De dekolonisatie van Indonesie

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Profielwerkstuk door een scholier
  • 5e klas havo | 6986 woorden
  • 6 juli 2001
  • 501 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
501 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Inleiding

Indonesië bestaat uit een gordel van 17 508 eilanden die zich uitstrekken van de Indische Oceaan tot de Grote Oceaan. Op slechts 6000
van deze eilanden wonen mensen.

Het grootste gedeelte van Indonesië, ongeveer 80%, bestaat uit water. Indonesiërs noemen hun land dan ook ‘Tanah Air Kita’, wat ‘ons land en water’ betekent. Indonesië heeft 200 miljoen inwoners. De bevolking is zeer gevarieerd. Er zijn ongeveer 300 verschillende etnische groepen. Elke groep zit ziet er anders uit, kleedt zich anders, heeft een eigen geloof met bijbehorende tradities, een eigen taal, woont in een ander gebied en wordt anders bestuurd. De meeste mensen spreken wel Bahasa Indonesia, de nationale taal.

Tussen het jaar 100 en 1250 waren er in Indonesië vele koninkrijken. Sommige bestonden uit enkele dorpjes, andere uit grote gebieden. Indiase handelaars, boeddhistische monniken en brahmaanse priesters verspreiden met succes hun kennis van het boeddhisme en het hindoeïsme over de eilanden. Het Hindoerijk van de Majapahit werd in 1294 gevestigd op Oost-Java en bereikte een hoogtepunt in de 14e eeuw, toen het een groot deel van Indonesië besloeg. Men leefde van de verbouw van rijst, de beheersing van handelsroutes en opbrengsten uit ondergeschikte staten. Majapahits succes in het regeren over Indonesië als één rijk inspireerde latere machthebbers.

Arabische kooplieden deden al lang zaken met Zuidoost-Azie. Op Sumatra introduceerde ze de Islam. Veel mensen bekeerden zich tot het nieuwe geloof, wat er mede voor zorgde dat ze ook handel konden drijven met andere islamitische landen. De Islam verspreide zich snel over de andere eilanden van Indonesië. Begin 16e eeuw versloeg het islamitische rijk van Demak in Sumatra het laatste grote hindoe-bolwerk op Java. Indonesië werd het land met de meeste moslims ter wereld.

In de 16e eeuw zochten Europese handelaars op de Molukken naar specerijen, die brachten veel geld op in Europa. Vanaf die tijd dreven de Portugezen actief handel met Indonesië. Ze introduceerde het katholicisme. In 1596 arriveerden de eerste schepen uit Holland. Vanaf 1602 nam de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de macht op de eilanden over. De VOC ging in 1799 failliet maar Indonesië bleef tot in de 20e eeuw een Nederlandse kolonie. Nederlanders en Indiërs waren verwikkeld in een bittere machtsstrijd. Rond 1910 stond, afgezien van Oost-Timor, heel Indonesië onder Nederlands gezag en Nederland verdiende goed aan het land. In de Tweede
Wereldoorlog werd Indonesië bezet door Japan. In 1949 werd Indonesië onder bewind van Soekarno een onafhankelijke republiek.

In dit werkstuk probeer ik de weg van Nederlands-Indie naar de onafhankelijke republiek Indonesië te beschrijven hoe de dekolonisatie verliep, en wat de gevolgen er van waren voor zo wel Nederland als Indonesië.

Hoofd- en deelvragen

Hoofdvraag

· Hoe verliep in Indonesië de weg van kolonie naar de onafhankelijkheid?

Deelvragen

· Hoe werd Indonesië gekoloniseerd?
· Hoe ging het met Indonesië als kolonie van Nederland, en hoe regelde Nederland de bestuurszaken?
· Wat gebeurde er met Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog, en wat voor invloed hadden die gebeurtenissen op het nationalisme?
· Hoe verliep de overdracht van de soevereiniteit van Nederland aan Indonesië?
· Wat was de rol van Soekarno in het dekolonisatieproces?
· Wat was de rol van Soeharto in het dekolonisatieproces?
· Hoe was de situatie na de dekolonisatie?
· Vanuit welk principe wordt Indonesië nu bestuurd?
· Hoe gaat het nu met Indonesië, en is dat ten gevolge van de (de)kolonisatie van Nederland?

Antwoorden op de deelvragen

Hoe werd Indonesië gekoloniseerd?

Portugese ontdekkingsreizigers en handelaren arriveerden in Maluku in 1510, terwijl Spaanse schepen in de 16e eeuw eveneens de archipel doorkruisten. De eerste Nederlandse schepen verschenen op de rede van Bantam (Java) in 1596, na een zware expeditie van Cornelis de Houtman. Die was als handelaar naar Indonesië gekomen om specerijen te halen, die in Europa veel geld opbrachten. De Nederlandse handelaren, die zich, dooradat er veel concurrentie onder hen was, zich in 1602 verenigden in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), begonnen de handelslijnen in Zuidoost-Azië te penetreren en onder controle te brengen. In 1618 werd op Java het fort Batavia gesticht, nadat Nederlanders de stad Jayakarta veroverd en verwoest hadden. De stad vormde een 'vrij rendez-vous' voor de schepen van de Compagnie op de lange weg van Nederland naar Maluku. Rond het fort groeide een stad, het tegenwoordige Jakarta. Er werden Nederlandse huizen gebouwd en zelfs grachten voor goederentransport gegraven. Batavia groeide uit tot het Nederlandse centrum in Indonesië. De VOC slaagde erin zowel de Engelse East Indian Compagny als de Portugezen uit de archipel te verdrijven. In de 17e eeuw bezat de VOC het monopolie van de handel op Maluku. De handelscompagnie streefde er aanvankelijk niet naar territorium te bezetten, maar in de oorlogen met Mataram en andere rijken breidde de Nederlandse invloed zich geleidelijk uit. De Nederlanders bestuurden de veroverde gebieden op indirecte wijze via de lokale elite. In 1799 nam de Nederlandse staat de bezittingen van de opgeheven Verenigde Oost-Indische Compagnie over, doordat deze failliet ging, deze kwamen onder rechtstreeks koloniaal bestuur. Tijdens de Napoleontische oorlogen namen de Britten de archipel in bezit.

Hoe ging het met Indonesië als kolonie van Nederland?

In 1816 werd het Nederlandse gezag hersteld. De financiële problemen van Nederland zorgden er voor da Nederland meer profijt probeerde te trekken uit de kolonie. De Java-oorlog (1825-1830), tijdens welke de Javaanse prins Diponegoro tevergeefs trachtte de Nederlanders te verdrijven, vergrootte de Nederlandse overheidstekorten. In 1830 werd besloten tot invoering van een combinatie van staatsmonopolie en gedwongen leveranties, bekend onder de naam cultuurstelsel. De bevolking wordt verplicht op meer dan 2000 plantages gewassen als koffie, thee, suiker, indigo, peper en katoen te verbouwen ten behoeve van het Nederlandse gouverment. Dit stelsel vulde de staatskas, maar bracht de Javaanse bevolking tot armoede. Als gevolg daarvan neemt de weerstand van de lokale bevolking tegen het Nederlandse gezag toe. In 1870 werd het stelsel opgeheven en vervangen door een meer liberale politiek van vrijhandel en particulier initiatief. Westerse plantages en ondernemingen deden hun intrede in de Indonesische samenleving. De koloniale overheersing begon zich uit te breiden. De Nederlandse overheid begon met de aanleg van wegen, havens en andere infrastructurele werken. Ook in administratief opzicht was er sprake van een uitbreiding van de overheidstaken. Om de belangen van de plantagehouders te beschermen moest er een wetgeving ontworpen worden die algemene regels stelde voor de verschillende etnische groeperingen. De wetgeving moest de adat (= gewoonterecht) van de Indische bevolking overstijgen. Door middel van een effectieve politie- en legermacht werd zorg gedragen voor de naleving van de nieuwe wetgeving en voor de Pax Neerlandica. Dit systeem leverde zoveel nieuwe werkgelegenheid op dat de Indische bevolking ingeschakeld werd. Niet alleen voor lichamelijke arbeid maar ook voor de lage administratieve taken. De lage ambtenaren konden net als de politie en de militairen overal in de archipel ingezet worden, waardoor zich bij deze mensen een idee ontwikkelde van het latere Indonesië.

Aan het einde van de 19e eeuw kwam er steeds meer kritiek op het zelfzuchtige koloniale beleid, waar de Indische bevolking nauwelijks van profiteerde. De koloniale overheid schakelde over op de Ethische Politiek, die ten doel had het belang van de inheemse bevolking en haar opvoeding tot zelfstandigheid te bevorderen en waarbij er meer aandacht werd geschonken aan de levensomstandigheden van de Indische bevolking. Het onderwijs en de welvaartszorg kregen meer aandacht. Dit vroeg om de inschakeling van nog meer Indonesiërs, bijvoorbeeld in het onderwijs en de gezondheidszorg. De ingevoerde maatregelen hadden wel een zeker effect, met name op het gebied van de gezondheid en de alfabetisering. De welvaartspolitiek leidde echter niet direct tot een verbetering van het levenspeil van de Indonesiërs, omdat er maar een zeer kleine groep van de verbeteringen profiteerde.

In de laatste decennia van de 19e eeuw werd de bemoeienis van het Nederlandse koloniale bestuur steeds groter, evenals de inschakeling van de Indische bevolking bij het kolonisatieproces. De Ethische Politiek had onder andere een verbreding van het maatschappelijke bewustzijn tot gevolg. De Indonesiërs werden zich bewust van het grotere geheel waar ze deel van uitmaakten, de Nederlandse kolonie. Binnen de Nederlandse kolonie werd de Indische bevolking weinig mogelijkheden geboden op te klimmen, waardoor men de Nederlanders steeds meer als overheersers zag. De voorheen regionale en etnische identiteit maakte onder een kleine groep intellectuelen en aristocraten plaats voor een nationale identiteit. Nationalistische ideeën kwamen voor het eerst naar voren in de Boedi-Oetomo-beweging, opgericht in 1908, een Javaanse niet-politieke organisatie die hoofdzakelijk culturele doeleinden nastreefde. In de jaren 1926-1934 kwamen de leiders van de onafhankelijkheid naar voren: Soekarno, Hatta en Sjahrir. Zij beklemtoonden het nationalisme en propageerden een houding van non-coöperatie ten opzichte van het koloniale bewind. Aanvankelijk leek de overheid bereid de bevolking een stem te geven in bestuurszaken. In 1918 werd de Volksraad ingesteld, een
vertegenwoordigend bestuursorgaan dat echter hoofdzakelijk uit Nederlanders bestond, terwijl een toekomstige gezagsoverdracht en constitutionele hervormingen in het vooruitzicht werden gesteld. In de jaren twintig verhardde de overheid haar houding tegenover de nationalisten en vergrootte de repressie. Soekarno werd verbannen naar het eiland Flores.

Wat gebeurde er met Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog, en wat voor invloed hadden die gebeurtenissen op het nationalisme?

In het begin van de Tweede Wereldoorlog, het voorjaar van1942, werd Indonesië bezet door Japan. Tijdens de Japanse bezetting was Indonesië politiek en economisch geheel ondergeschikt aan Japan, terwijl de bevolking werd gemobiliseerd ten behoeve van de
Japanse oorlogsinspanning. In die tijd won de nationalistische beweging aan kracht. Geheel tegen de verwachting van de Nederlanders in schaarde de autochtone bevolking zich niet aan de zijde van de koloniale machthebbers, maar aan de kant van de Japanners. Het hele Koninklijke Nederlandsch-Indische Leger (KNIL) werd opgerold en de gehele Europese koloniale bovenlaag werd in Japanse kampen geïnterneerd. Nationalistische leiders, zoals de door de Nederlanders gevangen gezette Soekarno en Hatta, werden door de Japanners vrijgelaten. De nationalisten steunden de Japanners, omdat de Japanners hen onafhankelijkheid in het vooruitzicht hadden gesteld. Maar die wilden het nationalisme in Indonesië eigenlijk voor eigen doeleinden benutten, ze wilden een onafhankelijke Islamitische staat. De Japanners waren daarom ook bereid samen te werken met de Indonesische nationalisten. Vooral soekarno trad hierbij op de voorgrond. Maar de economische situatie verslechterde snel. Vele grote landbouwondernemingen kwamen hierdoor stil te liggen en nog steeds moesten de Japanse soldaten gevoed worden. Na de Japanse capitulatie riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijke republiek Indonesië uit. De Nederlandse overheid, die in 1946 het bestuur van de Britse bezettingstroepen weer overnam, probeerde de oude koloniale verhoudingen te herstellen.
Dit werd o.a. gedaan door de Malino-politiek, waarbij in de Buitengewesten afzonderlijke staatjes gevormd werden onder Nederlands toezicht, in een poging de revolutionaire regering op Java te isoleren.

Hoe verliep de overdracht van de soevereiniteit van Nederland aan Indonesië?

Nederlands-Indië was op de dag van de Japanse capitulatie door het Amerikaanse aan het Britse Zuidoost-Azië-commando overgedragen. Dit had echter weinig troepen en kon het land voorlopig niet bezetten. Er kwam een interregnum. De eerste Britten en Nederlanders kwamen pas in okt. 1945 op Java aan. In de meeste Buitengewesten werd het Nederlandse gezag snel hersteld. Op Java en Sumatera echter bood de Republiek verzet in een guerrilla tegen de terugkerende Nederlanders, die voorlopig werd afgesloten na het onder Britse druk gesloten Nederlands-Republikeinse akkoord van Linggadjati, waaraan eerdere besprekingen waren voorafgegaan. Levensvatbaar was deze overeenkomst echter niet. Om te beginnen formeerde de Nederlandse uitenantgouverneur-generaal Van Mook in de door hem bestuurde gebieden deelstaten die het wantrouwen van de Republiek wekten, omdat men er een poging in zag de
Indonesiërs onderling te verdelen. De belangrijkste deelstaat was Oost-Indonesië, waartoe ook de Zuid-Molukken behoorden. Verder handhaafde Nederland de maritieme blokkade van de Republiek, terwijl de Republiek de door de Nederlanders bezette enclaves aan de kust onder druk hield. Op 21 juli 1947 begon Nederland zijn eerste Politionele Actie, Deze term wordt gebruikt om aan te geven dat het hier maatregelen betreft die gericht zijn tegen kwaadwillende elementen in de republiek, en niet tegen de republiek als zodanig. Deze politionele actie vond dus plaats toen Indonesië naar de Nederlandse zienswijze onvoldoende wilde meewerken aan de loyale uitvoering van de op 25 maart 1947 ondertekende Overeenkomst van Linggadjati. De republiek weigerde samen te werken bij de oprichting van een gemeenschappelijke gendarmerie die de orde op Republikeins gebied zou moeten handhaven.

Het door generaal S.H. Spoor opgestelde operatieplan ‘Product’ voorzag in de bezetting van de belangrijke ondernemingsgebieden op West- en Oost-Java, waarbij echter Jogya in Midden-Java, zetel van de Republikeinse regering, ongemoeid zou worden gelaten. Deze operatie leidde inderdaad tot de bezetting van grote delen van Java en Sumatra, doordat het geregelde Republikeinse leger slechts zwakke tegenstand bood. Door ingrijpen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties werd echter een staakt-het-vuren afgekondigd en zo werd het tot dan als een in hoofdzaak interne Nederlandse kwestie beschouwde Indonesische vraagstuk geïnternationaliseerd.

In de onder Amerikaanse druk gesloten Renville-overeenkomst aanvaardden Nederland en de Republiek de goede diensten van de VN. Binnen de Republiek, die na augustus 1947 tot het gebied van Midden-Java was teruggedrongen, gistte het tussen de stedelijke
radicalen, merendeels volgelingen van Tan Malakka, en een man als de sociaal-democraat Sjahrir. Op de achtergrond doemde het vraagstuk van de ‘onwettige occupatie’ van ondernemingsgronden door landloze boeren op.

Was Indonesië al ten tijde van het Renville-akkoord een factor in de ‘koude oorlog’ geworden, na Madiun kreeg de Republiek in Washington nog meer gezag. Dit was de voornaamste reden waarom een in december 1948 ingezette tweede Politiële Actie, ondanks de bezetting van Yogyakarta en de gevangenneming van vrijwel de gehele Republikeinse regering politiek mislukte. Bij de tweede politionele actie werd Jogya rechtstreeks aangevallen en de Indonesische regering, met president Soekarno aan het hoofd, gevangengenomen. Tevens werden alle grote plaatsen en verbindingswegen in Republikeins gebied op Java bezet. Deze Nederlandse poging de Republiek in feite te liquideren, mislukte door opnieuw ingrijpen van de Veiligheidsraad, internationale boycotacties van Nederlandse schepen en vliegtuigen en een hardnekkige Republikeinse guerrilla, die pas medio augustus 1949 door een nieuwe wapenstilstandsovereenkomst werd beëindigd. Onder Amerikaanse pressie droeg Nederland op 27 december 1949 na de beroemde rondetafelconferentie tussen Nederland en de Republiek Indonesië, waarbij beide overeenkwamen om op basis van het akkoord van Linggadjati Indonesië (het voormalig Nederlands-Indië) in te richten als een federale democratische staat: de Verenigde Staten van Indonesië (VSI), verbonden met Nederland in een Unie waarvan de Nederlandse koningin hoofd zou worden. De Republiek Indonesië zou vervolgens als een van de deelstaten (gezagsdrager over Java en Sumatra) worden opgenomen in de VSI, de soevereiniteit over Nederlands-Indië over. Soekarno werd de eerste president, Hatta de eerste minister.

Wat was de rol van Soekarno in het dekolonisatieproces?

Soekarno was de eerste president van de eilandenrepubliek Indonesië. Hij was degene die de westers georienteerde, parlementaire democratie heeft vervangen door het stelse van geleide democratie. Soekarno, geboren in 1901, heette Koesno als kind. Een voornaam heeft hij niet, al wordt hij wel vaak Achmed genoemd, een naam die door de westerse media is verzonnen. Zijn vader was onderwijzer en behoorde tot de lagere adel, de meeste tijd van zijn jeugd bracht hij dan ook door bij zijn grootvader, die hem probeerde bij te brengen altijd waarachtig en rechtvaardig te zijn. Hij nam al jong deel aan de nationale beweging. Deze beweging weigerde mee te werken aan de bestuursorganen die door Nederland georganiseerd waren. In zijn studietijd onderging hij de voor zijn politieke vorming beslissende invloed van het radicale reforisme. Daarnaast bestempelde zijn redenaarstalent en zijn gevoel voor tactische finessen hem vanaf het begin van zijn carriere tot een politiek leidsman. Soekarno stichtte op 4 juli 1927 de Patai Nasional Indonesia (PKI), met de leus ‘INDONESIA MERDEKA’. Als leidend nationalist verbleef hij van 1929 tot 1932 in de gevangenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Soekarno samen met de Japanners, die het nationalisme in Indonesië voor eigen doeleinden wilden benutten. En Soekarno was degene die na de capitulatie van Japan, de republiek Indonesië uitriep en daar zelf president van werd. In de daarop volgende jaren wist Soekarno hoofd te bieden aan de interne politieke conflicten, en in 1949 leidde hij het land naar de onafhankelijkheid. Zijn bewind werd gekenmerkt door een nationalistisch, anti-westers beleid, waarbij hij balanceerde tussen de militaiten en de PKI. Vaak figureerde hij als handhaver van de eenheid, maar in de internationale politiek stelde Soekarno zich neutraal op. In 1960 probeerde Soekarno, met behulp van zijn charisma, zijn macht te vergroten, door de introductie van de geleide democratie. De slechte economische toestand, een dreigend staatsbankroet en de naar China overhellende buitenlandse politiek deden echter het verzet tegen zijn bewind in militaire kringen toenemen. Na de mislukking van de communistisch geïnspireerde staatsgreep van 30 september 1965, waarin Soekarno een onduidelijke rol speelde, kwam de macht in handen van de legerleiding, die overging tot de liquidatie van de PKI. Daarmee was ook de bemiddelaarsrol van Soekarno voorbij. Hij werd gedwongen zijn bevoegdheden af te staan aan generaal Soeharto. Op 11 maart 1967 werden hem zijn bevoegdheden als president ontnomen. Tot aan zijn dood leefde hij, in feite als gevangene, in zijn paleis te Bogor. Zijn dochter Megawati Soekarnoputri is partijleidster van de oppositionele Democratische Partij van Indonesië. Soekarno heeft tot aan zijn afzetting zeer veel invloed gehad op de jonge en onervaren Republiek als Indonesië, die hij probeerde te ontwesteren. Hoewel Soekarno een zeer bekwaam leider was, was hij grotendeels zelf verantwoordelijk voor de politieke schermutselingen die leidden tot zijn uiteindelijke val.
Wat was de rol van Soeharto in het dekolonisatieproces?

Soeharto, geboren op 8 juni in 1921, was een Indonesisch militair en politicus. Hij ontving zijn eerste militaire opleiding bij het KNIL (Koninklijke Nederlands Indonesisch Leger), waar hij sergeant werd, na in 1941 de kaderschool te Gombong te hebben doorlopen. Op 1 november 1942 trad hij in dienst van de Keibuho, in de Japanse tijd de stadspolitie te Djokja. Eind 1943 sloot hij zich aan bij de Pembelah Tanahair (PETA), het vrijwillige Indonesische hulpkorps. Na het uitroepen van de Republiek, door Soekarno, in augustus 1948, ging Soeharto naar het leger van de nieuwe staat over. Al snel nam hij daar een hoge positie in. Zo leidde hij op 1 maart 1949 een bijna geslaagde overval op het door de Nederlanders bezette Yogyakarta. Na de soevereiniteitsoverdracht had Soeharto een aandeel in het onderdrukken van de coups van Westerling en Andi Azis in wat voorheen Bandung en Makassar waren. Op 1 januari 1957 werd Soeharto militair bevelhebber van Midden-Java, en in 1962 benoemde Soekarno hem tot commandant van Oost-Indonesië. Hierdoor werd hij belast met de militaire aspecten van de anti-Nederlandse West-Irian- ‘confrontatie’. Hij was nu na Nasution en Jani de derde man in de legerhiërarchie. Hij bleef dat ook na zijn benoeming op 1 mei 1963 tot commandant van de strategische reserve. In deze hoedanigheid onderdrukte hij op 1 oktober 1965 de coup die door zijn gewezen ondergeschikte, overste Untung Pribadi, met steun van een deel van de PKI, tegen Nasution en Jani was georganiseerd. Daarmee was Soeharto's macht in wezen gevestigd. Het van Soekarno overnemen van het presidentschap op 27 maart 1968 bevestigde de feitelijke toestand.

In de jaren tachtig raakte de familie van Soeharto in opspraak wegens fraude met publieke en liefdadigheidsfondsen. In de jaren negentig bepleitte Soeharto de overgang naar een grotere openheid, die zich onder meer uitte in grotere persvrijheid. Dit was volgens mij een poging om het Indonesische volk rustig te houden, door ze steeds een beetje meer vrijheid te geven. Daarnaast zette hij zijn toenadering tot de islam voort. In 1993 werd hij voor de zesde achtereenvolgende keer president.

Soeharto's binnenlandse politiek is een voortzetting van die van Soekarno voor zover hij streeft naar een centralistische eenheidsstaat. Soeharto's buitenlandse politiek is gericht op een losstaan van de machtsblokken in de wereld, en alhoewel
hij tegen alle invloed uit het Westen was zocht hij in 1969 een toenadering tot het Westen onmiskenbaar was, ook in militair opzicht.

Hoe was de situatie na de dekolonisatie, in Indonesië als onafhankelijke republiek?

De nieuwe republiek was een parlementaire democratie met een meerpartijenstelsel. Tot schrik van de internationale gemeenschap behaalde de PKI, de communistische partij van Indonesië, bij de eerste vrije verkiezingen in 1955, 20% van de stemmen. De partij had een grote aanhang onder de boeren, arbeiders en intellectuelen. Een probleem was de scherpe tegenstelling tussen strikt islamitische groeperingen en dat deel van de bevolking dat de meer tolerante Javaans-islamitische religie aanhing. De parlementaire democratie bleek, als gevolg van de interne belangentegenstellingen, niet in staat werkzame coalities te vormen.

In 1957 werd het parlementaire systeem vervangen door een autoritair stelsel, 'Geleide Democratie' genoemd, waarin president Soekarno vergaande uitvoerende bevoegdheden verkreeg. In dit stelsel nam ook de invloed van het leger sterk toe. Soekarno legde de nadruk op de nationale eenheid en op de samenwerking van de verschillende klassen en groepen onder de bevolking, met name tussen de nationalisten, moslims en communisten. Hij trachtte door een sterk personalistisch beleid de verschillende machtsgroepen tegen elkaar uit te spelen en een evenwicht te handhaven. De tegenstellingen in het land deden echter de spanningen toenemen en veroorzaakten soms gewelddadige botsingen op het platteland.

De regering, Soekarno voerde een neutrale buitenlandse politiek, die gestalte had gekregen in de Beweging van Niet-gebonden landen. Ondanks de keuze voor neutraliteit en het lidmaatschap van de Beweging van Niet-gebonden landen, zag de internationale
gemeenschap Soekarno als een rebel met communistische sympathieën. Dit leidde tot een vermindering van de internationale steun in het aan het land. De economie kwam in de periode 1961-1966 in een neerwaartse spiraal terecht.

Op 30 september 1965 werd door een aantal legereenheden, vermoedelijk gesteund door sympathisanten van de communistische partij, een poging tot een staatsgreep gedaan. Daarbij werd een aantal hoge legerofficieren vermoord. Het leger onder bevel van generaal Soeharto greep in, onderdrukte de opstand en voerde vervolgens een harde militaire campagne tegen de communistische partij en de linkse beweging in het algemeen. Op het platteland van Java en in sommige delen van de Buitengewesten vonden bestaande spanningen een uitweg in moordpartijen op communisten en andere verdachten.

De poging tot een staatsgreep leidde tot de afzetting van Soekarno in 1967. Generaal Soeharto werd eerst waarnemend president en in 1968 president. De nieuwe leider kondigde ingrijpende wijzigingen in het bestel aan, afschaffing van de Orde Lama (de Oude Orde) en invoering van de Orde Baru (de Nieuwe Orde). In de Orde Baru stond de economische groei en politieke stabiliteit centraal. De neutraliteitspolitiek maakte plaats voor een pro-westerse koers, de banden met Nederland en de VS werden hersteld. Westers kapitaal en westerse ondernemingen waren weer welkom. De banden met China en Vietnam werden verbroken. Naast de militaire taken wilde het nieuwe modernere leger ook dat bestuurlijke en economische taken tot hun vaste takenpakket gingen behoren. De eis van het leger werd ingewilligd, waardoor het leger een sterke invloed op de samenleving kreeg. Het leger richtte zijn eigen organisaties op die parallel liepen aan de overheidsinstanties.

Soeharto behield zijn positie voortdurend door de oppositie buiten de wet te stellen of met geweld te onderdrukken en met een indrukwekkende economische groei. Bij de verkiezingen in 1971 won de door Soeharto gevormde regeringspartij, de Sekber Golkar, een samenwerkingsverband tussen beroepsgroepen. Hoewel de Sekber Golkar vanaf 1971 bij elke verkiezing haar meerderheid vergrootte, was er wel degelijk sprake van toenemende kritiek op het autoritaire regime van Soeharto. In binnen- en buitenland werd uiting gegeven aan de ontevredenheid over de zelfverrijking van de familie Soeharto, de wijdverbreide corruptie, de invloed van het leger op de samenleving en de ongelijke verdeling van de welvaart over de verschillende deelstaten en bevolkingsgroepen.

Met het oog op de presidentsverkiezingen in 1993 sloeg Soeharto een nieuwe koers in. Hij werd o.a. gedwongen om meer rekening te houden met de sinds het midden van de jaren tachtig veranderde bezitsverhoudingen. Ten tijde van de onafhankelijkheid hadden de meeste intellectuelen koloniaal onderwijs gevolgd, waardoor het met name christenen waren die betrokken werden bij de opzet van de nieuwe staat. Inmiddels was het overgrote deel van de bevolking tot de islam bekeerd en eisten de islamitische intellectuelen en religieuze leiders meer invloed op. Hoewel Soeharto altijd het eerste beginsel van de pancasila predikte, maakte hij ter ondersteuning van de islamisering in 1991 een reis naar Mekka.

Soeharto werd in 1993 voor de zesde maal herkozen door het hoogste staatsorgaan. Hij versterkte zijn positie binnen de regering middels een grondige wijziging in het kabinet, de vervanging van de legertop door jongere trouwe volgelingen. Ook werd er een begin gemaakt met de gerechtelijke vervolging van corrupt hoger kaderpersoneel.

Vanuit welk principe wordt Indonesië nu bestuurd?

De grondwet en het bestuur van Indonesië zijn gebaseerd op de pancasila, de staatsideologie. De pancasila, op schrift gesteld door Soekarno ten tijde van de onafhankelijkheid in 1945, bestaat uit vijf (panca) principes (sila). Op elk overheidsgebouw staat het wapen van Indonesië, de Garuda met op het schild de symbolen van de pancasila. De ster staat voor het geloof in de Ene Almachtige. Hiermee wordt het monotheïstische karakter van de samenleving aangeduid zonder voor één speciale godsdienst te kiezen. Er is godsdienstvrijheid en geen der godsdiensten kan speciale rechten doen gelden. De keten staat voor rechtvaardigheid, beschaving en menselijkheid. Dit principe duidt op de gelijkheid tussen mensen en volken, gevoeligheid voor de opvattingen van anderen, saamhorigheid en ruimte voor de zwakkeren in de samenleving. De waringinboom staat voor de eenheidsstaat Indonesië; regionale en etnische verschillen zijn ondergeschikt aan het belang van de nationale eenheid. De karbouw staat voor democratie geleid door wijsheid, overleg en vertegenwoordiging. Uit dit principe kwam de Majelis Permusyawaratan Rakyat (MPR), het hoogste staatsorgaan,
voort. Het vijfde principe wordt verbeeld door het graan en de kapok. Dit principe staat voor sociale gerechtigheid en legt het particuliere bezit aan banden. Dit is heel anders dan hoe Nederland Indonesië bestuurde, die haalde er vooral eigen voordeel uit. En bestuurde Indonesië niet op de manier wat het beste was voor het land zelf, maar meer uit eigenbelang.

De MPR bestaat uit 1000 leden; 500 leden komen uit de Dewan Perwakilan Rakyat (DPR), de volksvertegenwoordiging. De bevolking kiest hiervoor 400 leden en de president verdeelt de overige 100, waarvan 75 voor de militairen zijn.

De andere helft van de MPR bestaat uit 400 gekozen leden van de provinciale en districtsvolksvertegenwoordigingen en 100 leden die benoemd worden door de president. In de grondwet ligt de uitvoerende macht bij de president. De ministers zijn assistenten van de president en hoeven geen verantwoording af te leggen aan de MPR.

Officieel valt de president onder het gezag van de MPR. De MPR komt ten minste eenmaal in de vijf jaar bijeen. De MPR heeft 3 taken;

- de beoordeling van het beleid in de afgelopen vijf jaar,
- de hoofdlijnen van het beleid vastleggen voor de komende vijf jaar
- en het kiezen van de president.

In de tussenliggende periode is de president de Mandataris, de feitelijke uitvoerder.

Hoe gaat het nu met Indonesië, en is dat ten gevolge van de (de)kolonisatie van Nederland?

Indonesië was decennia lang, ook wel bekend onder de naam specerijeilanden, vervuld van trots op zijn gemengde gemeenschap van moslims en christenen, die gold als een voorbeeld van godsdienstige tolerantie. Maar die tolerantie is verdwenen, er zijn veel geweldsuitbarstingen, die voortkomen uit een grotere plaag die zich als een olievlek heeft verspreid over het oosten van Indonesië. Waar moslims en christenen ooit vreedzaam langs elkaar leefden, en zich nooit bezig hielden met religieuze haat hangt nu een lucht van dood en verderf. Ze slachten elkaar letterlijk af. Op de molukken brak eind januari 1999 een strijd uit, waarin primaire gevoelens de overhand hadden: duizenden mensen vonden de dood en een half miljoen mensen verloren hun huis. Niemand kende de precieze toedracht. Deze strijd is niet de enige die op Indonesië uitgevochten wordt, maar slechts een van de vele. Hoe dit allemaal kon gebeuren? Dat is het raadsel van het huidige Indonesië. Drie jaar nadat het instorten van de economie een einde maakte aan het 32-jarige bewind van president Soeharto, woedt er in het land een religieuze en etnische strijd die zo allesomvattend is dat zelfs Indonesiërs moeite hebben met het vinden van een verklaring. De val in 1998 van het corrupte, van nepotisme vergeven regime maakte de weg vrij voor de eerste democratisch gekozen regering in meer dan 40 jaar. Tegelijk ontstonden mogelijkheden voor de wederopbouw van de sterk aangetaste politieke en economische instellingen. Maar dezelfde opwelling van daadkracht waarmee het volk Soeharto aan de kant zette, maakte het ook een eind aan de harde maatregelen om de sociale onrust te beteugelen. Dat ligt nu allemaal in het open, resulterend in een trauma dat kan leiden tot het uiteenvallen van het land. Het is nooit eenvoudig geweest om de situaties in Indonesië tot bedaren te houden. De Nederlanders zijn 400 jaar geleden begonnen met het creëren van deze geografische gaarbak. Na de onafhankelijkheid in 1949 hielden de grondleggers van de nieuwe republiek vast aan de nationale leus ‘Eenheid in verscheidenheid’. Maar er was een mengeling van sluwheid en militaire kracht voor nodig, om het land te bedwingen.

Soeharto zorgde voor een sociale en economische opleving, die gepaard ging met het verlangen naar meer democratie onder de gewone Indonesiërs. Maar nu Soeharto geen president meer is om de orde te handhaven en de nieuwe democratische institutie s nog erg wankel zijn, resteert de vraag of de onpraktische unie wel haalbaar is. Een oorzaak van deze problemen zou kunnen zijn dat macht en rijkdom zich te sterk hebben geconcentreerd op Java, waar 2/3 van de bevolking woont.

De eenheid in Indonesië moet terug gevonden wordendat is zeker, alleen hoe is nog een probleem. Misschien is het goed om de politieke macht te decentraliseren en de rijkdommen van het land eerlijker te verdelen. Maar behalve de economisch/politieke situatie is er ook nog een sociaal probleem. In Indonesië wonen zo’n 200 miljoen mensen, waarvan 88% moslim is, 8% christen, 2% Hindoe en 1% Boeddhist. De Islam is een vorm van verzet tegen westerse invloeden, terwijl het Christendom deze invloeden juist bevorderlijk vind. De christenen vrezen de vermenging van religie en staat tot een fundamentalistische Islamitische beschaving, wat zal leiden tot veregaande desintegratie vam Indonesië.

Is Nederland de veroorzaker van al deze problemen? Waren wij het die dit steeds meer oplaaiend vuur van haat en geweld tegen de andere religie of cultuur, aangewakkerd hebben? Nee! De Molukken kennen al geruime tijd onenigheid over landsgrenzen, of schaarse middelen van bestaan, die veel verder terug gaan dan de komst van de Europeanen. Wel wakkerden ze deze spanningen aan. De Nederlanders haalden de plaatselijke adel over zich te bekeren tot het christendom. Maar ook de Portugezen, brahmanen en Boeddhistische monniken probeerden de mensen over te halen tot hun geloof. Dus niet Nederland alleen. Maar er is nu een nieuwe mogelijkheid: de media. In de loop der jaren hebben de van hun muilkorf bevrijdde media, een reeks gruwelijke mensenrechtenschendingen aan het licht weten te brengen, waar in veel gevallen het leger bij is geweest. Ook het gebruik van internet bevordert de communicatie, zodat mensen hun mening kwijt kunnen. Op deze manier hoeven ze die niet in geweld te uiten.

Een ding is zeker: in Indonesië moet nog veel veranderen op het terrein van de politiek, de economie, de rechtspleging en het onderwijs, al wat maar nodig is voor het creëren van een nieuwe cultuur gebaseerd op respect voor de rechten van de mens, welke etnische afkomst, cultuur of godsdienst dan ook. Eenheid in verscheidenheid is waar Indonesië weer probeert voor te staan, maar er is nog een lange weg te gaan.

Samenvatting

Hoe werd Indonesië gekoloniseerd?

De eerste Nederlandse schepen verschenen in 1596 in Indonesië, na een zware expeditie van Cornelis de Houtman. De reden dat ze hier kwamen was om specerijen te halen, die in Europa veel geld op brachten. De Nederlandse handelaren, die zich, dooradat er veel concurrentie onder hen was, zich in 1602 verenigden in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), begonnen de handelslijnen in Zuidoost-Azië te penetreren en onder controle te brengen. In 1618 werd op Java het fort Batavia gesticht, nadat Nederlanders de stad Jayakarta veroverd en verwoest hadden. De stad vormde een 'vrij rendez-vous' voor de schepen van de Compagnie op de lange weg van Nederland naar Maluku. Rond het fort groeide een stad, het tegenwoordige Jakarta.

Hoe ging het met Indonesië als kolonie van Nederland, en hoe regelde Nederland de bestuurszaken?

De financiële problemen van Nederland zorgden er voor da Nederland meer profijt probeerde te trekken uit de kolonie. In 1830 werd besloten tot invoering van een combinatie van staatsmonopolie en gedwongen leveranties, bekend onder de naam cultuurstelsel. Dit stelsel vulde de staatskas, maar bracht de Javaanse bevolking tot armoede. Als gevolg daarvan neemt de weerstand van de lokale bevolking tegen het Nederlandse gezag toe. In 1870 werd het stelsel opgeheven en vervangen door een meer liberale politiek van vrijhandel en particulier initiatief. Door middel van een effectieve politie- en legermacht werd zorg gedragen voor de naleving van de nieuwe wetgeving en voor de Pax Neerlandica. Dit systeem leverde zoveel nieuwe werkgelegenheid op dat de Indische bevolking ingeschakeld werd. Aan het einde van de 19e eeuw kwam er steeds meer kritiek op het zelfzuchtige koloniale beleid, waar de Indische bevolking nauwelijks van profiteerde. De koloniale overheid schakelde over op de Ethische Politiek, die ten doel had het belang van de inheemse bevolking en haar opvoeding tot zelfstandigheid te bevorderen en waarbij er meer aandacht werd geschonken aan de levensomstandigheden van de Indische bevolking. In de laatste decennia van de 19e eeuw werd de bemoeienis van het Nederlandse koloniale bestuur steeds groter, evenals de inschakeling van de Indische bevolking bij het kolonisatieproces. De Ethische Politiek had onder andere een verbreding van het maatschappelijke bewustzijn tot gevolg. In de jaren 1926-1934 kwamen de leiders van de onafhankelijkheid naar voren: Soekarno, Hatta en Sjahrir. Zij beklemtoonden het nationalisme en propageerden een houding van non-coöperatie ten opzichte van het koloniale bewind.

Wat gebeurde er met Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog, en wat voor invloed hadden die gebeurtenissen op het nationalisme?

In het begin van de Tweede Wereldoorlog, het voorjaar van1942, werd Indonesië bezet door Japan. Tijdens de Japanse bezetting was Indonesië politiek en economisch geheel ondergeschikt aan Japan, terwijl de bevolking werd gemobiliseerd ten behoeve van de Japanse oorlogsinspanning. In die tijd won de nationalistische beweging aan kracht. De nationalisten steunden de Japanners, omdat de Japanners hen onafhankelijkheid in het vooruitzicht hadden gesteld. Maar die wilden het nationalisme in Indonesië eigenlijk voor eigen doeleinden benutten, ze wilden een onafhankelijke Islamitische staat. De Japanners waren daarom ook bereid samen te werken met de Indonesische nationalisten. Vooral soekarno trad hierbij op de voorgrond.

Hoe verliep de overdracht van de soevereiniteit van Nederland aan Indonesië?

Nederlands-Indië was op de dag van de Japanse capitulatie door het Amerikaanse aan het Britse Zuidoost-Azië-commando overgedragen. Dit had echter weinig troepen en kon het land voorlopig niet bezetten. Er kwam een interregnum. Op 21 juli 1947 begon Nederland zijn eerste Politionele Actie, Deze politionele actie vond dus plaats toen Indonesië naar de Nederlandse zienswijze onvoldoende wilde meewerken aan de loyale
uitvoering van de op 25 maart 1947 ondertekende Overeenkomst van Linggadjati. De republiek weigerde samen te werken bij de oprichting van een gemeenschappelijke gendarmerie die de orde op Republikeins gebied zou moeten handhaven. In de onder
Amerikaanse druk gesloten Renville-overeenkomst aanvaardden Nederland en de Republiek de goede diensten van de VN Bij de tweede politionele actie werd Jogya rechtstreeks aangevallen en de Indonesische regering, met president Soekarno aan het hoofd, gevangengenomen. Onder Amerikaanse pressie droeg Nederland op 27 december 1949 na de beroemde rondetafelconferentie tussen Nederland en de Republiek Indonesië, waarbij beide overeenkwamen om op basis van het akkoord van Linggadjati Indonesië (het voormalig Nederlands-Indië) in te richten als een federale democratische staat: de Verenigde Staten van Indonesië (VSI), verbonden met Nederland in een Unie waarvan de Nederlandse koningin hoofd zou worden.

Wat was de rol van Soekarno in het dekolonisatieproces?

Soekarno was de eerste president van de eilandenrepubliek Indonesië. Hij was degene die de westers georiënteerde, parlementaire democratie heeft vervangen door het stelsel van geleide democratie. Soekarno heeft tot aan zijn afzetting zeer veel invloed gehad op de jonge en onervaren Republiek als Indonesië, die hij probeerde te ontwesteren. Hoewel Soekarno een zeer bekwaam leider was, was hij grotendeels zelf verantwoordelijk voor de politieke schermutselingen die leidden tot zijn uiteindelijke val.

Wat was de rol van Soeharto in het dekolonisatieproces?

Soeharto, geboren op 8 juni in 1921, was een Indonesisch militair en politicus. Na de soevereiniteitsoverdracht had Soeharto een aandeel in het onderdrukken van de coups van Westerling en Andi Azis in wat voorheen Bandung en Makassar waren. Het van Soekarno overnemen van het presidentschap op 27 maart 1968 bevestigde de feitelijke toestand.Soeharto's binnenlandse politiek is een voortzetting van die van Soekarno voor zover hij streeft naar een centralistische eenheidsstaat. Soeharto's buitenlandse politiek is gericht op een losstaan van de machtsblokken in de wereld, en alhoewel hij tegen alle invloed uit het Westen was zocht hij in 1969 een toenadering tot het Westen onmiskenbaar was, ook in militair opzicht.
Hoe was de situatie na de dekolonisatie?

De nieuwe republiek was een parlementaire democratie met een meerpartijenstelsel. In 1957 werd het parlementaire systeem vervangen door een autoritair stelsel, 'Geleide Democratie' genoemd, waarin president Soekarno vergaande uitvoerende bevoegdheden verkreeg. In dit stelsel nam ook de invloed van het leger sterk toe. Soekarno legde de nadruk op de nationale eenheid en op de samenwerking van de verschillende klassen en groepen onder de bevolking, met name tussen de nationalisten, moslims en communisten. Hij trachtte door een sterk personalistisch beleid de verschillende machtsgroepen tegen elkaar uit te spelen en een evenwicht te handhaven. De tegenstellingen in het land deden echter de spanningen toenemen en veroorzaakten soms gewelddadige botsingen op het platteland.

De poging tot een staatsgreep leidde tot de afzetting van Soekarno in 1967. Generaal Soeharto werd eerst waarnemend president en in 1968 president. De nieuwe leider kondigde ingrijpende wijzigingen in het bestel aan, afschaffing van de Orde Lama (de Oude Orde) en invoering van de Orde Baru (de Nieuwe Orde). In de Orde Baru stond de economische groei en politieke stabiliteit centraal. De neutraliteitspolitiek maakte plaats voor een pro-westerse koers, de banden met Nederland en de VS werden hersteld. Westers kapitaal en westerse ondernemingen waren weer welkom. De banden met China en Vietnam werden verbroken. Naast de militaire taken wilde het nieuwe modernere leger ook dat bestuurlijke en economische taken tot hun vaste takenpakket gingen behoren. De eis van het leger werd ingewilligd, waardoor het leger een sterke invloed op de samenleving kreeg. Het leger richtte zijn eigen organisaties op die parallel liepen aan de overheidsinstanties.

Vanuit welk principe wordt Indonesië nu bestuurd?

De grondwet en het bestuur van Indonesië zijn gebaseerd op de pancasila, de staatsideologie. De pancasila, op schrift gesteld door Soekarno ten tijde van de onafhankelijkheid in 1945, bestaat uit vijf (panca) principes (sila). Op elk overheidsgebouw staat het wapen van Indonesië, de Garuda met op het schild de symbolen van de pancasila.

Hoe gaat het nu met Indonesië, en is dat ten gevolge van de (de)kolonisatie van Nederland?

Indonesië was decennia lang, ook wel bekend onder de naam specerijeilanden, vervuld van trots op zijn gemengde gemeenschap van moslims en christenen, die gold als een voorbeeld van godsdienstige tolerantie. Maar die tolerantie is verdwenen, er zijn veel geweldsuitbarstingen, die voortkomen uit een grotere plaag die zich als een olievlek heeft verspreid over het oosten van Indonesië. Waar moslims en christenen ooit vreedzaam langs elkaar leefden, en zich nooit bezig hielden met religieuze haat hangt nu een lucht van dood en verderf. Is Nederland de veroorzaker van al deze problemen? Waren wij het die dit steeds meer oplaaiend vuur van haat en geweld tegen de andere religie of cultuur, aangewakkerd hebben? Nee! De Molukken kennen al geruime tijd onenigheid over landsgrenzen, of schaarse middelen van bestaan, die veel verder terug gaan dan de komst van de Europeanen. Wel wakkerden ze deze spanningen aan. De Nederlanders haalden de plaatselijke adel over zich te bekeren tot het christendom. Maar ook de Portugezen, brahmanen en Boeddhistische monniken probeerden de mensen over te halen tot hun geloof. Dus niet Nederland

Conclusie

Toen de Nederlanders 400 jaar geleden voor het eerst in Indonesië aankwamen, wisten ze niet waar ze in terecht kwamen en wat ze daar konden, en zouden aanrichten. Behalve westerse gewoonten namen ze ook het katholicisme mee. Dit had een grote invloed op de veelal Islamitische bevolking. De kolonisatie van Indonesië verliep volgens mij net zo rumoerig als de dekolonisatie. Na de Tweede Wereldoorlog riep Soekarno al de onafhankelijkheid uit, maar het was niet eerder dan 27 december 1949, dat Nederland de soevereiniteit over Nederlands-Indië overdroeg, en de republiek Indonesië officieel tot stand kwam. De grondleggers hielden vast aan de nationale leus “eenheid in verscheidenheid”, Indonesië zou een tolerante, vreedzame republiek worden. Maar daar is niks van terecht gekomen. De eenheid onder de bevolking is verdwenen. Door de verscheidenheid aan religies, culturen en middelen van bestaan zijn overal conflicten en problemen die niet zomaar opgelost kunnen worden. Was het Nederland, die het nu steeds meer oplaaiend vuur van haat en geweld tegen andere religies of culturen aangestoken heeft? Oftewel is Nederland de oorzaak van alle problemen in Indonesië? NEE. Ik denk van niet. De Molukken kennen al geruime tijd onenigheden over landsgrenzen, of over de schaarse middelen van bestaan, die veel verder terug gaan dan de komst van de Europeanen. Wel wakkerde Nederland met zijn komst en het koloniale bewind de spanningen aan. Het waren de Nederlanders die de plaatselijke adel overhaalde zich te bekeren tot het christendom, maar ook de Portugezen, brahmanen en boeddhistische monniken probeerden de mensen over te halen tot hun geloof. Dus niet Nederland alleen. Nu de media in Indonesië weer vrijuit mogen schrijven zijn er een aantal belangrijke problemen boven water gekomen. Er is ook een andere, nieuwe mogelijkheid voor de bevolking in Indonesië, die de problemen meer toegankelijk en openbaar maakt:
Internet. Het gebruik ervan neemt steeds meer toe, en dat is zeer goed want nu kunnen de mensen problemen die zich afspelen openbaar maken en hun mening hierover uiten , zodat ze dat niet met geweld hoeven te doen.
Maar een ding is zeker: In Indonesië moet nog veel veranderen op het terrein van de politiek, de economie, de rechtspleging en het onderwijs, al wat maar nodig is voor het creëren van een nieuwe cultuur, gebaseerd op respect voor de rechten van de mens, welke etnische afkomst, cultuur of religie dan ook. Eenheid in verscheidenheid, dat is waar Indonesië naar moet streven, maar er is nog een lange weg te gaan.

Bronnen

Het Nederlandse belang bij Indië (H. Baudet, M. Fennema)
Sekarno, en de strijd om Indonesië’s onafhankelijkheid (Bernhard Dahm)
De geschiedenis van de VOC (F.S. Gaastra)
Indonesië (Judith Simpson)
Indonesië ABC (Bernard van den Berg)
KNIL (C.A. Heshusius)
National Geographic, Magazine Nederland/België, Maart 2001

REACTIES

M.

M.

hoi, is je spreekbeurt goed gegaan? hoop het voor je! x

11 jaar geleden

J.

J.

ewa, betere informatie hier op deez site

10 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.