H1 paragraaf 4 t/m 6 (Malmberg)

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 719 woorden
  • 10 februari 2009
  • 3 keer beoordeeld
Cijfer 7.8
3 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview
Paragraaf 4.

Middelen waarmee geproduceerd wordt-> de productiefactoren:
• Natuur. De productiefactor natuur levert:
- De bouwgrond.
- De energie-> nodig voor machines te laten draaien, of voor de verwarming.
- De grondstoffen die bewerkt moeten worden.
grondstoffen-> stoffen waarvan een bedrijf een eindproduct of een halffabrikaat maakt. Eindproduct-> een product dat geschikt is voor de klant.
Halffabrikaat-> wordt door een ander bedrijf verder verwerkt.

• Arbeid-> worden verschillende eisen gesteld.
veel ondernemingen in ontwikkelingslanden werken bv met minder geschoold en laagbetaald personeel. In de ontwikkelde landen maken veel ondernemingen juist hoogwaardige producten. De loonkosten zijn hoog.
• Kapitaalgoederen-> bijvoorbeeld de gebouwen en machines.

Een stuwend bedrijf->belangrijk voor de werkgelegenheid en welvaart in een gebied.
Zo'n bedrijf zet de producten vooral af buiten het eigen gebied, waardoor geld het gebied binnenkomt.
Een verzorgend bedrijf-> zet de producten vooral af in de eigen regio.

Multinational-> een onderneming die vestigingen heeft in meerdere landen van Europa, Noord-Amerika en Azië: het centrum. Daar komt een groot deel van de winst terecht. De productieafdelingen van zo'n onderneming vind je in de ontwikkelingslanden: de periferie. Op nationaal niveau tref je de hoofdkantoren aan in meer verstedelijkte gebieden van het land. In Nederland: de Randstad.

VERDIEPING

Een bedrijf moet winst maken, de kosten moeten laag zijn, dat kan door:
• Specialisatie-> zich toeleggen op een of enkele producten
• Intensivering-> de productiefactoren zo goed mogelijk gebruiken.
• Bedrijfsvergroting-> door de groei van eigen bedrijf of door opkopen van bedrijven.
• Verplaatsing van het bedrijf naar gebieden met lagere productiekosten.

Paragraaf 5

Bij de keuze van een vestigingsplaats houdt een ondernemer rekening met vestigingsvoordelen of locatievoordelen. Belangrijke zijn:
• De aanwezigheid van grondstoffen of energiebronnen.
• De aanwezigheid van arbeidskrachten, de arbeidsmarkt.
• De aanwezigheid van klanten, de afzetmarkt.
• Een gunstige verkeersligging.
• De aanwezigheid van andere bedrijven.

Grote stedelijke gebieden zijn dikwijls ook aantrekkelijk als vestigingsplaats door:
• Een grote en goede arbeidsmarkt: in de steden zijn immers veel arbeidskrachten en allerlei opleidingen.

• Een grote afzetmarkt: er wonen veel mensen dus veel klanten.
• Een goed verkeersnet.
• De aanwezigheid van andere bedrijven. (toeleveringsbedrijven en dienstverlenende bedrijven)

Sterk verstedelijkte gebieden kennen een opeenhoping agglomeratie van mensen en bedrijven. Agglomeratievoordelen-> voordelen voor bedrijven door de aanwezigheid van veel mensen en bedrijven in een gebied.

Pullfactoren of aantrekkingsfactoren-> kenmerken van een gebied waardoor mensen en/of bedrijven worden aangetrokken.
Keepfactoren-> veel locatievoordelen in het gebied waar het bedrijf zit.
Pushfactoren of afstotingsfactoren-> kenmerken van een gebied waardoor mensen en/of bedrijven worden afgestoten. Als die te groot worden, zoek je een betere plek.

VERDIEPING
Global shift-> verschuiving van economische zwaartepunten en activiteiten over de wereld.

Paragraaf 6.

Werkgelegenheid in de primaire en secundaire sector is afgenomen. Werkgelegenheid in de tertiaire of dienstensector is groter geworden.

Tertiaire sector-> alle productie buiten industrie, land- en mijnbouw, zoals handel, vervoer, bankwezen, verzekering, onderwijs, huishoudelijke diensten en overheid.
Tertiairisering-> vergroting van het aandeel van de dienstensector in de totale werkgelegenheid in een gebied.

Er zijn verschillende soorten diensten:
• Commerciële diensten-> diensten die winst moeten opleveren zoals banken, horecabedrijven en winkels.
• Maatschappelijke diensten-> diensten die geen winst hoeven te maken zoals instellingen van de overheid, het onderwijs en medische voorzieningen.

Of een dienstverlenend bedrijf zich ergens vestigt, hangt af van:
• Het draagvlak-> het aantal mogelijke klanten voor een product of dienst in een gebied.
• De drempelwaarde-> het minimum aantal klanten dat nodig is om een voorziening of bedrijf in stand te houden.
• De reikwijdte-> de maximale afstand die mensen willen afleggen om van een bepaalde dienst gebruik te maken. Deze afstand is afhankelijk van tijd, moeite en kosten.

Dorpen en steden hebben een verzorgende functie voor de bevolking van het omringende gebied. -> verzorgingsgebied. Grote plaatsen hebben meer verzorgende bedrijven en instellingen dan kleinere plaatsen. Behalve het aantal inwoners spelen de bereikbaarheid van een plaats en de welvaart van de inwoners een rol. Als mensen meer geld hebben is de vraag naar diensten groter. Op basis van de diensten die een gebied heeft, kun je NL verdelen in primaire, secundaire en tertiaire verzorgingsgebieden.


VERDIEPING
In kleine dorpen-> drempelwaarde of bepaalde diensten worden nauwelijks gehaald.
Een rijdende bibliotheek of postkantoor vergroot op die manier de klantenring.
Een bakker, slager of groenteboer kan zijn assortiment vergroten. Zo kan een bakker behalve brood ook levensmiddelen verkopen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.