Hoofdstuk 3

Beoordeling 8
Foto van Mariëtte
  • Samenvatting door Mariëtte
  • 3e klas vwo | 1346 woorden
  • 11 november 2020
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 8
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Samenvatting van de basisboeknummers die horen bij hoofdstuk 3 uit het lesboek van 3 vwo Geo. 


AK samenvatting BB nummers H3


Par. 1: B67: aardkorst -> platen (schollen). Barst of scheur tussen platen: breuk(lijn) -> vormen randen van 7 grote en ong. 10 kleinere platen. Grootste plaat: Pacifische. Endogene (binnenin) krachten -> platen & breuken. Onder aardkorst: magma (convectiestromen), langzaam. Kracht stroming -> breuken. Kennis beweging platen: platentektoniek. Nu: continenten drijven uit elkaar.


B68: langs breuklijnen (gebieden met vulkanisme & aardbevingen): aardkorst in beweging. 3 bewegingsrichtingen platen. Divergentie = uit elkaar, bodem oceanen -> magma. Zeebodem: magma koelt af en vult gat tussen platen -> mid-oceanische rug. Convergentie = naar elkaar, ene plaat onder andere: zwaardere oceanische plaat onder lichtere continentale plaat: subductie. Diepe kloof onderin zee: trog. Ook: 2 continentale platen tegen elkaar -> gebergte. Verder: platen naar elkaar toe (transforme bewegingen).


B73: schuiven van platen gaat schokkerig -> aardbevingen. Hypocentrum: diepste punt aardbeving. Epicentrum: punt recht boven op aardoppervlak, zwaarste schokken. Meeste en zwaarste aardbevingen: convergentie.


B77: hoogteverschillen in landschap: reliëf. 4 vormen. Hooggebergte: meeste toppen hoger dan 1500m. Middelgebergte: meeste toppen tussen 500 en 1500m hoog. Heuvelland: meeste toppen tussen 200 en 500m. Laagland: vrijwel overal lager dan 200m. Hoogteverschillen -> hellingen. Vlakte: geen reliëf, als lager is dan 500m: laagvlakte, boven 500m: hoogvlakte/plateau.


B78: endogene krachten: grote gebergteketens, altijd aan rand van platen. Kracht van botsing twee platen -> rimpels in gebied: plooien: plooiingsgebergten. Als platen even zwaar zijn, duiken ze niet onder elkaar, maar botsen ze frontaal op elkaar -> geen vulkanen.


B79: endogene krachten -> barsten in aardkorst. Langs breuklijnen kunnen stukken van aardkorst horizontaal en verticaal langs elkaar schuiven. De aardkorst komt dan omhoog of omlaag. Omhooggeduwde stukken: horsten. Weggezakte deel: slenk. Gebergten door verticale verschuivingen: breukgebergten.


B80: berggebieden niet allemaal even oud. Jonge gebergten: bestaan tientallen miljoenen jaren, zijn nog niet afgesleten door exogene (buiten aardkorst) krachten van water, wind en ijs. Hoge toppen, diepe dalen en scherpe bergkammen: hooggebergten. Oude gebergten: bestaan honderden miljoenen jaren, toppen zijn afgerond en dalen zijn opgevuld met verweringsmateriaal door erosie: vaak middelgebergten. Afgevlakt gebied van minstens 500 miljoen jaar oud: schild.


Par. 2: B66: aarde: gloeiend hete bol met dunne laag gesteente: aardkorst. Aardkorst verandert van vorm door natuurkrachten, werken van 2 kanten. Van buitenaf door exogene krachten, van binnenuit door endogene krachten. Buitenaf: weer en plantengroei -> verwering. Afslijpen aardkorst: erosie. Aarde: aardkern, aardkorst & aardmantel. Hoe dieper, hoe warmer. Hitte -> vloeibaar gesteente: magma. Bijna-gesmolten gesteente vlak onder aardkorst stroomt traag rond: convectiestromen. Convectiestromen -> breuken aardkorst: stukken aardkorst schuiven langs en tegen elkaar -> aardbevingen. Gaten aardkorst -> magma naar boven. Magma buiten: lava -> koelt af -> vormt berg: vulkaan.


B70: 3 soorten vulkanen. Schildvulkanen: komen voor bij divergentie, magma is dun en makkelijk vloeibaar, uitbarsting: lava stroomt over een groot gebied uit -> berg met flauwe helling net als bij een schild. Vulkaanuitbarstingen niet explosief, omdat lava makkelijk naar buiten kan. Caldeiravulkaan: grote, brede kater. Instorten dak leeggelopen magmakamer -> uitbarsting -> krater. Vaak in krater: kratermeer & nieuwe krater. Stratovulkaan: komt voor bij subductie. Steile hellingen, opgebouwd uit lagen lava & vulkanische as. Magma dik & stroperig -> moeilijk naar buiten. Eruptie -> lava stroomt helling af. Klonten lava, as, giftig gas en stoom hoog in lucht geslingerd. Pyroclastische stroom/gloedwolk: gloeiend hete wolk met hoge snelheid, niemand kan overleven. Ook gevaar voor modderstromen.


B72: hotspotvulkaan: vulkaan bij breuklijnen tussen platen, niets te maken met platentektoniek. Magma stijgt door aardmantel naar boven, richting aardoppervlak: mantelpluim. Druk -> aardkorst komt omhoog en scheurt -> magma stroomt naar buiten en vloeit uit over groot gebied -> schildvulkaan. Platen bewegen, maar opwaartse warmtestroming onder platen niet -> rij vulkanen.


B109: aardkorst: verschillende soorten gesteenten (hard en zacht). Gesteentekringloop: laat zien dat vaste stoffen door geologische processen telkens worden afgebroken & omgevormd. Stollingsgesteente: ontstaat door stollen magma of lava. Langzaam -> graniet. Vulkaanuitbarsting -> lava koelt snel af -> basalt. Erosie -> verweringsmateriaal wordt afgevoerd en ergens anders neergelegd: afzettingsgesteente/sedimentgesteente. Fossielen te vinden in afzettingsgesteente. Metamorfe gesteenten: gesteenten die onder hoge druk of temperatuur andere eigenschappen hebben gekregen, diep in aarde.


Par. 3: B35: aarde draait rond zon rond de aardas: die staat scheef, maakt een hoek van 23,5o -> stralen van zon vallen bijna nooit loodrecht op evenaar. Loodrechte stand van zon beweegt in de loop van het jaar heen en weer tussen de breedtecirkels van 23,5o N.B. en 23,5o Z.B. (keerkringen). Tussen keerkringen altijd warm: tropen.


B37: poolgebieden: koud, tropen: warm. 5 temperatuurfactoren. Breedteligging: hoe verder van de evenaar, hoe kouder. Ligging ten opzichte van de zee: hoe verder van zee, hoe warmer in de zomer en hoe kouder in de winter. Aanvoer van kou of warmte van elders door wind of zeestromen. Ligging van gebergten: wel of geen beschutte ligging.


B39: temperatuurzones op aarde: luchtstreken. Deze kun je begrenzen met behulp van de breedtecirkels en de thermische begrenzing. Evenaar: tropen: hele jaar warm. Breedtegraad 23,5o N.B. en 23,5o Z.B. begint gematigde zone. Deze breedtecirkels noem je keerkringen. Gematigde zone ligt tussen 23,5o en 66,5o. Deel gematigde zone dat dichtst bij tropen ligt: subtropen. Nog verder naar polen: poolstreken. Tussen 66,5o N.B. en 66,5o Z.B. Deze breedtecirkels noem je de poolstreken. Nacht 21 juni: zon niet onder: midzomernacht. 21 december: zon niet onder: poolnacht.


B49: wind tegen gebergte -> omhoog -> regen: stuwingsregen. Windkant gebergte: loefzijde: vochtige lucht omhoog, koelt af en brengt regen. Andere kant gebergte: lijzijde: uit de wind. Lucht daalt en wordt warmer. Weinig of geen neerslag. Je kunt ook zeggen dat de lijzijde in de regenschaduw ligt.


B53: hoge luchtdruk: pakket lucht van dampkring extra zwaar. Teveel aan lucht. Lucht stroomt van een gebied met een teveel aan lucht (hogedrukgebied of maximum) naar een gebied met een tekort aan lucht (lagedrukgebied of minimum). Wet van Buys Ballot: wind waait van maximum naar minimum. Draaiing aarde -> wind op noordelijk halfrond afwijking naar rechts en wind op zuidelijk halfrond naar links: corioliseffect.


B54: warmte evenaar -> lucht stijgt en stroomt weg -> minimum, tropisch minimum. Kou polen -> afkoeling en dalende lucht -> maximum, polair maximum. Bij 30o-breedte ligt het subtropisch maximum. Bij 60o-breedte ligt het subpolair minimum. Passaten: winden die waaien tussen 30o breedte en de evenaar. Westenwinden: tussen 30o breedte en 60o breedte. Poolwinden: tussen 60o breedte en 90o breedte.


Par. 5: B166: oudste deel van een stad: historische binnenstad: monumenten. Meeste gebouwen gebruikt voor bijv. kantoren en warenhuizen. Uitgaan is er een van de belangrijkste ruimtegebruikers. Dit heet ook wel het stadscentrum, ook wel centrale zakenwijk of in het Engels: Central Business District (CBD). Voor de industriearbeiders werden vlak bij de fabrieken woonwijken uit de grond gestampt (oude woonwijken). Aan de rand van de stad liggen nieuwe woonwijken: meer ruimte voor parken en sportterreinen.


B240: hoe rijker een land, hoe meer mensen in de stad wonen. Percentage stedelingen in een land: urbanisatiegraad. In arme landen groeien de steden sneller. Migratie van platteland naar stad: ruraal-urbane migratie. Snelheid waarmee urbanisatiegraad toeneemt: urbanisatietempo. Verstedelijking gaat te snel: veel steden in ontwikkelingslanden zijn niet in staat om te zorgen voor voldoende voorzieningen voor de snelgroeiende bevolking. De basisbehoeften kunnen de groei niet aan. Dat is te zien aan het bestaan van krottenwijken.


B241: krottenwijken: wijken waar bewoners zelf illegaal woningen hebben gebouwd. In het begin zijn de wijkvoorzieningen nog slecht, maar na een tijdje komen er telkens wat verbeteringen bij. Ook knappen de mensen hun huis langzaam op. Ze gebruiken de echte bouwmaterialen.


B242: in veel ontwikkelingslanden is er één heel grote stad met daarnaast veel kleinere steden. Zo’n megastad noem je een primate city. Het is vaak het centrum van de politiek en de economie. Primacy: het verschil tussen het aantal inwoners van de grootste stad en van de tweede stad. Dat is de mate waarin de eerste stad groter en belangrijker is dan de tweede.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Mariëtte