige wind                                                     Wind van zee naar het land   

Absolute getallen                                                   Gegevens uitgedrukt in getallen of hoeveelheden

Aflandige wind                                                        Wind van land naar zee

Agglomeratie                                                          Een stad met daaraan vastgegroeide steden.

Allochtoon                                                              Iemand die zelf of beide ouders daarvan in het buitenland is geboren.

Arbeidsmigranten                                                   Mensen die hun woongebied verlaten vanwege gebrek aan geld

Assimileren                                                             Als een immigrant de cultuur overneemt

Autochtoon                                                            Als beide ouders zijn geboren in het land waarin je leeft

Binnenlandse migratie                                            Migratie binnen eigen land

Bondstaat (federatie)                                                             Politiek systeem met een vereniging van (deel)staten

Buitenlandse migratie                                             Migratie uit en naar het buitenland

Central Business District (CBD)                                               Deel van het stadscentrum met kantoren en winkels

Demografisch zwaartepunt                                     Het punt in een land waarvan ten oosten en ten zuiden evenveel inwoners leven

Edgecity                                                                 Stedelijk subcentrum met werkgelegenheid in de suburb

Eeuwige sneeuw                                                    Gebied waar altijd sneeuw blijft liggen

Emigratie                                                                                Het verlaten van een land om ergens anders te gaan wonen

Erosie                                                                     Het afschuren en uitschuren van gesteente door water, ijs of wind

Etnische groep                                                       Groep mensen die al heel lang samenwoont en dezelfde cultuur heeft

Etnische wijk                                                           Woonwijk waar veel mensen uit één etnische groep wonen

Extensieve veeteelt                                                                Veeteelt met weinig stuks vee per hectare

Footloose-bedrijven                                                                Bedrijven die weinig of geen grondstoffen gebruiken en zich dus overal kunnen vestigen

Frontier                                                                   De grens tussen de Europese kolonisten en het wilde westen

Getto                                                                      Heel arme etnische wijk

Gezinshereniging                                                   Als immigranten gezins- en familieleden laten overkomen

Gezinsvorming                                                        Als immigranten trouwen met iemand uit het eigen land

Heuvelland                                                             Gebied met toppen tussen 200 – 500 meter                         

Hooggebergte                                                        Gebergte met toppen hoger dan 1500 meter

Hoogvlakte (plateau)                                                              Vlak gebied dat hoger ligt dan 500 meter

Hurricane (orkaan)                                                  Tropische storm met minimaal windkracht 12.

Immigratie                                                                              Het binnen komen van het land waar je gaat wonen

Jaaramplitude                                                         Het verschil tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en de koudste maand

Jong gebergte                                                        Gebergte met spitse toppen

Kolonie                                                                   Overzees gebiedsdeel van een Europees land

Kolonisatie                                                             Het bewoonbaar maken en inrichten van een gebied

Laagland                                                                Gebied dat vrijwel overal lager is dan 200 meter

Laagvlakte                                                             Vlak gebied dat lager ligt dan 500 meter

Landijs                                                                   Laag eeuwige sneeuw op het land die tot ijs is samengeperst

Landklimaat                                                            Klimaat met lange, koude winters en korte, soms warme zomers

Lijzijde                                                                    De kant van een gebergte die uit de wind ligt

Loefzijde                                                                De windkant van een gebergte              

Maatschappelijke segregatie                                  Als de mensen uit verschillende bevolkingsgroepen weinig contact hebben

Middelgebergte                                                      Gebergte met toppen tussen 500 – 1500 meter

Migratie                                                                  Het verhuizen van het ene naar het andere woongebied

Migratiesaldo                                                          Het aantal mensen dat zich ergens vestigt min het aantal mensen dat vertrekt

Multiculturele samenleving                                      Een maatschappij waar mensen uit verschillende culturen samenleven

Natuurlijke bevolkingsgroei                                     Geboorte min sterfte

Niet-westerse allochtoon                                         Allochtoon uit een niet-westers cultuurgebied

Oud gebergte                                                         gebergte met toppen die in de loop van miljoenen jaren zijn afgerond door erosie

Permafrost                                                              Altijd bevroren ondergrond

Pullfactoren                                                            Redenen die een ander gebied aantrekkelijk maken voor migranten

Pushfactoren                                                          Redenen om te vertrekken uit een gebied

Regenschaduw                                                      Ligging achter gebergte, waardoor er weinig regen valt

Reliëf                                                                      Hoogteverschillen in het landschap

Ruimtelijke segregatie                                             Het apart wonen van bevolkingsgroepen met bepaalde kenmerken

Schild                                                                     Uitgestrekt geologisch stabiel deel ban de aardkorst dat minstens 500 miljoen jaar  
                                                                              oud is
Snowbelt                                                                Bijnaam voor koude, sneeuwrijke staten in het noordoosten van de VS

Steppe                                                                   Droog gebied waar nog net genoeg regen valt voor de groei van grassen

Stroomgebied                                                         Het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren

Stuwingsregen                                                       Regen die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte

Suburb                                                                   Ruim opgezette woonwijk met veel vrijstaande huizen en tuinen

Sunbelt                                                                  Bijnaam voor de zonnige staten in het zuiden en westen van de VS

Taiga                                                                      Gordel met naaldbossen in de gematigde zone     

Toendra                                                                 Boomloos gebied in de poolstreken met begroeiing van grassen en mossen

Tornado                                                                 Zeer krachtige wervelwind

Zeestromen                                                            Het stromen van zeewater doordat de wind langdurig één richting uit waait

Gateway staten
Staten waar buitenlanders aankomen waarna ze verder Amerika intrekken

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.