Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Hoofdstuk 1 & 2

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 1572 woorden
  • 5 oktober 2003
  • 86 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
86 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie
Hoofdstuk 1 §1: 4 verschillende soorten rampen zijn: - Natuurramp: Een ramp waarbij er door natuurkrachten veel slachtoffers vallen of waarbij veel schade is. - Milieuramp: Een ramp waarbij door invloeden van mensen aan de natuur grote schade wordt toegebracht. - Cultuurramp: Een ramp waarbij veel slachtoffers vallen door wat mensen elkaar aandoen. - Humanitaire ramp: Een cultuurramp waarbij veel slachtoffers vallen. Het gaat om mensen. §2: Aardbeving zijn trillingen in de aardkorst. Ze ontstaan doordat delen van de aardkorst tegen elkaar schuren. Trog: Langwerpige diepe kuil in de zeebodem. Deze ontstaat doordat de ene plaat onder de andere schuift. Seismologen meten de kracht van aardbevingen en onderzoeken de oorzaak daarvan. Ze gebruiken daarbij een seismograaf: een apparaat die de kracht van de trilling registreert. Hypocentrum: Plaats in of onder de aardkorst waar de aardbeving begint. Epicentrum: Plaats waar de trillingen van een aardbeving het oppervlak bereiken. De kracht van een aardbeving worden op 2 schalen gemeten: - De schaal van Richter - De schaal van Mercalli: Aan schade wordt de kracht vastgesteld. Aardverschuiving: Grote delen van de bodemlaag schuiven langs een helling naar beneden. Solifluctie: Een met water doordrenkt deel van de bodem vloeit als modder van een helling.
§3: Magma: Vloeibaar gesteente in de aarde. Lava: Vloeibaar uitvloeiend gesteente van een vulkaan. Krater: Vulkaanopening waaruit lava, gas en as komt. Eruptie: Vulkaanuitbarsting. 2 soorten vulkanen zijn: - Kegelvulkaan: Vrij spitse vulkaan, opgebouwd uit verschillende lagen vulkanisch gesteente. - Schildvulkaan: Vlakke, platte vulkaan. Vloedgolf: Zeer hoge golf die ontstaat bij een zeebeving of storm. Geiser: Bron die geregeld water spuit op geregelde tijden. §4: Rampen ontstaan door uitzonderlijke weersituaties, zoals overvloedige neerslag, het uitblijven van regen, stormen. Stormen worden gemeten op de Schaal van Beaufort. Orkanen komen het meest voor: - Aan de zuidoostzijde van Noord-Amerika en Azië - In het grensgebied van grote oceanen en grote continenten §5: Vergeleken met vroeger is er nu veel meer schaalvergroting. Schaalvergroting betekent dat door uitbreiding van bijv. een bedrijf grotere winst gemaakt kan worden. Daardoor komen er steeds meer en grotere ongelukken. De risicofactor is toegenomen. Oliewinning in Rusland heeft een veel hogere risicofactor dan een scheepvaartroute op de Stille Oceaan. §6: Roofbouw: Het te snel opnieuw gebruiken van een stuk grond, waardoor de grond weer snel uitgeput raakt en voor lange tijd beschadigd wordt. Ook op andere natuurlijke rijkdommen zoals ertsen, energiebronnen of de visstand kan roofbouw gepleegd worden. Verwoestijning: Uitbreiding van een woestijn; meestal door overbeweiding. Overbeweiding: Er grazen te veel dieren op te weinig weidegrond. Afwenteling: Dingen veroorzaken, zodat de volgende generatie er last van heeft. Redenen waarom Tropisch Regenwoud gekapt wordt: - Het hardhout brengt veel op. (economische rede) - Er is landbouwgrond nodig. - De regering staat het kappen toe, om rijken te vriend te houden. (politieke rede) §7: Preventie: Maatregelen nemen om rampen te voorkomen. Als de natuur moet worden beschermd door de mens, noem je dat Natuurbescherming. In arme streken zijn de mogelijkheden voor preventie beperkt. Er is te weinig geld voor het aanleggen en onderhouden van dammen en dijken. Hulpverlening en rampenbestrijding zijn gebrekkig georganiseerd. De gevolgen van de rampen worden afgewenteld op de arme bevolking. Ruimtelijke ongelijkheid: Een achterstandssituatie van het ene gebied t.o.v. het andere.
§9: In Indonesië zijn hoge bergen, veel vulkaanuitbarstingen en veel aardbevingen. Dat komt, omdat Indonesië op een grens van 3 platen zit. Ook is er bij Java een grote trog; de Javatrog. Java is ontstaan door vulkanisme. Het wordt steeds opgehoogd door magma. Door de vruchtbare grond wonen er veel mensen. Op de vruchtbare grond wordt ook veel gebruikt voor plantage. Op de vulkaanhellingen zijn terrassen aangelegd (sawa’s). Er wordt rijst op verbouwd, die met de hand gepoot worden (arbeidsintensief). Doordat mensen van de dichtbevolkte eilanden gaan verhuizen naar andere eilanden, moet er regenwoud gekapt worden (roofbouw). Ladangcultuur = brandcultuur
Groepjes mensen trekken naar open plekken in het tropisch regenwoud. Zo’n open plek heet een ladang. Mensen trekken van ladang naar ladang. De ladangen worden steeds opnieuw gebruikt. (niet erg ten koste van het regenwoud). Plantagebouw
Mensen kappen grote stukken regenwoud, om alles in één keer te verbouwen. Langzamerhand wordt de grond onvruchtbaar. (ten koste van het regenwoud). §10: Na de revolutie in Rusland in 1917 wilde Rusland zich in een snel tempo ontwikkelen. Er werden veel grote fabrieken en kerncentrales gebouwd. Er was weinig aandacht voor veiligheid en milieu. Ook de landbouw werd snel ontwikkeld. Er werden op grote schaal gebieden ontgonnen. De rivieren droogden uit, omdat droge landbouwgebieden bevloeid moesten worden. Door deze ontwikkeling hebben de Russen een milieuramp veroorzaakt. De communisten hadden een politieke rede voor de snelle opbouw. Deze politieke rede leidde tot een economische rede. Hoofdstuk 2 §1: Regionale specialisatie: De productie van één soort goederen of diensten in een bepaald gebied. (= ruimtelijke specialisatie) Verkeer: Uitwisseling van goederen, personen of diensten. (Infrastructuur plus de vervoersmiddelen). Ontstaat door regionale specialisatie. Vervoer: Het transport van mensen, goederen of diensten, alsmede de organisatie ervan. Voorbeelden van infrastructuur: 1) spoorlijnen
2) waterwegen

3) fietsroutes
4) pijpleidingen
5) telefoonkabels
Om de verkeersstromen goed te begrijpen zijn de aantrekkelijkheid van het reisdoel en de vervoerskosten van belang. Voorbeelden van mobiliteit: 1) Geografische / ruimtelijke mobiliteit, bijv. het totaal aantal verhuizingen, het aantal contacten in een gebied in een jaar. 2) Sociale mobiliteit, bijv. als je later een beroep wilt hebben waardoor je in een hogere sociale klasse komt. 3) Beroepsmobiliteit, als je met een bepaalde opleiding verscheidene beroepen kunt uitvoeren. §2: Mobiliteit: Het gemak waarmee iemand zich verplaatst; ook: het totaal aantal verplaatsingen of het totaal aantal verhuizingen. Automobiliteit: De verplaatsingen per personenauto. Autobezit: Aantal personenauto’s per 1000 inwoners (= autodichtheid). Oorzaken voor toegenomen mobiliteit: 1) Welvaartstoename: Mensen kunnen en willen een groter gebied bereizen. Bijv. er komen meer auto’s en meer mensen gaan op vakantie (en verder). 2) Individualisering: Dat je onafhankelijk van elkaar wilt zijn. Het eenpersoons- huishoudens stijgt. Ook binnen traditionele leefvorm: i.p.v. samen te reizen, gaan gezinsdelen steeds vaker hun eigen weg. 3) Emancipatie / vergrijzing: Vrouwen en bejaarden nemen deel aan allerlei maatschappelijke activiteiten  mobiliteit stijgt. 4) Schaalvergroting: Bijv. grotere afstanden tussen woning en werk, toename vracht- verkeer. De sterke toename van de automobiliteit wordt wel verklaard door de Brever-wet (de 45-minuten grens). Door snellere vervoersmiddelen kiest men voor grotere reisafstanden (woon - werk) §3: 3 verschillende soorten vervoer: 1) Particulier vervoer: Reizen met een eigen transportmiddel. 2) Openbaar vervoer: Vervoersmiddel waarvan iedereen gebruik van mag maken. 3) Collectief vervoer: Gezamenlijk vervoer of groepsvervoer; is niet altijd openbaar vervoer. Vrachtauto Goederentrein Vrachtschip Vrachtvliegtuig
Laadvermogen - + + + +/- Kosten + +/- - + + Vervoertijd + +/- + + - Massagoederen: Goederen die onverpakt in scheepsruimen, treinwagons of vrachtwagens worden getransporteerd, zoals olie, graan, zand, steenkool en ijzererts. (= bulkgoederen) Stukgoederen: Goederen die verpakt (in containers, kisten, kratten, vaten of balen) worden vervoerd. Container: Een grote stalen laadkist met een vaste maat die zowel per vrachtauto, trein, schip als vliegtuig kan worden vervoerd. Roll-on-roll-off-vervoer: Transport waarbij vrachtwagens in de ene haven een speciale veerboot binnenrijden en in de andere haven weer hun weg vervolgen. §4: Knooppunt: Plaats waar goederen, laadeenheden of mensen tussen verschillende manieren van vervoer worden uitgewisseld. Complementair knooppunt: De verdeling van de transportfunctie over 2 steden die elkaar aanvullen. Netwerk: Het geheel van knooppunten en de transportlijnen daartussen (wegen, rivieren, luchtwegen, zeeroutes, rails, telecommunicatie-verbindingen). Vervoersstromen kun je onderscheiden in personenvervoer en goederenvervoer. Vervoers-stromen liggen in elkaars verlengde of kruisen elkaar. Havens en vliegvelden zijn vaak een begin- en eindpunt van goederenstromen. Transferium: Overstappunt van auto op openbaar vervoer of omgekeerd.; het bevindt zich op een makkelijk bereikbare locatie tussen vertrekpunt en bestemming. Er zijn vaak nog andere voorzieningen te vinden, zoals winkels. Park-and-ride: Een grote parkeerplaats vlakbij een station om voor forensen het openbaar vervoer beter toegankelijk te maken. Clustering: Als allerlei activiteiten zo dicht mogelijk rond enkele punten worden gevestigd. Logistiek: Het zorgen voor de totale goederenstroom, van productie tot aan consument, met begrip van de erbij behorende informatie- en geldstromen.
§5: Redenen dat de goederenproductie sterk is toegenomen: 1) Nederland is zeer dichtbevolkt. 2) Nederland heeft veel rivieren, kanalen en andere waterwegen, waardoor veel bruggen, tunnels en ponten nodig zijn. 3) Heel veel steden hebben een historische kern: het centrum is moeilijk toegankelijk. 4) Het grootste gedeelte van de bevolking en van de werkgelegenheid is geconcentreerd is de toch al overvolle Randstad. Verkeersintensiteit: Het gemiddeld aantal motorvoertuigen per dag op een wegtraject. Verkeerscongestie: Verstopping in het verkeersnet. Je vindt ze vaak op dezelfde plaatsen. Carpoolen: Met 2 of meer mensen volgens afspraak in één auto reizen. Vervoersmanagement: Systematisch en gezamenlijk regelen van woon-werkverkeer door bedrijven, instellingen en overheid, om het aantal autokilometers te verminderen. Files bezorgen economische schade: De bereikbaarheid van de Randstad wordt steeds slechter. Ook zorgen files voor veel schade aan het milieu: luchtverontreiniging, geluidsoverlast. Fileoorzaak nummer 1: woon-werkverkeer. Fileoorzaak nummer 2: vrachtverkeer. §6: Transportsystemen: De middelen waarmee goederen en mensen van de ene plaats naar de andere worden gebracht. Communicatiesystemen: De middelen waarmee informatie (kennis, instructie, ideeën) van de ene plaats naar de andere worden getransporteerd. Telecommunicatie: Communicatie met moderne elektronische middelen, zoals fax, e-mail, mobiele communicatie. Elektronische infrastructuur: Alle voorzieningen die nodig zijn voor de telecommunicatie. Telematica: Geïntegreerde verwerking en transport van informatie m.b.v. elektronische middelen. §7: Internationalisering: Het steeds nationaler opereren van bedrijven en instellingen, waarbij landsgrenzen een afnemende rol spelen (= globalisering) Shuttle-trein: Pendeldienst (rechtstreekse verbinding) tussen 2 knooppunten, die onafhankelijk van het ladingaanbod op vaste tijdstippen vertrekt en aankomt. HSL (HogeSnelheidsLijn): Een nieuwe spoorlijn, geschikt voor snelheden boven de 250 km/h, of een bestaande spoorlijn, geschikt voor snelheden van ongeveer 200 km /h. Transportmodaliteiten: Vervoer met een bepaald transportmiddel (vervoerswijze). Telewerken: (thuis)arbeid waarbij men een on-line-verbinding met de werk-gever heeft. Teleshopping: Boodschappen bestellen en betalen via Internet of op een andere elektronische wijze.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.