Grenzen, territoriale conflicten en kaartgebruik

Beoordeling 3.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2014 woorden
  • 5 oktober 2003
  • 220 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.2
  • 220 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Grenzen

1. Politieke geografie:
Politieke geografie is een deelvak van de geografie.
De politieke geografie onderzoekt in hoeverre grenzen invloed hebben op ruimtegebrek.
Vragen van politiek geograaf:
*In welke mate belemmeren grenzen mensen in hun ruimtelijk gedrag?
*Waarom is het effect op de ene plek op aarde sterker dan op de andere?

Veel staatsgrenzen hebben een negatief effect op mobiliteit van mensen. (Gastarbeiders)

Politieke geografie bestudeerd ook de relatie tussen geografische factoren en regio’s zoals gemeenten, werelddelen enz. (Waarom wonen mensen op een bepaalde plek?)


Politieke geografie houdt zich ook bezig met overeenkomsten en verschillen tussen politieke verschijnselen op verschillende plaatsen op aarde. (Verschil stemgedrag stad en platteland)

VINEX- vierde nota extra - Verschillende type woningen voor menging bevolkingsgroepen.

Politiek invloed op inrichting ruimte: VINEX.
Ruimtelijke processen inrichting politiek: Protest aanleg wegen door dorp.

2. Territorium:
Exclusieve recht: Niemand mag iets doen zonder jouw toestemming.
Afgrenzen: Bijv. deur van kamer op slot.
Identificeren: Bijv. kamer inrichten zoals jij je thuis voelt. (Mensen in Nederland identificeren zich met taal, klimaat, landschap enz.)
De drie kenmerken van een territorium:
*Exclusiviteit: Een territorium is een gebied waarop een groep mensen die exclusief aanspraak meent te maken.
*Afgrensbaarheid: Een territorium is een gebied waarvan een groep mensen de grens kunnen aangeven.

*Identiteit: Een territorium is een gebied waarmee een groep mensen zich identificeren.

3. Regionaal bewustzijn:
Wanneer iemand zich sterk verbonden voelt met de regio waarin hij woont noem je dat regionaal bewustzijn.
De Koerden maken aanspraak over het over vele landen verdeelde Koerdistan dat noem je exclusiviteit.

4. Grenzen:
Natuurlijke grenzen: Wanneer elementen in een landschap een natuurlijke barrière vormen. (zeeën, rivieren, bergen enz.)
Fysiek ruimtelijke structuur: Als het aan alle kanten wordt begrensd door iets natuurlijks.
Kunstmatige grenzen: Door mensen vastgesteld. Kan komen door: verovering, vertraging, splitsing of juist samenvoeging van staten.
Gesloten grenzen: Hekken of controle posten.
Open grenzen: Geen duidelijk kenmerk van grens.
Territoriale wateren: Wateren van een bepaalde staat tot op 12 mijl vanaf de kust.
EEZ: exclusieve economische zone- Kuststaten kregen daarmee het recht tot 200 mijl uit de kust.

5. Exclaves en enclaves:
Enclave: Deel van een staat dat volledig binnen een andere staat ligt.
Exclave: Enclave bezien vanuit waarin dit stuk land ligt.
Het gezichtspunt bepaalt of het om een enclave of om een exclave gaat.
Voorbeeld: Baarle-Hertog in Noord-Brabant en het is van België.

De aarde verdeeld.

6. Afbakening van landgroepen:
De aarde is te verdelen in landgroepen van landen die vanwege bepaalde kenmerken bij elkaar horen. Kenmerken: ligging, gemeenschappelijk kenmerk enz.

7. Staten:
Een staat is een politiek geordende samenleving met een eigen, soevereine (onafhankelijke) overheid op een afgebakend grondgebied.
Soeverein –onafhankelijk.
Kolonie –afhankelijk gebied dat bestuurd wordt door moederland.
Protectoraat- zelfstandige staat die op vrijwillige basis bescherming geniet van een mogendheid.

8. Bestuurlijke onderverdelingen binnen staten:
Binnen de grenzen van een staat zijn er grenzen die kleinere bestuurlijke eenheden omsluiten.
Provincies ontstaan door hertogdommen en adellijke bezittingen uit 16e eeuw.
Provincies zijn in Irak governorates of muhafadha.

9. (De)centralisatie:
Gedecentraliseerd bestuur: Regering heeft deel zeggenschap overgedragen aan kleinere regio’s.
Confederatie/statenbond - als samenwerkende regio’s niet samen onder een sterk centraal gezag vallen. (Bijv. Zwitserland)
Federatie/bondsstaat – Afzonderlijke politieke eenheden gaan op in een overkoepeld politiek systeem. (Bijv. VS en Mexico)

Nederland is een gecentraliseerde staat - als de regering iets bepaald kan de provincie er niets tegen in brengen.
Provincies hebben een belangrijke rol op het gebied van ouderzorg, gezondheidszorg en jeugdhulpverlening.
Gemeenten voert beleid dat gericht is op bewoners.
Provincie neemt overkoepelende besluiten.

10. Functionele en formele regio’s:
Functionele regio’s: Gebieden waarin dorpen, steden of leefgebieden door relaties aan elkaar verbonden zijn. Voorbeelden: Migratie, forensisme, bestuur, economie, cultuur enz.
Stadsgewest is een functionele regio.
Stadsgewest bestaat uit een centrale plaats met kleinere kernen daaromheen die samen en functioneel geheel vormen. De kleinere kernen zijn op een of meer criteria aan een plaats gebonden. Ze maken bijvoorbeeld gebruik van voorzieningen of er werken veel mensen.
Formele regio: gebieden die als een geheel worden beschouwd omdat daar een of meerdere verschijnselen centraal staan. Voorbeeld is een landbouwgebied waar veel maïs verbouwd wordt.
Een ander voorbeeld is een Euregio deze regio is ontstaan uit een samenwerkingsverband van lokale en regionale overheden aan weerszijden van staatsgrens in de EU.

11.Stadsprovincies:
Stadsprovincie –Een groter bestuurlijk geheel bestaand uit een of twee grote gemeenten met de omliggende kleinere kernen. Het neemt de bevoegdheid op van :infrastructuur, woningbouw, milieu, onderwijs, politie, brandweer en economische ontwikkelingen.
Voorbeelden: Rijnmond -Rotterdam en Haaglanden -Den-Haag en omstreken.

12. Bestuurlijke herindeling:
Bij bestuurlijke herindeling worden bestuurlijke grenzen aangepast, vaak om het bestuur te vergemakkelijken of om schaalvoordelen te behalen.
Door bestuurlijke herindeling veranderen het aantal gemeenten en de samenstelling ervan.
Recente herindelingen vonden plaats om kosten te besparen, beter 1 gemeentehuis dan 3.
Stadsdeel -Samenvoeging van aantal wijken. Gemeentelijke bevoegdheden zijn overgedragen aan stadsdeelkantoren.
Kleine gemeentes protesteren hiertegen omdat ze bang zijn dat identiteit verloren gaat en door schaalvergroting -afstand tussen burger en overheid te groot.

13. Wijken:
Steden kunnen worden verdeeld in wijken.
Wijken zijn eenheden van een stad die een eenheid kunnen vormen op verschillende criteria.
Bijvoorbeeld huizen die in dezelfde periode zijn gebouwd, functie is het een woonwijk of een kantoorwijk, status van een wijk - arbeiderswijken of elitewijken.
Grenzen wijken bestaan meestal uit wegen, water, park, industrieterrein enz.

Factoren.

14. Factoren die territoriale conflicten bepalen:
Om territoriale conflicten te kunnen begrijpen moet je drie factoren bestuderen:
*sociaal-culturele –Hangen samen met bevolkingsgroepen die in een land wonen. Verschillen in ras etniciteit, taal, religie enz.
*politieke –Staatsvorm, staatsinrichting en bestuursvorm.
*economische -Bestaansbronnen van een land. Mate van economische onafhankelijkheid, welvaart bevolking.

Sociaal -culturele factoren.

15. Volk, natie en staat:
Volk: groep mensen die zich verbonden voelen door gemeenschappelijke geschiedenis, taal, cultuur en iconografie.
Iconografie: zaken waaraan mensen symboolwaarde hechten zoals: vlag, kledendracht en vrijheidsstrijd. Voorbeeld Zigeuners.
Natie: Gemeenschappelijke kenmerken en verbondenheid door grondgebied. Voorbeeld Koerden.
De Koerden hebben soennitische en sjiïetische stroming. Sjiïeten zijn voor leiderschap op basis van overerving. De soenieten zijn voor gekozen leiderschap.
Koerdistan is verdeeld over Perzië en het Osmaanse rijk.
Friezen voelen zich verbonden door hun eigen taal
Staat: Voelt zich verbonden met grondgebied en bevolkingsgroep heeft soevereine macht over territorium.
Vorming:
Staat: officieel op papier vastgelegd. Met datum aan te geven.
Natie: gevoelens en emoties bevolking. Alleen globaal aan te geven.

Staat kan ontstaan uit natie als bevolking territorium toe-eigent.
Natie ontstaan uit staat als verschillende bevolkingsgroepen binnen een staat samenkomen.

16. Nationalisme:
Nationalisten hechten veel waarde aan eigen natie. Zij willen invloeden die de identiteit van de natie beïnvloeden bestrijden.
Positief: maken zich sterk als groep om natie te behouden.
Negatief: afkeer van andere naties. (discriminatie)
Wafelijzerpolitiek: wanneer de regering in de Waalse infrastructuur investeert, zij in Vlaanderen hetzelfde geldbedrag moeten stoppen in infrastructuur, zelfs wanneer dit niet echt nodig is. Hierdoor worden soms nutteloze investeringen gedaan.

17. Acculturatie:
Acculturatie –sociale en culturele veranderingen onder invloed van contacten met andere maatschappij en cultuur.
Acculturatie kan 2 vormen aannemen: assimilatie en integratie.
Assimilatie: verplicht aanpassen.
Integratie: Wederzijds, passen in de loop der tijd aan.
Etnische segregatie: verschillende cultuurgroepen blijven losstaan van elkaar.
18. Multinationale staten en natiestaten:
Natiestaat als ten minste 60% van een bevolking tot een natie behoort.
Multinationale staten -als er meer dan een natie woont.
Door oorlogen zijn grenzen getrokken, meestal dwars door leefgebieden van naties.

19. Etniciteit:
Etnische groep manifesteert zich ras, cultuur en traditie.
Etnische groepen ontstaan door migratie.
Omdat ze een minderheid vormen van de autochtone bevolking worden ze aangeduid met de term etnische minderheid.
Het land waar etniciteit niet tot territoriale conflicten leidt is Zwitserland.

20. Religie:
Religie kan de aanleiding vormen voor territoriale conflicten als religieuze bevolkingsgroepen zich willen profileren en willen domineren. Voorbeeld moslimfundamentalisten.
Grootste bevolkingsgroep:
1. sjiïeten ( Bagdad en zuiden Irak)
2. soenieten (noorden van Bagdad en noordwesten van Irak)

21. Taal:
Tweetalige landen: België (Frans en Vlaams) Canada( Frans en Engels)
ABN –algemeen beschaafd Nederlands.

22. Demografisch overwicht:
Een staat ontleent zijn macht aan militair en economisch overwicht. Ook bevolkingsaantal speelt hierbij een rol.
Bevolkingskenmerken: spreiding, dichtheid en leeftijdsopbouw.

Economische factoren.

23. Olie op het vuur:
Toegang tot hulpbronnen betekent toegang tot welvaart en macht.

24. Eenzijdige productiestructuur:
Land met eenzijdige productiestructuur heeft kwetsbare economie.
Eenzijdige productiestructuur -Landen die economisch afhankelijk zijn van een product.
Slecht bij: concurrentie en oorlogen.

25. Externe bedreigingen voor de economie:
Quota bepaalt hoeveel er maximaal verbouwt mag worden.
Water is van groot belang in het Midden-Oosten:
Economisch: alter wordt schaarser door uitbreiding industrie en toename bevolking.
Politiek: landen kunnen wateren afsluiten door dammen.

26. Arbeidspotentieel:
Een land moet voldoende investeren in onderzoek en ontwikkeling van technologieën om zijn aantrekkingskracht op de industrie te behouden.

27. Infrastructuur:
Een goede infrastructuur is nodig om goederen en informatie makkelijk te transporteren.
Dit is van groot belang voor de economie en voor het onderhouden van contacten tussen de verschillende landsdelen.
Wereldhandel -vrachtvervoer over zee.
Basra – niet toegankelijk voor grote schepen.
Groeiende economie havens kunnen op- en overslag van goederen niet aan –aanleg oliepijpleidingen.
Negatief –Gaat door buurlanden (Turkije, Saudie-Arabië) ze kunnen ze bij bijv. oorlog afsluiten.

28. Landlocked countries:
Landlocked countries –landen die niet aan zee liggen.
Noodzakelijk: goede verbinding over land en goede verhouding buurlanden.
Economie kwetsbaar –afhankelijk van buurlanden.
Er zijn 44 landlocked countries in de wereld.
Europa –9 l.l –Vaticaanstad, Andorra, Luxemburg enz.
Minst ontwikkelde landen –15 –Mali, Niger, Botswana enz.

Politieke factoren

29. Concentratie van politieke macht:
Politiek systeem –wijze waarop het bestuur in een land geregeld is.
Dictatoriaal –Macht bij een persoon of een kleine groep.
In Irak Soennieten landsbestuur omdat ze hoger opgeleid waren.
1980 –Saddam Hussein aan de macht.

30. Centraal of decentraal geregeerd:
Decentraal –lagere overheden grote mate van bestuurlijke zelfstandigheid.
Veel rekening houden met mening inwoners. (Nederland)
Centraal –één gezagscentrum. (Irak)

31. Territoriale aanspraken uit het verleden:
Territoriale conflicten –Terugclaimen grondgebied uit het verleden.
Voorbeeld: Irak claimt Kuwiet.
Straf van VS voor Irak (Door aanval Kuweit) -Handelsembargo(Geen invoer voedsel en goederen)

Over de grenzen heen.

32. Regionaal bewustzijn over grenzen heen:
Separatisme: Gebied gaat eigen politieke staat vormen. (Meestal bij samengevoegde landen)
Voorbeeld –Koerden.
2 Koerdische politieke fracties die strijden om macht grondgebied voormalig Koerdistan:
PUK: Patriottische Unie van Koerdistan.
KDP: Koerdische Democratische Partij.

Regionaal bewustzijn –Meer verbonden met eigen regio dan met staat.
Regionalisme –Regio apart afgebakend binnen staat, politieke onafhankelijkheid is minder dan bij dan bij separatisme.
Irredentisme –Het nog niet verloste –Samenvoeging van gebieden die vroeger bij die staat hoorde en waar mensen met dezelfde natie wonen.

Ruimtelijk gedrag en politiek ruimtelijke organisatie.

33. Ruimtelijk gedrag:
Bestudering ruimtelijk gedrag (6 aspecten waar je op moet letten):
*frequentie
*afstand
*wijze
*richting
*duur
*kosten

Kaarten.

1. Kaarten in het dagelijks leven:
Dagelijks leven -ligging plaats/voorkomen verschijnsel.

2. Kaarten in het verleden:
Kaarten vroeger –inzicht wereldbeeld van vroeger+verandering landschap.

3. Wat is een kaart:
Kaart –subjectieve en sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.
Cartograaf –zender/kaartenmaker.

4. Randvoorwaarden:
Kaart moet voorzien zijn van: (5x)
*legenda (verklaring symbolen)
*noordpijl
*schaal
*titel (verschijnselen kaart)
*producent.

5. Kaartvaardigheden:
5 kaartvaardigheden:
*kaartselectie
*kaartlezen
*kaartanalyse
*kaartinterpretatie
*kaartproductie.

6. Kaartselectie:
kaartselectie -informatiewaarde bepalen.
Letten op 4 dingen:
*Gebruikte projectie
*schaal
*symbolen
*vereenvoudiging

7 projectie:
Projectie van Goode -vergelijking opp. werelddelen -niet overzichtelijk –gedeelde oceanen.
Platte kaarten zonder vervorming max. 100x100 km.
3 projecties van bolvorming van aarde:
*azimutale projecties -Toont minder dan de helft of minder van de aarde.
*cilinder projecties –vervormingen erg groot.
*kegelprojecties.

orthografisch –natuurgetrouw.
gnomisch –gebieden vervormt –goed voor scheep-,luchtvaart.

8. Schaal:
Schaal -verhoudingen tussen afstand op de kaart en in werkelijkheid.

9. Symbolen:
3 soorten symbolen:
*puntvormig –aan één plaats gebonden verschijnselen. (vliegveld)
*lijnen –verbinding. (spoor)
*vlakken –aard omvang gebieden. (bos, water)

10. Vereenvoudiging, weglating, overdrijving en vertekening:
Generaliseren –zinvol vereenvoudiging van kaartinhoud bij schaalverkleining.

Kaartlezen.

11. Soorten kaarten:
4 kaarten:
*overzichtskaarten –kleinschalig, algemene info, wegen reliëf.
*topografische kaarten –algemeen, gedetailleerder dan overzichtskaarten, oriëntatie.
*thematische kaarten –bepaald verschijnsel. (bodemkaart)
*topologische kaarten –verschijnsel, onderlinge relaties.

12. Soorten thematische kaarten:
4 soorten thematische kaarten:
*stippen.
*isopleten/lijnen.
*chorochromalische – spreiding verschijnsel.
*choropleten –verschillen in intensiteit.

Kaartanalyse.

13. Classificeren:
Classifiseren –vergelijken+ordenen gegevens kaart.

14. Relateren:
relateren –zoeken naar overeenkomsten en verschillen op een kaart.

Ruimtelijke kenmerken.

35. Ligging van een regio:
Ligging regio bepaalt –geografische ligging=typische verschijnselen.

36. De situatie van een regio:
Situatie gebied geeft ligging aan van gebied te opzichte van andere gebieden uitgedrukt in kosten, moeite of tijd.
Situatie regio kan veranderen door 3 processen:
*technologisch. (tunnel Westerschelde –afstand kleiner)
*economisch. (massatoerisme)
*sociaal-cultureel. (rechten van vrouw)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.