Actieve Aarde H 1 t/m 4

Beoordeling 5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1251 woorden
  • 6 februari 2002
  • 81 keer beoordeeld
Cijfer 5
81 keer beoordeeld

Hoofdstuk 1: - 1569 Abraham Ortelius denkt dat Noord en Zuid-Amerika van Europa en Azië zijn losgerukt door aardbevingen en overstromingen. - 1660 Bacon komt er achter dat Zuid-Amerika perfect in Afrika past. - Door het werk van Lyell, Hutton en Darwin verving men de catastrofetheorie door het principe van het actualisme. - 1912 Wegener komt met de theorie van de continentale drift. - 1965 Er komt vast te staan dat het verschil in leeftijd van de continentale en oceanische en continentale korst erg groot is en dat de oceaanbodem zichzelf vernieuwt. - 1980 De theorie van Wegener wordt bewezen dankzij de nieuwe technologieën. Theorie van continentale drift: Oercontinent Pangea ging uit elkaar door min of meer vloeibare stromen. Bewijzen: · Sporen van gletsjers in Australië, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en India zijn rond dezelfde tijd gemaakt. · Australië, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en India hebben ongeveer dezelfde flora en fauna. · De gesteentes in Australië, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en India hebben hetzelfde karakter. Paleomagnetisme: Als magnetiet zich in vloeibaar lava bevindt richt het zich naar het magnetisch veld. Bij het stollen van de lava wordt de richting vastgelegd. Gebleken is dat de richting van de lava niet altijd hetzelfde was en dat de polen (en dus ook de as) veranderd zijn. 1. De binnenkern: · hoge druk · ijzer en nikkel · vast
2. De buitenkern: · hoge druk · ijzer en nikkel · vloeibaar

3. Binnenmantel: · siliciumverbindingen met ijzer en magnesium · vast
4. Buitenmantel: · siliciumverbindingen met ijzer en magnesium · taai vloeibaar · begin lithosfeer
5. Lithosfeer/aardkorst: · zuurstof, calcium, magnesium, natrium, aluminium · vast
Continent Oceaan
Soort gesteente Graniet Basalt
Massa Licht Zwaar
Dikte Dik Dun
Leeftijd Oud Nieuw
Convectiestromen: De asthenosfeer is in beweging door de warmte van de aarde. Die warmte is ontstaan met het ontstaan van de aarde, nl.: een wolk kosmische stofjes vormden eerst een grote wolk. Ze gingen steeds dichter bij elkaar zitten in de vorm van een steeds kleiner wordende bol. De bol koelde van buiten af, maar de korst isoleerde het inwendige van de bol. Daardoor bleef de kern vloeibaar. De energie die vrijkomt bij het uiteenvallen van radioactieve stoffen in de aarde houdt de temperatuur in stand. Het diepere materiaal is het heetst en gaat naar boven toe. Daar knalt het tegen de lithosfeer op en stroomt het horizontaal naar twee kanten weg. Naarmate het materiaal hoger komt, koelt het af en gaat het weer naar beneden. Deze stromen zijn confectiestromen. · Platenbewegingen: - Divergerend · Platen bewegen van elkaar af · Gebeurt nu bij mid-oceanische ruggen · Kenmerken: · ondiepe aardbevingen · rustig vulkanisme · scheurende platen - Convergerend · Platen bewegen naar elkaar toe · Continentale en oceanische plaat: oceanische plaat duikt onder (basalt = zwaarder) à subductiezone (o.i.v. neerwaartse convectiestroom) · Kenmerken: · diepzeetrog · nieuwe continentale korst · strook heftige vulkanische eilanden · zeer zware aardbevingen · Twee continentale platen: botsing · Kenmerken: · Gebergte zoals Alpen en Himalaya (plooiingsgebergten) · Soms aardbevingen. · Twee oceanische platen: jongste duikt onder oudste (want oud=zwaar) · Kenmerken: · Vulkanische eilandenboog · Trog - Langs elkaar heen · Gebeurt in Californië · Lithosfeer wordt niet afgebroken · Wel aardbevingen
Vulkanen: - Herkomstgebied: magmahaard - Hoe groter de magmahaard hoe langduriger de eruptie - Hoe dieper de magmahaard hoe heftiger de eruptie - Magma à lava à vulkanisch gesteente - 80% convergeren - 15% divergerend - 5% hot spot - Stratovulkanen: redelijk steil als gevolg van afwisselend taai-vloeibare lavastromen en neergelegde as en lavabomen. Vindt plaats bij subductie en is dus redelijk explosief. - Schildvulkanen: vlak, doordat het uitvloeiende basalt dun-vloeibaar is. Dit zijn typische hot-spotvulkanen. - Caldera: bij een caldera wordt door gasdruk zoveel magma weggeblazen, dat de magmakamer gedeeltelijk leegstaat en het dak instortà een zeer grote en diepe kraterbodem. Hot spots: - Hot spots zijn vulkaanuitbarsting die niet aan de rand van een plaat zitten. - Hete pluimen vast materiaal komen uit het onderste deel van de mantel naar boven en ten slotte smelt het materiaal door de lithosfeer heen en komt het tot een uitbarsting. - Gemiddelde diameter: 100-300 km - De hot spots liggen vast in de mantel en bewegen dus niet met de platen mee. Aardbevingen: - hypocentrum= waar de aardbeving begint - epicentrum= waar op de aardkorst de trilling begint (recht boven het hypocentrum dus) - gevolg van platentektoniek of kleinere breukvlakken. De schaal van Richter meet hoeveel energie er vrijkomt bij een aardbeving op een logaritmische schaal. De schaal van Mercalli meet de schade die een aardbeving aanricht. Tsunami’s

Tsunami’s ontstaan doordat een aardbeving onder water een schokgolf maakt die door het water snelt. Als de schokgolf de kust nadert en het water ondieper wordt drukt de energie zich samen. Dit kan een heel snel opkomende vloed veroorzaken of golven van zo’n 30 m hoog. Hoofdstuk 2 Ø Stollingsgesteenten Ø Afzettingsgesteenten Ø Mariene sedimenten Ø Fluviatiele sedimenten Ø Eolische sedimenten Ø Glaciale sedimenten Ø Organogene sedimenten Ø Chemische sedimenten Ø Metamorfe gesteenten (afzettingsgesteenten, die door hoge druk of door te smelten en weer te stollen veranderen). Delfstoffen: - Def: Zodra voor de mens nuttige stoffen in technisch, economisch en sociaal winbare hoeveelheden in de aardkorst voorkomen, spreken we van delfstoffen. - Techniek: § Seismisch onderzoek § Zwaartekrachtbepalingen § Boorinstallaties en graaf- en baggermachines - Economisch: Het moet te betalen zijn - Sociaal: Vanuit de samenleving zijn er steeds meer bezwaren tegen het winnen van delfstoffen in kwetsbare gebieden. Ontstaan van ertsen: - Ertsen ontstaan in magmahaarden. - Het magma koelt langzaam af. - De elementen in de magma kunnen combineren tot bepaalde mineralen. - Die mineralen hebben allemaal een ander stolpunt. - In het restsmelt komen stoffen met een laag smeltpunt, zoals koper, lood, zink, water en gassen. - Die gassen zorgen ervoor dat de druk in de magmahaard hoog op kan lopen. - Heeft de aardkorst daar zwakke plekken, dan kan de restsmelt daarin doordringen en zogenaamde ertsaders vormen van stollende mineralen. Inkoling: - Carboon = 350 miljoen jaar geleden. - Een groot deel van Europa is in het Carboon herhaaldelijk overspoeld door zee. - Alleen planten, geen dieren. - Afgestorven planten kwamen in het zuurstofarme water van moerassen terecht. - Deze planten gingen in ontbinding en er kwam vooral zuurstof, koolzuurgas en methaan (moerasgas) vrij. - Bacteriën “aten” het zuurstof op. - In de achterblijvende massa groeit het aandeel koolstof behoorlijk hard. - Ondertussen werden de moerassen ook bedekt door sedimenten. - Ze komen dieper in de aardkorst en daarom wordt de druk en de temperatuur hoger. Aardgas: - Ook “gemaakt” in het Carboon. - Nadat de planten dood waren gegaan, kwam er een dikke laag van sedimenten overheen. - De gassen (vooral methaan) konden niet ontsnappen. Aardolie en “nat” aardgas: - “Gemaakt” in het Jura of Krijt. - Kleine dode organismen blijven vast zitten als er een dikke laag sedimenten over hen heen komt. - Olie en gas zijn lichter dan water en verzamelen zich in het gesteente. - Op plaatsen waar de lagen koepelvormig zijn, is de kans dat je er delfstoffen vindt groot. Isostatisch evenwicht: Het evenwicht van de aarde, waardoor overal op aarde de zwaartekracht hetzelfde is. (Glaciale wip). Hoofdstuk 3 De zon: - Warmtebron van de dampkring. - Zonne-energie is de motor van alle processen in: v De dampkring. v Oceaanstromingen. v Leven op aarde (dus ook van de fossiele brandstoffen!) - Niet alle energie die de zon geeft, gaat ook terug. Factoren voor de verschillen in temperatuur: - Breedteligging. - Seizoenswisseling. - De gesteldheid van het aardoppervlak (albedo + land/water). - Warmtetransport. - Invloed van het reliëf. - Hoogteligging. Warmtetransport door water en lucht. Normale stromingspatronen worden geleid door de westenwinden. Ondiepe gedeelten in de oceaan en stukken land verstoren het normale stromingspatroon. ITC verschuift. Op land is de verschuiving extremer als op zee, omdat de temperatuurverschillen daar het sterkst zijn. Köppensysteem: BW Woestijnklimaat (droogteklimaat) BS Steppeklimaat (droogteklimaat) A Gemiddelde temperatuur <18°C (palmengrens) C Isotoop van de koudste maand -3°C (loofboomgrens) D Isotoop van de warmste maand 10°C (naaldboomgrens) (A)f Altijd regen (A)s Zomer droog (A)w Winter droog
EH Hooggebergteklimaat (Na D) ET Toendraklimaat (Na D) ES Sneeuwklimaat (Na D) Paleoklimatologie: - Inzicht krijgen in vroegere klimaten en de mechanismen die dat hebben veroorzaakt. - Wetenschappen die ermee te maken hebben: · Astronomie · Meteorologie · Geologie · Biologie - Technieken: · Dendrochronologie (jaarringen tellen en dikte meten) · Pollenanalyse (d.m.v. stuifmeelkorrels en actualiteitsprincipe het klimaat raden) · O16 / O18-methode (in zeeà sediment met veel O18 warm, sediment met veel O16 koud) · C14-methode (C14 komt voor in elke plant en dier. Als een plant/dier sterft neemt het door radioactief verval af. Je moet dan d.m.v. halveringstijd berekenen hoe oud het is) - Precambrium · Tussen 0° en 80°C · 3 ijstijden à Continenten dichtbij polen - Paleozoïcum · korte ijstijd (430 mln jr geleden) à evolutie landplanten (400 mln jr geleden) à albedo neemt af à meer fotosynthese à daling CO2 à minder broeikaseffect. · Gondwana lag vlakbij polen à vergletsjering - Mesozoïcum · Temperatuur 6°- 10°C hoger als nu. · NW-Europa à subtropisch klimaat · Krijt is het warmst, door versnelling uit elkaar drijven continenten. · Einde door K/T- inslag. - Kaenozoïcum · Tertiair: temperatuur daalde, omdat India tegen Azië opbotste en o.a. de Himalaya maakte. Antarctica maakte zich los en ging bij een pool rondhangen, waardoor het albedo toenam. Verder gingen Noord-Amerika en Eurazië naar de andere pool à nog meer albedo. · Quartair: Glacialen/Interglacialen, door: Ø Variaties baan om aarde Ø Stand van de aardas

Bewijzen K/T-inslag: - Veel iridium in sedimenten uit die tijd gevonden. Iridium komt niet veel voor op aarde, maar wél in meteorieten. - Yucatan-krater in Mexico heeft de goede grootte en “leeftijd”. - In sedimenten uit die tijd is ook veel koolstof gevonden à branden na grote explosie. Hoofdstuk 4 Meer kans op fossielsering in water, want: - minder zuurstof, zodat oxidatie en afbraak door schimmels en bacteriën niet zo snel gaat - dode organismen worden eerder bedekt door sedimenten - meest voorkomende soorten: · Trilobieten (geleedpotigen uit het Paleozoïcum) · Graptolieten (ongewervelden uit het Paleozoïcum) · Brachiopoden (asymmetrische schelpen uit het Cambrium) · Ammonieten (spiraalvormige schelpen uit het Mesozoïcum) · Belemnieten (harde resten inktvisachtigen uit het Jura en Krijt) - Relatieve ouderdomsbepaling: in vergelijking met andere fossielen - Absolute ouderdomsbepaling: zelf helemaal uitgerekend · Paleozoïcum à eerste dieren met skelet, vissen en amfibieën · Mesozoïcum à reptielen en eerste zoogdieren en vogels · Kaenozoïcum à flora en fauna ontwikkelen zich naar het nu
Darwinisme: flora en fauna past zich aan aan de omstandigheden.

REACTIES

L.

L.

Er staat bij paleomagnetisme. Dat de mineraal bij het stollen van de lava de richting vastlegd. Dat is goed. Maar dan beweert de scholier dat de aardas en dus de polen ook verschuiven. Dat is niet waar. Dat is juist niet aannemelijk.

17 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.