Deelvraag 1: Wat was de reden dat de VOC en de WIC zijn opgericht?
Deelvraag 2: Waarom kon de VOC zoveel macht verwerven?
Deelvraag 3: Wat heeft de WIC gedaan om zo groot te worden?
Deelvraag 4: Waarom zijn allebei de maatschappijen toch ten onder gegaan?

Deelvraag 5: Hoe heeft Nederland kunnen profiteren van deze scheepvaart maatschappijen? 8
Inleiding

Mijn profiel werkstuk gaat over de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). Ik heb dit onderwerp gekozen omdat ik altijd al geïnteresseerd ben geweest in de Gouden eeuw van Nederland, vooral ook omdat Nederland toen ding heeft gedaan en prestaties heeft bereikt waar ik nu trots op ben. er zal hoop ik ook genoeg informatie te vinden zijn over dit onderwerp. Ik heb de volgende deelvragen gekozen:

Hoofdvraag: Wat zijn de VOC en de WIC en wat hebben ze voor de Nederlandse economie betekend?

Deelvraag 1: Wat was de reden dat de VOC en de WIC zijn opgericht?
Deelvraag 2: Waarom kon de VOC zoveel macht verwerven?
Deelvraag 3: Wat heeft de WIC gedaan om zo groot te worden?
Deelvraag 4: Waarom zijn allebei de maatschappijen toch ten onder gegaan?
Deelvraag 5: Hoe heeft Nederland kunnen profiteren van deze scheepvaart maatschappijen?

Ik hoop dat u veel plezier beleeft aan mijn profiel werkstuk.

Deelvraag 1: Wat was de reden dat de VOC en de WIC zijn opgericht?



De VOC

Op een dag in het voorjaar van 1594 schaarde een groep van negen kooplieden zich rond een tafel in het Amsterdamse wijnhuis van Martin spil. Hendrik Hudde, Reinier Pauw, Pieter Hasselaar, Arent ten Grootenhuis, Hendrik Buyck, Syvert Sem, Jan Poppen, Jan Karel en Dirck van Os Staken de koppen bij elkaar om te overleggen over een gezamenlijke handels reis naar Azië. Zij hadden redenen genoeg om zo`n avontuur te overwegen. Gedurende de afgelopen honderd jaar hadden de Portugese schepen via een route langs kaap de goede hoop specerijen naar Lissabon gebracht. Deze Aziatische producten, hoofdzakelijk peper, leverden bij verkoop in europa hoge winsten op.
Het grootste deel van de onkosten brachten ze zelf bij elkaar, maar er werd ook aan anderen gevraagd om geld in de compagnie te steken. Deze mensen werden dan aandeelhouders of participant genoemd. Zij hadden geen inspraak in de besluiten die de negen kooplieden maakte. Voor het geld kochten de kooplieden 4 schepen die naar Indië zouden varen. De reis verliep weinig voorspoedig. De kooplieden hadden de leiding gegeven aan twee mannen, die hier niet op berekend bleken te zijn en al gauw ruzie kregen. Onderweg overleden er vele bemanningsleden aan scheurbuik en pas na 15 maanden bereikte de schepen West-Java. De Nederlanders kregen hier al gauw onenigheid met de Javanen en besloten verder te zeilen naar de Molukken. Onder druk van de bemanning moesten zij echter al gauw terugkeren. Wegens gebrek aan mankracht lieten zij de “Amsterdam” achter in Azië. Toen de schepen eindelijk de republiek bereikte, was er van de oorspronkelijke bemanning van 240 man nog maar 87 in leven. De opbrengst van de retourlading peper was net genoeg om de kosten te dekken. Maar, de compagnie had wel aan getoond dat de scheepvaart op Azië via Kaap de Goede Hoop mogelijk was. Er voeren dan ook weldra tientallen schepen uit naar Azië onder leiding van allemaal verschillende compagnieën.sommige met succes maar ook sommige zonder. Met de winsten van de ene reis bekostigden de kooplieden de volgende reis.
Maar de Nederlandse kooplieden beconcurreerden elkaar op leven en dood. Dit dreef in Azië de verkoopprijzen ver op terwijl in de republiek de verkoopprijzen zakten. De winsten daalden dramatisch. Bovendien profiteerde de andere mededingers, Aziatische, Portugese, Spaanse en Engelse kooplieden, van de Nederlandse onenigheid. En hoewel de Nederlandse kooplieden de noodzaak tot samenwerking onderkenden, waren zij nauwelijks bereid hun krachten te bundelen. Alleen onder druk van de Staten-Generaal en prins Maurits konden alle compagnieën worden samengesmolten tot èèn compagnie: de Verenigde Oost-Indische Compagnie

De WIC

De eerste die de oprichting van de WIC voorstelde was Willem Usselincx, een in Antwerpen geboren koopman, die zich tin 1591 te Middelburg had gevestigd. Na zijn vestiging in de republiek onderhield hij goed contacten met invloedrijke burgers, zoals de pensionaris van Gouda en Petrus Plancius, een dominee die bekend stond om zijn geografische kennis. Stuk voor stuk strenge calvinisten die de oprichting van de WIC toejuichten als een wapen in de strijd tegen Spanje. Maar Usselincx had meer op het oog dan strijd alleen, hij wilde met name nieuwe koloniën in de nieuwe wereld. De Staten-Generaal echter kwam met een plan dat meer kans van slagen had. Dit moet voor Usselincx een teleurstelling zijn geweest want van zijn ideeën was nauwelijks meer iets terug te vinden. In plaats van nieuwe koloniën stichten moest de nieuwe compagnie zich vooral richten op de handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied. Een serieuze bedreiging voor de oprichting van deze nieuwe compagnie waren echter de vredesonderhandelingen die de Republiek en Spanje sinds 1606 met elkaar voerden. De WIC vormde een bedreiging voor Spanje en als de compagnie opgericht zou worden zou dit het einde van de vrede betekenen. De Republiek moest dan een leger van 60.000 man in stand houden, wat jaarlijks bijna negen miljoen gulden kostte en dus belasting verhoging onvermijdelijk maakte. Tijdens de vredesbesprekingen weigerde Van Oldebarneveld concessies te doen wat betreft Azië, maar haalde wel de plannen voor de WIC van tafel. Uiteindelijk kwam de Republiek tot een wapenstilstand van 8 maanden met Spanje. Toen Usselincx tussen 1614 en 1617 nog enkele malen bij de Staten-Generaal aanklopte, bemerkte hij dat de macht van Van Oldebarneveld vooralsnog te groot was voor verwezenlijking van zijn plannen. Van Oldebarneveld werd na een dubieus proces schuldig bevonden aan landverraad en in mei 1619 te ’s-Gravenhage terechtgesteld. Drie weken na zijn gevangenneming werd het plan WIC weer op de agenda geplaatst. Maar Usselincx’ plannen werden niet goedgekeurd door de Staten-Generaal. Het oude concept werd weer boven de tafel gehaald en in een nieuw jasje gestoken wat beter geaccepteerd werd. Op 3 juni 1621 stemden de Staten-Generaal in met het voorliggende conceptoctrooi en was de oprichting van de WIC een feit. De geldigheidsduur van het octrooi werd vastgesteld op 24 jaar, waarna de Staten-Generaal zich opnieuw moet uitspreken over het al dan niet voortbestaan van de WIC. In het octrooi was bepaald dat de compagnie het monopolie bezat op de handel en scheepvaart op Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika alsmede op de eilanden in de Atlantische oceaan,gelegen tussen de twee meridianen getrokken over kaap de Goede Hoop en het oostelijk uiteinde van Nieuw-Guinea.

Deelvraag 2: Waarom kon de VOC zoveel macht verwerven?

Behalve het monopolie voor de Vaart op Azië kreeg de nieuwe compagnie ook het recht om in het gebied tussen kaap de goede hoop en Straat van Magelhaen namens de Staten-Generaal oorlog te voeren en verdragen te sluiten met Aziatische vorsten, forten en handelsposten te bouwen, soldaten te legeren en bestuurders aan te stellen. Voor een particuliere handelsfirma, die de VOC was, waren dit wel hèèl bijzondere privileges. De enige controle, die de Staten-Generaal op het gebruik of misbruik van deze voorrechten hadden, was de eed van trouw die de directeuren van de nieuwe compagnie moesten afleggen.In praktijk konden de bewindhebbers van de VOC geheel hun eigen gang gaan en met machtige middelen hun handelsmonopolie uitbuiten. Batavia op West-Java was de hoofdvestiging van de VOC in Azië en het centrum van een uitgestrekt Nederlands handelsnetwerk. De VOC stichtte haar handelsnetwerk met een combinatie van militair geweld, commerciële dwang en diplomatiek overleg. Het eerste streven van de Compagnie was een specerijenmonopolie te veroveren. Dit betekende een harde strijd met de Portugezen, andere Europese concurrenten en lokale Aziatische bevolking, die naar de opvatting van de Nederlanders afspraken niet nakwamen. Foelie en nootmuskaat, twee specerijen va dezelfde boom, groeiden alleen op de Banda eilanden in 1602 beloofden de bewoners voortaan uitsluitend aan de Nederlanders te leveren, maar ontdoken deze overeenkomst vervolgens op allerlei manieren. Want de VOC was vervolgens niet bij machte om hen in ruil voor de specerijen van voedsel en kleding te voorzien. Om in leven te blijven moesten de Bandanezen wel met Portugese, Spaanse, Engelse of Aziatische kooplieden zaken doen. Jan Pietersz. Coen maakte in 1621 op gruwelijke wijze een einde aan deze “smokkelhandel”. Hij executeerde de aanzienlijkste Bandanezen en vermoordde of deporteerde een groot deel van de bevolking. De rest vluchtte de bergen in waar het merendeel van de honger omkwam. De VOC bouwde op een strategische plaats het fort “Hollandia”en legde Muskaatplantages of “perken” aan. De Compagnie bevolkte de Banda eilanden met slaven en kolonisten of “perkeniers”. Die de plantages bewerkten en beheerden. Zij moesten de gehele oogst tegen een vaste prijs aan de VOC verkopen.
Het kruidnagelmonopolie was vee moeilijker te verkrijgen. In vroeger tijd groeide deze specerij alleen in het wild op het eiland Makian in de noordelijke Molukken. In 1600 en nogmaals in 1605 en 1607 beloofden de bewoners plechtig hun kruidnagelen uitsluitend aan de Nederlanders te leveren. De VOC dwong naleving van deze beloften af met harde maatregelen, overigens zonder al te groot succes. Vanaf 1625 probeerde de Compagnie de kruidnagelteelt te concentreren op Ambon, het enige eiland dat zij min of meer onder controle had. Zij verplichte elke Ambonees tien kruidnagel boompjes te planten en te onderhouden. Daarnaast dwong de VOC tot zogenaamde Hongitochten. Dit waren expedities met oorlogsprauwen onder leiding van Compagnie dienaren naar andere eilanden om kruidnagel bomen om te hakken en te verbranden. Dit was een erg effectieve maatregel want kruidnagel bomen dragen pas na zeven jaar vruchten. De VOC verdreef de Portugezen en nam hun forten over. De Spanjaarden trokken zich terug op de Filippijnen. Omstreeks 1650 had de Compagnie voldoende greep op de kruidnagelhandel om de hele Europese markt te voorzien, maar pas in 1667 viel na een lange strijd ook de Grote Aziatische specerijenhaven Makassar op Celebes in Nederlandse handen. De VOC bezat voorlopig een waardevol handelsmonopolie op Nootmuskaat, Foelie en kruidnagelen. Na langdurige expedities en talrijke blokkades viel ook het Portugese Ceylon, het belangrijke kaneel eiland, in Nederlandse handen. Daarmee verwierf de VOC een kaneel monopolie en een belangrijk aandeel in de peper handel. Een algemeen pepermonopolie kon de VOC niet verwerven. Daarvoor waren er teveel peper plantages door heel Azië. Nu had de VOC een monopolie op nootmuskaat, foelie, kruidnagelen en kaneel en een belangrijk aandeel in de peperhandel.

Deelvraag 3: wat heeft de WIC gedaan om zo groot te worden?

Van de drie pijlers waarop de WIC was gefundeerd zou de kaapvaart zich tot de meest winstgevende ontwikkelen. In principe was de gehele Atlantische oceaan het toneel waarop de Compagnie de kaapvaart kon bedrijven, maar in de praktijk zouden de meeste kaapvaarders hun activiteiten tot het Caribisch gebied beperken. Bij Portugees-Brazilië lag verovering voor de hand. De rijke suikerproducerende gebieden grensden direct aan de kust, waren slecht beschermd en leken een gemakkelijke prooi voor de Nederlanders. Maar bij de Spaans-Amerikaanse koloniën lag de zaak minder eenvoudig. Deze gebieden kenden duidelijk geen plantage structuur zoals Brazilië waardoor een rijke en gemakkelijk te veroveren buit niet waarschijnlijk was. De ver in het binnenland van Peru en Mexico gelegen zilvermijnen vormden de voornaamste rijkdommen, maar die waren alleen te veroveren met kostbare en langdurige militaire expedities die over enorme afstanden vijandig gebied zouden moeten trekken. Een weinig aantrekkelijk avontuur waartoe een zeevarende natie zich niet snel zou laten verleiden. Eigenlijk was er maar èèn middel om het Spaanse koloniale bezit aan te tasten, en dat was de kaapvaart. Hoewel de kaapvaart met kleine eskaders de WIC geen windeieren gelegd had, reikte het doel van de bewindhebbers veel verder. Zij wensten niets minder dan de verovering van èèn der rijkbeladen Spaanse retourvloten die jaarlijks vanuit de koloniën de oceaan overstaken naar het Iberisch schiereiland.
Op 8 september 1628 zeilden de niets vermoedende schepen van de Nieuw-Spanje vloot onder bevel van admiraal Juan de Benavides de Straat van Florida binnen. Voor Piet Heyn en zijn mannen vormde de vloot een vrij gemakkelijke prooi. Negen koopvaarders werden in volle zee genomen, terwijl de resterende schepen in de baai van Matanzas, waar de Benavides ze in veiligheid trachtte te brengen, werden overmeesterd. Acht dagen had de Admiraal nodig om de buit over te laden en zijn schepen voor de terugtocht voor te bereiden. In januari 1629 keerde de vloot in de Republiek terug, waar Piet Heyn een vorstelijk ontvangst wachtte. De enorme buit die de admiraal voor de Compagnie had weten te veroveren leverde 11,5 miljoen gulden op.
Van alle gebieden die onder het octrooi van de WIC ressorteerden, was West-Afrika zonder twijfel het belangrijkste.de Goudkust vormde het kerngebied van de WIC in Afrika. Dit gebied gebruikte de WIC vooral voor de goudhandel. Direct onder de Goudkust begon de slavenkust, wat voor de WIC het belangrijkste punt voor slavenhandel was.Tot aan het eind van de 17e eeuw telden de Goud- en Slavenkust een groot aantal kleine staten waartussen een zeker machtsevenwicht bestond. Door het sluiten van verdragen met lokale macht hebbers hoopte de compagnie haar invloed op deze vorsten te vergroten en territoriale macht te verwerven. In ruil voor exclusieve handelsrechten en soms ook het recht op belastingheffing, bood de WIC haar bondgenoten bescherming tegen naburige staten. Maar in de praktijk functioneerden deze verdragen nooit lang en reikte de macht van de WIC niet verder dan de schootsafstand van haar kanonskogels. In plaats van macht uit te oefenen diende men zich veel vaker te schikken naar de wensen van de lokale machthebber. Zo eisten de vorsten voor het gebruik van de grond waarop een fort of een factorij was gebouwd, een vaste hoeveelheid goederen en moest voor handelsrechten een zogenaamde ‘costume’ of belasting worden betaald. De Afrikaanse handelaren opereerden meestal niet alleen, maar clansgewijs. Zo was de goudhandel gedurende de 17e eeuw het domein van de Akanisten, die het kostbare product vanuit het binnenland naar de kust brachten. Maar aan het einde van de 17e eeuw was de rol van de Akanisten uitgespeeld door de Ashanti, die zich verenigd hadden tot een machtige confederatie van stammen in het binnenland van het huidige Ghana. Zonder dat de Europeanen het hadden gemerkt, waren de Ashanti bezig met uitbreiding van hun macht richting kust. Tot dan waren de kuststaten in het westelijk deel van de Goudkust schatplichtig aan de Denkyira, een sterke staat die de goudaanvoer vanuit het binnenland controleerde. De expansie van de Ashanti resulteerde in 1699 en 1701 in een strijd om de macht met Denkyira die door de Ashanti gewonnen werd. Directeur-generaal Willem de la Palma besefte dat hij voor de goudaanvoer afhankelijk was van de Ashanti en stuurde daarom in 1701 zijn gezant David van Nyendael naar Kumasi om handelsbetrekkingen met de Ashanti aan te knopen. Van Nyendael slaagde erin een goede relatie met de Ashanti op te bouwen, maar dat zou niet leiden tot betere handelsresultaten. Door de voortdurende oorlogen tussen de Ashanti en de kuststaten werden de handelswegen dikwijls geblokkeerd, waardoor de aanvoer van produkten vanuit het binnenland stagneerde. Het aanbod van krijgsgevangenen die als slaven aan de Europeanen werden verkocht, werd daarentegen steeds groter. In de periode 1720-1740zou de slaven export van de Goudkust zelfs die van de Slavenkust overtreffen. Hierdoor waren de beginselen gelegd voor de slavenhandel die de WIC tot de WIC hebben gemaakt die we nu kennen.

Deelvraag 4: Waarom zijn allebei de maatschappijen toch ten onder gegaan?

De VOC

De Compagnie beleefde gouden tijden in de 17e en 18e eeuw. Ze had duizenden werknemers in dienst, bezat een kleine dertig kantoren in Azie, zes kamers in de Republiek en een vloot van meer dan honderd schepen. In het laatste kwart van de 18e eeuw raakte het bedrijf in financiële moeilijkheden die zo ernstig waren, dat het ondanks leningen niet meer te redden viel. De bewindhebbers waren niet berekend op de eisen die het immense bedrijf, de grote afstanden en lange termijnplanning aan hen stelden. Een slechte boekhouding en de zes afdelingen in de Republiek maakten het ook niet eenvoudig het bedrijf efficiënt en krachtig te besturen. De VOC moest haar voordelige handelspositie en bezittingen verdedigen tegen Europese concurrenten en Aziatische vorsten. De verandering in de lading (thee, suiker, peper en tin, deze goederen waren winstgevender) voor Europa was nadelig voor de Compagnie. De VOC raakten in diepe schulden en alleen met forse overheidssteun kon zij hopen de problemen de baas te worden. Zowel de Staten-Generaal als de Staten van Holland wilden de VOC geld lenen gezien de economische belangen die op het spel stonden. Ondergang van de Compagnie zou een ramp betekenen voor de steden waar de kamers gevestigd waren. Maar de VOC zat in een vicieuze cirkel. Ondanks de grote financiële steun was er te weinig geld om voldoende schepen en personeel naar Azië te sturen.
Op Tweede Kerstdag 1794, bijna tweehonderd jaar na het avontuurlijke vertrek van de eerste vier schepen, verliet het allerlaatste VOC-schip de rede van Texel. De dag na vertrek bereikte het de rede van Duins. Daar namen de Engelsen het schip in beslag. Zo is het in 1795 ook vele retourschepen vergaan. Batavia was alleen nog onder neutrale vlag te bereiken. Maar een voor een namen de Engelsen de Nederlandse handelsposten in bezit. Uiteindelijk kon de VOC de gevolgen van de oorlogen met concurrenten niet meer dragen. De directie van de VOC kwam onder overheidstoezicht te staan, personeel werd ontslagen, de schepen werden verkocht en de werven afgestoten. In 1803 hief men de kamers Hoorn, Enkhuizen en Delft op. Het laatste handelsverdrag verliep op 31 december 1799 en de staat nam de schuld van 119 miljoen gulden over. In 1805 besloot raadpensionaris Schimmelpenninck dan ook om de handel vrij te geven. De toekomst zou een volstrekt andere verhouding tussen Nederland en India laten zien. Het was een stil en triest einde van een roemrijke handelscompagnie.


De WIC


Aanvankelijk leek de WIC zich gunstig te ontwikkelen. Volgens de balansoverzichten die de WIC eens in de 3 jaar publiceerde, werd tussen 1674 en 1680 een nettowinst van 460.000 gulden geboekt. Daarna stapelden de verliezen door oorlogsschade en toenemende concurrentie in West-Afrika in snel tempo op. Aan het begin van de Spaanse Successieoorlog, in 1704, was het verlies tot ruim 3 miljoen opgelopen. Om de ergste financiële nood te lenigen, zochten de Heren tien naarstig naar alternatieve geldbronnen. Die dachten zij tenslotte in 1704 gevonden te hebben bij de VOC. In een protest gericht aan de Staten-Generaal stelde de bewindhebbers dat de WIC nog een bedrag van 3 miljoen gulden van haar zusterorganisatie te vorderen had. Tijdens de vredesbesprekingen hadden de Portugezen toegezegd de WIC een forse schadeloosstelling te zullen betalen voor het verlies van Brazilië in 1654. maar voordat het vredesakkoord was geratificeerd, had de VOC in Azië de Portugese factorijen te Cochin en Cananor veroverd. Toen tijdens de onderhandelingen bleek dat de VOC niet van plan was die handelsposten terug te geven besloten de Portugezen eenzijdig de schadeloosstelling met 3 miljoen te verminderen. In december 1704 stuurde een verzoekschrift naar de Staten-Generaal, die het stuk ter advisering naar de bewindhebbers van de Oostindische compagnie doorstuurden. Daar werd de zaak behandeld door VOC-advocaat Pieter van Dam. In een uitgebreid bezwaarschrift wees van Dam de gestelde eis als onterecht van de hand, een conclusie die door de Heren tien werd over genomen. Hoezeer de Heren tien zich daarna ook hebben ingespand, het resultaat van hun acties bleef nihil.

Deelvraag 5: Hoe heeft Nederland kunnen profiteren van deze scheepvaartmaatschappijen?


De verkoop van Aziatische goederen heeft tussen 1602 en 1795 ongeveer 2,2 miljard gulden opgebracht. Aan meer dan een miljoen werknemers in Nederland, op de schepen en in Azië, enige duizenden aandeelhouders en een paar honderd bewindhebbers, zijn in die periode lonen, dividenden uitbetaald. Er is geïnvesteerd in schepen, kantoren, pakhuizen, werven en talloze deelbedrijven, maar ook in forten, kerken en scholen. Vele bedrijven, winkels en particulieren hebben gedurende twee eeuwen aan de VOC verdiend, ook in de jaren dat de Compagnie aan het wankelen was.
De Gouden Eeuw was een periode van welvaart in de 17e eeuw. Er was vooral een grote bloei op het gebied van schilderkunst, economie en wetenschap. Dit had als gevolg dat Amsterdam de belangrijkste handelsstad werd, want hier kwamen de goederen aan en van hier uit werden ze ook weer doorverkocht aan andere landen. Een paar bekende schilders zijn: Rembrandt van Rijn (De Nachtwacht), en Jan Steen. (Spreekwoord: Een huishouden van Jan Steen). Het opmerkelijke was dat deze schilderijen niet meer alleen maar werden besteld door de kerk. Aangezien de republiek protestant was, mochten er geen schilderijen in de kerken hangen. Nu werden er voornamelijk schilderijen besteld door de rijke burgers. Er hoefde dus ook geen moraal meer in te zitten. De schilders zagen zichzelf verder niet als kunstenaars, maar als vakmensen.
De republiek, bestaande uit zeven gewesten die een groot deel van het huidige Nederland innemen, was een van de rijkste staten in Europa.
De meeste boeren hielden hun hele oogst voor eigen gebruik. Nu gingen ze meer verbouwen, zodat ze het overschot konden verkopen, en gingen ze zich specialiseren in enkele producten. Hierdoor nam de handel toe, want de dingen die men zelf niet verbouwde, moesten gekocht worden. Verder hadden de ontdekkingsreizen er voor gezorgd dat men ook met andere, totaal onbekende producten zoals peper in aanraking kwam. Ook mensen uit andere landen raakten hierin geïnteresseerd.
de WIC had een goedlopende slavenhandel waarbij de grootste “cliënt” Amerika was. Vooral in de Verenigde staten en in Suriname werden de slaven goed verkocht. Het was flink winstgevend aangezien de slaven meestal krijgsgevangenen waren en dus vaak erg goedkoop waren. Dit zijn ook de zwarte bladzijden van Nederland. Het heeft onze reputatie naar beneden gehaald maar de welvaart van Nederland was echt voor een deel te danken aan de slavenhandel. Je kan dus zeggen dat mede dankzij de VOC en de WIC de Gouden Eeuw is ontstaan. Want de schepen moest worden gebouwd, maar een schip heeft natuurlijk hout nodig, daar zijn weer mensen voor nodig met hun bedrijfjes, de zeilen moesten worden gemaakt, de touwen en alles wat met een VOC of WIC te maken had moest worden gemaakt. Zo ontstonden weer veel nieuwe bedrijven en dus werkgelegenheid. En die mensen hadden weer een inkomen en dus konden ze hun geld weer aan andere dingen uitgeven. Dus de textielindustrie kwam bevoordeeld ook veel meer op gang, mede door de oprichting van de VOC. Dus de gevolgen voor de werkgelegenheid waren velen malen groter, dan alleen de mensen die op de schepen mee konden varen, want ze kregen er bijna geen geld voor, en het was een zeer zwaar bestaan. Maar ze hadden dan in ieder geval werk.
De Nederlanders hadden een aparte handelstechniek, die ze toepasten bij het inkopen van producten. De handelstechniek was als volgt: zodra de Nederlanders in een handelsland kwamen, sloten ze een verbond waarin ze beloofden elkaar te helpen en ervoor te zorgen dat de verkopers geen winst zouden maken. Twee keer per week kwamen ze in geheime vergaderingen bijeen. Daar bepaalden ze hoeveel goederen ze zouden kopen, voor welke prijs, en van welke kwaliteit. Zo werden de verkopers gedwongen hun producten te verkopen voor de prijs die de Nederlanders er voor wilden geven. Toen eind 1791 het octrooi van de WIC afliep namen de Staten-Generaal alle aandelen over tegen 30% van de nominale waarde. Na de overname werden de koloniën onder rechtstreeks bestuur van de Staten-Generaal gebracht, die daarvoor een “Commité tot de Zaken van de Coloniën en bezittingen op de kust van Guinea en Amerika” in het leven hadden geroepen; een voorloper van het latere ministerie van koloniën. De Westindische Compagnie tenslotte, was na een roerig bestaan van 171 jaar roemloos ten onder gegaan.

Conclusie: Wat zijn de VOC en de WIC en wat hebben ze voor de Nederlandse economie betekend?


De VOC en de WIC zijn scheepvaartmaatschappijen die ieder op hun eigen manier deel hebben gedragen aan de komst van de gouden eeuw. De VOC door in Indië (met veel geweld) landen te veroveren en een monopolie op bepaalde specerijen te verkrijgen door op “sneaky” manier de concurrentie uit te schakelen bijvoorbeeld door middel van de Hongitochten (deelvraag 2). De WIC door een stuk van de Spaanse zilvervloot te veroveren en in Afrika in slaven te handelen. De Nederlandse economie heeft van deze bedrijven kunnen profiteren omdat allereerst de VOC en de WIC een bron van werkgelegenheid vormden. Er was in Nederland in de Gouden eeuw ook een veel lagere werkloosheid dan bijvoorbeeld in Frankrijk, Duitsland of Engeland. Ten tweede waren er veel rijke lieden in Nederland die aandelen van de VOC of de WIC in hun bezit hadden waarover dividend werd uitgekeerd en ook heel erg in prijs bleven stijgen. Ze maakten ook van Amsterdam een hele belangrijke handelsstad. Zonder de VOC en de WIC was Amsterdam nooit zo`n grote haven als nu geweest. De VOC en de WIC hebben ook flink geïnvesteerd in scholen. Niet alleen in het buitenland waar hun koloniën zaten maar ook hier in Nederland waardoor Nederland veel meer hoogopgeleide mensen had die ook weer carrière konden maken.

Bronvermelding.

Ik heb de volgende 5 boeken gebruikt voor mijn profielwerkstuk:

- De geschiedenis van de WIC – door: Henk den Heijer
- Varen om peper en thee – door: Els M. Jacobs
- De Nederlandse Koloniën – door: J. van Goor
- J.P. Coen – door: Ruud Spruit
- Nederlandse slavenhandel ( 1621 – 1803) – Willem Flinkenflögel

Nabeschouwing


Ik heb dit een leuk werkstuk gevonden om te maken. Vooral ook omdat dit over dingen gaat die in deze tijd helemaal niet meer voorkomen bijvoorbeeld de sterfte aan boord van een schip. Als toen een schip in het kanaal verging, verging het met man en muis. In deze tijd bijvoorbeeld de tricolor, die verging ook in het midden van het kanaal maar iedereen werd nog gered. Ook ziektes zoals scheurbuis kun je je nu niet meer indenken. Hetgeen mij het meest fascineerde aan de VOC en de WIC zijn de schepen. De schepen die ze zo mooi hebben gebouwd. In deze tijd zal je dat nog een enkele keer zien als een antiek schip wordt nagebouwd. Maar zulke schepen als toen zul je nooit meer zien. Zoals we nu leven is volgens mij ook grotendeels door deze maatschappijen gekomen. Ze hebben Nederland zoveel welvaart gebracht dat we daar nu nog van kunnen genieten. Ik hoop dat u mijn werkstuk leuk vond om te lezen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Z.

Z.

Het klopt vanaf het begin niet. VOC heeft geld bij het amsterdamse volk gehaald om uit te kunnen varen (daar zijn ook aandelen geboren!!!)
Ze hebben de macht in de eerste instantie niet gekregen, Die blanke zijn afgeslacht door de "indianen" meerdere keren omdat tja, WAT KOM JE DOEN? Nou ze kwamen goud zoeken goud wat diep in het bos lag hadden die indianen geen zin in WEG WEZEN (duh)!
En nog zoooo veeel meer wat niet klopt.... ik raad je aan om de geschriften en dagboeken van TOEN der tijd te lezen (oud nederlands heel lastig om te lezen) maaar dan leer je iemand wel de juiste history.. en btw voc en wic is NIKS om trots op te zijn.

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Goed werkstuk, weet iemand misschien wat de verschillen zijn tussen de WIC en de VOC? Het liefst 3.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Goed werkstuk! Jammer wat jullie voorouders hebben gedaan tegen inheemse volkeren. Daar is niks om trots op te zijn. Ik vind het wel goed dat je hebt benoemt dat het met geweld is gegaan. Geniet van jullie welvaart.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

goed werkstuk maar gebruik wel wat makkelijkere woorden en wat heb je er voor gekregen?

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

ik heb een vraag.
weet je ook waar het WIC overal op de wereld kwam?

6 jaar geleden

Antwoorden

B.

B.

rond de driehoekshandel. Dus dat was vanuit Nederland naar Afrika en dan naar Amerika en terug. Dus zo ongeveer rond de Atlantische Oceaan :)

4 jaar geleden

gast

gast

M.

M.

Hoi
Goed stuk werk!! Over mijn voorouders!!!
Vriendelijke Groet
M.J. ten Grotenhuis

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

hoi goed werkstukkie !!!!!
kussies =XxX= lsbn (KP)

13 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast