De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden
Samenvatting globalisering
H1
§1 indeling van landen op basis van demografische en culturele kenmerken
Regio  een begrensd deel van het aardoppervlak, dat zich door een of meerdere kenmerken onderscheidt van ander regio’s. Ze komen in alle afmetingen voor, van grote stukken van de wereld (macroregio’s) tot een gemeente
Regionaliseren  het indelen van een gebied in regio’s
• Grondregel  uitgaan van hetzelfde kenmerk of dezelfde groep van kenmerken
• Er zijn 2 dingen nodig om een regio te begrenzen (grenzen zijn meestal vaag):
1. Het meten van het kenmerk
2. Een criterium
• De schaal is erg belangrijk


Om een goed geografisch beeld te krijgen, worden vier kenmerken gebruikt”
1. De ligging:
- Absolute ligging  de plaats binnen een coördinatensysteem. Dit verandert nooit
- Relatieve ligging  positie ten opzichte van andere plaatsen of verschijnselen. Dit kan wél veranderen
2. Gebiedskenmerken  eigenschappen van een gebied:
- Kenmerken van de natuurlijke omgeving
- De inrichting
3. Bevolkingskenmerken:
- Culturele kenmerken  gedrag, bijv. taal
- Demografische kenmerken  samenstelling van de bevolking
- Economische kenmerken  veranderingen in economische kwesties
- Politieke kenmerken  te maken met de verdeling van het uitoefenen van de macht
4. Interne en externe relaties
- Interne relaties  contacten binnen de bestudeerde regio
- Externe relaties  contacten met andere regio’s


Bevolkingsspreiding  wijze waarop de woonplaatsen van inwoners over een regio zijn verdeeld
Bevolkingsdichtheid  het aantal mensen per km2 (meestal een gemiddelde)
Bevolkingsgroei  verandering van het totale bevolkingsaantal ten gevolge van geboorte en sterfte (natuurlijke groei) en vestiging en vertrek (sociale groei)
Groei en krimp van de bevolking kun je afleiden uit de vorm van een leeftijdsgrafiek:
A = piramidevorm  sterk groeiende bevolking
B = uivorm  dalende bevolkingsgroei
C = granaatvorm  stabiele bevolking
Verticale as  cohorten (leeftijdsgroepen)
Horizontale as  omvang cohorten
Deze grafieken geven een beeld van de leeftijdsopbouw van een regio weer.
Aan de vorm van de grafiek kun je zien of de demografische druk groot/klein is  de verhouding tussen de niet-actieven en de actieven.
Afwijkende vormen ontstaan vooral door extreme omstandigheden.


Demografisch transitiemodel  model waarin de overgang van een situatie met relatief hoge naar één met relatief lage geboorte-en sterftecijfers als gevolg van sociaaleconomische veranderingen in de maatschappij wordt weergegeven. Dit model heeft 5 fases:
1. Agrarisch ambachtelijke fase  mensen leefden vooral van landbouw en ambacht. Er waren hoge geboortecijfers, maar ook hoge sterftecijfers (bevolking groeide traag). De hygiënische situatie was erg slecht.
2. Proletarische fase  deze fase was het begin van de industriële revolutie. Het geboortecijfer was hoog en het sterftecijfer daalde (belangrijke doodsoorzaken konden steeds beter bestreden worden). Ook de hygiëne werd beter.
3. Moderne fase  het geboortecijfer neemt af door de dalende kindersterfte (kinderen waren dus minder nodig). In deze tijd speelt verstedelijking een veel grotere rol. Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw daalde sterk.
4. Postindustriële fase  in deze fase liggen de geboorte en sterftecijfers op een laag niveau. Het sterftecijfer stijgt een beetje omdat het aandeel van ouderen toeneemt.
5. Sterfteoverschot  het sterftecijfer stijgt boven het geboortecijfer uit.


Urbanisatiegraad  het percentage van de bevolking dat in steden woont. In rijke landen het hoogst
Urbanisatietempo  de snelheid waarmee het percentage stadsbewoners toeneemt. In arme landen het hoogst


Cultuur  als alle door de menselijke geest voortgebrachte elementen (bijv. taal)
Volk  een groep mensen die zich in cultureel opzicht onderscheidt van ander groepen
Lingua franca  een taal die ingevoerd wordt om twee volkeren met elkaar te laten communiceren. De behoefte aan zo’n taal werd groter door handel.
Er zijn verschillende cultuurelementen:
- Taal
- Godsdienst
Cultuurgebieden veranderen door interne relaties (wisselwerking natuur en mens) en externe relaties (gevolgen van contacten uit andere cultuurgebieden).
Acculturatie  het overnemen van andere cultuurelementen



Ruimtelijke diffusie komt voor in vier vormen:
1. Expansie
2. Relocatie
3. Contactdiffusie
4. Hiërarchische diffusie



§2 economische en politieke bevolkingskenmerken
Het economisch ontwikkelingspeil is een belangrijk kenmerk en heeft grote invloed op vrijwel alle kenmerken van het geografische beeld.
Indicatoren die economen gebruiken:
• Nationaal inkomen  de waarde van alle geproduceerde goederen en diensten van een land (som van alle inkomsten). Naarmate het nationaal inkomen per bewoner hoger is, is het economische ontwikkelingspeil hoger
• BBP (bruto binnenlands product)  de productie die op het grondgebied van dat land plaatsvindt
• BNP (bruto nationaal product)  de totale productie van economische goederen in de loop van een jaar, uitgedrukt in geld
• Samenstelling van de beroepsbevolking. Dit wordt verdeeld in drie sectoren:
- Primaire sector (landbouw)
- Secundaire sector (industrie)
- Tertiaire sector (diensten)
Bij het BNP en BBP moet je enkele overwegingen in je achterhoofd houden:
- Hoe betrouwbaar de cijfers zijn
- Het verschil in koopkracht
- Grote verschillen tussen groepen mensen of deelgebieden
- Landen hebben niet allemaal dezelfde valuta


HDI (human development index) wordt samengesteld aan de hand van drie dingen: economische, demografische en een sociaal-culturele factor. Hoe hoger de index, des te hoger is het ontwikkelingspeil (tussen 0 en 1).
Democratisch gehalte  de mate waarin en de manier waarop macht over mensen is verdeeld. Een manier om dit te meten is de index voor democratie (0-10).


§3 Europa
Cultuurhaard  het gebied waar een taalfamilie het eerste voorkwam en van waaruit diffusie plaatsvond
Verbrokkeling  in kleine stukjes uit elkaar vallen
Centrifugale krachten  processen die de staatkundige samenhang ondermijnen, waardoor staten uit elkaar kunnen vallen
Centripetale krachten  de bindende factoren
Natiestaat  staat met een homogene bevolking
Nation building  het bevorderen van een samenhang in een land
Regionalisme  het streven naar een vorm van zelfbestuur of een eigen soevereine staat
Separatisme  het verkrijgen van een eigen staat wordt werkelijkheid
De ongelijke bevolkingsspreiding in Europa hang samen met veel factoren:
• Wereldschaal  klimaat, reliëf, beschikbaarheid, aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, toegenomen welvaart
• Continentale schaal  economische en politieke factoren
De bevolkingsgroei loopt momenteel traag. Er is nu een duidelijke tweedeling tussen west en oost Europa. Ook vergrijst de bevolking sterk.


Blokvorming  staten proberen samen zich economisch/politiek te organiseren tot een sterker geheel met als doel van de EU een gemeenschappelijke markt. De EU is het ’s werelds grootste handelsblok.
De EU heeft een aantal zwakke plekken:
- Gebrek aan voldoende natuurlijke hulpbronnen
- Hoge arbeidskosten
- Noodzaak van forse investeringen in onderwijs en research
- De soms grote sociaaleconomische tegenstellingen tussen en binnen Europese landen
- Grote roep tot het afschaffen van allerlei subsidies
- De enorme vergrijzing en bevolkingskrimp



§4 Oost-Azië
Oost-Azië is in demografisch opzicht een zwaartepunt in de wereld. Er zijn grote verschillen in deze regio:
• Woonplaats  de meeste mensen wonen aan de rivieren en kusten
Landlocked  niet gelegen aan oceanen of zeeën
• Grote variaties in de natuurlijke groei van de bevolking  zegt iets over de economische ontwikkeling (hoe meer economische ontwikkeling, des te lager het geboorte en sterftecijfer)
• De internationale migratie is beperkt
Het overheersende geloof in Oost-Azië is het boeddhisme. Boeddhisten zoeken een manier om zich te ontworstelen aan de eeuwigdurende kringlopen, waarvan het menselijk leven deel uitmaakt. Er zijn verschillende stromingen:
- Confucianisme en taoïsme in China
- Shintoïsme in Japan


Spanningen tussen landen zijn erg te voelen. Dit is tussen Noord en Zuid-Korea het communisme en het kapitalisme, tussen China en Taiwan omdat China Taiwan nooit erkend heeft als een soevereine staat (onafhankelijk). Er zijn ook spanningen tussen etnische groepen (Tibet en Xinjiang). Ongeveer 87% leeft onder dictatoriaal regime.


Oost-Azië heeft China en Japan als economische reuzen. Dit zegt niet zoveel over de welvaart van de bevolking. Dit kun je beter meten met het BNP. Binnen de landen zijn ook verschillen te zien. In China is de kust vrij rijk ten opzichte van het arme platteland.
Afstandsverval  afname van een verschijnsel naarmate de afstand ten opzichte van een centraal punt toeneemt


§5 Afrika
Het continent wordt door Huntington in twee delen gesplitst  Islamitische gebied (ten noorden van de Sahara) en het christelijke gebied (alle landen ten zuiden van de Sahara). Het is niet gemakkelijk te bepalen waar de grens ligt:
- Grenslanden hebben geen duidelijke scheiding tussen moslims en christenen
- Niet overal zijn de islamitische waarden en normen aangehouden, ook niet in de islamitische landen
- De Arabische taal is een taal van de moslims, maar deze wordt ook in andere landen van Afrika gesproken


Bedoeïenen  een volk in Noord-Afrika en het betekent woestijnvolk. Tegenwoordig is het een trekpleister voor toeristen.
Een karakteristiek kenmerk van de Arabische wereld is dat de samenleving in stammen was georganiseerd  een groep mensen die op basis van verwantschap een eenheid vormt. Het belang van de stam staat voorop.


In het zuiden zijn de verschillen heel groot:
• Er worden heel veel talen gesproken (800), hierdoor wordt communicatie moeilijk. Daardoor hebben veel landen een lingua franca (gemeenschappelijke taal)
• Verscheidenheid aan godsdiensten. Veel traditionele religies vallen onder het animisme  mensen geloven in de bezieling van de elementen in de natuur. Ook is een groot deel van de bevolking christen
De bevolkingsspreiding is in Afrika ongelijk. Kustgebieden zijn dichtbevolkt en woestijnen niet.


De staatkundige deling van Afrika heeft etnische groepen op doen splitsen. Hierdoor werd nation building lastig en zijn veel landen nog steeds soft states (zwakke bestuurlijke organisatie). Ook is er een gebrek aan democratie dat conflicten uitlokt.


 



Het westen bemoeit zich steeds meer met Afrika, omdat het veel olie bevat.


Het noorden van Afrika is veel rijker dan het zuiden. Ook tussen landen in het noorden zijn grote verschillen te zien. De oliestaten zijn heel rijk en de rest vrij arm. De verschillen zijn groot. Een kleine minderheid is erg rijk en de meesten zijn arm.


§6 Latijns-Amerika
Deze regio omvat alle landen in midden en zuid Amerika. De belangrijkste grenzen van dit gebied zijn religie en taal vanwege het koloniale verleden.
Spanje en Portugal hadden vroeger bijna heel Latijns-Amerika in hun bezit. Daarom spreken ze in dit continent ook bijna alleen maar Spaans en Portugees (Brazilië). De oorspronkelijke talen van de indianen zijn zo goed als verdwenen.
Bijna de hele regio is christelijk, omdat de Portugezen en Spanjaarden christen waren.
De twee bekendste stammen zijn de Maya’s en de Azteken. Deze zijn zo goed als verdwenen samen met vele andere stammen.
Er wonen veel donkere mensen in Latijns-Amerika, omdat de kolonisten veel slaven op de plantages en mijnen lieten werken.
Mulat  nabestaanden van een blanke en een zwarte ouder
Mesties  nabestaanden van een blanke en indiaanse ouder


De natuurlijke bevolkingsgroei is lager dan in Afrika, omdat in deze regio het ontwikkelingspeil een stuk hoger is en het in een latere fase van het demografisch transitiemodel bevindt.
De meeste mensen wonen aan de kust en dan vooral in Brazilië en Mexico en in de binnenlanden is het schril bevolkt. Ook is de urbanisatiegraad zeer hoog, omdat veel steden aan de kust liggen.


Eind 15e eeuw ontdekte de kolonisten Latijns-Amerika. Er ontstond een machtsstrijd tussen Spanje en Portugal. Daarom werd de regio opgesplitst door het verdrag van Tordesillas.
De vroege onafhankelijkheid betekende niet dat de politiek stabiel was. Er zijn veel omwentelingen en gevechten geweest.


Ook zijn er grote tegenstellingen in het BBP per inwoner en ook andere indicatoren voor het ontwikkelingspeil, zoals de welzijnsindex van de VN, wijzen hierop.
De industrialisatie heeft voor een behoorlijke economische groei gezorgd. Het gemiddelde inkomen groeide de afgelopen jaren sneller, maar kwam in sommige landen even tot stilstand door een crisis. Dit komt echter niet iedereen ten goede. De sociale ongelijkheid is in deze regio heel groot. De verschillen in welvaart zijn heel groot. Dit wordt niet minder wanneer het gemiddelde inkomen van een land stijgt.


 


H2
§1
Ruimtelijke interactie  Met de systeembenadering (economische invalshoek) kun je de toegenomen ruimtelijke interactie (van goederen, mensen, informatie) weergeven.
De elementen van het wereldsysteem zijn landen. De relaties zijn bijv. de handel.
Het wereldsysteem bestaat uit drie soorten landen. Verschillen tussen deze soorten landen berusten op twee kenmerken:
1. Omvang en soort economische kenmerken
2. Soort relaties met andere landen
De drie verschillende landen:
1. Centrumlanden/kernregio’s:
- Economisch hoogontwikkeld, kennis en technologie intensieve economie
- Grote invloed op rest van de wereld
2. Semiperifere regio’s:
- Hoge industrialisatiegraad (lager inkomen dan centrumlanden)
- Sterk onder invloed van centrumregio’s, daar ook export op gericht
3. Perifere regio’s
- Accent op land en mijnbouw. Wel modernisering en een laag inkomen per hoofd.
- Export van land en mijnbouwproducten


Globalisering begint met het handelskapitalisme waar kolonies uit gingen bestaan
Twee succesfactoren van de West-Europese staten waren:
- Kracht van een kapitalistische markteconomie
- Stimulerende rol van de moderne staten, bijv. infrastructuur


West-Europa industrialiseerde (vanaf einde achttiende eeuw). Gunstige factoren waren: de eerder verworven rijkdom en macht in de wereld, uitstekende infrastructuur, een onafhankelijke ondernemersklasse en aanwezigheid delfstoffen. De levering van deze stoffen werd veiliger gesteld en er ontstonden exploitatiekolonies (kolonies om hulpstoffen van te exporteren). Ook werden de kolonies een afzetmarkt voor laagwaardige industrieproducten.


In de vestigingskolonies van Noord-Amerika zorgde de kolonisatie in westelijke richting vanuit de groeiende steden aan de oostkust voor een tweede kernregio.


Hegemoniale staat  een staat die met politieke, economische en militaire middelen een overheersende en beslissende rol speelt in de wereld.
Er was in die tijd ook een periode van imperialisme  landen willen hun macht uitbreiden door andere gebieden te veroveren. Spanje, Portugal, Groot-Brittannië en later ook Duitsland Frankrijk, Nederland en de V.S. waren grote krachten achter kolonies.


Rusland werd in 1917 de eerste communistische staat ter wereld. Privébezit van productiemiddelen werd deels afgeschaft en een planeconomie ingevoerd  vorm van een economie waarbij het markmechanisme bijna volledig is uitgeschakeld en de economie wordt geleid door een centraal orgaan. Later volgden Oost-Europese landen, China, Noord-Korea en Cuba. Geopolitiek ontstonden er tot het einde van de Koude Oorlog (1989) spanningen met kapitalistische landen.


Dekolonisatie  het staatkundig soeverein (afhankelijk) worden van vroegere kolonies. Amerika was hiermee de eerste en later volgde Aziatische en Afrikaanse landen.
Global shift  verschuiving van het economische zwaartepunt in de wereld. Dit verschuift in die tijd naar de Pacific Rim.
Pacific Rim   regio’s of landen rondom de grote oceaan
Neokolonialisme  het met economische/politieke invloed handhaven/uitbreiden van macht in voormalige kolonies en andere perifere gebieden



De nieuwe industrielanden (NIC-landen of Newly Industrializing Countries) Taiwan, Singapore, Hongkong, Brazilië en Zuid-Korea produceerden vanaf begin jaren zestig aanvankelijk laagwaardige industrieproducten. Dat ging gepaard met uitschuiving  verplaatsing van economische activiteiten vanuit een economisch verder ontwikkeld gebied naar gebieden met lagere lonen. De exportgeoriënteerde industrialisatie was succesvoller dan de importsubstitutie.


§2
Globalisering verandert de wereld. Stilstand heeft plaats gemaakt voor dynamiek.
Die dynamiek heeft sterk te maken meet de economische vervlechting. Deze samenhang kun je in enkele punten samenvatten:
• Elk land heeft veel handelsrelaties
• De samenhang is herkenbaar aan conjunctuurschommelingen (goed/slecht)
• Vestigingsgedrag van bedrijven  kunnen kiezen uit allerlei landen  veroorzaakte uitschuiving. Bedrijven kunnen ook makkelijk wisselen van plek
De onderlinge afhankelijkheid is zeer groot geworden, denk aan schaarse grondstoffen en agrarische producten.
De absolute afstand is de laatste jaren niet veranderd, maar de relatieve afstand wel. De globalisering heeft er toe geleidt dat er enorme afstanden moeten worden afgelegd. Door veranderingen in de transporttechnologie gaat dat steeds sneller en goedkoper.
Tijd-ruimtecompressie  de relatieve afstanden zijn gekrompen. Een aantal voorbeelden hiervan zijn:
- De zeevaart is flink verbeterd (verschijning van stoomschepen, daarna verschijning van containerschepen)
- Transport over land is sterk verbeterd door de stoomtrein
- Berichten uitwisselen tussen mensen is verbeterd  door uitvinding telefoon verbeterde dit. Ook internet speelt hier een grote rol in.
Het transport over land verbeterde met de stoomtrein.
- Infrastructuur  verbeterde de bereikbaarheid


Infrastructuur is een netwerk van knooppunten (hubs) en verbindingen (spokes). Dit heeft een opvallende ruimtelijke structuur:
Mainports/intercontinentaal knooppunt  hub op globaal niveau (zee en luchtvaart)
Feeders/continentaal knooppunt  hub op nationaal niveau (snelwegen, spoorlijnen, waterwegen/pijpleidingen)
Regionaal knooppunt  hub op regionaal niveau (vrachtauto’s)
vaak ontbreekt een goede infrastructuur bij de periferie.


Ook ICT verbetert de handel  zorgt voor snelle informatie-uitwisseling
Elektronische snelweg  opbouw van de infrastructuur voor internet
Een aantal voorbeelden:
• De handel kan beter worden georganiseerd. Just-in-time-principe  door snelle informatie-uitwisseling kunnen bedrijven nauwkeurig aangeven wanneer ze welke goederen in het productieproces nodig hebben
• Onderdelen van een hele productieketen worden in veel verschillende landen vervaardigd, afhankelijk van de kosten
• Sommige dienstverlenende activiteiten hoeven niet meer persé plaats te vinden vanuit kernregio’s. outsourcing  grote ondernemingen besteden dienstverlenende activiteiten uit aan landen met lagere loonkosten
• Uitwisseling van kennis kan sneller en over grotere afstanden
• Kapitaal kan in hoog tempo van het ene naar het andere uiteinde van de wereld worden verplaatst
Er kleven een aantal nadelen aan de communicatietechnologie zoals kwetsbaarheid.


 


§3
Globalisering heeft ook een politieke dimensie. De aantrekkelijkheid van land voor bedrijven hangt samen met drie nationale politieke factoren:
• Stabiliteit van regeringen (dictatuur in Azië, democratie in het westen)
• De mate waarin de overheid zich met het bedrijfsleven bemoeit (privatisering en liberalisering)
• De beïnvloeding van het vestigingsklimaat in een land, bijv. opleiding. De beïnvloeding is groot bij de aanwijzing van speciale economische zones (SEZ)/export processing zones (EPZ)  plaatsen waar geen handelsbelemmeringen zijn waar ze een goede infrastructuur en gunstige belastingregelingen hebben.
Ook via internationale samenwerking is er grote invloed op het wereldsysteem, bijv. het WTO (Wereldhandelsorganisatie) die gericht is op het liberaliseren van de wereldeconomie. Deze liberalisering heeft betrekking op drie soorten relaties:
• Het weghalen van handelsbelemmeringen, ook tussen handelsblokken
• Het stimuleren van het vrije kapitaalverkeer
• Het vrije verkeer van personen (is vaak nog een probleem)
Overal hebben staten zich georganiseerd in economische en/of politieke samenwerkingsvormen. Deze blokvorming kan vier gedaanten aannemen:
1. Vrijehandelszone  de handelsbarrières onderling zijn er niet
2. Douane-unie   landen hebben een gemeenschappelijk buitentarief (bijv. dezelfde invoerrechten)
3. Gemeenschappelijke markt  vrij verkeer van goederen, kapitaal en arbeidskrachten
4. Economische unie  landen met een gemeenschappelijk economisch beleid
Twee bekende economische blokken in de centrumregio’s zijn de EU en de NAFTA. Vaak gaat dit ten koste van de minder rijke landen in het wereldsysteem.
Weerstand tegen globalisering of global governance (de rol van de staat verandert en wordt vervangen door organisaties op wereldniveau) is te zien bij voorstanders bij lokalisering  het baseren van de economie op lokale natuurlijke hulpbronnen. Aanhangers hiervan richten zich op duurzame ontwikkeling.
Vanuit de culturele dimensie gezien verschillen de opvattingen over amerikanisering/europeanisering (overnemen van Europese/Amerikaanse normen). Er is nog geen global culture  een wereld met uniforme cultuurkenmerken.


§4
In het wereldsysteem nemen ruimtelijke verschillen op verschillende schaalniveaus vaak toe.
Stedelijke regio’s ontwikkelen zich vaak beter dan het platteland, de ruimtelijke verschillen nemen toe. Op het platteland kunnen backwasheffecten optreden door de ontwikkeling van de steden  economisch en sociaal nadelige effecten als gevolg van de ontwikkeling van een ander gebied. Ook kan er uitstroom van natuurlijke hulpbronnen, kapitaal en arbeidskrachten optreden.
Spreadeffecten  positief sociaal/economisch effect op een gebied als gevolg van de ontwikkeling van een nabijgelegen regio. Dit gebeurt vaak dichtbij steden.


Fast world  plaatsen, gebieden op groepen mensen, die economisch, sociaal en cultureel betrokken zijn bij het internationale bedrijfsleven, de moderne communicatiemogelijkheden, de materiële consumptie, het internationale nieuws en entertainment
Slow world  plaatsen, gebieden op groepen mensen, die economisch, sociaal en cultureel afgesloten zijn bij het internationale bedrijfsleven, de moderne communicatiemogelijkheden, de materiële consumptie, het internationale nieuws en entertainment
De indeling in fast world en slow world valt niet samen met de indeling van kernlanden, semiperifere landen en perifere landen. Deze indeling is toepasbaar op verschillende ruimtelijke schaalniveaus.


Technologische ontwikkelingen veranderden zowel productieprocessen als de locatie ervan.
Fordisme  gestandaardiseerde massaproductie
Toyotisering  geautomatiseerde productie van op behoeften van klanten afgestemde goederen. Dit kan het beste in stedelijke gebieden plaatsvinden doordat:
• Customizing in steden gemakkelijker is, maar ook de manipulatie van behoeften van klanten. Dit zorgt voor een kortere levenscyclus van producten
• Gemakkelijkere uitwisseling van informatie tussen wetenschappelijke instituten en instellingen en bedrijfsleven via persoonlijke contacten
• Betere toegang tot het world wide web


Overheden stimuleren de vorming van clusters om de economische ontwikkeling aan te drijven. In steden is investeren in infrastructuur voor ICT effectiever en efficiënter vanwege het grotere draagvlak.
Fast world, toyotisering en clustervorming in stedelijke gebieden vergroten het verschil met de landelijke regio’s.


H3
§1
Eerst West-Europa en Noord-Amerika centrumregio’s, daarna Japan, Taiwan, Singapore, Zuid-Korea en Oost-Europa, nu China, India en Brazilië.
Periferie  arm land, deze landen raken op achterstand door een tekort aan natuurlijke hulpbronnen en een sterk groeiende bevolking.  VB: Egypte. Vaak afhankelijk van landbouw.
BRIC-landen  groot concurrentievoordeel vanwege lage productiekosten. Zij groeien erg snel vanwege verbeterende infrastructuur en verbeterde arbeidsmarkt (lage lonen)
Globaliseren leidt tot integratie culturen enerzijds en aan andere kant tot toenemende economische verschillen en concurrentie tussen gebieden of groepen mensen.
• Sociale ongelijkheid = ongelijke verdeling van macht, status, invloed en geld over verschillende bevolkingsgroepen. VB: Groep mensen die beschikt over economische, sociale en politieke netwerken kunnen hun kinderen naar school sturen en vinden betere banen.
• Regionale ongelijkheid = onevenwichtige spreiding van schaarse maatschappelijke goederen over een gebied. Zorgt vaak voor stromen van migranten, goederen en diensten.
VB: mensen uit perifere regio’s naar kerngebied.
 om dit te voorkomen worden vaak belangrijke maatschappelijke goederen en diensten naar perifere regio’s verplaatst of worden regeringsfuncties naar een nieuwe hoofdstad verplaatst, zoals in Turkije met Istanbul en Ankara doel: stimulering van economische ontwikkeling.
 Gevolg van deze ongelijkheden: tweedeling tussen verstedelijkt gebied en platteland, met name in het inkomen.
Vaak lage lonen in plattelandsgebieden en hoge lonen in de stad. Vaak beter onderwijs in stad hogere opleiding  betere baan.


Tsjechië
 Ruim 10 miljoen inwoners, 25% woont in dorpen en stadjes, 40% leeft in 4 grootste stedelijke agglomeraties.
 Praag is een primate city en is de economische motor van het land dankzij agglomeratievoordelen, rijk cultureel erfgoed en centrale ligging in Midden-Europa.
 Laag vruchtbaarheidscijfer, lage kindersterfte, door vergrijzing is er een hoog sterftecijfer en bevolkingsgroei is negatief. Grijze druk neemt toe en tekort op arbeidsmarkt zal ontstaan.
 Landlocked, rivier Elbe is enige waterweg naar de zee. Het heeft een goede industrie die is gespecialiseerd in metaalnijverheid  verbonden met mijnbouw in noordwestelijke Ertsgebergte (veel technisch geschoolde arbeiders)
 Tsjechië is een transitieland = overgang vanuit economie en cultuurpatroon die zijn beïnvloed door het communisme (planeconomie) naar een westerse vrije markteconomie.
 sinds jaren 90 zijn staatsbedrijven geprivatiseerd en trekt het land veel directe buitenlandse investeringen, maar tegenwoordig zijn ook China en Taiwan aanwezig (dichterbij bij Europese markt). Tsjechië is erg exportgericht en is dus kwetsbaar bij economische veranderingen bij de handelspartners.
Winning van bruinkool  zorgt voor grote gaten in het landschap. Om deze groeves droog te houden, wordt er grondwater opgepompt waardoor verdroging in de natuur optreedt. Bovendien zorgde chemische industrie voor enorme luchtvervuiling.


Tsjechische overheid pakt regionale ongelijkheid aan door:
- zeer aantrekkelijke belastingmaatregelen in te stellen voor buitenlandse ondernemers.
- bedrijven vrij van invoerrechten laten importeren
- subsidie van 2.000 euro voor elke geschapen arbeidsplaats



§2
Duitsland kernland met 81,5 miljoen mensen; dichtbevolkt.
Maar de ruimtelijke spreiding (=verdeling van een kenmerk of hulpbron over een gebied) is niet gelijkmatig; stedelijke, dichtbevolkte gebieden en lege, landelijke streken (met name in oosten)
Meeste mensen wonen in het Ruhrgebied.
Blauwe banaan = Europese megalopolis waar industrialisatie begon en hoogtij vierde. Hij loopt van Engeland via Nederland, België, Duitsland en Zwitserland naar Noord-Italië.


Duitsland is economische grootmacht Staat kijkend naar de omvang van het BNP op de 6e plaats in de wereld. Inkomen per hoofd behoort tot de grootste ter wereld.
Leidend industrieland; 1 van de 3 werkers verdient kost in secundaire sector.
In 1948, na puin WO2, maakt Duitsland een grote economische groei door, mede dankzij Marshallhulp uit VS.
 Goede infrastructuur + goede eenwording Duitsland met goed politiek klimaat + weghalen van grensbelemmeringen  grote impuls aan economie.
Er ontstonden grote industriegebieden in het Ruhrgebied. 
 Grijze druk neemt toe. Kans dat welvaartspeil door tekort aan arbeidskrachten gaat dalen.
 Probleem van Grijze druk: mensen worden steeds ouder door toenemende welvaart.
Nord-Süd Gefälle = verschuiving van het economische zwaartepunt in de jaren 70 in de richting van Italië Deelstaten Beieren en Baden-Württemberg vormen het financiële centrum. Dankzij het spreadeffect (periferie heeft profijt van economische ontwikkeling in het centrum) wordt omgeving ook meegetrokken in economische ontwikkeling.
 In noorden, ook in Ruhrgebied, nam economische groei af  gevolg: hogere werkloosheid en vertrek van goed opgeleiden en leegstand van winkels en woningen (backwasheffecten).
Regering verhielp dit een beetje door musea te bouwen van nationale betekenis in Bremerhaven en volledige metamorfose aan het Ruhrgebied (belangrijke schakel langs Rijn naar München) te geven.
Ruhrgebied had last van crisis nadat na 1970 de invoer van goedkope steenkool en de wereldwijde concurrentie op de staalmarkt opkwam.
 Ruhrgebied heeft gezorgd voor verbetering van zijn negatieve imago; aanleg groene landschapsparken, lege gebouwen worden gebruikt voor musea, pretparken en dienstverlening.
Na val muur (1989) vluchtten veel Oost-Duitsers naar Westelijke deelstaten. 
 Ost-West Gefälle zichtbaar aan het lage percentage inkomens en koopkrachtverdeling, hoogte criminaliteit en negatieve migratiesaldo. Dit waren vooral jonge vrouwen, dus er bleef een overschot aan slecht opgeleide, werkloze mannen achter.
Gevolg op lange termijn: toenemende vergrijzing en hoger aandeel van armen.
 Veel wijken in Oost-Duitse steden komen leeg te staan. 
 Er is sprake van Brain Drain = vertrekmigratie van vooral jonge en goed opgeleide mensen zorgt voor een backwasheffect voor de economie van dat gebied waaruit deze mensen zijn vertrokken.
 Na 1989 investeerde Duitse regering heel veel geld in Oostelijke deelstaten, met name in aanleg infrastructuur. Volgens Duitse regering moest een stelsel van hoofdwegen (spokes) de belangrijkste Duitse en Midden-Europese steden (hubs) met elkaar verbinden, maar vooral West-Duitse bedrijven profiteerden hiervan.
Het gevolg was dat BBP in Duitsland kunstmatig steeg en deels van tijdelijke aard was. Het oosten begon steeds verder achterop te lopen in vergelijking met het westen.
--> Europese Unie steunde d.m.v. regionaal structuurbeleid (cohesiebeleid. Ondernemingen ontvingen investeringssubsidies en gemeenten kregen geld voor het ontsluiten van industrieterreinen.


§3
 191 miljoen inwoners; grote tegenstellingen tussen sterk economisch groeiende en arme regio’s. In Latijns-Amerika was vroeger onder invloed van Portugezen en speelt nu een politiek leidende rol.
Brazilië is van perifeer ontwikkelingsland veranderd in semi perifere transitieland.
 BRIC-landen = Brazilië, Rusland, India en China, zij maken een grote economische ontwikkeling door en globaliseren  zorgt voor meer ongelijkheid
 Vroeger waren er suikerrietplantages in Brazilië met slaven uit Afrika  gedwongen migratie.
 Zuidelijke staten: vestigingen van voornamelijk Italianen en Duitsers, velen begonnen landbouwbedrijven. 
Maar ondanks al deze volkeren zijn er nauwelijks maatschappelijke conflicten; in Brazilië telt sociaaleconomische status zwaarder dan etnische achtergrond.
Brazilianen zijn dol op voetbal; WK en Olympische Spelen zorgen voor goede draai aan Braziliaanse economie + nationale trots bindt alle inwoners van Brazilië.
Urbanisatiegraad is 87% maar het stedelijk spreidingspatroon is erg ongelijk; bijna alle grote steden zijn aan de kust gevestigd.
Spreiding van steden hangt samen met koloniale verleden; kustplaatsen waren schakel bij export delfstoffen en tropische landbouwproducten uit Portugese exploitatiekolonie.
 São Paulo is economische centrum (40% van Braziliaanse industriële productie) van Brazilië en is in het verleden gegroeid door handel in koffie die bestemd was voor Europa en Noord-Amerika. Na afschaffing slavernij urbaniseerde veel ex-slaven, op zoek naar werk.
 Vroeger was koffie het enige was iets opleverde voor de economie, nadeel: Land kwetsbaar voor schommelende wereldprijzen.
Oplossing: Importsubstitutie = industriegoederen die tot dan toe werden ingevoerd zelf gaan produceren (werd vanwege concurrentiegebrek te duur)
Andere oplossing: land schakelde over op liberalisering en richtte zich op exportproductie van industriegoederen (investeringen door multinationals)
Brazilië is economisch zwaargewicht in Zuid-Amerika en zijn rol neemt toe in de wereldhandel. Het land biedt kansen voor Nederlandse bedrijven. Door het exportoverschot in Brazilië neemt de rentelast af en worden er meer financiële reserves opgebouwd.
 Backwasheffecten door economische groei in andere steden of selectieve migratie (=migratie van een groep mensen met dezelfde bepaalde kenmerken) vanuit rurale probleemgebieden (slimme jonge mensen naar stad, rest blijft achter op platteland)
 Spreadeffecten = wanneer vanuit de economische groeicentra kennis, investeringen of infrastructuur uitwaaieren over de omgeving. VB: Bij São Paulo.
Verder is er ook ruimtelijke ongelijkheid; rijke buurten tegenover uitgestrekte krottenwijken (informele sector).
Gini-coëfficiënt (Lorenzcurve) duidt de inkomensongelijkheid aan hoge inkomens verdienen 25 keer meer dan de lage inkomensgroep.
Brazilië kan worden ingedeeld in 4 soorten gebieden:
 Sterk verstedelijkte gebieden Globalisering heeft gezorgd voor sterk industriële ontwikkeling en moderne dienstensector. Hier bevinden zich regionale hoofdkantoren van multinationals.
 Marktgerichte primaire productiegebieden Geproduceerde tropische landbouw- en mijnbouwproducten die worden geëxporteerd naar kernlanden. (latifundia = landbouwbedrijven van vaak duizenden hectare groot, vaak worden ze gebruikt voor extensieve veeteelt terwijl ze veel productiever zouden kunnen zijn).
 Rurale probleemgebieden Slechte infrastructuur, grote groep zelfvoorzienende boeren
 Resource frontiers gebieden met veel natuurlijke hulpbronnen zoals hout, ijzererts, aardolie en gas.
§4
Egypte: BNP neemt toe maar het inkomen per hoofd stijgt nauwelijks door snelgroeiende bevolking en dalende koopkracht inflatie  zorgde voor protesten)
Egypte 82 miljoen inwoners, 95% woont in Nijldal en Nijldelta (zoveel door vruchtbare grond). Bevolkingsdichtheid daar groot. 1/3e van de bevolking is jonger dan 15 jaar, dus er moeten demografische investeringen worden gedaan in het aanbod van scholing en werk.
Politiek: In jaren 50 en 60 was president Nasser de baas in Egypte en volgde het idee van een centraal, geleide planeconomie (Sovjetunie). Opvolgers Sadat en Moebarak pasten economische liberalisering toe maar hielden daarbij wel de touwtjes in handen; schijndemocratie.
Normen en waarden: Soennitische stroming van de Islam (wettelijke staatgodsdienst). De beruchte ‘Wet op de Schande’ verbood het om artikelen/boeken te publiceren of schrijven die Egyptes imago zouden aantasten. Het cultuurpatroon (=cultuurelementen die kenmerken zijn voor een samenleving) wordt ook gekenmerkt door corruptie, censuur en vriendjespolitiek.


 


Regering koos voor globalisering om werkgelegenheid buiten de landbouw te scheppen  Speciale Economische Zones ingesteld waar bedrijven geen heffingen betalen om producten uit te voeren of grondstoffen te importeren.
 Grootste handelspartners zijn V.S. en Italië. Handelsbalans tussen V.S. en Egypte is onevenwichtig doordat de V.S. jaarlijks vier maal zoveel in Egypte verkopen als andersom  Egypte wil dit anders
 Egypte is interessante handelspartner voor China als een van grootste economieën in Afrika.  Bovendien liggen markten in Europa dichtbij vanuit Egypte en zijn de Egyptische arbeiders goedkoper dan werknemers in China.
 Groot deel Egyptenaren werkt in toeristensector (dienstensector). Maar de informele sector heeft een geschat aandeel van 30% in totale economische activiteiten.
1 op de 3 mensen verdient kost op het land (erg intensieve landbouw), maar aandeel landbouw is slechts 14% in het BNP.


Bevolking 11 miljoen mensen moet rondkomen van minder dan 2 euro per dag en 2/3e leeft op het platteland in zuidelijke deel van Egypte. Deze bedrijfjes zijn te klein om van te leven en zijn te ver weg van de afzetmarkt voor agrarische producten. Vaak zijn er watertekorten door het droge klimaat.
Gevolg: Mensen gaan nog langer werken en het hele gezin wordt ingeschakeld in het arbeidsproces. Bovendien leiden armoedige omstandigheden tot sociale onvrede en politiek en religieus activisme in de periferie van de samenleving.
 Economische overbevolking = tekort aan landbouwgrond en werk buiten de landbouw is het niet, dus er zijn teveel mensen voor de beschikte aantal arbeidsplaatsen.
 Trickle-downeffect = regering rekende erop dat toenemende welvaart op lange ook wel zou doordruppelen naar de onderste sociale lagen.
Hoge kindersterfte komt door analfabetisme, ondervoeding en minder toegang tot veilig drinkwater en hygiënische voorzieningen. Op het platteland is het geboortecijfer hoog.
Sociaaleconomische ontwikkelingen worden afgeremd door deze bevolkingsexplosie en perifere ligging (= randgebied, achtergelegen gebied).
Cairo: gemeente bevat 9 miljoen inwoners, Cairo is de grootste stad op Afrikaanse continent. Het is een typische primate city; 1 op de Egyptenaren woont in Groot-Cairo.
Elke dag stromen er mensen de stad binnen op zoek naar werk, onderdak en voedsel. Het werkloosheidcijfer is officieel 10% maar er is nog heel veel verborgen werkloosheid. Elk jaar melden zich honderdduizenden mensen op arbeidsmarkt  met name jongeren zijn werkloos waarvan kwart is afgestuurd aan universiteit of hoger onderwijs. Voor hen is er geen uitzicht op werk en daardoor is er in de Egyptische cultuur geen uitzicht op een huwelijk en kinderen.
Stadplanologen worden verhinderd door uitgestrekte industriegebieden rondom Cairo want die staan woonwijken in de weg. Verder probeert de regering nieuwe steden in de woestijn, bij westelijke oases en in Suezkanaalzone, te bouwen om bevolkingsdruk in Nijldal te verlichten.


H4
§1
Wereldstad  zeer dichtbevolkte stad waarin alle stedelijke functies aanwezig zijn
Metropool  wereldstad waarin alle stedelijke functies vertegenwoordigd zijn en die een belangrijke functie vervult voor een uitgestrekt gebied of land
Megastad  een stad met een inwoneraantal van meer dan 5 miljoen
Washington is geen megastad (te weinig inwoners), maar wel een global city  wanneer een metropool een leidende positie heeft in het wereldsysteem (hoeft dus niet persé groot te zijn)
- Megasteden kunnen overal op de wereld voorkomen, maar zijn de afgelopen tien jaar vooral gegroeid in de (semi)perifere gebieden.
Agglomeratie  de stad zelf plus de eraan vastgegroeide stedelijke gemeenten
Megalopolis  aaneengegroeid, stedelijk gebied met een groot aan sterk met elkaar verbonden steden, metropolen en agglomeraties


 


New York (economische wereldstad) heeft twee belangrijke wereldfuncties:
• Als mainporthaven:
- De relatieve ligging van New York heeft een grote rol gespeeld (bij de zee, dus natuurlijke haven).
Met de aanleg van twee kanalen (Eriekanaal en Barge Canal) kreeg New York een economische voorsprong. Door deze twee kanalen kunnen schepen verder varen naar het achterland  gebied dat een belangrijke functie heeft voor een knooppunt of mainport als het gaat om de aan- en afvoer van goederen. Is inmiddels uitgegroeid tot een mainportregio  de functionele regio, waarvoor de mainport de belangrijkste hub vormt.
New York is een belangrijke hub in het distributie- en verzamelnetwerk van goederen uit Europa en het binnenland.
Functionele regio  regio die bestaat uit een kern en een daarop georiënteerd omringend gebied, die samen een eenheid vormen op economische en/of sociaal gebied.
• Als hoofdzetel van de mondiale financiële markten  financiële markten die van groot belang zijn in de wereldeconomie:
- In het CBD van New York bevinden zich het gebouw voor de grootste beurs ter wereld, grote banken en tal van multinationals.


Washington DC (politieke en militaire wereldstad):
• Is na de onafhankelijkheidsoorlog het regeringscentrum geworden. Er zijn veel overheidsinstellingen en organisaties gevestigd (bijv. het Witte Huis, het Capitool, en het hooggerechtshof). Ook de Wereldbank is er gevestigd.
• Het stedelijke gebied rond Washington is inmiddels erg uitgestrekt en grote overheidsgebouwen zoals het Pentagon (militaire macht).


Los Angeles (culturele wereldstad):
• Het is vooral bekend vanwege Hollywood (filmindustrie).
Kosmopolitisch  verschijnsel waarbij mensen hun identiteit niet meer ontlenen aan hun vaderland, maar aan het wereldburgerschap
Culturele industrie  de symbolische waarde van goederen of diensten is minstens zo belangrijk als de functionele waarde. Sectoren die hierbij horen:
 Architectuur
 Mode
 Reclame
 Entertainment
 Vervaarding van designproducten
• Creatieve klasse speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van nieuwe producten.
Innovatieve bedrijven  bedrijven die zich bezighouden met de ontwikkeling van nieuwe ideeën, goederen en diensten
• LA heeft ook een mainportfunctie. Luchthavens en zeehavens zijn belangrijke gateways  toegangspunt of toegangsroute op een continent voor migranten of goederen


§2
De VS is al eeuwenlang een immigratieland. Het aantal oorspronkelijke bewoners (indianen) nam aanzienlijk af (nu nog een kleine minderheid).
Pushfactoren VS:
- Armoede en ellende in Europese steden
- Landhonger
- Gebrek aan religieuze vrijheid
- Gebrek aan avontuur
Pullfactoren VS:
- Ontwikkeling van stoomschepen (konden zo makkelijker de oversteek maken)
- Beleid van de Amerikaanse overheid (wilden zo snel mogelijk in westelijke richting uitbreiden voor grote economische mogelijkheden)
De samenstelling van de VS is sterk veranderd (eerst veel uit Noord en West Europese landen, daarna meer uit Oost en Zuid Europa).
Na de Tweede Wereldoorlog nam de immigratie vooral vanuit de derde wereld toe. De migranten van Latijns-Amerika vestigden zich vooral in de zuidelijke staten. Om dit tegen te houden, werd de ‘tortilla curtain’ gebouwd. Aziaten vestigden zich vooral in het westen.
De VS laat tegenwoordig maar een beperkt aantal migranten toe (sinds 9/11 eisen aangescherpt).


New York en migratie:
• Was een grote toegangspoort voor immigranten (fungeerde als gateway).
• De samenstelling van de wijken weerspiegelt de immigratiegeschiedenis. Er ontstonden typische migrantenwijken waar de wijkbewoners zich lange tijd alleen nog te onderscheiden waren door taal, religie en huidskleur.
• Invasie  migranten uit hetzelfde herkomstgebied wonen bij elkaar in één wijk.
Successie  de oorspronkelijke bewoners voelen zich niet meer op hun gemak en verhuizen. In die huizen komen weer nieuw migranten uit hetzelfde herkomstgebied
• New York bestaat officieel in vijf stadsdelen, maar je kunt de stad veel beter indelen als een mozaïek (etnische/culturele verschillen tussen wijken)
• New York trekt niet alleen laagopgeleiden aan, maar ook veel hoogopgeleiden die o.a. werken bij multinationals.


Washington en migratie:
• Er wonen veel Afro-Amerikanen, omdat na de afschaffing van de slavernij hier veel van die slaven zich vestigden. Door de relatief hoge natuurlijke bevolkingsgroei ten opzichte van andere bevolkingsgroepen en kettingreacties groeide de groep nog meer.
• Het trekt ook veel hoogopgeleiden naar het buitenland door de politieke en militaire status  bevolkingsgroepentegenstelling wordt groter


Los Angeles en migratie:
• De stijging in de vorige eeuw was toe te wijten aan binnenlandse migratie van blanken. Even erna groeide het aantal Afro-Amerikanen sterk. Hierna begon pas de buitenlandse migratie (vooral Mexicanen en latino’s).
• Volgmigratie  door positieve berichtgeving naar het thuisfront vestigen kennissen of familieleden zich hier ook
Gezinshereniging  het door migranten laten overkomen van een of meerdere familieleden uit het land van herkomst
• Er vestigden zich ook veel Aziaten (groot aandeel van de bevolking). Aan de westkust door de ligging (dichtbij Azië).
Gezinsvorming  het door migranten laten overkomen van een huwelijkspartner uit het land van herkomst
• Sommige etnische groepen zijn erg verspreid (Mexicanen) over de stad, andere geconcentreerd (Aziaten).


 


§3
Amerikaanse steden hebben geen historische binnenstad (bestaan nog niet zo lang). Wél hebben ze een kenmerkende opbouw:
 
Stadsdeel Kenmerken
CBD (central business district) • Herkenbare skyline (wolkenkrabbers)
• Clusters van hoofdkantoren en belangrijke instellingen vertegenwoordigd
Overgangszone • Oude woon- en industriewijken
• Wonen veel mensen uit lagere inkomensgroepen en minderheden
Omgeving/buitenwijken  • Wonen mensen met midden- en hogere inkomens
• Ruim opgezette wijken
• Veel vervoersstromen naar het centrum (veel files)
Edge cities • Ontstaan door suburbanisatie van werkgelegenheid, winkelvoorzieningen en uitgaansgelegenheden
• Functioneren vrijwel los van de centrale stad



Om een edge city te zijn, moet een stad aan de volgende criteria voldoen:
1. Een nieuw ontwikkelde stad, die na 1960 is ontstaan
2. De bevolking heeft het gevoel in een stad te wonen
3. Veel kantooroppervlakte (vergelijkbaar met het CBD van een middelgrote stad)
4. Detailhandel omvat een aanzienlijk oppervlakte
5. Woningdichtheid is lager dan de kantoordichtheid (aantal inwoners < aantal werkende mensen)
6. De stad is omgeven door een snelwegennet (nauwelijks andere transportmogelijkheden)



De ruimtelijke geleding van New York, Washington en Los Angeles is niet precies hetzelfde:
• Los Angeles
 Heeft de meest afwijkende opbouw  is horizontaal uitgebreid
Urban sprawl  uitbreiding van een stad naar de omgeving
 Niet veel hoogbouw
 Geringste woningdichtheid
 Polycentrische stad  stad heeft meerdere centra
De andere twee steden lijken grofweg op het model.


De locatie van stedelijke functies verandert voortdurend door het vestigingsgedrag van bedrijven  veel banen zijn verdwenen uit het CBD.
Snow belt  steden in het noordoostelijke deel van de VS
In een latere fase werden veel industrieën verplaatst naar lageloonlanden door globalisering en suburbaniserende industrieën:
- Hoge grondprijs
- Minder goede bereikbaarheid
- Gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden
Vooral back offices verdwenen  alle diensten binnen een onderneming, waarbij het contact met klanten minder belangrijk is
Front offices  de contacten met de klanten of de gespecialiseerde vormen van externe dienstverlening erg belangrijk
Ook haven werden minder geschikt.


Al snel verhuisden blanke met een middel of hoog inkomen naar ruimer opgezette buitenwijken door het toenemende autobezit. Gemeenten werkten heel erg mee met deze selectieve migratie  een bepaalde groep mensen migreert.
In de stadswijken direct buiten het CBD nam de concentratie van arme minderheidsgroepen toe. Inmiddels zijn veel van de vroegere suburbane gebieden minder aantrekkelijk geworden voor blanken en rijkeren door de verstening van hun omgeving  verhuisden vooral naar edge cities. Het voorzieningenniveau in armere wijken neemt sterk af.
Al deze migratiestromen zorgen voor ruimtelijke segregatie  een ruimtelijke scheiding van etnische groepen in een stad of gebied
Getto’s  een afgezonderde cultuur, waarbij de ongeschreven regels door de wijkbewoners en niet door de overheid worden bepaald
Gated community  reactie op getto’s. Een afgesloten woongebied waar vooral mensen met hogere inkomens werken.
Sociale polarisatie  door deze twee wijken nemen de tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen alleen maar toe. Bevolkingsgroepen met verschillende achtergronden komen daardoor tegenover elkaar te staan


Stadsbesturen doen er alles aan om de steden weer aantrekkelijk te maken  wegtrekken van werkgelegenheid naar de edge cities is bedreigeind voor de stad. Verschillende manieren om dit te verbeteren:
1. Verbeteren van de bereikbaarheid en parkeergelegenheid
2. Oude stadswijken worden opgeknapt. Er worden nieuwe gebouwen gebouwd en vervallen delen gesloopt.
3. Criminaliteit is afgenomen en leefbaarheid is verbeterd.
Gentrification  het proces waarbij een opwaardering van de wijk plaatsvindt dit wordt door enkele factoren in de hand gewerkt:
1. Economische factor  voor jonge mensen is het goedkoper om een woning nabij het CBD te huren dan in het suburbane gebied rond de stad
2. Sociaal-culturele factor  jonge mensen maken deel uit van de fast world. Het is voor hen aantrekkelijker om in de nabijheid van een bruisend stadscentrum te wonen.


 


Globalisering maakt de verschillen tussen stadsdelen groter, bijv. in New York (Bronx en Manhattan):
• Bronx:
 Hoog percentage Afro-Amerikanen met een laag inkomen
 Veel armoede en criminaliteit
 Werkgelegenheid nam er af
• Manhattan:
 Werkgelegenheid nam toe
 Het gemiddelde inkomen steeg
 Informele sector groeit door flexwerkers (sommige uit de Bronx)


 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.