Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Inhoudsopgave

Voorwoord
Inleiding
Wat zijn de oorzaken van de Gouden Eeuw?
Hoe verliep de Gouden Eeuw nu precies?
Wat zijn de gevolgen van de Gouden Eeuw?
Wat is er voor een verband tussen de Gouden Eeuw en de standenmaatschappij uit de Late Middeleeuwen
Is er een verband tussen de Renaissance en de Gouden Eeuw?
Conclusie
Bronvermelding

Voorwoord

Ik heb dus voor het vak geschiedenis gekozen, omdat ik dat het leukste vak vind op school. Het is leuk om meer te weten te komen over historische gebeurtenissen of periodes van de wereldgeschiedenis en daar een werkstuk over te maken.
Het onderwerp is dus de Gouden Eeuw in Nederland. Het leek me interessant om er meer te weten over te komen. Over de Gouden Eeuw wist ik al heel veel, want op de basisschool hebben we dit uitgebreid behandeld. Maar nu wil ik meer weten, wat de oorzaken en gevolgen zijn enz.
De Gouden Eeuw is namelijk heel belangrijk geweest voor het verdere verloop van de Nederlandse geschiedenis, zoniet was het de belangrijkste periode uit onze vaderlandse geschiedenis. Want de Gouden Eeuw legde de basis voor de maatschappij zoals we die nu kennen.

Inleiding

Eerst vertel ik iets kort over wat de Gouden Eeuw nu precies was. De Gouden Eeuw vond plaats van ongeveer 1600 tot 1700, ruwweg gezegd. Dus deze periode omvatte zo ongeveer de hele 17e eeuw.
Men noemt een tijdperk zo als het heel goed gaat met bijvoorbeeld de economie van een bepaald land, in dit geval Nederland, maar het ging ook op andere gebieden heel voortvarend, zoals de literatuur en de wetenschap. Want toen kwam ook de Renaissance ook tot grote bloei. Deze periode hangt in nauwe samenhang met de Gouden Eeuw.
Nederland had tijdens de Gouden Eeuw een andere naam namelijk de Republiek der Verenigde Nederlanden.Deze republiek vloeide voort uit de Unie van Utrecht, die bestond uit de volgende zeven provincies: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland. De unie van Utrecht werd gesticht in 1579 en later in 1648 kwam de Republiek daar uit voort.
Ik heb dus een hoofdvraag en die luidt als volgt:
- Wat voor een betekenis heeft de Gouden Eeuw in Nederland gehad voor de Nederlandse geschiedenis?
Daarbij heb ik ook nog eens 6 deelvragen bij bedacht en tenslotte nog een conclusie. De deelvragen:

1. Wat zijn de oorzaken van de Gouden Eeuw?
2. Hoe verliep de Gouden Eeuw nu precies?
3. Wie waren belangrijke personen tijdens de Gouden Eeuw en wat voor invloed hebben zij gehad?
4.Wat zijn de gevolgen van de Gouden Eeuw?
5. Wat is er voor een verband tussen de Gouden Eeuw en de standenmaatschappij uit de Late middeleeuwen?
6. Is er een verband tussen de Renaissance en de Gouden Eeuw?

1 Wat zijn de oorzaken van de Gouden Eeuw?

Er zijn heel veel oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van de Gouden Eeuw in Nederland. Maar je kunt eigenlijk niet van oorzaken spreken. Het zijn meer golven van allerlei belangrijke gebeurtenissen die aan de grondslag lagen voor de Gouden Eeuw.

Een oorzaak van de Gouden Eeuw is de VOC (De Verenigde Oost-Indische Compagnie).
Nu volgt wat meer informatie over deze succesvolle handelsonderneming
Eind 16e eeuw kregen kooplieden in de Republiek de mogelijkheid peper en specerijen uit Azië te importeren. De Portugezen, die tot op dat moment deze lucratieve handel beheersten, waren niet langer in staat Europa van voldoende peper en specerijen te voorzien. Het gevolg van het dalende aanbod was prijsstijging. Een dergelijke marktsituatie, gecombineerd met het aanwezige kapitaal en kennis, vormden de noodzakelijke voorwaarden voor de vaart op Azië in de Republiek.

Er ontstonden zogenaamde voorcompagnieën, die schepen uitrustten om de vaart op Azië te ondernemen. Karakteristiek voor de voorcompagnieën was dat het gelegenheidsondernemingen waren. Voor een expeditie werden schepen gehuurd of gekocht en opvarenden geworven. Na de reis werd de balans opgemaakt, het schip verkocht en het personeel afgedankt. Van de eventueel gemaakte winst kon weer een nieuwe expeditie op touw worden gezet. De hele procedure begon dan weer van voren af aan. In Holland en Zeeland werden in de periode 1595-1602 door acht voorcompagnieën 65 schepen uitgereed voor de vaart op Azië. Het voornaamste belang van deze expedities was niet hun financiële resultaat, maar het feit dat de mogelijkheid van de vaart op Azië definitief was aangetoond.

De voorspoedige groei kwam echter in gevaar door de zware concurrentie tussen de Zeeuwse en Amsterdamse voorcompagnieën. Portugal werd op deze manier in de kaart gespeeld. Het bestuur van de Republiek, de Staten-Generaal, vond deze ontwikkeling zorgelijk. Het waren vooral economische motieven die de raadpensionaris van Holland, Johan van Oldebarnevelt, en stadhouder Prins Maurits ertoe brachten om de kooplieden tot samenwerking te dwingen. Dit resulteerde op 20 maart 1602 in de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC wordt wel de eerste naamloze vennootschap genoemd. Zij dankt dit aan het feit dat zij een in aandelen verdeeld kapitaal had. Voor die tijd was dat zeer modern.

Door de Staten-Generaal werd aan de VOC een octrooi verleend voor de handel tussen Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn. In de zes steden waar voorcompagnieën gevestigd of in oprichting waren, kwamen nu kamers van de VOC: Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen.Het verkrijgen van het octrooi betekende voor de VOC dat zij voor de Republiek het alleenrecht verwierf om in dit gebied handel te drijven. Tevens werd de VOC gerechtigd om in naam van de Staten-Generaal in het octrooigebied met vorsten overeenkomsten te sluiten, forten te bouwen, oorlog te voeren en lokale besturen te installeren. De VOC kreeg dus rechten die normaal aan een soevereine staat waren voorbehouden. Wat de VOC verder nog bijzonder maakte was dat haar in aandelen verdeeld kapitaal niet na elke expeditie aan de eigenaren werd teruggegeven; het was dus niet meer een gelegenheidsonderneming. In 1602 werd er voor f. 6.424.588 aan kapitaal ingetekend.

De organisatie van de VOC, met de zes kamers, was gedecentraliseerd. De verdeling van de activiteiten over de kamers, zoals de bouw en uitrusting van schepen of de in- en verkoop van goederen, werd nauwkeurig vastgelegd: Amsterdam de helft, Zeeland een kwart en de overige kamers ieder een zestiende. Ten aanzien van het bestuur van de VOC bestond een zelfde verdeling. Een kamer werd bestuurd door bewindhebbers, dat was een per kamer vast getal personen, die door de stedelijke overheid of, in het geval van Zeeland, de gewestelijke staten werden gekozen uit een aantal kandidaten dat door de zittende bewindhebbers was voorgedragen. Meestal ging het hierbij om de meest kapitaalkrachtige aandeelhouders. In iedere kamer kozen de bewindhebbers twee- of driemaal per jaar een aantal afgevaardigden die in Amsterdam of Middelburg aan vergaderingen ter bepaling van het centrale beleid deelnamen. In dit college, de Heren XVII, hadden acht Amsterdamse bewindhebbers, vier Zeeuwse en één uit elk der kleinere kamers zitting. Het zeventiende lid werd bij toerbeurt door Zeeland of één der kleinere kamers geleverd. Amsterdam had zodoende geen doorslaggevende stem. Met name de Zeeuwen waren hier bij de oprichting van de VOC beducht voor geweest. Deze angst was niet ongegrond, want in de praktijk kwam het er inderdaad op neer dat Amsterdam bepaalde wat er gebeurde.

Het octrooi van de VOC werd diverse malen verlengd. Gedurende de bijna twee eeuwen van haar bestaan rustte de VOC 4.721 keer een schip voor de vaart naar Azië uit. In totaal zond men 3.356 maal van overzee een retourschip terug. In de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) kwam de financieel ongezonde VOC in moeilijkheden, doordat er enige jaren geen rijkbeladen retourvloten naar de Republiek kwamen. In 1795 werd de VOC genationaliseerd; in 1799 verliep het laatste octrooi en waren haar bezittingen aan de overheid vervallen.

Door de VOC is de Gouden Eeuw eigenlijk tot bloei gekomen. Door de diverse handelswegen tussen Nederland (de Republiek der Verenigde Nederlanden) en Nederlands-Indië steeg de Nederlandse economie tot grote hoogten. Amsterdam werd een heel belangrijke stad tijdens de Gouden Eeuw. Dit is ook te danken aan de VOC. Zonder deze vereniging kon deze stad niet goed voortleven. Als men dus geen handel had gedreven met Nederlands-Indië, was Nederland geen belangrijk land geworden in de wereldhandel en had de Gouden Eeuw nooit kunnen ontstaan.
De VOC dreef handel met Nederlands-Indie en is hierdoor heel welvarend geworden.
Jan Pieterszoon Coen was gouverneur-generaal van deze handelsvereniging van 1614 tot 1629. Hij was heel belangrijk geweest voor het ontstaan en verdere ontwikkeling van deze compagnie.

De Renaissance was ook een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van de Gouden Eeuw. Deze periode was de ‘wedergeboorte’ van de Klassieke Oudheid. De kunst en de wetenschap kwamen in dit tijdperk tot grote bloei. Door deze periode werd Nederland ook steeds welvarender en ontwikkelden zich ook de grote steden. Door de handel met de VOC kwam de Renaissance ook eigenlijk duidelijk naar voren in Nederland. De Renaissance was de hergeboorte van de Romeinse en Griekse Oudheid, de Klassieke Oudheid. Dit zie je duidelijk terug in de kunst, zoals de schilderkunst, de literatuur, de beeldhouwkunst, de architectuur, de wetenschap en de muziek. Mede door de Gouden Eeuw in Nederland is deze periode weer tot bloei gekomen. Dit tijdperk ligt eigenlijk als het ware in het verlengde van de Renaissance. Deze periode speelde dus een belangrijke factor voor het ontstaan en het verloop van de Gouden Eeuw.

2 Hoe verliep de Gouden Eeuw nu precies?

Er is eigenlijk geen precies jaartal aan te wijzen voor het begin van de Gouden Eeuw. Er zijn mensen die zeggen dat het rond 1600 was, maar weer anderen zullen zeggen pas rond 1650. Dus men kan niet zeggen van in dat jaar is de Gouden Eeuw begonnen, het is heel moeilijk te controleren.
Men stelt dus vast dat deze rond 1600 is begonnen. De bloei van de Gouden Eeuw is tweeledig, zowel stoffelijk als cultureel. De Nederlandse cultuur laat zich steeds meer beïnvloeden door stromingen en modes van buitenaf. In 1602 werd door Johan van Oldenbarnevelt de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) opgericht. Deze kwam voort uit negen compagnieën vanuit het Aziatische werelddeel.
Het antwoord hiervan kwam in 1621 toen de Westindische compagnie in het leven werd geroepen. Deze dreef handel en stichtte nederzettingen in Noord-Amerika, Brazilië, de Antillen, Guyana en de westkust van Afrika.
De enorme rijkdommen die deze twee handelsondernemingen opleverden, leverden voornamelijk de Hollandse steden en met name Amsterdam veel voordeel op. Deze stad kwam tijdens de Gouden Eeuw tot grote culturele bloei.
Het Noorden van Nederland had een heel ander karakter dan het Zuiden. Het Noordelijk deel was meer calvinistisch ingesteld. Terwijl het zuiden duidelijk meer katholiek was georiënteerd.
In het kort gezegd verliep de Gouden Eeuw heel welvarend voor Nederland. De economie groeide enorm, op cultureel en wetenschappelijk gebied was het ook een glorietijd.
Helaas was het de rijkdom maar voor een heel klein deel van de bevolking weggelegd.

3 Wie waren belangrijke personen tijdens de Gouden Eeuw en wat voor invloed hebben zij gehad?

Tijdens de Gouden Eeuw waren er heel veel personen die het verdere verloop van deze periode hebben bepaald.
Ik noem de belangrijkste personen tijdens deze periode en dan leg ik kort wat ze betekend hebben en hoe groot hun invloed was op de Nederlandse samenleving
Rembrandt
Frans Hals
Johannes Vermeer
Constantijn Huygens
Antonie van Leeuwenhoek
Pieter Paul Rubens
Christiaan Huygens

Rembrandt

Deze Hollandse schilder tijdens de Gouden Eeuw is misschien wel het belangrijkst geweest voor deze periode. Rembrandt van Rijn is namelijk zeer beroemd geworden door zijn schilderijen. Iedereen kent natuurlijk wel zijn beroemdste schilderij “De Nachtwacht”.

Rembrandt Harmenszoon van Rijn, die in 1606 in Leiden werd geboren, groeide op in een welgesteld milieu. Zijn vader Harmen was als eigenaar van een molen vrij welvarend en zijn moeder Neeltje kwam uit een gerespecteerde bakkersfamilie. Toen Rembrandt in 1620 zijn pas begonnen studie filosofie wilde stoppen, steunden zijn ouders hem daarin. Zijn eerste leraar in het schilderen was de Leidse schilder Jacob Izaakszoon Swanenburgh. Die nam Rembrandt in zijn atelier op en gaf hem een basisopleiding. Daarna verhuisde hij naar Amsterdam, naar het atelier van Pieter Lastman, die een bekende historieschilder was. Hij was in Italië geweest en had daar zijn liefde voor licht en schaduwen ontdekt. Na zes maanden leertijd in Amsterdam keerde Rembrandt terug naar Leiden. Op zijn achttiende was hij een zelfstandige schilder, zij het aanvankelijk nog met financiële steun van zijn ouders. Hij begon zeer ambitieus maar zijn eerste werken werden niet erkend. Een reeks zelfportretten uit die tijd getuigt van zijn hoge artistieke eigendunk, maar tevens van zijn neiging de komiek en de poseur uit te hangen. Vanuit zijn kijken naar en denken over zichzelf ontwikkelde hij zijn psychologiserende zelfportret, waarmee hij ook op hogere leeftijd inzicht gaf in de psychische toestand van zijn ziel.

Rembrandts historieschilderijen zijn bijzonder, omdat ze niet alleen een bepaalde toestand laten zien, maar ook de mens en zijn gevoelens. Rembrandt interpreteerde de thema’s op een nieuwe en eigengereide manier en doorbrak de traditionele compositieschema’s. Hij zette zich bijvoorbeeld af tegen Lastmans gewoonte om historiestukken in de openlucht te laten spelen, waarbij hij het landschap gebruikte als dramatisch decor en de kleuren liet contrasteren in het ongebroken licht. Hij verplaatste taferelen juist vaak naar binnen en vond zijn eigen manier om het licht te behandelen. Door zijn opvallende clair-obscurstijl bereikte Rembrandt suggestieve en indringende effecten. Hij belichtte zijn schilderijen niet helemaal, maar liet grote delen in het donker, terwijl de meeste lichte delen geen aanwijsbare lichtbron hebben. Het licht lijkt van binnen uit te komen en is van symbolische aard. Daarmee stond hij in de traditie van Caravaggio.

In 1628 bezocht de dichter, geleerde en regeringsadviseur Constantijn Huygens de stad Leiden.
Hij zag werk van Rembrandt en was verbluft. Zijn lofprijzingen hadden het beoogde resultaat: er kwamen meer kopers en Rembrandts naam groeide razendsnel. Nu kon Rembrandt ook leerlingen in zijn atelier opnemen en die leerden zijn stijl zo snel tot in perfectie, dat kunsthistorici tot op vandaag de dag moeite hebben werk van de mester zelf te onderscheiden van dat van één van zijn leerlingen. Het beste voorbeeld is de man met de gouden helm, een schilderij dat pas kortgeleden door experts werd ontmaskerd als een werk van een leerling.
In 1630 begon Rembrandt productiefste periode. Hij vergrootte de productie van etsen met opzet en verkocht ze in hoge oplagen, zodat zijn werk en neem werden verspreid. Hij kreeg steeds meer bekendheid en werd ook steeds rijker.
Hij verhuisde weer naar Amsterdam waar hij voor het belangrijke gilde van chirurgijnen zijn eerste groepsportret schilderde, de anatomische les van dr. Tulp. In dit doek bereikte hij een tot dan toe ongekende levensechtheid.
Hij nam de anatomische les niet als belangrijkste onderwerp voor het groepsportret, maar plaatste door middel van de aandacht en concentratie van de artsen het onderwijs zo in het middelpunt dat hij de leden van de gilde in hun ‘natuurlijke’ omgeving individueel kon portretteren. Bovendien toonde Rembrandt zich ook hier een voortreffelijk regisseur van licht. Hij doopte de gezichten van de artsen in een helder licht, zodat alle personages, ondanks dat ze allemaal individueel zijn weergegeven, samen uit het donker te voorschijn komen en als groep herkenbaar worden. Na voltooiing van dit schilderij werd Rembrandt binnen een paar maanden beroemd en de opdrachten stroomden binnen, zowel van de burgerij als van het hof in Den Haag.
Door zijn huwelijk met de patriciërdochter Saskia van Uylenburgh in 1634 werd Rembrandt opgenomen in de hogere kringen. Die sociale promotie, het vermogen van zijn vrouw en zijn inkomsten als leraar en schilder, maakten hem een gegoede burger.
Maar hij bleef niet rijk, want wat hij verdiende, gaf hij uit op veilingen. Hij kocht als bezeten gewaden, wapens, boeken, etsen en veel meer; alles wat als attribuut in zijn rijk uitgedoste schilderijen opduikt. Door die aankopen kwam zijn vermogen zo onder druk te staan dat uiteindelijk, toen hij een huis in de voorname Breestraat wilde kopen, hij niet eens een aanbetaling kom doen.

Begin winter 1639 bestelde de burgercompagnie van kapitein Frans Banningh Cocq een groepsportret bij Rembrandt. Toen het doek, dat bestemd was voor de grote zaal van de Clovenniersdoelen, werd onthuld was er van enthousiasme bij de opdrachtgevers weinig sprake van. Ze hadden geen kunstwerk verwacht, maar een afbeelding van hun trots en waardigheid. I Ieder wilde zo fraai mogelijk worden geportretteerd. Maar naar de heersende opvatting had Rembrandts schilderij met representatie weinig te maken; de meeste personages waren half verstopt of stonden op de achtergrond, of er viel schaduw over hun gezicht. Bovendien had Rembrandt in plaats van 18 personen had hij 31 personen afgebeeld en dus gebruik gemaakt van figuranten om het tafereel te verlevendigen. Daarmee stond het doek lijnrecht tegenover het gangbare groepsportret in zijn tijd, dat er in de regel vooral op uit was de afzonderlijke personages in een representatieve pose af te beelden.
Omdat de personages op zo’n schilderij er meestal uitzien alsof ze verwisselbaar zijn, ensceneerde Rembrandt zijn doek als een door zijn inhoud gedragen historieschilderij. De kapitein heft zijn arm ten bevel, de trommel klinkt, de geweren worden geladen en gespannen. Rembrandt schiep een tafereel, bouwde met licht en schaduw diepte op en regisseerde de barokke beweging tegen een klassiek decor. In tegenstelling tot de katholieke Rubens maakte Rembrandt geen allegorieën, maar zijn schilderijen zijn doordacht en achter de inhoud gaat altijd een diepere betekenis schuil.
De late schilderijen, tekeningen en etsen van Rembrandt hebben één ding gemeen: hij heeft de sporen van het werk niet weggepoetst, het ‘handwerk’ blijft zichtbaar. De verf is niet uitgewreven( d.w.z. zonder overgang in elkaar geschilderd), maar de dikke verfstrepen liggen over elkaar heen. De arcering in zijn grafiek zijn royaal en gedurfd, zonder grote precisie. En overal spelen toevalligheden zoals de loop van de inkt, de vorm van de pen, etsnaalden en penselen e.d een grote rol. Maar met een bijna onbewuste trefzekerheid gebruikte Rembrandt die toevalligheden voor zijn bedoelingen. Uit een schijnbaar achteloos getrokken streep met pen of penseel komen uiterst genuanceerde verschillen te voorschijn, vooral in gezichten. Tegen het einde van zijn leven werd de schilder, die gold als een levensluchtige geldverkwister, een tobber. Zijn naam werd minder, maar zijn roem bleef groeien. Toen in 1647 de prins stierf, zijn belangrijkste opdrachtgever, ging het langzaam bergaf. De nieuwe stadhouder, prins Willem de tweede had een voorkeur voor de nieuwe classicistische schilderskunst.
Op 4 oktober 1669 stierf Rembrandt, 63 jaar oud, in de armenwijk van Amsterdam. Deze schilder heeft ongetwijfeld een hele grote invloed gehad op de Gouden Eeuw in Nederland. Hieronder ziet U het beroemdste schilderij dat Rembrandt gemaakt heeft: De Nachtwacht.

Frans Hals

Frans Hals is geboren in Antwerpen in 1580. Nadat Antwerpen in 1585 in Spaanse handen was gevallen verhuisde de familie Hals naar Noord Nederland. De rest van zijn leven bracht Frans Hals in Haarlem door, waar hij lid was van het schildersgilde.
Frans Hals is twee maal getrouwd en had TIEN kinderen (misschien mocht 'hij daarom op het tientje?); twee uit zijn eerste huwelijk en acht uit zijn tweede huwelijk.
Helaas heeft Frans zijn reputatie als boegbeeld van het bankbiljet van tien gulden niet helemaal waar gemaakt. Hij bracht namelijk het grootste gedeelte van zijn leven als arme sloeber door en had constant financiële zorgen. Zo erg zelfs, dat hij aangeklaagd werd door zijn slager, bakker en schoenmaker vanwege uitstaande schulden. In 1654 betaalde hij een schuld aan de bakker af met verschillende schilderijen.
Frans Hals werd bekend met afbeeldingen van het dagelijks leven. Later in zijn carrière (1620-1630) schilderde hij vooral groepsportretten. Hij geldt als een van de grootste meesters in de portretkunst en is vooral bekend om zijn briljante lichteffecten.
Zijn bekendste schilderijen zijn:
· De vrolijke drinker (Rijksmuseum)
· De Roker (Metropolitan Museum)
· Maaltijd van officieren van de Sint-Jorisdoelen te Haarlem
· Regenten van het Oude-Mannenhuis te Haarlem
· Portret van Lucas de Clercq (Rijksmusuem)
Vijf van zijn zoons werden ook schilder. De bekendste heette ook Frans Hals (1618-c.1669. Hij stierf in Haarlem in wat nu het Frans Hals Museum is in 1666.
Hij was niet zo beroemd als Rembrandt, maar heeft toch bekende schilderijen gemaakt. Zijn invloed op de schilderkunst is niet zo groot geweest. Frans Hals had maar een paar schilderijen die echt beroemd zijn geworden. Hij was wel heel bekend in eigen land. Frans Hals stond bekend om zijn schilderijen van vrolijke personen die lol hadden.

Johannes Vermeer

De schilderijen van Vermeer zijn klein en realistisch. In tegenstelling tot Rembrandt en Frans Hals schilderde hij geen grote groepsportretten. Hij beeldde hooguit twee mensen af, die meestal met dagelijkse dingen bezig waren. Vermeers gevoel voor compositie, ruimte en licht was meesterlijk. Een goed voorbeeld daarvan is Het Melkmeisje. Jan Vermeer schilderde naast enkele landschappen, waaronder ¨Gezicht op Delft¨, voornamelijk interieurs met vrouwen en mannen die lezen, huishoudelijke taken verrichten of musiceren, die gekenmerkt zijn door koelte en licht, bijna mathematisch zijn gecomponeerd en uitmunten in details. Heel bijzonder aan zijn schilderkunst is de bijna fotografische weergave en zijn grote beheersing van licht en kleur.
Zijn grootvader van moeders zijde was valsemunter, zijn grootmoeder van vaderszijde een berooide matrassenverkoopster.
Vermeers vader was zijdewerker, herbergier en kunsthandelaar. Johannes Vermeer woonde als kind in de herberg ´Mechelen´ van zijn vader aan de Voldersgracht. Daarna verhuisde het gezin naar een pand aan de Grote Markt, waar Johannes na de dood van zijn vader in 1652 de schilderijenhandel voortzette.
Johannes Vermeer gaat in ondertrouw op 05-04-1653 te Delft en huwt op 20-jarige leeftijd op 20-04-1653 te Schipluiden met Catharina Reiniersdr (´Trijntje´) BOLNES, een uitzonderlijk huwelijk, want zij was rooms-katholiek en afkomstig uit een welgestelde patriciërsfamilie. Een paar weken voor hun huwelijk was de calvinistisch opgevoede Johannes overgegaan tot het rooms- katholieke geloof.
Op 29 december 1653 trad Vermeer toe tot de schildersgilde van Sint-Lucas als meesterschilder, nadat hij 6 jaar gewerkt had als leerjongen bij de Nederlandse schilder Karel Fabritius, en een jaar later betaalde een Fransman 480 gulden voor één van zijn werken.
Vermeer´s huis (of om het preciezer te zeggen: het huis dat in bezit was van zijn schoonmoeder Maria Thins, waar Johannes Vermeer en zijn vrouw Catherina Bolnes introkken op - of voor 1660) had een ´voorhuis´. Dit voorhuis was een semi-openbaar overgangsgebied tussen enerzijds de straat en anderzijds de intimiteit van de binnenkeuken, waar het gezinsleven zich afspeelde. In het voorhuis toonde de huisbewoner (wellicht meester in een bepaald vak) de goederen die hij gemaakt had en die er te koop stonden. Er werden zaken gedaan. Naast schilder was Vermeer, net als zijn vader, kunsthandelaar om het brood op de plank te krijgen. Vermeer zal er soms een door hem vervaardigd schilderij hebben gehangen. Maar meestal had de schilder Vermeer weinig of geen eigen werk in huis, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen van buitenlandse bezoekers.
Zie meer over het huis en inventaris...
Tijdens zijn leven was hij een gewaardeerd schilder; in 1672 werd hij voor de tweede keer tot hoofdman van het schildersgilde gekozen.
Een voordeel van het feit dat hij door zijn kunsthandel financieel onafhankelijk was, is dat Vermeer nooit voor opdrachtgevers heeft hoeven te werken, zoals de meeste collega´s. In zijn schilderijen kon Vermeer zijn eigen smaak volgen.
De Franse inval in 1672 werd voor Vermeer en vele anderen hun ondergang: de kunstwereld stortte totaal in.
Door de geringe leeftijd die de kunstenaar bereikte en zijn streven naar grote perfectie, resulteerde het werk van Vermeer in een oeuvre van slechts 35 schilderijen en bijna geen enkel daarvan is ooit verkocht geweest. Genoeg echter om vast te stellen dat hij één van de grootste schilders was uit de Nederlandse Gouden Eeuw. Vermeer was geen productief schilder: hij maakte amper twee doeken per jaar, wat erop wijst dat hij niet zo zeer voor de markt werkte. Het wijst ook op de nauwgezetheid in zijn werk. Mogelijk zijn enkele werken verloren gegaan en zal zijn productie in werkelijkheid iets hoger zijn geweest. Ook is er sprake geweest van de verdwijning van vele schilderijen gedurende een bizarre periode vlak na zijn dood op 15 december 1675. Vermeer werd begraven te Delft (Oude Kerk).
Na zijn dood liet hij zijn vrouw Catharina Bolnes achter met elf kinderen en een grote schuld. De uitvinder van de microscoop Anthonie van Leeuwenhoek werd als curator over de boedel aangesteld.
Hoewel hij leefde in de Gouden Eeuw, een tijd waarin het Nederland voor de wind ging, heeft hij veel problemen op financieel gebied gehad en toen hij op zijn 43e overleed, liet hij zijn gezin in grote schulden achter. Zijn weduwe schreef: ¨Tijdens de lange en verwoestende oorlog met Frankrijk was het mijn man niet alleen onmogelijk zijn werk te verkopen, maar bovendien was hij, tot zijn schade, blijven zitten met de schilderijen van andere meesters met wie hij handel dreef. Dientengevolge en ook vanwege de belasting van zijn kinderen, terwijl hij van zichzelf in het geheel niet over middelen beschikte, raakte hij zozeer in razernij en verval, dat hij in een of anderhalve dag van een gezonde toestand overging in de dood.¨
Na zijn dood hadden zijn weduwe en schoonmoeder grote moeite om zich de schuldeisers, zoals de bakker die drie jaar geen betaling voor zijn brood had ontvangen, van het lijf te houden.
Zijn Gezicht op Delft bracht in 1696, twintig jaar na zijn dood, tweehonderd gulden op, het jaarinkomen van een geschoold arbeider. Pas halverwege de negentiende eeuw werd Vermeer werkelijk als een groot kunstenaar erkend.
Johannes Vermeer had maar heel weinig schilderijen gemaakt tijdens zijn korte leven. Er zijn maar 35 werken van hem bekend.

Constantijn Huygens

Constantijn was een Nederlandse dichter tijdens in de Gouden Eeuw. Hij had veel belangrijke gedichten geschreven. De mensen vonden zijn proza en poëzie heel erg goed om te lezen. Hij heeft dus heel veel invloed gehad op de Nederlandse literatuur.

Antonie van Leeuwenhoek

Antonie van Leeuwenhoek werd op 24 oktober 1632 gedoopt in Delft. Als lakenhandelaar was hij vertrouwd met lensjes voor het keuren van stoffen. Waarschijnlijk bracht dit hem ertoe kleine lenzen met sterke vergroting te slijpen en daarmee enkelvoudige microscopen te bouwen. Sommige daarvan konden een vergroting bereiken van vijfhonderdmaal. Hiermee kon hij dingen waarnemen die niemand ooit eerder had gezien. Zo zag hij de eencellige diertjes in het regenwater en in de darmen, de bacteriën in tandaanslag en de parasieten in de darmen van kikkers en vissen. Daarnaast deed Van Leeuwenhoek belangrijke waarnemingen aan rode bloedlichaampjes, toonde hij aan dat aders en slagaders door capillairen met elkaar zijn verbonden, maakte hij een vergelijkende studie van spermatozoïden en bestudeerde het regeneratievermogen van de zoetwaterpoliep.

Al zijn ontdekkingen legde hij vast in zelf geschreven brieven. De meeste daarvan (ongeveer 350) waren gericht aan de Royal Society te Londen, een gezelschap dat in 1662 was opgericht door een aantal Engelse geleerden om de 'kennis der natuur' te bevorderen. Vanaf 1680 was hij officieel lid van de Society en werden zijn mededelingen gepubliceerd in haar tijdschrift, de Philosophical Transactions. Dit maakte hem door de gehele toenmalige geleerde wereld bekend.

In al zijn wetenschappelijk werk heeft hij geprobeerd het ontstaan en de structuur van de levende materie te doorgronden. Van Leeuwenhoek probeerde steeds weer aan te tonen dat levende structuren altijd zijn opgebouwd uit uiterst fijne elementen, ook als dat bij zeer kleine onderdelen van organen of bij zeer kleine organismen niet met het blote oog zichtbaar is. Hij vocht de toen algemeen heersende opvatting aan dat bepaalde organismen uit levenloze stof zouden ontstaan.

Antonie van Leeuwenhoek stierf er op 26 augustus 1723. Hij was dus erg belangrijk voor de wetenschap in Nederland. Hij heeft belangrijke uitvindingen gedaan en onderzoek verricht dat van grote waarde is geweest. Van Leeuwenhoek heeft de eerste microscoop uitgevonden. Die was zeer eenvoudig en ook deed hij onderzoek naar allerlei ziektes en virussen. Hij heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse wetenschap.

Christiaan Huygens

De Nederlandse wis-, natuur- en sterrenkundige Christiaan Huygens leefde van 1629 tot 1695. Hij was de zoon van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle en studeerde rechten te Leiden en Breda. Huygens maakte verschillende buitenlandse reizen. In Angers (Frankrijk) promoveerde hij in de rechten en hij bezocht ook Engeland.
Van 1666 tot 1681 woonde hij te Parijs als lid van de door Colbert in het leven geroepen Académie des Sciences. Na 1681 woonde hij te 's-Gravenhage en Voorburg.

Aanvankelijk hield Huygens zich bezig met wiskunde en was in het midden van de 17de eeuw de leidende figuur onder de Europese wiskundigen. Hij hield zich vooral bezig met de problemen van rectificatie, kwadratuur en kubatuur, zwaartepuntsbepaling, de bepaling van raaklijnen aan krommen en extreme waarden.

Later wijdde hij zich aan de natuurkunde. Hij zette de bij Galilei begonnen ontwikkeling van de klassieke mechanica voort door zijn onderzoekingen met betrekking tot de val- en slingerbeweging, cirkelbeweging en botsing. Hieruit ontstond de theorie van de slingerbeweging, die hij in 1656 gebruikte bij de constructie van een slingeruurwerk. Hierdoor ontstond een aanzienlijke verbetering in de tijdmeting.

Op het gebied van de optica hield hij zich vooral bezig met de geometrische theorie van lenzen en hun toepassing in kijkers en microscopen. Met zijn broer Constantijn jr. construeerde hij kijkers en microscopen, waarmee hij astronomische en microbiologische waarnemingen deed.

Als astronoom is Huygens vooral bekend door zijn ontdekking in 1655 van de Saturnusmaan Titan en de ware aard van de Saturnusringen in 1666. Met zijn broer Constantijn bouwde hij verschillende grote lenzentelescopen, waarmee o.a. de oppervlaktedetails op de planeet Mars werden ontdekt. Hij was er van overtuigd dat ook andere planeten met redelijke wezens zouden zijn bevolkt.
Met behulp van buskruit probeerde Huygens een motor te fabriceren door gebruik te maken van de explosieve werking van deze stof.

Je kunt dus zien dat hij heel belangrijk is geweest voor de Nederlandse wetenschap ten tijde van de Gouden Eeuw. Met name voor de astronomie, de optica, de natuurkunde en de wiskunde heeft Christiaan Huygens een grote rol gespeeld.

Pieter Paul Rubens

In 1568 vluchtten Rubens` ouders vanuit hun geboortestad Antwerpen naar Keulen. Dit was omdat vader Rubens, Jan, die van huis uit katholiek was, maar calvinistische sympathieën had, liep gevaar om als ketter vermoord te worden. In Keulen werd Jan secretaris van de prinses van Oranje. Nadat zijn liefdesverhouding met de prinses uitlekte, werd Jan ter dood veroordeeld en in de gevangenis opgesloten. In 1573 kreeg Maria Rubens het voor elkaar dat haar man op borgtocht vrijgelaten werd. Het gezin ging gedwongen in Siegen in Duitsland wonen. Daar wordt vier jaar later, op 28 juni 1577, Pieter-Paul Rubens als zesde kind geboren. Een jaar daarop verhuisde de familie terug naar Keulen.
Kort na de dood van Pieter-Paul zijn vader (1587) verzoende zijn moeder zich met de katholieke kerk en keerde met haar gezin terug naar Antwerpen. Pieter-Paul bleef gedurende zijn gehele leven een gehoorzaam onderdaan van de katholieke regeerders van de Spaanse Nederlanden.
De jonge Rubens liep school bij latinist Rombout Verdonck, die het opvoedingswerk van Jan Rubens voortzette. Balthasar Mortetus, die later de plantijnse drukkerij zal leiden, studeerde er ook. Hij en Pieter-Paul worden vrienden voor het leven.
Als hij dertien is, treedt hij als page in dienst van Margaretha de lalaing, Gravin van Arenberg. Hier leerde Pieter-Paul zijn goede manieren en zijn vertrouwdheid met het leven aan het hof. Het was ook een kans voor een grote politieke carrière, maar Pieter-Paul wist ook toen al dat hij schilder wilde worden.
Een jaar later lukt het hem om zijn moeder over te halen en gaat hij op leercontract bij de schilder Tobias Verhaecht, een aangetrouwde oom van Pieter-Paul. Tobias schilderde vooral kleine landschappen. Daarna in 1591 wordt hij leerjongen bij Adam van Noort, en in 1596 bij Otto van Veen. Otto was een van de belangrijkste schilders in die tijd, hij had in Italië gestudeerd. Zijn werk was renaissancistisch. Bij hem leerde Rubens de kennis van de symbolen. Ook de esthetische vorming van Rubens heeft hij belangrijk beïnvloed.
Toen Rubens 21 was, en al ruim 7 jaar in de leer, werd hij als meester opgenomen in het Sint-Lucasgilde (vereniging voor kunstenaars).
Op zijn 23ste reisde Rubens naar Italië. Als Pieter-Paul ooit als schilder een grote naam zou kunnen verwerven moest hij wel naar Italië. Waar hij het geld voor de reis vandaan haalde is niet met zekerheid te zeggen, maar Rubens was altijd handig in geldzaken. Misschien had hij wel een paar doeken verkocht. Erg veel geld had hij toch niet nodig, want als hij eenmaal in Italië zou zijn, zou hij makkelijk werk kunnen vinden. Vlaamse schilders werden namelijk in Italië zeer bewonderd om hun landschappen. Hij had ook het voordeel dat hij al Italiaans sprak.
In juni 1600 was hij in Venetië. Daar kwam Rubens onder de indruk van de werken van Tintoretto en Veronese. De schilderijen van Veronese, die de kerk van San Sebastiano verrijkten, zouden Rubens ook vele jaren later inspireren, toen hij het plafond van de Jezuïetenkerk te Antwerpen moest versieren. Maar vooral de kunst van Titaan boeide hem. Titaan was gestorven in Rubens geboortejaar. Rubens kopieerde ook verscheidene werken van hem. Titaans` werk was te herkennen aan prachtige kleuren, sterke en toch vloeiende lijnen en zijn meesterschap over de vorm en de kracht van zijn verbeelding.
Op Rubens` hoogtepunt van zijn eigen roem, prees hij Titaan met eerbied en liefde als de grootste aller meesters.
In juli trad Rubens in dienst als hofschilder van hertog Vincenco Gonzaga van Mantua. De hertog bezat een schitterende kunstverzameling die voor Rubens toen heel wat studiemateriaal inhield.
Het effect van de kunst die Rubens zag en beleefde in Mantua was nog belangrijker dan de invloed van de kunst van Florence waar Rubens samen met het hertogelijk gevolg naar toe reisde in oktober samen met het hertogelijk gevolg om daar het huwelijk van Maria de Medici bij te wonen. Hij bezocht in Florence o.a. de enorme graftombes van Michelangelo.
Rubens werd ook ongetwijfeld beïnvloed door het werk van Giulio. In Venetië had hij voor het eerst de prachtige, door Giulio beschilderde plafonds gezien. Rubens leerde veel van de besturing van Giulio`s oplossingen van de problemen van de gebonden schilderkunst; toegepast op grote muuroppervlakten en gecompliceerd door de binnenarchitectuur van ramen, deuropeningen, koepels en booggewelven.
De reizen die Rubens voor de hertog maakte, brachten hem op de belangrijkste plaatsen in Italië. Rubens is o.a. in Florence, Genua, Pisa, Padua, Verona, Lucca, Parma, Venetië, Urbino en Milaan geweest. Zo kwam hij ook in 1601 in Rome. Het was onvermijdelijk dat Rubens zijn blik richtte op Rome, het is tenslotte de Eeuwige Stad, de magneet voor alle kunstenaars en geleerden, waar hij enorm veel belangrijke werken van andere kunstenaars kon zien. De Italiaanse kunst werd in die tijd sterk beïnvloed door Caravaggio, die het hoogtepunt van zijn roem kende toen Rubens in Rome aankwam. Rubens nam, ondanks zijn bewondering, afstand van Caravaggio`s stijl. Hij vond Caravaggio`s werkwijze te traag en te zwaar. Het stond voor Rubens vast dat hij alles op een vlugge, rake manier moest kunnen weergeven. Zoals hij eerder had gezien van een Carracci. De manier waarop Carracci vlugge krijtschetsen naar het leven maakte, nam Rubens snel over.
In de zomer van 1601 kreeg Rubens van aartshertog Albrecht (de bestuurder van de Zuidelijke Nederlanden) opdracht drie grote werken te schilderen voor de kerk van Santa Croce in Gerusalemme. Bij deze schilderijen was de Italiaanse invloed (o.a. bepaald door Titaan) overduidelijk.
In maart 1603 stuurt Vincenco Gonzaga hem naar Spanje, om er te gaan onderhandelen met de Spaanse koning. De reis naar Spanje was niet echt gemakkelijk. Deze tocht ging over bergachtige wegen en behelsde een lange overtocht over zee en Rubens had onvoldoende geld en uitrusting mee gekregen. Een overstroming in Florence hield de reis ook nog eens enkele dagen op. Eindelijk in Spanje ontmoet Rubens de hertog van Lerma. Hij schildert daar het ruiterportret van de Hertog.
Een jaar na Rubens` terugkeer boekte hij zijn eerste grote succes in een religieus werk. Namelijk een schilderij voor het hoogaltaar van de jezuïetenkerk in Genua.

In het najaar van 1605 vestigde Rubens zich samen met zijn broer in Rome. (Hij had ontslag aan de hertog van Mantua gevraagd.) Dit tweede verblijf duurde bijna drie jaar. Hij bestudeerde hier antieke en recente beelden die deel uitmaakten van de Italiaanse barokke bouwstijl. Rubens ontwikkelde zijn uitstekend mentaal en visueel geheugen en kreeg door voortdurende zelftucht en oefening een snelheid en zekerheid in tekenen.
In de herfst van 1608 vernam Rubens dat zijn moeder ziek was. Hij reisde onmiddellijk op 28 oktober 1608 naar Antwerpen, maar hij kwam toch te laat. Zijn moeder was inmiddels overleden. Hij bleef nog in Antwerpen, want hij hervond de goede relaties met zijn oude schildersvrienden. En in juni 1609 werd hij door Jan Bruegel officieel geïnstalleerd als lid van de broederschap der ‘romanisten’, kunstenaars die in Italië hadden gestudeerd. Bovendien was Rubens verliefd geworden op Isabella Brant. In de zomer van 1609 besloot hij zich definitief in Antwerpen te vestigen. In september dat jaar wordt Rubens benoemd tot hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella. En op 3 oktober trouwt hij met Isabella Brant.
Rubens` eerste werken na zijn terugkeer uit Italië worden gekenmerkt door ‘een vastgehouden geladenheid en overwegend donkere kleuren.
Ondertussen werkte Rubens samen met de Plantijn-Morethusdrukkerij. Hij maakte o.a. illustraties voor titelpagina`s.
Op 21 maart 1611 bestelt de kolverniersgilde De Kruisafneming voor de kathedraal van Antwerpen. Het middenpaneel is klaar in 1612 en de zijpanelen in 1614. Datzelfde jaar wordt zijn zoon Albrecht geboren.
In 1616 schildert Rubens Het Laatste Oordeel voor de Jezuïetenkerk van Neuburg.
In 1618 wordt een tweede zoon geboren: Nikolaas. In april ruilt Rubens 12 van zijn doeken voor de antieke marmeren beelden van sir Dudley Carleton, ambassadeur van Groot-Brittannië in Den Haag. De ambassadeur koopt ook het doek Daniel in de leeuwekuil.
In Antwerpen wordt het Rubenhuis afgewerkt.
In februari 1622 bestelt de Franse koningin-moeder, Maria de Medici, bij hem een reeks van 24 doeken, die de daden en verdiensten van deze grote dame in verf moeten zetten: de ‘Galerij van Maria de Medici’.
Op 8 mei 1625 worden de 24 doeken van de ‘Galerij van Maria de Medici’ officieel voorgesteld. Later worden ze naar het Louvre-museum overgebracht.
Op 20 juni 1626 sterft Isabella Brant.
In 1628 maakt Rubens in Spanje kennis met de grote Spaanse schilder Diego Velasques. Het volgende jaar slaat Karel I van Engeland hem tot ridder en krijgt hij een eretitel(‘Master of Arts’) aan de Universiteit van Cambridge.
Op 6 dec. trouwt de 53 jarige Rubens met de mooie Helena Fourment, die dan 16 is. Ze krijgen 5 kinderen (Clara-Johanna, Frans, Isabella-Helena, Pieter-Paul en Constantina-Alberta).
In 1631 zegt Rubens het diplomatieke leven vaarwel. Hij heeft succes gehad, maar ook vijanden gemaakt. Hij wijdt zich nu helemaal aan het schilderen.
In 1636 geeft de Spaanse koning Filips IV hem de opdracht het jachtpaviljoen ‘Torre de la Parada’ te versieren. Rubens wordt benoemd tot hofschilder van kardinaal-infant Ferdinand.
Op 27 mei 1640 dicteert Rubens, die steeds meer last heeft van jicht, zijn testament. Hij sterft drie dagen later in Antwerpen.
Deze schilder heeft zonder enige twijfel heel veel invloed gehad op de Nederlandse schilderkunst ten tijde van de Gouden Eeuw. Hij was ook zeer beroemd en geliefd in de Nederlanden. Zijn manier van schilderen is ook zeer bekend geworden

4 Wat zijn de gevolgen van de Gouden Eeuw?

De gevolgen van de Gouden Eeuw zijn eenvoudig te verklaren.
Het eerste gevolg is duidelijk zichtbaar. Nederland is als land heel erg gegroeid. Amsterdam is een heel belangrijke stad geworden voor de wereldhandel. En de grootste steden in de republiek der Verenigde Nederlanden zijn veel groter geworden, zoals Rotterdam, Den Haag, Utrecht etc.
Toen de Gouden Eeuw nog niet was begonnen telde Nederland nog niet zo mee in de wereldhandel. Maar nadat een tijdperk kwam van enorme vooruitgang in cultureel, wetenschappelijk en in economisch opzicht, onderging de Verenigde Republiek der Nederlanden een omwenteling. Eerst telde Nederland niet mee in de wereld en na afloop van dit tijdperk had het land een machtige positie verworven in de wereldhandel, op cultureel, economisch gebied en op het gebied van natuurkunde, scheikunde, biologie en de astronomie. Dus op het wetenschappelijk vlak was Nederland erg hard vooruitgegaan. In dit land werden er allerlei belangrijke uitvindingen en ontdekkingen gedaan tijdens de Gouden Eeuw. Mede doordat het heel welvarend ging met de economie konden de wetenschappers ook steeds betere middelen gebruiken om onderzoek te doen naar allerlei verschijnselen, zoals, bacteriën, virussen en verschillende soorten ziektes.
En omdat er nu meer geld beschikbaar was, werden er ook meer uitvindingen gemaakt. Deze uitvindingen waren heel belangrijk voor het verdere verloop van de Nederlandse geschiedenis. Als bijvoorbeeld de microscoop niet was uitgevonden door Antonie van Leeuwenhoek dan was de levensverwachting van de mens een stuk lager geweest en leefden we vandaag de dag niet in zo’n grote welvaart. Door de Gouden Eeuw zijn er ook meer zaken in het leven gekomen die er eerst nog niet waren.
Eerst lag de levensstandaard van de mensen niet zo hoog toen de Gouden Eeuw begon. Veel mensen uit de laagste stand van de samenleving, de arbeiders en de boeren, hadden een zeer armoedig bestaan.
Terwijl nadat de Gouden Eeuw was afgelopen iedereen het een stuk beter had. Alle standen (edel, geestelijken

5 Wat voor verband is er tussen de Gouden Eeuw en de standenmaatschappij uit de Late middeleeuwen?

Er is zeer zeker een verband tussen deze periode in de vaderlandse geschiedenis en de standenmaatschappij uit de Late Middeleeuwen. Deze samenleving is in de Middeleeuwen ontstaan.
De boeren stonden helemaal onder aan de maatschappelijke ladder. Daarboven stond de adel, en daar weer boven bevond zich de kerk. Je had ook nog de rijke burgerij, de bourgeoisie.
De middeleeuwse samenleving was een gelaagde samenleving en werd steeds meer een geprivilegieerde standenmaatschappij. De drie standen geestelijkheid, adel en burgerij, baden, vochten en werkten onder leiding van hun vorst, in ruil voor macht en privileges. Toch vormden de geestelijken, edelen en burgers maar een zeer klein deel (10%) van de bevolking. De massa van boeren, landarbeiders en handwerkers behoorden tot geen enkele stand. Zij hadden maar weinig rechten maar des te meer plichten.
Godsdienstigheid en geprivilegieerde gelaagdheid waren kenmerken van de Middeleeuwen. De sterke gemeenschapszin uitte zich in de kloosterorden, gilden en de ridderorden

De rooms katholieke geestelijkheid is in twee groepen verdeeld. De wereldlijke geestelijkheid begeleidt de gelovige leken in hun dagelijks bestaan (doop, communie, huwelijk, begrafenis) . In de kloosters en abdijen woont de tweede groep: de orde geestelijkheid. De middeleeuwse kloosterlingen (monniken en nonnen) hadden ook een maatschappelijke functie als ziekenverzorgers, onderwijzers, (over)schrijvers, landontginners en boeren. Bedelaars kregen te eten en pelgrims kregen onderdak.
De hoge geestelijken (bisschoppen,abten en abdissen) waren meestal van adel. De bisschoppen hadden ook vaak politieke macht (landsbestuurders). Daardoor kwamen zij wel eens in moeilijkheden. Wie moesten zij gehoorzamen hun leenheer of de paus, die overigens zelf als vorst regeerde over de Kerkelijke Staat. Niet alleen door de opbrengst van de tienden maar ook door legaten van rijke gelovigen waren de abdijen vaak zeer rijk.
De hoge adel (hertog, markies, graaf) en de lage adel (baron, jonker) hielpen de vorst bij het bestuur en vormden zijn ridderleger. Zij woonden in bijna onneembare kastelen, en heersten naar welgevallen over hun eigen gebied en het in leen gekregen land. De kruistochten en de eeuwige twist tussen de Engelse en Franse koningshuizen verschafte de adel het avontuur en de zo fel begeerde roem en eer. De dappersten en machtigsten werden lid van de orde van het Gulden Vlies of van de Orde van de Kousenband. De Johannieters, de Tempeliers en de Duitse Orde waren geestelijke ridderorden: ridders die de kloostergeloften hadden afgelegd.
Aan de machtige positie van de adel kwam een eind toen boogschutters ridders konden verslaan (Gulden Sporenslag), het buskruit de kasteelmuur verpulverde en het geld van de burgers huurlegers op de been bracht. De vorst was niet meer afhankelijk van de lastig geworden edelman.
Hoewel ieder die binnen de stadsgrenzen woonde vrij was of vrij werd hadden de meeste poorters maar weinig te vertellen. Alleen de door handel en nijverheid rijk geworden stedelingen hadden invloed op de samenstelling van het stadsbestuur en stelden hun landsheer hun eisen. Zij leenden hem geld of stonden hem een bede toe in ruil voor privileges. Zij vormden een aparte derde stand. Het was de rijke koopmansstand van Vlaanderen en Noord Italië die de kunstenaars van opdrachten ging voorzien, zoals bouwwerken en schilderijen.

De grote Volksverhuizing had het leven op het platteland er niet veiliger op gemaakt. Veel boeren zochten dan ook bescherming bij een heer. Zij ruilden hun vrijheid voor veiligheid. Zij werden horigen, hadden in alles instemming nodig van hun heer, maar waren toch minder rechteloos dan de lijfeigenen, afstammelingen van vroegere slaven. Het Christendom gaf hun echter een menswaardig bestaan.
Horigen en lijfeigenen woonden bij de vroonhoeve. Zij verrichtten alle voorkomende boerenwerkzaamheden op het landgoed. Geld was er niet veel meer. Er kon eigenlijk alleen maar geruild worden in natura. In feite was elk landgoed zelfbedruipend. Dit zogenaamde hofstelsel ging later, toen er weer meer geld in omloop kwam, over in het pachtstelsel. Horigheid en lijfeigenschap werden afgeschaft of afgekocht. De boeren pachtten nu de grond van hun heer. Maar ze waren nog wel verplicht herendiensten te verrichten en ze bleven in hun vrijheid beperkt door de heerlijke rechten.
Een vooruitgang in de landbouw was het in de negende eeuw doorgevoerde drieslagstelsel, waardoor de akkeropbrengst kon worden verhoogd. Bij slechte of mislukte oogsten was er grote schaarste, soms zelfs hongersnood. Dat kwam door het slechte of afwezige wegenstelsel. Waardoor er hier te weinig en daar te veel voedsel was. Karel de Grote reisde daarom dan ook met zijn gehele hof van palts naar palts om zo het transportprobleem op te lossen.

De neergang van het Romeinse rijk betekende natuurlijk ook het verval van de eens zo bloeiende steden. De handel stagneerde, de nijverheid ging sterk achteruit. Pas na de Noormannentochten (ca.1000) kwam er weer een opleving. Nieuwe stadskernen ontstonden bij een rivierovergang, een wegenknooppunt, bij een kasteel of klooster. Kooplieden en handwerkers vormden nieuwe woonkernen met eigen behoeften aan bestuur en recht. De landsheren waren wel bereid, natuurlijk tegen betaling, de nederzettingen uit te zonderen van het geldend recht ( van de heer). Zo ontstond het stadsrecht. Ter bescherming van hun stadsgemeenschap verleende de heer de stad ook vaak het recht de stad te ommuren.
Het stadsbestuur, op de samenstelling waarvan de heer nog wel enige invloed had, bestond uit een vroedschap en een aantal Burgemeesters. Schout en schepenen zorgden voor recht en orde.
Vele steden werden later door de handel en nijverheid rijk en welvarend. In de politiek van de landsheer gingen zij dan ook met hun geld een belangrijke rol spelen. Met hulp van de poorters konden de eigenzinnige edelen in toom worden gehouden.
Toen in de elfde eeuw de wegen weer veiliger waren geworden trokken kooplieden en marskramers van de ene jaarmarkt naar de andere jaarmarkt. Met het toenemen van de handel kwam er ook behoefte aan geld. In de stedelijke centra van Noord Italië ontwikkelde zich het bankwezen. Sommige steden hadden de stapel van een of meer producten. Had men een bepaald product nodig, dan wist men naar welke stad of naar welke jaarmarkt men moest gaan.
De handel langs 's Heren wegen werd overvleugeld door de zeehandel, mogelijk gemaakt door een nieuw scheepstype. Het wendbaardere koggeschip verving het logge karveel. De handelscentra kwamen nu ook aan zee te liggen (Noordzee, Oostzee, Middellandse Zee). De kooplieden van de Oostzeesteden sloten met de kooplieden van elders (o.a. Deventer en Kampen) handelsverenigingen, de Hanzen. De aangesloten steden konden rekenen op hulp van elkaar en bijstand in handelszaken maar ook bij allerlei soorten van gevaren en risico's. Het Hanzeverbond werd in de veertiende eeuw overvleugeld door o.a. de Hollanders, de latere vrachtvaarders van Europa.
Belangrijke handelsproducten waren laken, zuivelproducten, graan, hout, haring, wijn en zout, specerijen en luxe artikelen.

De nijverheid werd vooral in de steden uitgeoefend en was heel vaak op het platteland verboden. De handwerkerbazen waren in gilden verenigd. Elk beroep had zijn eigen vereniging, bestuur en schutspatroon. Het gildesysteem waarborgde de klant kwaliteit en een redelijke prijs en de gildenmeester een goede boterham en bijna geen concurrentie.
De opleiding liep van leerling, via gezel naar het meesterschap, wat alleen verkregen kon worden na het maken van een meesterstuk en als er dan nog plaats was. Anders werd je meesterknecht.
Het gildesysteem leidde uiteindelijk tot verstarring. Toen de afzetmarkten verder weg kwamen te liggen en de gildenmeesters niet durfden te investeren, raakten zij afhankelijk van rijke en ondernemende kooplieden. Bovendien belette de gildenvoorschriften en het conservatisme van de meesters modernisering en aanpassing van de productietechniek.

De Middeleeuwen werden beheerst door het geloof en de kerk. Tot in de elfde eeuw bleef de christelijke kerk een eenheid. Toen splitste de geloofsgemeenschap zich naar aanleiding van de vraag of de paus ook zeggenschap had over het Oosten (Byzantium).Het Westen bleef onder het gezag van de paus, de bisschop van Rome. In het Oosten kwam de Grieks Katholieke Kerk met aan het hoofd de patriarch van Constantinopel.
De Rooms Katholieke kerk was hiërarchisch georganiseerd. De paus bijgestaan door een aantal kardinalen had het oppergezag over geestelijken en leken. Aartsbisschoppen, bisschoppen en pastoors (wereldlijke geestelijkheid) waren verantwoordelijk voor het zielenheil van de gelovigen. Vanaf de elfde eeuw werd de paus gekozen door en uit het college van kardinalen, dat daarvoor in conclaaf bijeengeroepen werd. Als de paus iets zeer belangrijks had te zeggen riep hij al zijn bisschoppen in een kerkvergadering (concilie) bijeen.
Naarmate het aantal ketterse opvattingen toenam werd ook de rol van de Inquisitie belangrijker.
In de zesde eeuw ontstonden er in West Europa kloosters, waar gelovigen afgezonderd van de wereld hun leven in dienst stelden van God. De broeders (monniken) en zusters (nonnen), die apart leefden, legden allen dezelfde geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af. Verder had elk klooster zijn eigen leefregel.
Een aantal kloosters met dezelfde regel vormde een kloosterorde (Benedictijnen, Cisterciënzers, Dominicanen).De ontelbare kerken, kapellen en kloosters getuigen van de zeer vrome instelling van de middeleeuwse gelovigen en van hun sterke gerichtheid op het hiernamaals (memento mori: gedenk te sterven.
In de Middeleeuwen bestond de standenmaatschappij dus uit de adel, de geestelijkheid en de burgerij. De adel stond helemaal boven aan de maatschappelijke ladder, dan kwamen de geestelijken en daarna de burgers. Deze drie standen vormden maar een heel klein deel van de samenleving. De boeren, landarbeiders en de handwerkers behoorden helemaal niet tot een stand, ze vormden wel de grootste groep van de maatschappij. Ze hadden heel weinig rechten, maar des te meer plichten. Ze waren verplicht om een stuk grond af te staan aan de leenheren (vazallen). Dit noemde men het feodale stelsel of het leenstelsel. In ruil hiervoor kregen de boeren voedsel en een onderkomen.
Tegen het einde van de Late Middeleeuwen veranderde langzaam de standenmaatschappij. Er was eigenlijk bijna geen sprake meer van een standenmaatschappij. De standen waren zo goed als verdwenen. Er was wel een sociale groep bijgekomen: de rijke burgerij oftewel de bourgeoisie. Deze groep kon zich heel veel veroorloven. De bourgeoisie waren rijke mensen. Dit hadden ze met name te danken aan de wereldhandel tijdens de Gouden Eeuw. Doordat de VOC handel had gedreven met de koloniën in Azië, was Nederland een heel rijk en welvarend land geworden. Hier profiteerde maar een klein deel van de bevolking van, en dat was de Bourgeoisie.
Ten tijde van de Gouden Eeuw was er nog wel enigszins sprake van een soort van standenmaatschappij, maar er was niet veel meer van te merken.

6 Is er een verband tussen de Renaissance en de Gouden Eeuw?

Ja, er is wel degelijk een verband tussen de Renaissance en de Gouden Eeuw. De Renaissance ontstond in de 15e eeuw rond 1400 in Italië. Het betekent de wedergeboorte van de Klassieke Oudheid, de Romeinse en Griekse tijd. De Renaissance is van hele grote invloed geweest op het leven en denken van de mensen in de West-Europese landen. Deze culturele, wetenschappelijke en religieuze stroming bracht heel veel mensen voort die vandaag de dag nog steeds heel beroemd zijn zoals: Leonardo da Vinci, Michelangelo, Rafael, Titiaan. Dit zijn beroemde personen die leefden ten tijde van de Renaissance in Italië.
Uit de Renaissance vloeide als het ware de Gouden Eeuw voort. Dit verband is moeilijk uit te leggen, maar er is wel degelijk een connectie tussen deze twee tijdperken.
Door deze stroming is de Gouden Eeuw dus heel sterk beïnvloed.

Conclusie

Nu komt dus het antwoord op mijn hoofdvraag: Wat voor een betekenis heeft de Gouden Eeuw in Nederland gehad voor de Nederlandse geschiedenis?

De Gouden Eeuw is dus van heel grote betekenis geweest voor de Nederlandse geschiedenis. Dit tijdperk begon dus in de 17e eeuw. Het besloeg de hele eeuw ongeveer, maar het is heel moeilijk aan te wijzen wanneer het precies is begonnen, er is geen precies jaartal aan te wijzen. Maar de meeste historici zeggen dat dit tijdperk rond 1600 is begonnen. En dat is het meest aannemelijk.
Als de VOC niet was opgericht dan was het voor Nederland misschien heel anders gelopen. Dan was er waarschijnlijk geen Gouden Eeuw geweest. Het had er wellicht minder rooskleurig uitgezien voor de Republiek der Verenigde Nederlanden. Maar dit is dus niet het geval geweest.
Door de zeer succesvolle handel van de VOC kwam de Republiek tot grote bloei. En doordat Holland zich ontwikkelde van een nietszeggend land tot een belangrijke schakel in de internationale handel kreeg men steeds meer welvaart. En daardoor steeg de levensstandaard van de mensen en kregen ze een iets beter leven. Dus het was een zeer belangrijke periode in de vaderlandse geschiedenis.

Deze eeuw heeft het verdere verloop van de Nederlandse geschiedenis in grote lijnen bepaald. Nadat deze periode was afgelopen brak er een tijd van grote weelde aan. En vandaag de dag is dat ook nog steeds te merken in Nederland. Het is een welvarend land geworden en de levensstandaard van de burgers tegenwoordig is heel hoog.

Bronvermelding

www.art-i-ficial.nl/Gallery/ Vermeer/bio/biovermeer.htm
www.jacobus.nl/geschiedenis
kleine atlas van de Nederlandse beschaving door Prof. Dr. J. J. M. Timmers 1982
http://www.digitalejuf.nl/goudeneeuw.htm
http://www.ned.univie.ac.at/non/landeskunde/nl/h2/tekst2-10.htm
http://www.meriander.com/zoek.php?subject=artist&num=156

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

dit duurt lang

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

het is een heel goed werkstuk hoop van geleerd thx

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

C.

C.

je maakt onnodige fouten. johannes vermeer verkocht wel degelijk zijn schilderijen, daarom stond zijn atelier/voorhuis nagenoeg altijd leeg. het enige schilderij dat hij bij zich hield was zijn meesterwerk 'de schilderkunst'. check je feiten.

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

cool

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

goed .

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

dank

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Y.

Y.

hardstikke goed gedaan
er kan wel nog iets bij maar toch goed gedaan

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

:)

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

Wat een ontzettend goed profielwerkstuk zeg! Het is heel overzichtelijk, inhoudelijk goed en in je eigen woorden! Hartstikke bedankt dat je het op internet hebt gezet want ik heb er heel veel van kunnen gebruiken voor mijn scriptie kunstgeschiedenis!

Ik hoop dat je nog veel meer goede reacties hebt gehad, want dat is het zeker waard!

Groetjes van kim

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

ik vond hem wel kort hoor

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Hey

Ik heb echt heel veel aan dit werkstuk van je.
Niet dat het jat maar de teksten waar bij google
enzo vond ik gewoon hier. Heel erg bedankt!

Julia

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

een scholier

een scholier

Echt een werelds profielwerkstuk!
groeten Steven.

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast