Samen met onze partner #UseTheNews doen we onderzoek naar de Europese en Amerikaanse verkiezingen. Geef jouw mening en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed!

Jeugdcriminaliteit van 1945 tot nu in Nederland

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Profielwerkstuk door een scholier
  • 5e klas havo | 4134 woorden
  • 2 maart 2002
  • 216 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
216 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video
Inleiding

Dit profielwerkstuk gaat over jeugdcriminaliteit.
We hebben dit onderwerp gekozen, omdat het ons interessant leek om de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit te onderzoeken, en ook omdat wij beide waarschijnlijk later met kinderen gaan werken.
Jeugdcriminaliteit is een vrij breed onderwerp, je kan op verschillende dingen dieper ingaan,
zoals leeftijdsgroepen, delicten, jeugdbendes en dergelijke.
Wij hebben gekozen voor de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit in het algemeen, en of muziek, drank en de komst van drugs daarop invloed hebben (gehad).


Jeugdcriminaliteit is er altijd al geweest, alleen niet onder deze naam en misschien ook niet altijd in de vorm zoals het nu is.
Vroeger werd er misschien eerder over baldadigheid of iets dergelijks gesproken, er werden toen in elk geval nog geen glazen bushokjes vernield.
Er is heel weinig informatie over vroeger van dit soort dingen te vinden.
Mensen hielden zich met andere dingen bezig, het speelde geen of maar een kleine rol in het dagelijks leven.
Pas later zijn er gegevens verzameld, waarna men tot de conclusie kwam dat er meer aandacht aan jeugdcriminaliteit moest worden besteedt.
Dit leidde o.a. tot de komst van Bureau Halt, waar we het later in dit werkstuk nog over hebben.

We beginnen dit werkstuk met uitleg over jeugdcriminaliteit, zodat het duidelijk is waarover we het precies hebben.
Daarna gaan we dieper in op de hoofdvraag:
“Hoe ontwikkelde de jeugdcriminaliteit in Nederland zich van 1945 tot nu?”
Aan de hand van deelvragen hebben we de tijd in periodes onderverdeeld, waarin we proberen te beschrijven wat er in die tijd is gebeurd en wat voor invloed dat heeft gehad.
Tot slot volgt een hoofdstuk over de bestrijding/preventie van jeugdcriminaliteit, we gaan hier dieper in op allerlei maatregelen en straffen.

Deelvraag 1
Wat houdt jeugdcriminaliteit in?

Jeugdcriminaliteit is een verzamelnaam voor alle strafbare delicten van jeugdigen tot 24 jaar.

Die ‘strafbare delicten’ kunnen erg uiteen lopen.
Het gaat van snoepjes stelen bij de plaatselijke supermarkt tot ernstige vernielzucht en grof (seksueel) geweld.
Kort gezegd is jeugdcriminaliteit al het gedrag dat schade en/of overlast voor personen en/of goederen tot gevolg heeft.

Bij kinderen en jongeren is het normaal dat ze grenzen zoeken en verkennen, experimenteren met hoever ze kunnen gaan.
Daar is dus in principe niks mee aan de hand, maar soms gaat het verder dan verkennen alleen.
Dan kan het gaan om (ernstigere) vormen van strafbaar gedrag, jeugdcriminaliteit.

Jeugdcriminaliteit is onder te verdelen in verschillende vormen:
- Diefstal
- Vernieling en vandalisme
- Verschillende geweldsvormen
- mishandeling
- diefstal met geweld / afpersing
- seksuele geweldsdelicten (verkrachting, aanranding, enz.)
- misdrijven tegen leven en persoon (bedreiging, -poging tot- moord en doodslag, dood en letsel door schuld)
Er zijn ook nog verschillende vormen van diefstal en vernieling, maar hier gaan we verder niet op in.

Jeugdcriminaliteit is ook onder te verdelen in verschillende groepen:
- Lichtcriminelen (ook wel gelegenheidsdelinquenten genoemd)

Jongeren die zich schuldig maken aan een of meerdere lichte vormen van criminaliteit die regelmatig voorkomen en/of hooguit één zwaar delict
- Zwaarcriminelen (hardekernjongeren)
Jongeren die minimaal twee zware delicten hebben gepleegd
- Groepscriminelen
Jeugdcriminaliteit wordt vaak door groepen jongeren gepleegd. Samen staan ze sterker en er is niet direct één dader aan te wijzen. Vaak zijn het gesloten groepen met een hechte structuur (leiders, subleiders en meelopers/aanhangers). Daardoor verloopt de preventie van deze groeperingen vrij moeizaam en is men nog hard op zoek naar een manier hoe dit beter en gerichter kan.
In zo’n groep probeer je indruk op elkaar te maken door elkaar op te jutten en uit te dagen.
Daardoor gebeuren er dingen die ze anders nooit in hun eentje zouden doen.
- Allochtone criminelen
Jeugdcriminaliteit komt vaker voor bij allochtone jongeren. Hiervoor zijn verschillende redenen. Eén ervan is dat ze vaak uit een laag sociaal-economisch milieu komen, waardoor ze lager zijn opgeleid, meestal hun opleiding niet hebben afgerond en daardoor niet aan een baan kunnen komen. Omdat ze niet aan het werk kunnen, is de kans groot dat ze uit geldgebrek en verveling gaan stelen om aan hun goederen te komen.
Door hun strafblad wordt de kans op een baan ook steeds kleiner en daardoor ontstaat er een neerwaartse spiraal, die moeilijk te doorbreken is.


We eindigen dit hoofdstuk met een grafiek over verschillende soorten delicten, waarvan de cijfers uit de periode 1992 tot 1999 verder zijn toegelicht in een tabel.

jaar vermogen geweld vernieling en orde overig totaal
92 26.491 4.736 8.529 1.610 41.366
93 23.386 4.589 7.770 1.368 37.113
94 23.367 5.321 8.564 1.402 38.654
95 24.062 6.482 9.133 1.701 41.378
96 28.028 7.927 12.969 2.039 50.962
97 25.574 8.250 11.011 2.428 47.263
98 25.520 8.136 10.463 2.253 46.372
99 24.538 9.725 10.986 2.711 47.960

Met ‘vermogen’ worden alle delicten bedoeld als berovingen en overvallen, om op deze manier aan meer geld te komen.

Deelvraag 2
Wat gebeurde er vlak na de oorlog tot 1960?


We hebben lang gezocht naar informatie over dit onderwerp, maar er is vrijwel niks over te vinden.
Men was vlak na de oorlog bezig met de wederopbouw van Nederland en hield zich nauwelijks bezig met het bijhouden van cijfers over jeugdcriminaliteit.
Wat trouwens niet inhoudt dat het er helemaal niet was, want vernielingen, berovingen en baldadigheid zijn van alle tijden.

Er zullen in die tijd ook best jongeren gestraft zijn, maar daarover is vrijwel niks vastgelegd.
Zo rond 1950 ontstonden kleine jeugdgroeperingen, die uit verveling met z’n allen ergens rondhingen en dat leidde dan wel eens tot ordeverstoring, vernielzuchtigheid of zelfs kleine berovingen, maar dat is eigenlijk niets vergeleken met wat er zich tegenwoordig kan afspelen.
Naarmate de welvaart langzaam toenam, kwamen er meer van dit soort groeperingen en werden de delicten ook iets groter.
Daarover meer in de volgende hoofdstukken.

Deelvraag 3
Wat gebeurde er tussen 1960 en 1980?

Tussen 1960 en 1980 was Nederland nog steeds bezig met het herstellen van de tweede wereldoorlog. Langzamerhand ging het economisch steeds beter. Mensen hadden allemaal weer een vaste baan, gingen meer geld verdienen, en ook voor de jeugd was het niet langer meer nodig te werken om geld te verdienen voor hun ouders. Ze kregen meer vrije tijd en ook meer geld om te besteden. Ook kwamen er drugs in de omloop, een probleem waar we tegenwoordig nog steeds mee te maken hebben.
Ook alcohol begon een rol te spelen bij de jeugdcriminaliteit. Jongeren kregen steeds meer mogelijkheden om dit soort producten te nuttigen, zonder dat daar duidelijke regels over bestaan zoals dat nu het geval is.
Voorlichting was er nog vrijwel niet over deze ‘genotsmiddelen’.
Dit alles kan leiden tot vandalisme en zelfs tot jeugdcriminaliteit.
En vanuit dat opzicht denk ik dat het een logisch gevolg zou zijn geweest als de jeugdcriminaliteit in de periode 1960-1980 zou zijn toegenomen voornamelijk door de groei van de welvaart, en de gevolgen daarvan zoals de vrijetijdsbesteding onder jongeren.
We hebben veel gezocht naar cijfers en feiten over deze periode, maar hebben daar vrijwel niets over gevonden.
Toen ben ik in mijn omgeving wat rond gaan vragen hiernaar, en mijn oom die bij de politie zit kon mij hier iets over vertellen.

Hij vermoedde dat tot 1970 de jeugdcriminaliteit bleef stijgen in verband met de toenemende welvaart. Doordat steeds meer mensen op verschillende tijden aan het werk waren, nam de sociale controle sterk af. En dat had ook zeker te maken met gezag en respect. Als we naar de jaren ’40 en ’50 kijken, was er toen nog veel respect voor ouders, maar ook voor bijvoorbeeld de politie. Dat veranderde allemaal erg toen het in Nederland weer beter ging met de welvaart en de jongeren meer vrije tijd hadden, en daardoor op straat gingen hangen en rondslenteren. Na die tijd is de criminaliteit niet al te veel meer toegenomen. Het is toen ongeveer gelijk gebleven. Er vonden geen grote veranderingen in de economische of politieke toestand meer plaats. Maar hij bevestigde wel dat dit moeilijk na te trekken conclusies zijn omdat veel getallen die te maken hebben met dit onderwerp, in die tijd niet of slecht geregistreerd zijn, en als ze er al zijn is daar moeilijk aan te komen.


Deelvraag 4
Wat gebeurde er vanaf 1980 tot nu?

Rond 1980 ging het nog steeds beter met de welvaart in Nederland. Mensen kregen ook langzamerhand een andere instelling. Vroeger was het heel normaal dat alleen de man werkte en de vrouw thuis bleef om voor het huishouden en de kinderen te zorgen, en dat ’s avonds op tijd het eten op tafel kwam.
Nu werd het steeds normaler dat mannen en vrouwen allebei een baan hadden. In de meeste gevallen hadden de mannen een fulltime baan, en de vrouwen een parttime baan, zodat ze toch de kinderen op konden vangen als die uit school kwamen. Er waren ook gezinnen waarbij de ouders allebei fulltime werkten. Dat kwam mede doordat mensen een materialistische instelling kregen. Wie eenmaal geld geroken had, wilde graag meer verdienen, zodat er leuke dingen konden worden gedaan zoals verre vakanties en een mooi groot huis kopen.
In sommige gevallen gaat die instelling ten koste van de opvoeding van kinderen. Als kinderen waarvan beide ouders fulltime werken na school thuiskomen, is er niemand. Het ene kind zal nuttig gebruik maken van die tijd en bijvoorbeeld huiswerk gaan maken. Het andere kind zal samen met vriendjes de straat op trekken. Op die manier ontstaat in eerste instantie kattenkwaad, maar misschien later vandalisme, en nog later misschien wel jeugdcriminaliteit. Vroeger werd er in die gevallen meestal wel ingegrepen omdat er toen nog sprake was van veel sociale controle. Dat is nu ook bijna niet meer zo, mede doordat iedereen werkt. Ouders weten vaak niet eens waar hun kind mee bezig is op het moment dat zij aan het werk zijn, en daarom reageren zij vaak verrast als plotseling de politie met hun zoon of dochter voor de deur staat om te melden wat er gebeurd is.

Bureau Halt is in de jaren ’80 ontstaan, toen men vond dat er iets gedaan moest worden aan het crimineel gedrag van jongeren. Hierover staat meer in het volgende hoofdstuk.
Bij de bijlagen zitten ook folders van Bureau Halt.
Als we gaan kijken naar het aantal verwijzingen door de politie naar Bureau Halt zien we dat het vooral jongeren van rond de 14 jaar zijn die doorverwezen worden naar Halt. Dat waren er in 1999 iets meer dan 5000. Een aantal jaar daarvoor was dat aantal nog een stuk kleiner.
De doorverwijzingen hebben meestal te maken met winkeldiefstal, vernieling, vuurwerk, graffiti, baldadigheid enzovoorts.

De cijfers van de politie over de mate waarin jeugdcriminaliteit plaatsvindt, zijn niet altijd een waarheidsgetrouwe weergave van jeugdcriminaliteit. Ten eerste zijn de cijfers erg gevoelig voor de prioriteiten die de politie stelt. Het ene jaar heeft de politie belangrijkere dingen te doen dat ‘kwajongens’ oppakken, het andere jaar besteden ze veel aandacht aan dit onderwerp, waardoor er meer jongeren worden opgepakt die op het verkeerde pad zijn geraakt. Ten tweede komen niet alle strafbare feiten ter kennis van de politie en is de pakkans laag.
Om die reden is er een zelfrapportage-onderzoek gehouden over de periode 1990-1999. daaruit bleek dat er niet meer crimineel gedrag wordt vertoond. Het aantal jongeren dat aangeeft een bepaald delict te hebben gepleegd, schommelt maar vertoont geen duidelijke stijgingen of dalingen. Maar ook dit type onderzoeken geven niet de werkelijke omvang van de jeugdcriminaliteit weer omdat de jongeren via dit soort onderzoeken niet gemakkelijk worden bereikt.

Daarom kunnen we de aantallen criminele jongeren die zwaardere misdaden plegen toch nog het beste in beeld krijgen aan de hand van de al eerder genoemde politiecijfers:
Over het geheel gezien neemt het aantal minderjarige verdachten de laatste jaren niet of nauwelijks toe, zoals hiervoor beschreven. Maar juist bij ernstige vormen van criminaliteit zoals geweldsmisdrijven, is er wel sprake van een toename onder het aantal minderjarige gehoorde verdachten. Vooral de toename in 1999 is groot te noemen. Het is zelfs zo dat de toename van het totaal aantal gehoorde minderjarige verdachten (ruim 1500) volledig voor rekening komt van de minderjarige verdachten van geweldsmisdrijven. Dat betekent dat de relatieve toename van het aantal minderjarige verdachten van geweldsmisdrijven, veel groter is dan het totaal aantal minderjarige verdachten.

Onder de jeugdige verdachten die bij de politie bekend zijn, bevinden zich veel meer jongens dan meisjes. Dat geldt zowel voor minderjarige verdachten als voor jongvolwassenen van 18 tot 24 jaar.
Ook heeft een lijst van ‘twaalfminners’ die bij de politie bekend zijn laten zien dat het overgrote merendeel van hen jongens betreft. Het gaat bij de twaalfminners voornamelijk om 9 tot 11 jarigen kinderen, maar het delictgedrag van jongere kinderen is zeer beperkt.

Uit een onderzoek naar de criminaliteit onder allochtonen en autochtonen blijkt dat het aandeel van in het buitenland geboren verdachten relatief groot is. Een reden hiervoor is
dat de buitenlandse jongeren een hele andere opvoeding hebben gekregen dan de Nederlandse jongeren. Hierdoor zijn ze vaak lager opgeleid, of helemaal niet. Ook kunnen ze soms geen baan vinden. Dan krijg je het slentergedrag, wat uiteraard in de meeste gevallen niet daarbij blijft.

In een krantenartikel uit het Noordhollands Dagblad stond dat Amsterdam de komende jaren veel crimineler zal worden. Een van de oorzaken die worden gegeven is de samenstelling van de bevolking. Amsterdam kent relatief veel jonge mannen in de leeftijd van 16 tot 26 jaar, die naar Amsterdam komen, in de verwachting dat het de hemel op aarde is. Ook wordt in het artikel de rol van allochtonen, (Marokkanen, Antillianen en Turken in het bijzonder), benadrukt. Er is sprake van een moeizame integratie van bepaalde bevolkingsgroepen.
Ook worden de contrasten tussen arm en rijk in de stad steeds groter, steeds meer rijken gaan in het centrum wonen, en steeds meer armen in de buitenwijken.
In Amsterdam werden vorig jaar 514 overvallen gepleegd. Dat is een stijging van ruim 8% in vergelijking met het jaar daarvoor. Bij ruim de helft van de overvallen werd gebruik gemaakt van vuurwapens.

Deelvraag 5
Hoe wordt jeugdcriminaliteit bestreden?

Er wordt veel gedaan aan de bestrijding, ook wel preventie genoemd, van jeugdcriminaliteit.

Preventie betekent voorkomen of vermijden.
Daadwerkelijk ingrijpen wordt ook wel interventie genoemd.

Jongeren zijn strafbaar vanaf 12 jaar, en vallen onder het jeugdstrafrecht tot en met 18 jaar.
Dit houdt in dat er een proces verbaal (strafblad) wordt opgemaakt als ze zich misdragen hebben.

Maar wat nu als ze jonger zijn dan 12 jaar, of als hun (crimineel) gedrag wel storend is, maar niet dramatisch erg? Zij kunnen niet voor de rechter worden gesleept voor kleine incidenten, je stuurt ze niet naar een jeugdinrichting, maar er moet wel worden voorkomen dat ze weer in de herhaling vallen.
Hiervoor is Bureau Halt (Het ALTernatief)opgericht in 1981.
Bureau Halt is een instelling die jonge kinderen wel ‘straft’ voor hun misdragingen, maar zonder dat het in een levenslang strafblad aan vast zit.
Iedereen tot 18 jaar die bijv. lippenstift steelt uit het warenhuis (en dus ook betrapt wordt), te vroeg (illegaal) vuurwerk afsteekt, graffiti, met opzet een ruitje heeft ingeslagen of kleine geldbedragen heeft ontvreemd, komt via de politie bij Bureau Halt terecht.
Bureau Halt zorgt ervoor dat de geleden schade wordt vergoed en kan de jongere zijn fouten herstellen door bijv. werkzaamheden te verrichten bij degene die schade van zijn of haar bedrag hebben ondervonden.
Voorbeeld:

Je steelt een chocoladereep bij de Albert Heijn, maar wordt betrapt bij de kassa. De politie wordt ingeschakeld en stuurt je door naar Bureau Halt. Bij Bureau Halt kijken ze naar wat je hebt gedaan. Behalve dat je de chocoladereep had willen stelen, is ook nog eens de verpakking ervan gescheurd en dus is de reep onverkoopbaar. De reep moet dus worden vergoed, maar met alleen het vergoeden van de reep (van ong. 1Euro) is niet echt een straf, je zou het zo weer kunnen doen, want het kost je hooguit de waarde van de reep.
Daarom wordt via Bureau Halt geregeld dat je bijvoorbeeld een dag (of langer) in de Albert Heijn gaat vakken vullen, zonder dat je ervoor wordt betaald.
Zo is de jongere bezig bij dit bedrijf en krijgt een indruk van wat er zich afspeelt.
Waarschijnlijk wordt er eerst weer even diep nagedacht of hij of zij dat stelen nog eens doet, maar belangrijker is dat dit kleine misdrijf niet wordt vastgelegd in een strafblad, dat levenslang aan je vast zit.
60% van de jongeren valt door de Halt-aanpak niet meer in de herhaling.
Wat bij jongere kinderen vaak ook al veel indruk maakt, is wanneer ze het gestolen goed zelf terug moeten brengen bij de eigenaar. De schaamte die op dat moment wordt gevoeld, is vaak voldoende om het stelen voorlopig te laten!
Dit is dus een voorbeeld van interventie.
Als een jongere betrapt is bij het spuiten van graffiti, moet hij of zij het zelf ter plekke weer schoonmaken. Dit wordt ook wel het lik-op-stuk-beleid genoemd.
Bij kinderen jonger dan 12 jaar wordt, na toestemming van de ouders, een of meerdere gesprekken met een Halt-medewerker gevoerd (STOP-reactie) en indien nodig, doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg, voor zogenaamd ‘opvoedingsondersteuning’.
Zie ook het foldertje van Bureau Halt in de bijlagen.


Om jeugdcriminaliteit te voorkomen of bestrijden, zijn er twee effectieve mogelijkheden.
Als eerste speelt voorlichting op scholen een hele grote rol.
Bureau Halt geeft die voorlichting. Zo rond nieuwjaar geven ze bijv. voorlichting over vuurwerk. Belangrijke zaken als ‘hoe herken je illegaal vuurwerk’ en ‘hoe steek je vuurwerk veilig af’ komen aan bod, maar ook wat er kan gebeuren als je te vroeg begint met vuurwerk afsteken.
Bureau Halt vertelt op scholen wat er allemaal gebeurt als je iets steelt, wat voor consequenties dat heeft, ook voor ‘als je later groot bent’.
Scholen zijn dus erg belangrijk om de kinderen te bereiken en wat bij te brengen over wat wel en niet mag.

Ten tweede is het belangrijk om te kijken naar de oorzaken van het (criminele) gedrag van de jongere.
Spanningen thuis of op school, ruzies, verveling en dat soort dingen kunnen er toe leiden dat het gedrag van een jongere zich uit naar zijn omgeving, door bijv. vernieling of bedreiging.
Als je ingrijpt in een bepaalde situatie voordat het fout gaat of voordat het (verder) kan escaleren, kan je (verder) crimineel gedrag al (deels) voorkomen.
Het is dus belangrijk dat deze jongeren bereikt worden.

Jongerenwerk, school en sportclubs spelen hierbij een belangrijke rol. Zij kunnen achter de wensen van jongeren komen. Als jongeren bijv. niet hun eigen hangplek hebben, gaan ze de straat op en uit verveling dingen stelen en vernielen.
Dus zouden jongeren een hangplek moeten hebben (uit de buurt van winkelcentra en niet bij een grasveld waar ook honden worden uitgelaten) zodat ze niet gaan rondzwerven en een eigen plek hebben.

Buurthuizen en sportclubs kunnen invulling geven aan vrije tijd van de jongeren en ze wat van de straat af te halen.
Scholen kunnen persoonlijke problemen signaleren (op leergebied, omgang met anderen en ook eventueel de situatie thuis) en daarop inspelen, door bijv. hulp te zoeken.
Individuele situaties zijn vaak nog wel aan te pakken.

Voor groepscriminaliteit is er niet een ‘goede’ oplossing.
Ze zijn moeilijk te bereiken en het enige wat tot nu toe regelmatig wordt gedaan is van deze groepen een soort inventarisatie te maken, zodat een beeld wordt gevormd van het aantal jongeren in zo’n groep en hun wandaden.
Elke groep heeft zijn eigen identiteit en vraagt dus ook om een eigen passende aanpak.
Vooral allochtone groepen zijn slecht bereikbaar omdat ze hun eigen taal en cultuur hebben.
In groepen gaat het vaak om status en omdat een groep ook vrij hecht is, zal er veel moeten gebeuren om die groepen uiteen te rafelen zodat preventie en interventie mogelijk is.
Eén iemand uit de groep halen, of de hele groep in één keer oppakken, is geen oplossing.
Omdat in groeperingen status heel gevoelig is, zullen zij zich heel ‘groots’ voelen wanneer ze met veel verzet worden opgepakt. Als er vier agenten komen om één jongen op te pakken, is dit een vorm van status: ‘Kijk eens hoeveel mensen er nodig zijn om mij op te pakken!’
Om groepen te benaderen zal er dus een hele andere aanpak nodig zijn, een minder bedreigende, waarbij dus ook minder verzet nodig is vanuit de groep.


Hieronder staat een grafiek over de ‘motivatie van delictgedrag’ onder jongeren, volgens Bureau Halt.

Wat opvalt, is dat ‘meedoen’ samen met ‘opgejut’ het hoogst scoort en dit is dan ook een goed voorbeeld van groepsgedrag, waarbij een jongere zich wil of moet bewijzen.

Niet alle jongeren komen bij Bureau Halt terecht.
Zij kunnen niet meer bij Halt ‘gestraft’ worden, omdat ze al meerdere delicten hebben gepleegd of ze kiezen er zelf voor om niet bij Halt te worden behandeld (wat dus inhoudt dat ze ook een strafblad krijgen).
Wanneer jongeren een strafbaar feit hebben gepleegd en zij worden voorgeleid aan de Officier van Justitie, krijgen ze vaak een taakstraf of een (on)voorwaardelijke celstraf opgelegd.
Bij een celstraf is iemand al eerder (enkele keren) de fout in gegaan en dat wordt dan dus op die manier aangepakt.
Krijgt iemand geen celstraf opgelegd, krijgt hij vaak een taakstraf.
Dit kan bestaan uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie hiervan (combinatiestraf).
47% van de jongeren krijgt een werkstraf.
Meestal werken ze dan in verzorgingstehuizen, kinderboerderijen of andere zorginstellingen, waar ze vooral huishoudelijke klusjes moeten doen. Bij 31% doen er zich dan kleine problemen voor, omdat iemand zich bijvoorbeeld niet aan de afspraken houdt.
Gemiddeld duurt zo’n straf 57 uur, maximaal kan een werkstraf 200 uur duren.
De werkstraf is in 90% van de gevallen helemaal afgerond.


30,5% van de jongeren krijgt een leerstraf.
Dit houdt in dat ze verplicht een cursus moeten volgen, bijvoorbeeld een cursus waarbij ze een beter inzicht krijgen van de gevolgen van hun daad, ook voor het slachtoffer, of een cursus Sociale Vaardigheden.
De duur, inhoud en onderwerp van een cursus kunnen erg verschillen.
Bij 41% van de gevallen gaat deze straf ergens fout, voornamelijk omdat de jongere zich dan niet aan het ‘leerschema’ houdt.
81% van deze straffen worden helemaal afgerond, dus dit percentage ligt dus lager dan bij een werkstraf.
Bij een combinatiestraf werkt een jongere vaak weer bij een zorginstelling en volgt daarnaast ook nog een cursus.
Deze straf wordt bij 22,5% van de gevallen gegeven en de combinatiestraf wordt in 87% van de gevallen helemaal afgerond.

Taakstraffen kunnen per gebied in Nederland verschillen.
In de regio Rotterdam, Amsterdam en Utrecht zijn de straffen vaak iets hoger, terwijl in de omgeving van Leeuwarden en Groningen de straffen juist lager zijn.
Een jongere in Amsterdam krijgt voor een taakstraf 50 uur, terwijl iemand uit Leeuwarden die een soortgelijk delict heeft gepleegd, maar 40 uur hoeft te werken.
Er wordt nog aan gewerkt om dit verschil recht te trekken.

Soms wordt een straf niet helemaal voltooid, omdat de jongere zich niet aan de afspraken houdt. Dit komt vaker voor bij leerstraffen dan bij werkstraffen en allochtone jongeren ronden hun straf minder vaak af dan autochtonen jongeren.

Dit komt vaak door de mentaliteit van de jongeren zelf, maar een oorzaak is ook dat er te weinig begeleiding en geld is om de jongeren te sturen.
Wanneer een straf niet in één keer wordt afgerond, kan je nog een herkansing krijgen onder bepaalde voorwaarden.
Anders blijft de straf staan en als je dan later weer in aanraking met justitie komt, kan je straf hoger uitvallen dan anders, omdat je dus nog een straf ‘open’ hebt staan.
Meisjes voltooien hun straf, zowel taakstraffen als celstraffen, vaker dan jongens en vallen daarna minder snel in herhaling. De straf maakt vaak meer indruk op meisjes dan op jongens. (zie ook bijlagen)

Jongeren die (meerdere) zware delicten hebben gepleegd, moeten ook harder worden aangepakt.
Hiervoor zijn speciale jeugdgevangenissen, maar er zijn ook zogenaamde heropvoedingskampen.
In jeugdgevangenissen zitten jongeren dan wel hun straf uit, maar vaak is er onvoldoende tijd en aandacht om hun gedrag te veranderen, zodat ze na hun straf vaak weer in herhaling vallen.
Voor de ergste ‘gevallen’ zijn er daarom heropvoedingskampen.
Enkele jaren geleden waren er de zogenoemde ‘Lubbers-kampementen’, waarbij ontspoorde jongeren op kamp (Booth-camp) gingen en daarbij hard werden aangepakt, maar deze aanpak bleek nauwelijks te werken.
In 1997 werden dit project gestaakt door minister Sorgdrager. (zie bijlagen)
Jongeren die echt zware delicten begaan zitten vaak in een jeugdbende, waarbij status hoog telt. Daarom zijn we in Nederland nu bezig om een soort opvang of te ontwikkelen, waarbij die statusvorm in terug komt.
Een voorbeeld hiervan is de Glen Mills School in Wezep.

(zie ook bijlagen)

De jongens die hier terechtkomen, hebben ontelbaar vele delicten begaan, van diefstal tot geweldpleging of erger.
De manier waarop ze hier weer op het rechte pad worden gezet, is nog vrij nieuw voor Nederland.
Iemand die nieuw op de Glen Mills School (GMS) komt, wordt onder aan de ladder gezet. Er gelden strenge regels, waaraan iedereen zich strikt moet houden.
Goed gedrag wordt beloond met een hogere status in de groep, wat dus betekent dat je bijv. later naar bed mag, langer TV mag kijken en meer van dat soort kleine dingen.
De jongens houden elkaar in de gaten, want als jij een ander niet aanspreekt op zijn foute gedrag, kan dat betekenen dat je zelf een ‘rang’ wordt terug gezet.
Het blijkt dat deze aanpak prima werkt.
Deze jongens zijn gemotiveerd om hogerop te komen en als ze uiteindelijk van de school afkomen, blijken de meesten wel goed te functioneren in de samenleving. En dat is natuurlijk het uiteindelijke doel.

REACTIES

A.

A.

je bent een schat, bedankt xx

21 jaar geleden

H.

H.

aw dankje

9 jaar geleden

E.

E.

hoi!

Een heel goed werkstuk!Ik zou graag willen weten waar je je info/ je bron vandaan hebt..Welke site? welk boek?

bvd
groetjes eline

20 jaar geleden

J.

J.

Heeey,
super dat je hier je PWS over gedaan hebt. ik doe mijn pws ook over dit onderwerp en ik vroeg me af welke literatuur je bij je pws hebt gebruikt??
xx

11 jaar geleden

R.

R.

hey,

supergoede werkstuk. graag zou ik ook jullie bronnenlijst willen raadplegen.
alvast bedankt!

11 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.