Julius Caesar

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Profielwerkstuk door een scholier
  • 6e klas vwo | 8656 woorden
  • 7 mei 2004
  • 410 keer beoordeeld
Cijfer 6.2
410 keer beoordeeld

PROFIELWERKSTUK: ‘GAIUS JULIUS CAESAR’ Inleiding Tweeduizend jaar geleden behoorde het grootste deel van West-Europa, het Midden-Oosten en de noordkust van Afrika tot één groot rijk. Alle steden in dit uitgestrekte gebied werden volgens een zelfde voorbeeld gebouwd en door een netwerk van verharde wegen (waar nog steeds overblijfselen van zijn) stond elk gewest in verbinding met Rome. Een lange, stabiele periode, de Pax Romana (vrede gewaarborgd door het Romeinse Rijk) kondigde zich aan tijdens de regering van de eerste keizer, Augustus, en zou ruim 200 jaar standhouden. Alle grenzen werden door het machtige Romeinse leger bewaakt, terwijl het bestuur in handen was van deskundige ambtenaren. De landen waren verenigd, de handel kwam tot grote bloei en in het jaar 200 had het rijk haar hoogtepunt in macht bereikt. Daarna ging het bergafwaarts en in het jaar 284 werd het rijk in tweeën gesplitst. In 476 werd het westelijke rijk (bestuurd vanuit Rome) door barbaarse volksstammen veroverd. Het oostelijke rijk (bestuurd vanuit Constantinopel, het huidige Istanbul) bleef tot 1453 voortbestaan. Wat heeft Julius Caesar eigenlijk met dit enorm Romeins Rijk te maken? Blijkbaar is hij erg belangrijk geweest voor het keizerrijk. Maar wat was zijn invloed op het Romeinse Rijk? Wat waren zijn politieke ideeën en is hij geslaagd in zijn handelen? Deze en nog meer vragen proberen wij te beantwoorden in dit Profielwerkstuk. Hoofdvraag: Wat was de invloed van Julius Caesar op het Romeinse Rijk? Deelvragen: - Wat was het Romeinse Rijk? - Wie was Julius Caesar? - Hoe verliep zijn politieke loopbaan en wat waren Caesars politieke ideeën? - Hoe kwam zijn alleenheerschappij tot zijn eind? - Hoe is Caesars invloed na zijn dood? Deelvraag 1: Wat was het Romeinse Rijk? Door Italië loopt een langgerekte bergrug, de Apennijnen. In dit gebergte ontspringt de rivier de Tiber. Die loopt door het noorden van de landstreek Latium en mondt uit in de Tyrrheense Zee. Op de noordelijke, hoge oever van deze rivier lagen, niet zo heel ver van zee, rond 700 v. Chr. wat dorpen tegen de heuvels. Waarschijnlijk woonden er boeren. Geleidelijk groeiden de dorpen samen tot een kleine stad met beneden aan de rivier een bestraat marktplein, het Forum. Het was een stad met eenvoudige huizen aan een rivier waar wat handel gedreven werd: Rome. De Romeinen waren niet de enigen en zeker niet de machtigsten die Italië bevolkten. Ten noorden woonden in een smalle kuststrook de Etrusken en in het zuiden hadden rond 750 v. Chr. de eerste Grieken koloniën gesticht. De Grieken hadden niet zoveel interesse in de noordelijke, barbaarse bevolking, de Etrusken vormden wel een bedreiging voor de kleine stad. Rond 600 v. Chr. onderwierpen ze Rome. Vanaf dat moment regeerden er Etruskische koningen. De Romein Brutus maakte in 510 v. Chr. een einde van de Etruskische overheersing. In die tijd sloot Rome ook zijn eerste bondgenootschappen met andere stadjes in Latium om samen te strijden tegen de Etrusken. Toen de Romeinen Latium onderworpen hadden, wilden ze rust in hun zojuist veroverde gebied. De enige manier om dat te bereiken was oorlog, want in hun ogen was aanval de beste verdediging. Rome veroverde nieuwe gebieden en was rond 295 voor Chr. heer en meester in Midden-Italië. De Grieken woonden al eeuwenlang in Zuid-Italië. Het waren landverhuizers die hun vaderland verlieten om ergens anders in de wereld het contact te zoeken. De kolonisten bleven in contact met de steden in Griekenland. Ze beschouwden Zuid-Italië, Griekenland en de westkust van Klein-Azië als één geheel, Groot-Griekenland. De Romeinen keken altijd erg op tegen de Grieken, maar de Grieken waren op hun beurt bang voor de Romeinen geworden omdat zij alle volken in Italië hadden verslagen. In 282 v. Chr. riepen ze daarom koning Pyrrhus te hulp. Hij was een ervaren veldheer die droomde van een groot rijk onder zijn heerschappij. Omdat de Romeinen een veel groter leger hadden dan Pyrrhus, trok Pyrrhus zich in 275 v. Chr. terug. Toen had Rome de macht over heel Italië. Door de overwinning op Pyrrhus en de Grieken was Rome een militaire macht geworden om rekening mee te houden. Toch bestuurden de Romeinen nog steeds op dezelfde manier als in 510 v. Chr. In dat jaar hebben de Romeinen, een grote uitzondering omdat zij erg veel waarde hechtten aan tradities, het koningsschap afgeschaft. De koning was aanvoerder in oorlogen, voorzitter van de volksvergadering, rechter en priester. Na zijn dood werd zijn opvolger gekozen door de senaat. Leden van de senaat waren de hoofden van de belangrijkste families van de stad. Zij behoorden tot de patriciërs (mensen uit grote, rijke en belangrijke families). De senaat telde 300 leden. Zij adviseerden de koning bij veel zaken. Daarnaast bestond de volksvergadering met 193 leden. Hiervan konden alle burgers, dus ook de arme plebejers, lid worden. Natuurlijk mochten de rijke leden meer vertegenwoordigers hebben dan de arme burgers. Die hadden dus altijd de meerderheid in de volksvergadering. Omstreeks 500 v. Chr. maakte een staatsgreep een einde aan het koningsschap. De patriciërs namen de macht in handen. Ze besloten dat nooit meer één man de macht in handen zou mogen hebben. Ze bedachten daarom een nieuwe staatsvorm. De macht werd verdeeld over een aantal mensen. Deze werden voor hun ambt gekozen en mochten dat ambt maar kort vervullen. Ze waren eigenlijk hoge ambtenaren of magistraten. De patriciërs vonden dat zij samen verantwoordelijk waren voor de staat. De staat werd dus een republiek (‘res publica’ = gemeenschappelijke zaak), het werd alleen geen democratie want de patriciërs wilden de macht niet met het volk delen. De belangrijkste magistraten waren de beide consuls. Ze werden gekozen voor één jaar. De ene consul kon alle maatregelen van zijn collega ongedaan maken door zijn veto-recht. De consuls hadden vooral een militaire taak. Ze kregen elk het bevel over de helft van het leger. Wanneer de staat in groot gevaar verkeerde, was het lastig om twee opperbevelhebbers te hebben. Dan gaf de senaat tijdelijk grote macht aan één van de consuls, hij kreeg de titel dictator. De macht van de dictator was vrijwel gelijk aan de vroegere koningen. Echter moest hij na een half jaar zijn macht weer afstaan en ambteloos burger worden. De senaat werd in de republiek de machtigste instelling. Alleen oud-magistraten konden er lid van worden. Ze bleven dat dan hun hele leven. De kennis en ervaring van de senatoren was daardoor groot. Omdat alleen patriciërs hoge ambten mochten vervullen, waren ook alle senatoren patriciërs. Rond 500 kwamen er plebejers die in handel en nijverheid veel geld verdienden. Ondanks hun rijkdom kregen ze geen recht op hoge ambten. Maar in de eeuwen daarna ging dat veranderen. Omstreeks 490 v. Chr. behaalden de plebejers hun eerste successen. In de volksvergadering werd er niet gelet op iemands inkomen. Elke wijk van de stad mocht een aantal vertegenwoordigers kiezen. In Rome waren de meeste mensen arm, dus zaten er ook meer arme dan rijke mensen in de volksvergadering. Het tweede succes was de instelling van volkstribunen. Deze ambtenaren hadden het recht om elke maatregel van een magistraat, die schadelijk kon zijn voor de plebejers, te verbieden (veto-recht). Om heb tegen boze patriciërs te beschermen, waren ze onschendbaar. Niemand mocht geweld tegen hun gebruiken. Langzamerhand mochten alle ambten ook door de plebejers worden vervuld. In 409 v. Chr. mochten alle ambten ook door de plebejers worden vervuld. In 409 v. Chr. mochten ze ook voor het eerste ambt van quaestor vervullen. Zij regelden de financiële zaken van de staat. Vanaf 367 v. Chr. mocht één van de beide consuls plebejer zijn, vanaf 342 v. Chr. beide. De plebejers hadden bereikt wat ze wilden. Ze konden dezelfde carrière maken als de patriciërs. Maar dat gold alleen voor rijke plebejers. Verkiezingscampagnes kostten namelijk veel geld en de Romeinse magistraten werden niet voor hun werk betaald. Uit de rijke plebejers en patriciërs ontstond een nieuwe groep, de nobiles of edelen. De groep bestond uit ongeveer 20 grote families. Zij hadden de macht vast in handen. Rond 430 v. Chr. werd het ambt van censor ingesteld. De censor had twee taken. Hij moest een lijst maken van alle Romeinse burgers en hun inkomen. Die lijst werd onder andere gebruikt voor het vaststellen van belastingen. Daarnaast stelde hij vast wat er wel en niet was toegestaan. De censor werd eens in de vijf jaar gekozen. Na afloop van zijn ambtstermijn werd een groot feest gehouden, het lustrum. De bloeitijd van het senaat lag tussen 240 en 130 v. Chr. Onder haar leiding veroverden Romeinse legers grote delen van het Middellandse Zeegebied. Veel senatoren verzamelden enorme rijkdommen. Als je gouverneur werd van een provincie, leverde dat veel geld op. Daarvoor kwamen alleen oud-magistraten in aanmerking. Veel gouverneurs lieten de mensen in de provincies zoveel mogelijk belasting betalen. Een deel daarvan stuurden ze naar Rome, maar er verdween veel in hun eigen zakken. Het hielp maar weinig als de bevolking daarover klaagde bij de Romeinse staat. Rome was een wereldrijk en had steeds meer soldaten nodig om zijn grenzen te beschermen. Aan de noordgrens vielen Germaanse stammen binnen en in Gallië leden de Romeinen zware verliezen tegen de Galliërs. Burgerlegers leverden niet voldoende soldaten. Er moest snel wat gedaan worden. De consul van het jaar 107 v. Chr., Gajus Marius, stelde voor om proletariërs op te nemen in het leger. Hier mee kon hij twee vliegen in een klap slaan: voldoende soldaten en afname van het grote aantal proletariërs in Rome. Marius gaf de proletariërs een militaire opleiding, een wapenrusting en beloofde hen na een diensttijd van vijf jaar een stukje grond. Het leger bestond nu uit beroepssoldaten die een beloning in de wacht wilden slepen. Doordat soldaten lang in dienst bleven, ontstond er een hechte band tussen de generaal en zijn legioen. De soldaten waren trouw aan de generaal. De generaal was de patroon, de soldaten zijn cliëntèle. De generaals kregen, omdat ze een trouw legioen onder hun commando hadden, steeds meer politieke invloed. Onderlinge twisten tussen politici en generaals stortten Rome vanaf 90 v. Chr. in een serie burgeroorlogen.
Deelvraag 2: Wie was Julius Caesar? In het oude Rome was het de gewoonte dat de eerst geboren zoon van een familie naar zijn vader werd vernoemd. Om deze reden kreeg ook Caesar toen hij op de wereld kwam de voornaam Gaius, de familienaam Julius en de bijnaam Caesar. Caesar werd geboren als zoon van Gaius Caesar en Aurelia. Een feitelijke datum van Caesars geboorte is niet te geven omdat deze niet zeker is. Toen hij in 59 voor Christus consul werd schreven sommige bronnen het jaar 101 voor Christus als zijn geboortejaar, terwijl andere de voorkeur gaven aan het jaar 102. Tegenwoordig acht met 100 voor Christus als het meest waarschijnlijk. Hij werd voor die tijd op een ongewone wijze geboren, hij kwam ter wereld door middel van een operatie die sindsdien bekendstaat als de keizersnede. Caesar was de zoon van een vooraanstaande Romeinse familie. Zijn familie was een van de beroemdste families in de geschiedenis van het oude Rome. Van zijn vaders kant was hij een afstammeling van Iulus, die naar de verhalen van vroeger de kleinzoon was van Venus en de zoon van Aeneas. Van moeders zijde zou hij afstammen van Ancus Marius, een van de legendarische koningen van Rome. Het is niet onbegrijpelijk dat iemand van deze afkomst een grote eerzucht bezat en er alles aan deed om zijn goddelijke afkomst waar te maken. Toen Julius bij de begrafenis van zijn tante Julia een lijkrede hield stelde hij nadrukkelijk vast: ‘Van mijn moeders kant is mijn familie van koninklijke bloede, mijn vader voert de oorsprong van zijn geslacht terug tot de onsterfelijke goden.’ Caesar was een slanke, knappe jongeman, met levendige donkere ogen. Hij werd met alle mogelijke zorg opgevoed en genoot hierdoor een zeer goede opvoeding. Dit was een gewoonte in patrische (= rijke) families. Zijn opvoeding kreeg hij van zijn vader, maar vooral van zijn moeder die door Tacitus werd geprezen als een vrouw die de oude tradities trouw bleef. Door deze opvoeding raakte hij vertrouwd met literatuur en wetenschappen. Caesar leerde vloeiend Grieks en Latijn spreken en was ook zeer goed op de hoogte van de literatuur van deze beide talen. Caesar had een gave als schrijver en kon daarbij zijn kennis van deze talen goed gebruiken. Hij blonk vooral uit door zijn aangeboren redenaarstalent dat hij bijschaaft in een school voor welsprekendheid (rhetorica) op het Griekse eiland Rhodos. Verder bestudeerde hij de lichaamsbeheersing en wist hij zichzelf goed in de hand te houden. Hoewel hij niet sterk was een waarschijnlijk ook een slechte spijsvertering heeft gehad was hij zeer bedreven in diverse sporttakken, en in staat groot ongemak en ontberingen te verdragen. Tijdens Caesars geboorte, was Gaius Marius de heerser in Rome. Gaius Marius was de man van Caesars tante Julia en was een popularis (politieke machthebber via de volksvergadering). Hij was een eerlijke, energieke soldaat en daarmee heeft hij het vertrouwen van het volk gewonnen. Marius had een goede politieke carrière gemaakt, maar was geen politieke genie. Toen de senaat had geprobeerd hem te laten aftreden was Marius direct naar het volk toe gesprongen om daar ‘aandacht’ te krijgen. Hierdoor kreeg hij de reputatie als vechter van het volk. Door zijn huwelijk met Julia, die afkomstig is uit een patriciërsfamilie, heeft hij veel connecties gekregen met de patriciërs. Geholpen met de stemmen van de familie van Julia werd Marius tot consul gekozen. Daarna behaalde Marius veel succesvolle overwinningen en verliet Rome tijdelijk door de vijandigheid van veel andere leiders uit de volkspartij. Op zeventigjarige leeftijd kwam Marius terug omdat hij opstanden in de Italiaanse steden moest stoppen. De mensen wilden volledige Romeinse burgerrechten en stemrecht krijgen. Hij slaagde in deze onderneming, maar werd er niet beter van want één van zijn ondergeschikten Lucius Sulla kreeg de opdracht om de expeditie tegen Mithridates (de koning van Pontus) te leiden. Er ontstonden allerlei rampen:de volgelingen van Marius zorgden ervoor dat Marius het opperbevel kreeg en daardoor keerden Sulla en zijn troepen onmiddellijk terug naar Rome om Marius en zijn troepen te verdrijven.Toen Sulla in een oorlog buiten Rome verwikkeld raakte, keerde Marius met zijn troepen terug naar Rome en verkoos Marius zich tot consul. Maar Marius stierf een paar dagen later aan een natuurlijke dood. Sulla keerde weer terug naar Rome en was op dat moment de machtigste man in Rome. Deelvraag 3: Hoe verliep zijn politieke loopbaan en wat waren Caesar’s politieke ideeën? - Op weg naar de macht
Toen Sulla stierf in 78v. Chr. haastte Caesar zich terug naar Rome. Hij kwam al snel tot de conclusie dat er niets was veranderd in Rome: in de volkspartij was nog steeds geen saamhorigheid en eenheid en de aristocratische partij vormde nog steeds een grote partij. Daarom besloot Caesar om zich niet met de politiek te bemoeien. Hij leefde als een gewone burger. Hij hield zich bezig met letterkunde, vermaakte zich met zijn vrienden en vrouwen. Maar hij maakte vooral veel schulden. Later begon Caesar zich te interesseren voor advocaat en daardoor nam hij de aanklacht tegen Gnaeus Dolabella tot zich (een volgeling van Sulla en oud-consul) wegens afpersing van de provinciebewoners in Macedonië. De tegenpartij bestond uit twee erg bekende en goede advocaten en daardoor verloor Caesar ook de zaak. Doordat Caesar de zaak verloor en veel schulden had besloot hij weer om naar het Oosten te gaan. Caesar vertrok naar Rhodos om daar zijn studie tot advocaat te voltooien onder leiding van een beroemde leermeester Apollonius Molo. (Hij was ook leermeester van o.a. Cicero). Dit duurde niet lang omdat er weer een oorlog was uitgebroken met Mithridates waaraan Caesar besloot mee te doen. Op eigen initiatief en kosten verzamelde Caesar een klein leger en verdedigde een paar steden en versloeg één van de opperbevelhebbers van Mithridates. Nadat Caesar militair tribunaal was geworden nam hij deel aan operaties in o.a. Cilicië, waarbij hij diende onder Lucullus (Romeins commandant die een partijgenoot van Sulla was). Caesar keerde in 73 v. Chr. terug naar Rome. Toen hij net in Rome aankwam werd hij gekozen tot lid van het college van priesters, wat bewees dat niet iedereen van die partij tegen hem was. Hier begon Caesars opgang naar de macht. Hij nam deel aan de reacties tegen de dictatuur van Sulla. De rechten van de tribunen (titel voor verschillende ambtenaren in het Romeinse rijk) werden hersteld in het land en later werd de rechterlijke macht die Sulla aan de adel had toegestaan tot andere groepen van de bevolking, door een wet die werd ingevoerd door Lucius Aurelius Cotta die familie was van de moeder van Caesar. Caesar steunde deze wet ook en daarmee kreeg hij bekendheid als politiek redenaar (een begaafd, talentvolle spreker) omdat hij ook succesvol was als advocaat. Caesar nam niet meteen deel aan de constitutie (een geheel van grondregels van de organisatie van de staat) van Sulla. Alleen de senaat heeft zich daaraan deelgenomen en de beide consuls Pompeius (goede generaal) en Crassus (machtig, rijk man). - Caesar en de democratie
Caesar had zich dus bij de volkspartij aangesloten en had duidelijk laten blijken dat hij tegen de oligarchen (personen die behoren tot hogere klassen of standen) was. Caesar wilde welzijn van het volk, maar hij was ervan overtuigd dat het geleid moest worden door een krachtig man die daarvoor bestemd was. Caesar vond dat zijn adellijke achtergrond in combinatie met zijn talenten zichzelf wel tot de macht moest leiden. Hij maakte zich geliefd bij het volk, maar moest wel oppassen, want hij had machtige vijanden die steeds op hun hoede waren. Dus moest Caesar proberen populair te worden zonder dat de anderen achterdochtig werden. Hij streefde naar hogere posities en rangen en stelde zich daarom kandidaat voor de verkiezingen tot quastor. Hij werd ook gekozen. Voordat Caesar Rome wou verlaten om zijn ambt te gaan vervullen stierf zijn tante Julia (vrouw van Marius) en Cornelia (zijn ex-vrouw). Caesar vertoonde een grote vorm van publiciteit toen hij besloot (tegen de Romeinse gewoonte in) om de lijkrede van Cornelia in het openbaar uit te spreken. Hij sprak eertonende woorden over Cornelia en droeg bij de begrafenisstoet het masker van Marius. Wat duidelijk aangaf dat Caesar Marius erg bewonderde. Daarna vertrok Caesar naar Spanje om deel uit te maken van de staf van de gouverneur, praetor Gaius Antinis Vetus. De quastoren mochten recht spreken in strafzaken, ze beheerden de schatkist en de inkomsten van de senaat. Ze hielden ook toezicht op de afrekening van belastinginners, maakten processen tegen de schuldenaren van de staat en regelden de verkoop van bezittingen als ze failliet gingen. In de provincies waren de quastoren ook verantwoordelijk voor het toezicht op de markten en daardoor reisde Caesar veel rond om in de steden belastingen en bijdragen te innen. Caesar kon goed op de hoogte blijven van de gang van zaken in Italië doordat hij elke keer zorgvuldig naar het nieuws en de geruchten luisterde. - Begin van een samenwerking

Caesar was drieëndertig jaar oud en zijn carrière verliep nog niet zo goed. Caesar is naar het standbeeld van Alexander de Grote gegaan en heeft daar voor zijn standbeeld zitten huilen omdat Caesar zichzelf verweet dat hij nog zo weinig had gedaan. Terwijl Alexander op die leeftijd zowat de hele wereld had veroverd. Caesar keerde terug naar Rome en maakte zijn ambtsperiode dus niet af. In Rome was er grote onrust en er ontwikkelden zich allerlei gebeurtenissen in de politiek. De aristocratische partij was nog steeds erg invloedrijk, maar de patriciërs waren gedwongen bepaalde tegemoetkomingen te doen, ook al waren de consuls hun nog steeds trouw. Ook waren er grote problemen in Klein-Azië: de zeerovers en Mithridates. Het lukte Mithridates iedere keer weer om aan de consul Lucullus te ontkomen. Gnaeus Pompeius profiteerde van deze situatie. Hij was zoon van een consul, was zeer rijk, had veel successen behaald in de strijd tegen bijvoorbeeld de Numidiërs. Pompeius profiteerde van zijn populariteit en van de aanwezigheid van zijn troepen die voor de poort van Rome stonden. In 70 v. Chr. werd Pompeius samen met Marcus Licinius Crassus tot consul gekozen. Crassus was erg jaloers op de populariteit van Pompeius en vond hem dus niet sympathiek. Toch vond Crassus het een handige zet om Pompeius zijn gang te laten gaan. Pompeius daarentegen had Crassus’ zijn invloed op de senaat nodig. Dus werkten ze samen. - Het driemanschap
Caesar verloor steeds meer zijn populariteit in de staat en wist dat hij met Crassus en Pompeius moest handelen om verder te kunnen komen. Dat lukte, er ontwikkelde zich een band tussen Crassus, Pompeius en Caesar. Deze drie mannen waren elk om verschillende redenen de meest opvallende figuren in de senaat. Pompeius door zijn militaire successen, Crassus door zijn rijkdom en Caesar door zijn populariteit bij het gewone volk. Er was wel wat onenigheid tussen Caesar en Pompeius maar dat lieten ze niet blijken. Helemaal niet meer toen Pompeius met Julia, (de dochter van Caesar) trouwde. Pompeius behaalde een zeer grote overwinning. Hij won de oorlog met Mithridates binnen een recordtijd van drie maanden. Mithridates vluchtte en pleegde later zelfmoord. - Caesar en de spelen
Doordat Caesar tot ‘aedilis curulius’ gekozen was, was hij verantwoordelijk voor de organisatie van de spelen in Rome. Dit was heel belangrijk voor Caesar omdat hij hierdoor zijn populariteit bij het volk kon krijgen. Caesars spelen waren indrukwekkend: het wagenrennen en de gladiatorengevechten waren erg opwindend. Caesar zelf keek ook naar de spelen, om zo te zien dat hij geliefd was bij het volk. Toen Pompeius afwezig was in Rome had de senaat de verkiezing van twee consuls tenietgedaan. Omdat die twee consuls stemmen van het volk hadden vervalst, werden er twee nieuwe consuls benoemd. Caesar probeerde via een speciale opdracht zijn populariteit te doen stijgen. Hij wou Egypte als Romeinse provincie te maken, maar dit mislukte. Dus probeerde hij het via een andere manier. Toen de hogepriester stierf moest er een nieuwe gekozen worden. Caesar maakte daarvoor weinig kans. Een vriend van Caesar schoot hem te hulp doordat hij bepaalde dat de volgende hogepriester gekozen moest worden door het volk. Crassus hielp Caesar door het omkopen van mensen en daardoor won Caesar met grote meerderheid. Weer steeg zijn populariteit. - De samenzwering van Catilina
In 63 v. Chr. was de toestand in Rome gespannen. Door de oorlogen van Pompeius zat er niks meer in de schatkist en er dreigde voortdurend een hongersnood uit te breken. In de senaat waren er heftige strijden tussen de partijen en alle klassen ontstaan. In 64 v. Chr. was Catalina, een jonge patriciër, kandidaat voor het consul. Hij beloofde alle schulden te laten verdwijnen, om zo meer stemmen te winnen. Als hij het niet zou halen, was hij van plan om zijn tegenstander zwaar te laten boeten. Het lukte Catilina niet om te winnen want hij werd verslagen door Cicero. Zoals gezegd verzamelde Catilina een groep sterke mannen, bestaande uit gladiatoren en oud-soldaten. Hij was van plan Cicero en zijn aanhangers te vermoorden. Maar werd opgepakt en kreeg de doodstraf. - Een tegenslag voor Caesar
Caesar kwam in de problemen toen hij ontdekte dat zijn vrouw Pompeia (de kleindochter van Sulla waarmee hij na de dood van Cornelia in 67 v. Chr. trouwde) in een ernstig schandaal was betrokken. Een jongeman (Clodius) was verliefd op Pompeia en probeerde haar te versieren. Dit mislukte, maar er gingen geruchten rond onder het volk dat Pompeia wel iets had met Clodius. Caesar verloor wat van zijn populariteit en verbrak meteen het huwelijk met Pompeia. Maar de senaat besloot dat Caesar van al zijn functies ontbonden moest worden en Caesar hield zich schuil in zijn huis. Dat Caesar populair bij het volk was bleek wel weer toen een menigte voor zijn huis stonden om te zeggen dat ze het erg vonden voor Caesar en met hem meeleefden. Toen een menigte demonstreerden bij de senaat besloten ze dat Caesar zijn functies weer mocht beoefenen. Caesar vertrok kort daarna naar Spanje omdat hij een zuidwestelijke provincie kreeg toegewezen. Hij kreeg alle recht in die provincie, hij mocht zelfs oorlog voeren. Caesar breidde zijn leger uit. Hij kreeg de meeste krijgskrachten doordat hij ze het burgerrecht gaf (wat totaal in strijd was met de traditionele politiek in Rome). Caesar liet veel niet-Romeinen toe tot zijn leger zodat er een hele grote groep ontstond. Hij wilde oorlog voeren om zijn militaire reputatie hoog te houden. Hij viel Brigantium aan en dit leidde tot een overwinning voor Caesar. Hierdoor kreeg hij de hoogste militaire onderscheiding. - Onderlinge ruzie
Ondertussen was er in Rome onenigheid tussen Pompeius en Crassus. De oligarchen deden hun uiterste best om die onenigheid te vergroten. Crassus daagde Pompeius openlijk uit. De patriciërs maakten plannen om de twee tegen elkaar uit te spelen. Deze plannen waren erg doorzichtig en daardoor ontging het Caesar niet. Hij zat in de perfecte situatie, want hij was een goede vriend van Crassus en had zakelijke banden met Pompeius. Caesar trad als bemiddelaar tussen Crassus en Pompeius op en eiste als tegenpresentatie dat zij hem steunden voor zijn verkiezingscampagne. Die verkiezingscampagne verliep erg goed. De collega van Caesar was Bibulus (een vriend van Cato). Caesar probeerde zijn macht uit te voeren maar er kwam al snel een strijd om de macht tussen hem en de patriciërs. Cato verzette zich later tegen Caesar en Pompeius en daardoor liet Caesar hem meteen arresteren. Bibulus verzette zich weer tegen deze maatregelen en daardoor nam de vijandige menigte hem te grazen. Caesar besloot om de senaat te negeren zodat hij zich tot het volk kon richten. Dit werd (natuurlijk) door de wet goedgekeurd. - Caesar als proconsul van Gallië. Caesar was bezig met het verkrijgen van het ambt van proconsul omdat dat een erg belangrijke functie was, zelfs belangrijker dan consul. Alleen zat Caesar met een probleem, want als hij weg zou gaan dan zou hij iets moeten hebben zodat hij zijn vijanden kon verhinderen te profiteren van zijn afwezigheid. Bibilus en Cicero vormden de grootste gevaren voor hem. Caesar moest dus iets vinden om van hen af te komen. Hij riep de hulp van Clodius in omdat hij nog bij hem in het krijt stond. Clodius hielp hem maar dat kon hij alleen als hij een machtspositie had. Hij moest volkstribuun worden. Een patriciër zou deze functie niet zomaar kunnen krijgen. Hij moest eerst geadopteerd worden door een plebejer (burger, niet-patriciër). Caesar maakte een wet aan waarin stond dat dit mocht. Clodius slaagde erin om Cicero Rome te laten verlaten. Caesar werd door de senaat tot proconsul van Gallia Cisalpina benoemd voor een periode van vijf jaar. Hij kreeg vier legioenen tot zijn beschikking en had het recht om zijn eigen onderbevelhebbers te kiezen en om kolonies van Romeinse burgers te vestigen. - Caesars grote liefde

Caesar maakte zich gereed om naar Gallië te gaan. Caesar was erg gevoelig voor de mode en daarom gaf hij erg veel geld uit aan kleding. Hij hield ook erg veel van vrouwen en had ook veel affaires met gehuwde, ongehuwde, patricische, koninklijke of barbaarse vrouwen. Zo kwam het dat veel mensen en voornamelijk Cicero hem verkeerd beoordeelden. Cicero dacht zelfs dat Caesar een bedreiging voor de staat kon betekenen. Op de muren in Rome stonden teksten als ‘Caesar was de rivaal van Bithynië’ (terwijl Caesar juist een goede vriend van de koning was). Later ontmoette hij zijn grote liefde Servilia (de moeder van Marcus Brutus). Hij gaf haar veel geschenken, (een parel van 6 miljoen sestertiën). De relatie met Servilia duurde ongeveer 20 jaar. Een tijd zullen we zien dat Caesar een relatie met Cleopatra krijgt die Caesar een zoon schonk (Caesarion). Cleopatra had veel invloed op Caesar uitgeoefend. En doordat ze dat deed dachten de Romeinen dat het nu zeker was dat Caesar naar een koninklijke troon verlangde. Caesar verbrak na een tijd de relatie met Cleopatra omdat hij zich nooit politiek liet beïnvloeden door een vrouw. - Op weg naar Gallië Het was een groot avontuur voor Caesar om naar Gallië te gaan. Hij zou in Gallië grote militaire roem en rijkdom behalen waarmee hij zijn schulden kon afbetalen in Rome. Hij zou ook een boek schrijven over zijn wapenfeiten. Gallië zou onder Caesar een bron zijn van strijdkrachten, slaven en goud. Caesar had het beste leger van de wereld: het bestond uit zo’n 6000 man die waren onderverdeeld in groepen of legioenen. Ze waren perfect getraind en hadden zeer goede discipline. De legioenen werden aangevoerd door onderaanvoerders van Caesar. Caesar vergrootte zijn leger nog meer naarmate zijn veldtochten. Maar zo’n leger zorgde wel voor grote problemen. Er was o.a. te weinig voedsel en de training verliep niet zo goed. - De Gallische oorlog
De eerste veldtocht van Caesar was die tegen de Helvetiërs, die samen met de Germanen de ergste tegenstanders van Caesar waren. De hele bevolking (ongeveer 368.000 personen) hadden zich verzameld voor de rivier de Rhône en aan een Romeinse provincie. Caesar moest dus snel actie ondernemen. Het plan van de Helvetiërs was dat ze via Gallia Transalpina zich gingen vestigen in een vruchtbaar gebied in het zuidwesten van Gallië. Caesar had op dat moment maar één legioen. Caesar was dus sterk in de minderheid maar dat maakte hem niks uit. Hij kwam met een plan: hij liet de brug bij Rhône afbreken en verspreidde zijn legioen over dat gebied. In die tussentijd vertrok Caesar snel naar Italië om daar zijn andere legers op te halen. Toen de legers van Caesar waren aangekomen begonnen de Helvetiërs aan te vallen maar dat lukte niet: het lukte Caesar om de Helvetiërs te laten vluchtten waarna de Helvetiërs zich overgaven. - Oorlog met de Germanen
Een andere oorlog van Caesar was die tegen de Germanen die zich in België wouden vestigen. Caesar wou dit absoluut niet hebben en haalde weer zijn legers bij elkaar en bereidde een aanval tegen de Germanen voor. De Germanen zeiden dat ze absoluut geen schuld hadden omdat ze gedwongen waren hier naar toe te komen omdat ze de oorlog met de Sueben hadden verloren. Ze beloofden dat ze niet voor moeilijkheden zouden zorgen als ze in België mochten blijven. Caesar vertrouwde en geloofde hen niet en begon aan te vallen. Zij vluchtten met de Romeinen achter hen aan, die hen ook vermoordde ondanks dat Rome protesteerde tegen dit soort acties van Caesar. Er waren zelfs mensen in Rome die vonden dat Caesar uitgeleverd moest worden aan de barbaren zodat zij zich konden wreken op Caesar omdat er veel vrouwen en kinderen waren vermoord door hem. Caesar bouwde ondertussen binnen 10 dagen een brug over de Rijn zodat hij en zijn legers naar het Germaanse grondgebied konden oversteken om daar alles te verwoesten en te plunderen. Caesar richtte nu zijn aandacht op Brittannië omdat dit een gebied was waar rebellen en tegenstanders van Romeinen naar toe vluchtten en de inwoners van Brittannië tegen de Romeinen opzetten. Hij gebruikte een vloot met legers erop en ging op weg naar Brittannië. De Brittanniërs wachtten de Romeinen bij de kust op. Caesar kon de Brittanniërs bij de kust verslaan maar hij ging niet verder omdat hij te weinig legers had. Caesar probeerde het in de zomer daarop nog een keer met een sterkere vloot van 800 schepen en grotere legers. Het lukte Caesar om op de kust te komen maar hij had nog geen overwinning behaald. Hij bedacht een listig plan: hij sloot overeenkomsten af met plaatselijke stamhoofden waardoor er minder vijanden waren en binnen een paar weken behaalde hij een belangrijke overwinning. Caesar kwam tot een vredeverdrag met Brittannië. Maar Brittannië kwam niet met het verdrag overeen omdat zij Rome moesten betalen wat ze nooit hadden gedaan. Dus kon Caesar niet echt zeggen dat hij Brittannië had veroverd, wat hij wel graag had gewild. Caesar wist dat hij hier niet meer kon blijven omdat Gallië hem nodig had. Hij vertrok naar Gallië omdat de Galliërs erg onrustig waren en zijn strijdkrachten konden het grote Gallische gebied niet zo goed meer in handen houden. Er begon een opstand te ontstaan omdat Gallië zich begon te herstellen. - Opstand in Gallië De opstand groeide en verspreidde zich snel door Gallië. De aanvoerder van de Belgen (Ambiorix) riep de hulp van noordelijke stammen in om tot opstand te komen. Hij kreeg hierbij hulp van de Nerviërs. Ambiorix deed een aanval op een Romeins kamp en verwoestte het. De Nerviërs vielen een andere kamp aan en op het moment dat het kamp zal worden verwoest kwam Caesar te hulp en slaagde er met moeite in om tot een vredesituatie te komen. Caesar realiseerde zich nu dat dit een erg moeilijke beslissende slag zal worden en daardoor organiseerde hij snel de verdediging van de hoofdstad Narbo. Hij zette een aantal legers in noordelijke gebieden en slaagde er daardoor in om zijn hoofdkwartier te bereiken. Vandaar uit kon Caesar een sterkere aanval organiseren tegen Vercingetorix, die Gallië op dat moment wou aanvallen. Caesar slaagde erin om hen tegen te houden. Het leger van Vercingetorix sloegen massaal op de vlucht naar het stadje Alesia. Caesar omsingelde het hele stadje en viel het leger aan. Caesar behaalde de overwinning en begon een tegenaanval. Vercingetorix gaf zich over: hij legde zijn wapens neer aan de voeten van Caesar. De opstand was tegengehouden. - Een dieptepunt
Ondertussen lagen de zaken in Rome ongunstig voor Caesar. Zijn dochter Julia was gestorven wat dus inhield dat de relatie tussen hem en Pompeius was verdwenen. Crassus was ook gestorven in de strijd. Clodius was vermoord. De vijanden van Caesar dachten dat de strijd in Brittannië een totale mislukking was geworden en daardoor was zijn reputatie omlaag gezakt. Zijn vijand Cato eiste daarom ook dat als hij terug zou keren uit Gallië er strenge maatregelen moesten worden genomen. Caesar wou dus niet terug gaan naar Rome als ambteloos burger, maar als consul zodat hij zich veilig kon stellen tegen iedere aanval. Hij wou zich dus tot kandidaat stellen tot consul in 48. Hij wou ook graag een verlenging van zijn commando in Gallië. De senaat was het niet met Caesar eens en weigerde om Caesars commando te verlengen. Pompeius voelde zich bedreigd door Caesar en wou dat Caesar zijn wapens neerlegde en zich overgaf. Caesar deed dit natuurlijk niet en daardoor trok Caesar in de nacht van 11 januari 49 v. Chr. de grensrivier Rubicon tussen Gallië en Italië over en bezette onderweg naar Rome een aantal steden en werd heerser in Italië. Pompeius trok op dat moment naar Griekenland. Caesar probeerde het een en ander bij te leggen met Pompeius maar daar wou Pompeius niks van weten. - Oorlog met Pompeius
Caesar trok zich in Spanje terug en had heel westelijk Spanje onder controle. De troepen van Pompeius waren geen partij voor Caesar. De troepen van Pompeius waren ook minder loyaal tegenover hem dan dat de troepen tegen Caesar waren. Caesar was niet al te streng tegenover de verslagen soldaten van Pompeius. Hij liet ze tot een keuze: ze moesten zich bij Caesar aansluiten of ze moesten terugkeren naar Italie (het merendeels sloot zich bij Caesar aan). Op de terugtocht naar Rome versloeg Caesar Marseille en dwong de bevolking haar wapens, vloot en de schatkist aan hem te geven. Hij liet twee legers achter en vertrok naar Rome. In Rome stond het leven als het ware stil. Het bestuur was opgehouden met regeren en het was dringend nodig dat alles weer op gang kwam in Rome. Caesar haalde de preator over om een wetsvoorstel in te dienen om tijdelijk een dictator aan te stellen tot de nieuwe consulverkiezingen. Nu stond Caesar niets meer in de weg om naar Griekenland te gaan, (waar Pompeius zijn troepen had verzameld). De reis verliep zonder incidenten. - Pompeius’ nederlaag en dood. De beslissende strijd tussen Caesar en Pompeius vond plaats in Dyrhachium. De twee legers ontmoetten elkaar in de vlakte van Pharsalus. Pompeius wou geen open strijd omdat dat teveel risico’s met zich meebracht. Hij vertrok met zijn leger naar een helling van een heuvel en probeerde het leger van Caesar te omsingelen. Caesar had dit plan snel door en kon de uitvoering ervan verhinderen. Caesar viel onverwachts een deel van het leger aan en die snel werden verslagen. De rest van het leger begon zich snel terug te trekken maar dat lukte niet want Caesar stuurde daar een groep op af en die hen versloeg. Al snel kwamen Caesars mannen bij het kamp van Pompeius aan waar hij al tijd had zitten af te wachten. Pompeius schrok ook en was verbijsterd dat hij nu machteloos stond. Hij sloeg op de vlucht en kwam zeven weken later aan in Egypte waar de koning Pompeius liet vermoorden uit eerbetoon aan Caesar de overwinnaar. Caesar wist dat hierdoor de oorlog nog niet voorbij was omdat er nog troepen van Pompeius waren die de macht hadden over de zee. Daarom verliet Caesar Griekenland en ging via Klein-Azie naar Egypte. - Caesar in Egypte
Toen Caesar in Alexandrië (in Egypte) aankwam werd hij door ene Theodutus geconfronteerd met het hoofd van Pompeius. Caesar vond het verschrikkelijk en begon te huilen. Hij vond het een verschrikkelijke gebeurtenis en liet daarom de vrienden en relaties van Pompeius vrij en gaf hun allemaal geschenken. Ondertussen was er een grote strijd om de troon in Egypte. Cleopatra en haar broertje Ptolemaeus X1V en zus Arsinoë wouden alledrie de troon. Cleopatra probeerde via haar

charmes Caesars hulp te krijgen. Bij hun eerste ontmoeting voelde Caesar zich erg aangetrokken tot Cleopatra en koos daardoor haar zijde en nam haar op in zijn paleis. Caesar kwam hierdoor in de problemen omdat Arisnoë jaloers was en Caesar ook aan haar zijde wou hebben. Arisnoë haalde het Egyptische leger erbij en hierdoor kwam Caesar in een gevaarlijke situatie. Het leger hield Caesar de hele tijd in de gaten. Er waren pogingen gedaan om hem te vergiftigen. Caesar probeerde vanuit zijn paleis zijn hulptroepen te bereiken zodat hij kon ontsnappen. Dat lukte, zijn troepen kwamen vanuit Syrië en Cilicië om hem te helpen. Caesar versloeg Ptolemaeus en Arisnoë werd gevangen genomen en werd naar Italië uitgeleverd. Caesar en Cleopatra maakten een fantastische boottocht over de Nijl en genoten van hun liefde. Caesar kon niet lang van de liefde genieten omdat een vijand van hem Pharnaces (= de zoon van Mithridates) een burgeroorlog in Klein-Azië had veroorzaakt en daar een overwinning behaalde. Caesar moest wraak nemen op Pharnaces. Hij deed dat in het stadje Zela waar hij de woorden veni, vidi, vici, (ik kwam, zag en overwon) uitsprak en Pharnaces versloeg. Caesar keerde terug naar Rome. In Rome waren er veel problemen: de stad was in de handen van de anarchisten. Caesar probeerde de problemen op te lossen: hij gaf de senaat de opdracht dat ze de belasting gingen verlagen zodat het volk weer wat tevredener zal zijn. Er was ook een opstand van de soldaten tegen Caesar omdat Caesar hun geld uit dank voor de hulp bij de veldtochten nog steeds niet had uitbetaald. Caesar probeerde er onderuit te komen en ontsloeg alle soldaten zodat ze geen geld meer konden krijgen. Zijn plan lukte omdat de soldaten zeiden dat Caesar het geld mocht laten zitten en ze smeekten dat ze weer aangenomen mochten worden door Caesar. - De dood van Cato
Caesar kreeg weer met een oorlog te maken. Zijn vijanden Africanus (een aanvoerder in Spanje), Labienus (hoorde eerst bij Caesar maar ging later naar Pompeius) en Cato. Zij hadden zich samen in Afrika verzameld. Hun leger beston uit ongeveer 35.000 mannen. Ze konden ook nog op de steun van Juba, koning van Numidië en zoon van Pompeius rekenen. Caesar was natuurlijk weer in de minderheid maar hij gaf niet op, hij trainde zijn leger en wachtte op versterkingen van buitenaf. De oorlog vond plaats op 6 februari 46 v. Chr. Uiteindelijk won het leger van Caesar van de Pompeianen. De anderen waren bang geworden: Labienus vluchtte samen met Juba naar Numidië, waar hij zelfmoord pleegde. Cato vluchtte ook en ging naar Utica waar hij ook zelfmoord pleegde. De senaat was erg trots op Caesar en bewees hem ook alle eer: hij mocht triomftochten maken door Gallië, Egypte, en natuurlijk door Rome. Hij kreeg ook allerlei giften in de vorm van geld en geschenken voor bijvoorbeeld het leger. - Caesar als alleenheerser
De senaat benoemde Caesar in 45 v. Chr. tot dictator voor een periode van tien jaar. Hij kreeg de beschikking over het benoemen van kandidaten voor de belangrijke taken. Het belangrijkste doel van Caesar was: de afschaffing van de onrechtvaardigheden die de aristocratie het volk had aangedaan. Dit doel bereikte hij door wetten in te voeren die de luxe beperkten. Ook vernieuwde hij het belastingsstelsel. Hij bracht de bestuursperiode voor gouverneurs terug van vier tot twee jaar. Ook breidde hij het stemrecht uit voor de bewoners van Gallië. Hij voerde wetten in waardoor politieke omkoperij verboden werd. Hij hervormde de kalender van 355 dagen naar 365,25 dagen. En hij bracht belangrijke bouwprojecten op gang. Deelvraag 4: Hoe kwam zijn alleenheerschappij tot zijn eind? Caesar had de wil om koning te worden en dus school er enige waarheid in de geruchten die zijn tegenstanders verspreidden. De enige manier waarop de patriciërs hem een halt konden toeroepen op zijn weg naar de dictatuur was hem uit de weg te ruimen. Er was een plan gesmeed om Caesar te vermoorden en dat begon nu vorm te krijgen. Een groep van vijftig of zestig leidende senatoren besloot dat de maat vol nu was. De belangrijkste initiatiefnemer van de samenzwering tegen Caesar was Caius Cassius, hij was een van Pompeius volgelingen. Een zestigtal anderen sloot zich bij hem aan. Een van die mensen was Marcus Brutus, naar men zei een bastaardzoon van Caesar. Brutus was een man met een edel karakter, hij was ontwikkeld en idealistisch en een graag gezien man bij het volk. De samenzweerders tegen Caesar hadden hun best gedaan om hem aan hun zijde te krijgen. Als datum voor de moord werd de senaatsvergadering van 15 maart gekozen, de zogenaamde Idus van maart, drie dagen voor Caesar naar Parthië zou vertrekken 15 maart werd dan ook als dag van de aanslag vastgesteld
De daad zou in het openbaar geschieden, voor het hoogste lichaam van de staat, om het vaderlandslievende karakter van de moord te onderstrepen. Caesar bracht de avond van de veertiende maart met een paar vrienden door. Ze spraken over de dood en toen iemand vroeg aan Caesar welk levenseinde hij voor zichzelf voorzag antwoordde hij: ‘een onverwacht einde’. Caesar had inmiddels zijn Spaanse lijfwacht ontslagen, want hij zei dat het beter was ineens te sterven dan de dood voortdurend te vrezen. De volgende morgen zei Caesars vrouw Calpurnia dat hij niet naar de senaat zou moeten gaan, ze had die nacht een niet veel goeds voorspellende droom gehad en wilde dat haar man thuis bleef. Daardoor of misschien omdat Caesar zich niet goed voelde besloot hij thuis te blijven. Maar de samenzweerders waren niet van plan de daad uit te stellen. Een van hem ging naar Caesars huis en haalde hem over toch naar de senaatsvergadering te komen. Het senaatsgebouw werd herbouwd en dus zouden de senatoren vergaderen op de Campus Martius, in het grandioze theater (het eerste stenen theater in Rome) dat door Caesars vroegere aartsrivaal Pompeius was gebouwd. Plutarchus schrijft dat onderweg daarheen een zekere Artemidorus, een man die op de hoogte was van de samenzwering Caesar een brief met details over wat men van plan was in de handen zou hebben gedrukt om hem te waarschuwen. Caesar moest zich een weg banen door de massa om het gebouw binnen te komen. Door de drukte en in het gedrang was Caesar niet in staat de brief te lezen. Een ander had voorspelt dat hem iets zou overkomen op de Idus van maart en toen Caesar hem in de deuropening zag staan, lachte hij en zei hij dat de Idus van maart was aangebroken en hem niets was overkomen. De profeet antwoordde dat de dag inderdaad was aangebroken maar nog niet voorbij was. Toen hij het senaatsgebouw binnenkwam stonden de senatoren op om hem eer te bewijzen. Terwijl Caesar zich naar zijn zetel begaf, drongen enkele samenzweerders dicht om hem heen zogenaamd om hem te verzoeken de broer van Metellus Cimber uit ballingschap terug te roepen. Vervolgens pakte Cimber hem bij zijn toga, het symbool van burgerschap dat hem veertig jaar eerder zo liefdevol was geschonken, die bij zijn schouder naar beneden werd getrokken en waardoor met heftige ruk zijn hals werd ontbloot. Dit was het afgesproken teken. Casca bracht de eerste stoot toe, die hem niet ernstig verwondde. Caesar greep zijn zwaard om zich te verdedigen, maar de samenzweerders overweldigden hem. Plutarchus beschreef de gebeurtenis zo: ‘Waar hij ook heen draaide, hij werd getroffen door de dolkstoten en hij zag hoe het koude staal op zijn gezicht en zijn ogen afkwam. Van alle kanten jaagden ze hem op en als een zwoegend wild beest moest hij lijden onder de handen van hen allen; want zij hadden afgesproken dat zij allemaal aan dit offer zouden deelnemen en allemaal zijn bloed zouden vergieten.’ Veel steken waren oppervlakkige sneden en Caesar probeerde zich te bevrijden. Zijn aanhangers waren te ver weg om hem te helpen want dit was de laatste plaats waar een aanval op Caesar werd verwacht. Volgens zeggen hield hij op met weerstand bieden toen hij Brutus onder zijn aanvallers zag. Te midden van deze razernij die ervoor zorgde dat heel wat senatoren elkaar verwondden, zakte Caesar in elkaar, dodelijk getroffen in de borst. Hij zou met zijn laatste krachten zijn toga over zijn hoofd hebben getrokken, zodat niemand hem gewond zou zien, stervend, machteloos. Even hulpeloos als de baby die Aurelia 56 jaar eerder had gebaard, stierf Gaius Julius Caesar. Dit was het einde van zijn heerschappij, Caesar was er niet meer en kon zijn volk dus niet meer leiden. Maar wat zijn samenzweerders niet in de gaten hadden waren de gevolgen van hun actie. Er schijnt weinig te zijn nagedacht over wat er na zijn dood moest gebeuren. Ze wisten niet zeker of de massa hen zou steunen. Het enige waar zij zich mee bezighielden, was Caesar weg te werken. Het werd voorbereid, aldus Cicero, ‘met de moed van mannen maar het verstand van jochies’. Zij hadden niet voorzien dat vele weken na de dood van Caesar er terreur en wanorde zou heersen in de stad. Degene die hadden gedacht dat ze door, Caesar aan de voet van het standbeeld van Pompeius ter dood zouden brengen, de republiek zouden herstellen kwamen bedrogen uit. Maar de republiek was nu eenmaal niet meer te redden.
Deelvraag 5: Hoe is Caesars invloed na zijn dood? Op de vijftiende maart van het jaar 44 voor Chr. werd Julius Caesar dus door senatoren gedood. Hij werd door het volk en Marcus Antonius (toenmalig consul) als een God beschouwd, wat je ook kon terugvinden tijdens de ceremonies van zijn begrafenis. Zijn dood veroorzaakte grote woede bij zijn soldaten en bij veel Romeinse burgers. Met brandende fakkels trok de woedende massa naar de huizen van de moordenaars. Een nieuwe burgeroorlog was uitgebroken. Uit die burgeroorlog kwam uiteindelijk Caesars pleegzoon Octavianus als overwinnaar, nadat hij in 34 voor Chr. zijn concurrent Marcus Antonius had verslagen. Met de regering van Octavianus begon in Rome een nieuwe periode. De republiek bestond niet meer; alle macht lag nu in handen van één persoon. Maar de dood van Caesar had aangetoond dat het levensgevaarlijk was om je alleenheerser te noemen. Octavianus was zo slim zich geen dictator te noemen, hoewel hij het in feite wel was. Hij had een trouw leger achter zich en geen enkele politicus durfde het tegen hem op te nemen. Eerst zette hij zijn vijanden uit de senaat. Tegen de overblijvende senatoren was hij een en al vriendelijkheid. In plaats van kritiek op hem te leveren, gaf de senaat hem de eretitel Augustus, de verhevene, de eerbiedwaardige. Augustus noemde zich ook Caesar, naar zijn grote voorganger en familielid. Ook de heersers na hem deden dat. Zo werd Caesar synoniem voor heerser. Rome was nu een keizerrijk. En dat bleef het vijf eeuwen lang, tot aan de ondergang. Want als de senatoren die hem vermoord zouden hebben gedacht hadden dat ze door Caesar uit de weg te ruimen de republiek zouden kunnen herstellen, hadden ze het mis. De republiek behoorde tot het verleden. Het Romeinse Imperium kon niet langer worden bestuurd door de instituten van de stad Rome en Caesar had duidelijk gemaakt dat het noodzakelijk was dat er een nieuwe vorm van besturen zou moeten komen. Met een dergelijk groot rijk kon je onmogelijk over alle problemen discussiëren. Het rijk was te groot geworden voor een senaat. Conclusie: Wat was de invloed van Julius Caesar op het Romeinse Rijk? Tussen 240 en 130 voor Chr. veroverden Romeinse legers grote delen van het Middellandse Zeegebied. Het was een wereldrijk en had steeds meer soldaten en legers nodig om zijn grenzen te beschermen. Dat was niet gemakkelijk want er vielen Germaanse stammen binnen en in Gallië werden de Romeinen bijna verslagen. Door Gajus Marius mochten proletariërs voortaan bij het leger, waardoor er weer voldoende soldaten waren en er sterke legers gevormd konden worden. De situatie in Rome en het Romeinse Rijk waren in de tijd van Caesars jeugd zeer verward. Want vanaf 90 voor Chr. waren er veel burgeroorlogen in Rome door onderlinge twisten tussen politici en generaals. De situatie was dus verre van eenvoudig maar voor een vastbesloten persoonlijkheid als Caesar ook weer ideaal. In de burgeroorlogen wist de jonge populaire Caesar veel macht te krijgen. Toen hij op een gegeven moment een belangrijke functie had maakte hij al snel zijn eigen beslissingen die in strijd waren met de traditionele politiek van Rome. Een grote verandering was het invoeren van het Romeins burgerrecht aan vele van zijn strijdkrachten en het veranderen van het belastingstelsel. Hij hield zich niet aan de regels die werden opgesteld, zo benoemde hij bijvoorbeeld ambtenaren voor vele jaren langer dan was toegestaan. Hij was van mening dat alles wat hij zei ook moest gebeuren. Zo zei hij eens: ‘De republiek is niets anders dan een naam zonder inhoud of werkelijkheid. De mensen meten wat ik zeg als een wet beschouwen en die wetten naleven’ Tijdens zijn heerschappij keek hij met minachting neer op de Romeinse staatsinstelling en deed of zij niet veel betekenden. Hij streefde met zijn vastbesloten persoonlijkheid vurig naar politieke macht. Eigenlijk streefde hij altijd naar de koningstitel want, doordat het Romeinse Rijk zo in omvang was toegenomen, was het bijna onmogelijk dat het rijk door volksvergaderingen en een senaat bestuurd werd. De enige methode om dit probleem op te lossen was volgens Caesar dat het beter zou zijn dat één man het gezag in handen kreeg. Zo zou het rijk niet uiteen vallen. Toen Caesar eenmaal aan de macht was veranderde hij veel aan de politiek die Rome bezat. Hij voerde zijn eigen ideeën in, die waren gebaseerd op zijn bewondering voor zijn oom Gaius Marius. Marius had de genegenheid van het volk gewonnen en dat wilde Caesar ook. Het belangrijkste politieke doel van Caesar was dat de onrechtvaardigheden die de aristocratie het volk had aangedaan afgeschaft werden. Hij voerde verschillende wetten en maatregelen in die dat doel nastreefden. Toen Caesar tot dictator werd benoemd voor een periode van 10 jaar, maakte hij meteen gebruik van de macht die hij nu bezat. Caesar was nu alleenheerser en had alle macht in handen. Helaas viel dit politieke idee niet zo goed bij senatoren. Zij wilden het rijk liever zien als een republiek. Door een samenzwering werd Julius Caesar op 15 maart 44 voor Chr. vermoord. Hiermee eindigde de heerschappij van Caesar. Toch zijn Caesars ideeën geslaagd, hoewel hij vroegtijdig vermoord is. Zijn regeren zou je noodzakelijk kunnen noemen, omdat zonder Julius Caesar het Romeinse Rijk niet zo machtig zou kunnen worden zoals het geweest is. Hij heeft een diepe indruk achter gelaten op zijn volgelingen, de keizers van Rome. Al was hij eerzuchtig voor zichzelf, hij was het ook voor Rome en hij was trots op de vrede en beschaving die de Romeinse heerschappij een deel van de wereld kon brengen.

REACTIES

F.

F.

Hee,

Wij willen ook een pws doen over julius ceasar. maar onze begleidende docent keurt alle bronnen af. Wie heeft tips voor bronnen

Groetjes

13 jaar geleden

E.

E.

Bedankt, voor elke spreekbeurt die ik moet doen , snuffel ik hier wel eens rond op deze website ik ga vooral de inleiding gebruiken !!! hier vind je zelfs meer dan op Wikipedia !!!!

12 jaar geleden

J.

J.

lololololololollololololollolololololololololololololololololololo

7 jaar geleden

J.

J.

lolololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololovlolololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololololololololololololololollolollolololololololollololololololololololololololololololololololo

7 jaar geleden

R.

R.

leuk! veel info en goed. super uitgelegd.

7 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.