Verband tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen in je bloed

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Profielwerkstuk door een scholier
  • 5e klas havo | 3412 woorden
  • 29 oktober 2002
  • 111 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 111 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Inleiding
Een van de onderdelen van de 2e fase is het profielwerkstuk. Je bewijst met een goed profielwerkstuk dat je informatie kunt verzamelen en verwerken, iets kunt onderzoeken of ontwerpen, erover kunt schrijven en praten en kunt samenwerken.
Het is de bedoeling dat je voor een vak uit je profieldeel kiest. Wij hebben gekozen voor het vak biologie omdat dit ons beide erg aanspreekt. Als onderwerp hebben we voeding gekozen.
Voeding is een erg breed onderwerp daarom zijn we eerst gaan nadenken op welk aspect we ons willen specialiseren. In overleg met de docent zijn we tot het volgende onderwerp gekomen:

Wat is het verband tussen de voedingsmiddelen die je eet en de voedingsstoffen die in je bloed zitten?
Hierbij hebben we vervolgens de volgende deelvragen opgesteld:
Ø Welke voedingsstoffen zitten in welke voedingsmiddelen, en in welke verhouding?
Ø Hoeveel heb je per dag van elke voedingsstof nodig?
Ø Waar worden de voedingsstoffen voor gebruikt?
Ø Hoe worden voedingsstoffen uit voedingsmiddelen gehaald en hoe vindt het transport van die voedingsstoffen plaats?
Ø Wat is het verband tussen de glucoseconcentratie van het bloed en diabetes?

Op de volgende pagina’s kunt u ons werkplan, de uitwerking daarvan en het practicum lezen. In de conclusie geven antwoord op onze hoofdvraag.

Werkplan

· Hoofdvraag:
Wat is het verband tussen de voedingsmiddelen die je eet en de voedingsstoffen die in je bloed zitten?

· Deelvragen:
Ø Welke voedingsstoffen zitten in welke voedingsmiddelen, en in welke verhouding?
Ø Hoeveel heb je per dag van elke voedingsstof nodig?
Ø Waar worden de voedingsstoffen voor gebruikt?
Ø Hoe worden voedingsstoffen uit voedingsmiddelen gehaald en hoe vindt het transport van die voedingsstoffen plaats?
Ø Wat is het verband tussen de glucoseconcentratie van het bloed en diabetes?
· Hypothese:
Ø Dit kun je opzoeken in tabel 74 van je BINAS.
Ø Dit kun je opzoeken in tabel 26.5 van je Biodata.
Ø Activiteiten in je lichaam. (Bijvoorbeeld het op temperatuur houden van het
lichaam).
Ø Met behulp van enzymen.
Ø Via het bloed.
Ø De glucoseconcentratie van een diabetespatiënt zal een andere waarden hebben waardoor medicijnen zullen moeten worden gebruikt.
· Werkwijze:
Ø Informatie zoeken.
Ø Informatie bewerken, uitzoeken wat wel en wat niet bruikbaar is.
Ø Informatie verwerken.
Ø Onderzoek houden doormiddel van het onderzoeken van bloed.
· Informatiebronnen:
Ø Internet
Ø Boeken
Ø Laborant(en)
· Presentatievorm:
Schriftelijk verslag.
· Taakverdeling:
Beide informatie zoeken en kijken wat wel en niet geschikt is. Vervolgens samen verwerken en het onderzoek doen.

Hoofdstuk 1: Welke voedingsstoffen zitten in welke voedingsmiddelen, en in welke verhouding?

[plaatje0]

Hoofdstuk 2: Hoeveel heb je per dag van elke
voedingsstof nodig?

[plaatje1]

Hoofdstuk 3: Waar worden de voedingsstoffen voor gebruikt?

Ø Koolhydraten
Koolhydraten worden ook suikers of sachariden genoemd. Het grootse deel van ons voedsel bestaat uit koolhydraten. Koolhydraten worden ingedeeld aan de hand van de lengte van de moleculen. Er zijn drie groepen: de enkelvoudige suikers (monosachariden), de tweevoudige suikers (disachariden) en de meervoudige suikers (polysachariden). Twee- en meervoudigesuikers bestaan uit twee of meer aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikermoleculen.
In de celstofwisseling wordt altijd de enkelvoudige suiker glucose gebruikt. De meeste in de voedingsmiddelen aanwezige suikers worden in het spijsverteringskanaal dan ook afgebroken tot glucosemoleculen. Deze worden vanuit de darmen in het bloed opgenomen.
Als je teveel koolhydraten nuttigt, wordt de overtollige hoeveelheid opgeslagen in je lichaam. Een klein deel wordt omgezet in de meervoudige suiker glycogeen en opgeslagen in de lever en de spieren. Het grootste teveel aan glucose wordt in vet omgezet. Vet wordt opgeslagen in het onderhuids bindweefsel, rondom enkele organen (hart, nieren, spieren) en in geel beenmerg (in de pijnbeenderen).
2 functies:
Ø Brandstof
Ø Bouwstof, wordt in sommige celonderdelen ingebouwd. Bijvoorbeeld in het DNA-molecuul.
Producten met mono- en disacchariden
Fruit
Honing
Melk(producten)
Bier
Suiker
Frisdrank
Zoet beleg
Snoep, koek
Gebak
IJs
Drinkyoghurt
Producten met polysacchariden
Aardappelen
Peulvruchten
Groenten
Graanproducten:
Brood, beschuit, knäckebröd, toast,
macaroni, spaghetti, rijst

Ø Vetten
Vetten worden ook wel lipiden genoemd. Een vetmolecuul is opgebouwd uit glycerol en vetzuren. Wij kunnen zelf in ons lichaam glycerol en de meeste vetzuren maken. In je voedsel hoeven dus maar weinig vetten te zitten. Enkele vetzuren moten in het voedsel voorkomen omdat we ze niet kunnen maken; dit zijn essentiële vetzuren.
Vetzuren zijn te verdelen in onverzadigde en verzadigde vetzuren. Verzadigde vetzuren bevorderen het ophopen van cholesterol. Hierdoor kunnen je bloedvaten dichtslibben; dit kan uiteindelijk leiden tot hart- en vaatziekten. Onverzadigde vetzuren stimuleren de afbraak van cholesterol in de wanden van de bloedvaten.
De vetten die in je voedsel voorkomen worden in het spijsverteringskanaal afgebroken tot vetzuren en glycerol. Deze twee eindproducten van de vetvertering kunnen door de darmwand opgenomen worden in het bloed.
Als je te veel vet eet wordt het opgeslagen in het onderhuids bindweefsel, rondom enkele organen (hart, nieren, spieren) en in geel beenmerg (in de pijnbeenderen).
2 functies:
Ø Brandstof
Ø Bouwstof, onder andere als onderdeel van de celmembraan.
Producten met verzadigde vetten
Roomboter
Diverse bak- en braadproducten
Gewone harde margarines
Sommige plantaardige margarines
Frituurvet en sommige plantaardige frituurvetten
Vet vlees en vette vleeswaren
Volvette kaas
Volle melk en volle –producten
Koffiemelk en –poeder
Imitatieslagroom
Snacks, gebak en koek
Chocolade
Producten met onverzadigde vetzuren
Alle soorten olie, zoals olijfolie, arachideolie, maïsolie, slaolie, sojaolie en zonnebloemolie
Dieethalvarine en dieetmargarine
Halvarine en halvarineproducten met minder dan 10 gram verzadigd vet per 100 gram
Margarine en margarineproducten, bak- en braadvet en frituurvet met minder dan 20 gram verzadigd vet per 100 gram
Sladressing op basis van olijfolie, sesamolie, lijndzaadolie
Kaasproducten met onverzadigd vet
Vette vis
Noten zoals walnoten, pinda’s, pindakaas en andere notenpasta’s
Producten die cholesterol bevatten
Eidooier
Orgaanvlees, zoals lever, nier, zwezerik en hersenen
Garnalen, mosselen, hom en kuit, levertraan
Volle melkproducten, volvette kaas, roomboter, vet vlees, vette vleeswaren
Hoe hoger het cholesterolgehalte in het bloed, hoe meer kans je hebt op hart- en vaatziekten. Cholesterol dat eenmaal in je lichaam zit, raak je heel moeilijk weer kwijt. Daarom zijn meervoudig onverzadigde vetzuren belangrijk: die verlagen het cholesterolgehalte in je bloed.
Ø Eiwitten
Eiwitten worden ook wel proteïnen genoemd. Eiwitten zijn opgebouwd uit een groot aantal aminozuren. De eiwitten die we met ons voedsel binnenkrijgen worden in het spijsverteringskanaal in aminozuren gesplitst. Aminozuren kunne via de darmwand opgenomen worden in het bloed.
Voor de opbouw van onze weefseleiwitten zijn twintig verschillende aminozuren nodig. Een aantal hiervan kunnen we zelf uit andere aminozuren maken. We noemen ze de niet-essentiële aminozuren; ze hoeven niet in ons voedsel te zitten. Aminozuren die we wel nodig hebben, maar die we niet zelf kunne maken, heten essentiële aminozuren. Deze moeten dus in ons eten aanwezig zijn. Wij kunnen eiwitten en aminozuren niet in ons lichaam opslaan. Het teveel aan aminozuren dat niet als bouwstof voor lichaamseiwitten wordt gebruikt, wort afgebroken of kan eventueel dienen als brandstof.
2 functies:
Ø Bouwstof
Ø Brandstof
Eiwitrijke producten
Dierlijk
Kip, kalkoen
Vis
Ei
Vleeswaren
Melk en melkproducten
Kaas
(Orgaan) vlees
Plantaardig
Brood
Graanproducten
Peulvruchten
Aardappelen
Sojabonen
Sojaproducten
Eiwitrijke producten, naar vetgehalte
Vetrijk
Volle melk
Volle yoghurt
Volvette en zachte kaas
Schouderkarbonade
Worst
Speklapje
Franse kaas
Vetarm
Halfvolle melk
Karnemelk
Magere yoghurt
20+ en 30+ kaas
Biefstuk
Kipfilet
Rookvlees
Kabeljauw
Schol
Ø Water
Water is essentieel geweest voor het ontstaan van het leven op aarde. Een levend wezen bestaat voor het grootste deel uit water. Je bestaat zelf voor ongeveer 60 % uit water.
Met de urine, de ontlasting en door verdamping verliest je lichaam per dag een hoeveelheid water. Dit volchtverlies wordt voornamelijk aangevuld door drinken en eten. Er is ook enige waterproductie bij dissimilatieprocessen in de cellen.
Functies:
Ø Bouwstof
Ø Oplosmiddel
Ø Transportmiddel
Ø Regeling lichaamstemperatuur; door verdamping van het zweet koel je af.
In de vochtbalans op de volgende pagina is weergegeven hoeveel vocht je nodig hebt.
[plaatje2]
Ø Mineralen
Mineralen zijn onmisbare bestanddelen in ons lichaam. Het zijn anorganische stoffen en je hebt ze in kleine hoeveelheden nodig.
Functie:
Ø Bouwstof



























































mineralen: goed voor: natuurlijke bronnen:
Calcium(kalk) spieren, tanden en botten zuivelproducten, zalm, walnoten en groene groenten.
Fluoride sterke botten en tanden thee, zeevis, schaal- en schelpdieren.
Jodium groei, geestelijk welzijn,haar, nagels, tanden en huid zeevis en schaal- en schelpdieren.
Kalium denkvermogen bananen, aardappelen, citrusvruchten en groene bladgroenten.
Koper huid lever, kreeft, krab, volkoren producten en noten.
Magnesium zenuwen, spieren, gebit en botten vijgen, appels, citroenen, noten en donkergroene groenten.
Natrium (zout) groei en een normaal hartritme kaas, boter, rookvlees,brood, olijven en augurken.
Selenium vermindert het risico op kanker en vertraagt het verouderingsproces eieren, lever, garnalen, volkorenbrood, champignons en zilvervliesrijst.
IJzer groei, weerstand en helpt tegen vermoeidheid (orgaan)vlees, mosselen, peulvruchten en noten.
Zink groei en seksuele ontwikkeling vlees, oesters, eierdooier, peulvruchten, noten en sesamzaad.


Ø Vitamines
Vitamines zijn nogal ingewikkelde organische stoffen die – in vrij kleine hoeveelheden – onmisbaar zijn voor het goed verlopen van de celstofwisseling.
Er zijn twee soorten vitamines:
1. In vet oplosbare
2. In water oplosbare
Hieronder staan de naam, functies en bron van de verschillende vitamines weergegeven:



















vitamines goed voor: natuurlijke bronnen:
A weerstand, ogen, huid boter, vis, lever, groene en gele groenten en zuivelproducten.
Bèta-caroteen huid broccoli, wortelen. en donkergroene bladgroenten.







B-complex:










































































B1 spieren, hart en zenuwstelsel peulvruchten en eierenvolkoren producten, vlees, pinda`s.
B2 mond, huid, haar, ogen en hormoonproductie groene bladgroenten, koolsoorten,vlees, vis en zuivelproducten.
B3 zenuwstelsel vlees, vis en volkoren graan.
B5 stressbestendigheid, psychisch functioneren en energieproductie, bepalend bij de vorming van hormonen vlees, kip, groene groenten, noten en pinda`s.
B6 zenuwstelsel en beschermt samen met B11 en B12 tegen hart- en vaatziekten.Tekorten aan deze 3 vitaminen uiten zich in bloedarmoede. tarwe, rundvlees, melk, eieren en koolsoorten.
B11 (foliumzuur) verkleint kans op open ruggetje en werkt waarschijnlijk ook tegen hart- en vaatziekten. Ook van belang bij de vorming van rode bloedcellen. Werkt samen met B12 en B6. groenten, rijst, tarwe, broccoli,peulvruchten en noten.
B12 energieproductie, geheugen en concentratie. Noodzakelijk voor de vorming van rode bloedcellen. Werkt samen met B11 en B6 uitsluitend dierlijke producten als vlees, eieren en zuivel.
Biotine conditie en huid, een ontstoken en schilferige huid bij een baby kan een gebrek betekenen. Stond vroeger bekend als vitamine H. sojabonen, lever vlees, vis, noten, melk en eieren.
Choline geheugen en choline houdt het cholesterol onder controle bladgroenten, tarwe, gist en runderlever.
Inositol hersenen, weerstand en helpt tegen stress rozijnen, grapefruit, koolsoorten, lever en volkoren producten.
C immuunsysteem, groei, tandvlees en tanden. bloedvaten en botten citrusvruchten, aardappelen,tomaten en groene bladgroenten.
D spieren, botten en tanden haring, zalm, tonijn en zuivelproducten. Meer over deze vitamine
E huid en verkleint de kans op ernstige ziekten als kanker plantaardige olie, broccoli, spruiten, granen en eieren.
K bloedstolling en vorming van botten yoghurt, lever, eierdooiers, soja-olie en groene bladgroenten.


Hoofdstuk 4: Hoe worden voedingsstoffen uit
voedingsmiddelen gehaald en hoe vindt het transport
van die voedingsstoffen plaats?

De manier waarop voedingstoffen uit voedingsmiddelen gehaald worden heeft te maken met de spijsvertering.
Zetmeelvertering:
Zetmeel:
[plaatje3]
In de mondholte zit speeksel dat het enzym amylase bevat en dat breekt zetmeel af. De alvleesklier mondt uit in de 12-vingerige darm. Alvleessap bevat ook amylase dat de rest van het zetmeel verteerd. Er zitten nu nog twee glucosemoleculen aan elkaar. In de wand van de dunne darm zitten miljoenen kliertjes die darmsap maken. De overgebleven koolhydraten worden door het enzym maltose, dat in darmsap zit, afgebroken tot glucose. De glucose gaat via de darmvlokken naar de takjes van de poortader. Via de poortader gaat het bloed met de opgeloste glucose naar de lever. In de lever worden de glucosemoleculen weer aan elkaar geplakt tot een soort zetmeel, glycogeen. Dit is een reservebrandstof. Als de cellen glucose nodig hebben, wordt het glycogeen omgezet in glucose. Dat glucose wordt met het bloed vervoerd naar de spieren en andere cellen. In de cellen wordt de glucose afgebroken met zuurstof. De zuurstof wordt met het bloed van de longen naar de cellen vervoerd. Er komt energie vrij. Als afvalproduct ontstaat er koolstofdioxide en water.
Eiwitvertering:
Eiwit:
[plaatje4]
In het voedsel zitten eiwitten. Eiwitten zijn zeer grote moleculen. Ze bestaan uit een ketting van 20 verschillende aminozuren. Er zijn zeer veel verschillende eiwitten. Eiwitten zitten vooral in vlees en eieren, maar ook in peulvruchten en plantaardig voedsel.
In de mond en in de slokdarm worden de eiwitten no niet verteerd. In de maagwand zitten een groot aantal kliertjes die maagsap aan het voedsel toevoegen. Het maagsap bevat zoutzuur om bacterien in het voedsel te doden en het enzym, peptase, om van grote eiwitten kleine eiwitten te maken. De maagwand is bekleed met een dikke laag slijm om te voorkomen dat de maagwand door het zoutzuur aangetast wordt.
In de 12-vingerige darm komt alvleessap bij het voedsel. Er zit een stof in waarmee het zoutzuur uit de maag wordt uitgeschakeld en het bevat het enzym, tryptase, waarmee de eiwitten nog kleiner worden gemaakt.
Het darmsap, met daarin het enzym peptidase, in de dunne darm breekt de kleine eiwitten af tot aminozuren. De aminozuren kunnen door de darmwand naar de poortader.
De aminozuren gaan via de wand van de darmvlokken naar de kleine bloedvaatjes die samenkomen in de poortader. Opgelost in het bloed gaan ze naar de lever.
In de lever kunnen de aminozuren die overgebleven zijn afgebroken worden. Van dat afval dat dan onstaat wordt ureum gemaakt. Het ureum gaat met het bloed naar de nieren en het wordt via de urine uitgescheiden.
Vetvertering:
Vetten zijn opgebouwd uit de stoffen glycerol, waaraan 3 vetzuren vastzitten:
[plaatje5]
Vet is onoplosbaar in water.
In de mond en in de slokdarm worden de vetten niet verteerd. In de maag worden de vetten ook niet verteerd.
In de 12-vingerige darm monden 2 buisjes uit, waardoor spijsverteringsap wordt aangevoerd dat een rol speelt bij de vertering van vetten. Ten eerste is er gal. Gal is een bruine bittere vloeistof die in de lever gemaakt wordt en wordt opgeslagen in de galblaas. Gal maakt van grote vetdruppels hele kleine vetdruppeltjes (=een emulsie), waardoor de enzymen er beter bij kunnen. Alvleessap bevat het enzym lipase dat vet afbreekt tot glycerol en vetzuren.
In de dunne darm zit ook het enzym lipase, dat vet afbreekt tot vetzuren en glycerol. De vetten en vetzuren komen niet direct in het bloed, maar gaan via een andere weg het lichaam in. Het vet wordt opgeslagen onder onze huid.
Een ander belangrijke soort vet is cholesterol Men noemt cholesterol ook wel dierlijk vet, omdat het in dierlijke cellen gemaakt wordt. Het vet dat in vlees, melk en roomboter zit is vooral cholesterol. Cholesterol is onmisbaar, mar teveel is slecht voor hart en bloedvaten. Door vetbobbeltjes in de kleine bloedvaten kunnen de bloedvaatjes verstopt raken. Mensen die veel bewegen hebben daar minder last van.
Vetten worden in ons lichaam gebruikt als reserve brandstof en als bouwstof. Een gram vet bevat veel meer energie dan een gram suiker. Eiwitten en suikers kunnen in ons lichaam omgezet worden in vet, als je er (te) veel van eet. en dat wordt dus onder de huid
opgeslagen.

Systematisch weergegeven:
Hieronder dan een plaatje dat het omzetten van de voedingsstoffen goed weergeeft. Zo zie je dus dat het, nadat het is omgezet, eerst vanuit de dunne darm in het bloed wordt opgenomen. Vervolgens wordt het in een cel gebruikt.
[plaatje6]
Hoofdstuk 5: Het practicum

· De voorbereiding
Voor het practicum hebben we 2 proefpersonen nodig. Beide proefpersonen staan 5 ml bloed af. Proefpersoon 1 heeft gewoon gegeten zoals ze dat gewend is. Proefpersoon 2 heeft heel de dag nog niks gegeten.
Dat om de verschillen in de waardes van het glucose in het bloed te kunnen zien.
Helaas lukte het bloedprikken van de 2e proefpersoon niet, dus hier hebben we geen practicum mee kunnen doen.
We doen het bloed in een centrifuge, zo worden de cellen van het plasma gescheiden. Daarna pipetteren we het plasma over in een schone reageerbuis.
Vervolgens doen we 8ml van reagent 1 en 2 ml van reagent 2 in een buis.
Dit mengen we goed in de vortex, dit is een appartaat dat de stoffen goed mengt.
Nu hebben we het glucosereagens.
Tot slot moet de spectrofotometer op 0 gezet worden. Dit doen we door een cuvetje met water in de spectrofotometer te doen. We stellen hem ook in op 340 nm
· Uitvoering:
Onderin 2 cuvetten pipetteren we 10 ml water, dit zijn de blanco’s.
Onderin 2 andere cuvetten pipetteren we 10 ml plasma, dit zijn de monsters. Bij beide doen we het in duplo, dit wil zeggen in tweevoud.
Vervolgens pipetteren we in elke cuvet 1 ml glucosereagens, dit roeren we met een cuvettenroerder (een klein glazen staafje) goed door.
Dit laten we 5 minuten stabiliseren.
Daarna doen we de cuvetten in de spectrofotometer en meten de extentie bij 340 nm.
· Berekeningen:
Omdat bij de 2e proefpersoon geen bloed kon worden afgenomen is bij de 1e proefpersoon 10 ml afgenomen zodat we alle twee het practicum kunnen uitvoeren.
Hieronder de resultaten weergegeven.

























Blanco 1 Blanco 2 Monster 1 Monster 2
Myra 0,255 0,245 0,509 0,519
Bernadette 0,242 0,238 0,507 0,509


Je kunt de glucose-concentratie in het bloed met de volgende formule:
[Glucose] (mmol/L) = (E340gem monster – E340gem blanco)/6,33 · verdunningsfactor
Hier is 6,33 een stofconstante
Hieronder de glucoseconcentratie van beide praciticums:
Myra:
0.514 – 0.25 / 6.33 · 102 = 4.17 mmol/L
Bernadette:
0.508 – 0.24 / 6.33 · 102 = 4.23 mmol/L
· Conclusie
We kunnen de conclusie uit de proef trekken, dat we nauwkeurig hebben gewerkt, want de waarden moeten tussen de 3.61 – 6.11 mmol/L liggen.
Het is jammer dat het niet gelukt was om bij proefpersoon 1 bloed af te nemen, want dan hadden we grote verschillen kunnen zien vergeleken met proefpersoon 2.
Proefpersoon 1 zou een veel lagere waarde gehad hebben omdat ze dus niet gegeten en gedronken had.

Hoofdstuk 6: Wat is het verband tussen de glucoseconcentratie van het bloed en diabetes?

De normale glucoseconcentratie voor een volwassene is 3,61 – 6,11 mmol/L
Bij diabetespatiënten kan dit oplopen tot 20 à 30 mmol per liter.
Bij diabetes maakt de alvleesklier geen of niet voldoende van het hormoon insuline. De zogenaamde 'eilandjes van Langerhans' zijn verantwoordelijk voor de insulineproductie, de rest van de alvleesklier wordt gebruikt om spijsverteringssappen te maken. Ook kan het zijn dat de insuline niet goed werkt omdat het lichaam er ongevoelig voor is geworden. De glucose kan daardoor niet in de lichaamscellen komen, en blijft dus achter in het bloed - het gevolg is een te hoge bloedsuikerspiegel. Uiteindelijk zorgen de nieren dat die overtollige glucose wordt afgevoerd door extra urine te maken. Mensen met diabetes hebben daarom vaak dorst en moeten veel plassen.
Een diabetespatient kan last hebben van hypo’s en hypers.
Hypo's (hypoglycemie) en hypers (hyperglycemie) zijn ontregelingen van de glucosecoentratie in het bloed.
Hypo
Bij een hypo is de bloedglucosewaarde onder 4,0 mmol/l.
De verschijnselen bij een hypo zijn:
























glucosespiegel symptomen/uiterlijke kenmerken
3 - 3,5 mmol/l gestoorde fijne motoriek, concentratieverlies
2,5 - 3 mmol/l hartkloppingen, zweten, beven, angstgevoelens, hongergevoel, verwardheid, hoofdpijn, dromen
2 - 2,5 mmol/l vermoeidheid, dubbel zien, ernstige sufheid
1 - 2 mmol/l onwillekeurige spierbewegingen, agressief gedrag, voorbijgaande verlammingen, spraakuitval, coma (wijde pupillen)


De oorzaken van het ontstaan van een hypo zijn:
· te weinig of te laat eten
· te veel insuline gespoten
· te veel tabletten ingenomen
· meer beweging dan normaal
· te veel alcohol
· verkeerde spuittechniek
· verkeerde combinatie van medicijnen
· hoge buitentemperatuur (de insuline wordt dan sneller opgenomen)
· gebruik van medicijnen die het bloedglucoseverlagend effect van tabletten versterken.
Hyper
Bij een hyper is er sprake van een te hoge glucoseconcentratie (hoger dan 10 mmol/l). Anders dan bij een hypo zijn de waarschuwingssignalen van een hyper vaak niet zo extreem waarneembaar.
De verschijnselen bij een hyper zijn:
· dorst en veel drinken
· vermoeidheid
· slaperig
· weinig eetlust
· veel plassen
· gewichtsverlies
· jeuk
· wazig zien.
De oorzaken van het ontstaan van een hyper zijn:
· te veel gegeten
· te weinig insuline gespoten
· te weinig tabletten ingenomen
· minder beweging dan normaal
· stress
· ziekte met koorts
· medicijnen (bijv. Prednison en sommige plastabletten)
· verkeerde manier van spuiten.
Conclusie
Na dit onderzoek kunnen we nu een antwoord geven op de volgende hoofdvraag:
Wat is het verband tussen de voedingsmiddelen die je eet en de voedingsstoffen die in je bloed zitten?
Zoals we in hoofdstuk 3 hebben onderzocht, heeft elke voedingsstof een andere functie.
Koolhydraten, vetten en eiwitten dienen als bouwstof en brandstof.
Water dient als bouwstof, oplosmiddel, transportmiddel en regelt de lichaamstemperatuur.
Vitaminen en mineralen dienen als bouwstof.
Als je niet genoeg voedingsmiddelen binnen krijgt, krijg je dus niet genoeg voedingsstoffen binnen, en kunnen de functies van die voedingsstoffen dus niet goed vervuld worden.
In ernstige gevallen kunnen er zelfs afwijkingen of ziekten ontstaan. Je concentratie kan achteruit gaan en je bent eerder vermoeid. Ook de groei wordt geremd.

Wij hebben veel plezier gehad in het maken van dit profielwerkstuk. Het was vooral erg leuk om op een universiteit een practicum uit te voeren met de juiste instrumenten. Wat ons vooral op viel was dat ze de technieken uit een laboratorium gebruiken. Dit is nogal een verschil met onze school, kijk alleen maar naar de pipetten. Die zijn daar heel nauwkeurig instelbaar.
Dit is natuurlijk erg logisch maar wel heel leuk om meegemaakt te hebben.
Geraadpleegde bronnen

· Internet
Via www.google.com verschillende zoekopdrachten uitgevoerd.
www.scholieren.com
Via www.ilse.nl verschillende zoekopdrachten uit gevoerd.
www.bioplek.nl
www.voeding.pagina.nl
· Encyclopedieën
Spectrum
Encarta
Medische
· Boeken:
Synaps, leerboek 5 havo
Biodata
Binas
· Personen
Twee studenten van de universiteit Maastricht
Practicum leidster van de universiteit Maastricht

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Goed man!

19 jaar geleden

T.

T.

hoi mooi werkstuk heb je heb je 1 engels boek die je al hebt vertaald voor me want die heb ik nodig xxxxjes timmie

19 jaar geleden

S.

S.

Ik heb een vraagje: waar haal je veel informatie over bloed vandaan. Want wij hebben een profielwerkstuk over bloed. Bloed in het algemeen dus. Ik hoop dat je me verder kan helpen.

Vriendelijke groeten

Sanne Offermans

18 jaar geleden

L.

L.

Ten eerste wil ik graag zeggen dat ik jullie verslag goed vind. Ik vind het onderwerp leuk en het is geschreven in begrijpelijke taal.
Ik heb alleen een paar vragen, aangezien ik graag een soortgelijk onderzoek wil doen. Hoe zijn jullie aan het bloed gekomen? Niet iedereen kan en mag immers bloed afnemen. En wat houdt reagens 1 en 2 in (zie practicum)? Dat kan ik namelijk niet uit jullie verslag opmaken.
In ieder geval al vast bedankt.

Met vriendelijke groeten, Lisette Heinen

18 jaar geleden