BRIC-landen

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 1076 woorden
  • 4 januari 2015
  • 28 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.1
  • 28 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Aardrijkskunde samenvatting Hoofdstuk 3



1e wereld= centrum. rijke kapitalistische demoncratie. Goed opgeleide bevolking.



2e wereld= semi- periferie. Communistische landen. Nieuwe Industrie Landen. Grondstoffen export-> industralisatie.



3e wereld= periferie. Arme landen. Afhankelijk van de landbouw.



3.1 A. Snelle toeneming van welvaart:



       - Open grenzen. Bedrijven kunnen op veel plaatsen op de wereld,          producten maken en verkopen.



       - Genoeg energie en voldoende grondstoffen om producten te maken.



       - Lage lonen. Landen met lage lonen zijn aantrekkelijk om producten te      laten maken. De goedkope producten worden daarna in rijkere landen verkocht.



       - Goedkoop vervoer. Met bijvoorbeeld containerschepen.



       - Stabiele regeringen. Buitenlandse bedrijven gaan niet graag naar   landen waar oorlogen en staatsgrepen zijn. 



       - Een grote bevolking. Er zijn meer mensen die kunnen werken en om      de producten te verkopen.



Globalisering: toenemende contactentussen landen, bedrijven en mensen.



De BRIC-landen profiteren hiervan (hetzelfde):



- De productie stijgt.    - De wereldwijde macht stijgt.



- Meer geld aan export.



De BRIC-landen (verschillen):




  • Brazilië en Rusland zijn grote leveranciers van grondstoffen en energie.      

  • China en Indonesië profiteren van goedkope arbeidskrachten.              



Sommige mensen verwachten dat de BRIC-landen in 2030 een hoger bnp hebben, dan West-Europese landen.



B. Op veel plaatsen in Brazilië werden bossen gekapt en in bestaande landbouwgebieden moest de productie omhoog. Er werd gebruik gemaakt van de Groene Revolutie(vernieuwing van de landbouw, opbrengst steeg). Nu is Brazilië een van de belangrijkste landbouwlanden ter wereld. Om hier steeds meer geld aan te verdienen wordt de infrastructuur (wegen) verbeterd.



19e eeuw: uitvoer delfstoffen en landbouwproducten.



Begin 20e eeuw: importsubstitutie: zelf spullen maken. (toets)



Laatste 25 jaar: exportgeoriënteerde industrie.



C. Nadelen:



       - Door vele regels kunnen mensen geen bedrijven beginnen, 40% werkt in de informele       sector.



       - Groot deel van export bestaat uit onbewerkte grondstoffen.



Fazenda’s: De bedrijven van grootgrondbezitters. Deze mensen voelen zich heel machtig.



       - Zij doen veel dingen zonder toestemming (kappen van bomen).



       - De werkers worden slecht behandeld en maken lange dagen.



3.2 A. RUSLAND



Rusland voor 1990 Planeconomie:




  • Onderdeel van de Sovjet-Unie.

  • Alle grond en gebouwen waren eigendom van staat.

  • Regering: communisten <- alleen.

  • Zij stelden de prijs en hoeveelheid van producten vast.



Rusland na 1990 Vrijemarkteconomie:




  • 1990= planeconomie afgeschaft.

  • Socjet-Unie viel in 15 landen uiteen.

  • Landen schakelden om naar vrijemarkteconomie.

  • Privatiseren: bedrijven die een andere eigenaar kregen.

  • Er kwamen meer bedrijven= meer concurrentie.

  • Mensen mochten zelf prijzen en hoeveelheden bepalen.



Nadelen hiervan:




  • Veel bedrijven gingen failliet, alleen grootste bedrijven bleven overeind.

  • Werkeloosheid steeg.

  • Prijsstijgingen/dalen koopkracht.

  • Daling van levensverwachting.

  • Verschil arm-rijk nam enorm toe.



B. Toch is Rusland een BRIC-land omdat het veel grondstoffen bevat.



Er zijn een aantal verbeterpunten:




  • Pijpleidingen die door de warmte van het smeltende ijs verzakken. Hierdoor gaat een deel van de olie verloren.



C. Rusland is afhankelijk van de export van gas en olie:




  • Als het in de wereld slecht gaat, neemt de vraag naar grondstoffen af en dan daalt de prijs.

  • Veel wetten en regels in Rusland kunnen plotseling veranderen, dit maakt het voor buitenlandse bedrijven lastig.

  • Rusland heeft ook een slechte naam gekregen door gasexport naar Oekraïne te stoppen.



Hieruit blijkt dat Rusland steeds meer macht krijgt. Want Rusland heeft een groot deel van de gas en olie.



In het bestuur van staatsbedrijven zitten vaak ministers of familieleden. -> corruptie.



Corruptie:  het aannemen van geld om dingen voor iemand te doen die verboden zijn.



3.3 A. INDIA



Er zijn 18 officiële talen.



Om te voorkomen dat verschillende meningen tot conflicten leiden(over sez bijv), is India een federatie. Er zijn 28 deelstaten met een eigen bestuur.



1800-1914:




  • Imperialisme(gebieden veroveren)/exploitatiekolonie (geoverheersd gebied).



          - Grondstofleverancier aan buitenlandse landen.



          - Afzetmarkt (De markt waarop een bedrijf goederen of diensten gaat verkopen.)–> verdwijnen van nijverheid.




  • Door snelle bevolkingsgroei en afromen van winsten, bleef India arm.



B.1947- ca. 1990:




  • Planeconomie: werkte niet goed. (corruptie, inefficiëntie: geen doel hebben).

  • Landbouw: werkte goed. (hongersnoden verdwenen).

  • Het onderwijs wordt verbeterd.



Vanaf 1990:




  • Liberalisering. (bijv. minder regels, regering heeft minder macht).

  • Sez’s: Speciale Economische Zones. Gebieden waar buitenlandse bedrijven zich mogen vestigen.

  • Joint venture: Samenwerking tussen buitenlandse bedrijven en Indiase bedrijven.

  • Diversificatie van de economie.



Sez:




  • Belastingvoordelen.

  • Douanefaciliteiten

  • Goedkope arbeid.

  • Goede infrastructuur.

  • Indiërs spreken goed Engels.



Voordelen India:




  • Werk (gelegenheid).

  • Inkomstenbelasting.

  • Gelegenheid voor experimenten met vrijemarkteconomie.



Problemen:




  • Groot verschil arm-rijk.

  • Arm: soms geen elektriciteit, slecht infrastructuur

  • Braindrain: Verhuizen van hoogopgeleiden naar het buitenland.

  • Vervuiling.

  • Over-urbanisatie. (verhuizen naar de stad)



3.4 A. CHINA



1947: China werd een communistisch land.



1979:




  • Sez’s




  • Opendeurpolitiek:  politiek waarbij buitenlandse bedrijven toegang krijgen tot China. (klein deel van vrijemarkteconomie).



      Voordelen:



`   - Chinezen vonden werk.




  • Later verdienden ze zelf meer dan bij Chinese bedrijven.

  • Chinese bedrijven sloten Joint Ventures met buitenlandse bedrijven. (voor kennis en geld).



Nadelen:



- Steeds meer staatsbedrijven werden geprivatiseerd en moesten concurreren met bedrijven die dezelfde producten maakten.




  • Later: - Open steden. 



        - Belastingvoordelen.



        - Douanefaciliteiten.



        - Betere infrastructuur.



B. Waardoor is China een BRIC-land?




  • Politiek stabiel.

  • Opengrenzen, bedrijven mogen zich vestigen in open steden/sez’s.

  • Snel groeiende economie (De basis van deze groei wordt gevormd door de lage lonen).

  • Snelle industrialisatie.

  • Veel buitenlandse investeringen.

  • Grootste exporteur van de wereld.



Van het geld dat Chinezen verdienen kopen ze eten, kleding etc.



Binnenlandse vraag: het geld dat Chinezen in hun eigen land uitgeven. 



Hierdoor onstaan er ook weer nieuwe banen. (fabrieken, wegen, bouw)



C. Welke nadelen heeft de groei?






  • Stijgende lonen zorgen voor wegtrekken bedrijven, ze zijn dan niet meer zo goedkoop.

  • Slechte werkomstandigheden van arbeiders.

  • Enorme vraag naar grondstoffen (“leegroven” van Afrika) anders zijn ze niet meer zo interessant meer/ minder winst.

  • Milieuvervuiling.

  • Files.












REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

de I van BRIC is India niet Indonesie

5 jaar geleden