Inleiding



Mijn plan was 20 gedichten te analyseren en allen uit te typen, maar na 7 gedichten merkte ik dat er teveel werk in zat alle geanalyseerde gedichten uit te typen, bovendien krijg je ontzettend veel pagina’s (tekst) daardoor. Daarom besloot ik na 7 gedichten niet de volledige analyse van de overige 13 gedichten verder uit te typen, maar enkel de motivatie uit te werken. Dus heb ik de analyse van de overige gedichten enkel op klad, maar wel goed leesbaar (voor mijzelf). Ik heb van de volgende dichters gedichten verzameld (in juiste volgorde): Ivo de Wijs (2), Hans Andreus (1), Judith Herzberg (1), Cees Buddigh’ (1), Ellen Warmond (1), Annie M.G. Schmidt (1), Rutger kopland (1), Willem Wilmink (2), Maria Vasalis (1), Jean Pierre Rawie (1), Leo Vroman (1), Simon Vestdijk (1), Ed Hoornik (1) en van Martinus Nijhoff (5), van deze dichter heb ik ook de achtergrondinformatie verzameld. De volgorde van uitwerken is misschien niet logisch (u zou verwachten dat ik begon met de dichter van wie je 5 gedichten moest verzamelen en tevens achtergrondinformatie), maar deze volgorde heb ik nu eenmaal gekozen, omdat ik niet direct wist van wie ik 5 gedichten zou verzamelen. Ik weet van lang niet alle dichters de bundel, waaruit ik zijn/haar gedichten gekozen heb, dat komt omdat ze op internet meestal niet de bron (=de bundel) van de gedichten gaven. Verder zijn er 8 sonnetten in mijn bundel te vinden (5 van Martinus Nijhoff, 1 van Ed Hoornik, 1 van Simon Vestdijk en 1 van Jean Pierre Rawie), de overigen zijn vrije verzen.



De gedichten



- Gedicht 1: Ivo de Wijs – Yup op Noren (blz.4)





- Gedicht 2: Ivo de Wijs – Vragen 2 (blz.5)



- Gedicht 3: Hans Andreus – Voor een dag van morgen (blz.6)



- Gedicht 4: Judith Herzberg – Ziekenbezoek (blz.7)



- Gedicht 5: Cees Buddingh’ – Gorgelgenese (blz.8)



- Gedicht 6: Ellen Warmond – (zonder titel) (blz.9)



- Gedicht 7: Annie M.G. Schmidt – De achteraffers (blz.10)



- Gedicht 8: Rutger Kopland – Jonge sla (blz.11)



- Gedicht 9: Willem Wilmink – Opa (blz.11)



- Gedicht 10: Willem Wilmink – Enschede huilt (blz.12)



- Gedicht 11: Maria Vasalis – (zonder titel) (blz.13)



- Gedicht 12: Jean Pierre Rawie – No Second Troy (blz.13)



- Gedicht 13: Leo Vroman – Twee Partijen (blz.14)



- Gedicht 14: Simon Vestdijk – De getrooste dood (blz.15)





- Gedicht 15: Ed Hoornik – (zonder titel) (blz.15)



- Gedicht 16: Martinus Nijhoff – Het Souper (blz.16)



- Gedicht 17: Martinus Nijhoff – Fuguette (blz.16)



- Gedicht 18: Martinus Nijhoff – De soldaat die Jezus kruisigde (blz.17)



- Gedicht 19: Martinus Nijhoff – Aan een graf (blz.18)



- Gedicht 20: Martinus Nijhoff – De moeder de vrouw (blz.18)



- Achtergrondinformatie Martinus Nijhoff (blz.19)



Gedicht 1: Ivo De Wijs - Yup op Noren



Yup op Noren



Afijn, ik was dus op het ijs

Zie ik daar een manspersoon

Die al schaatsend in de weer is

Met zo’n losse telefoon



‘Hallo, hoe gaat het op de zaak?

Heeft Van Dijk nog opgebeld?

Is die order al de deur uit?

zijn die stellingen besteld?’



Op de schaats en in gesprek

Wat een achterlijk gekwek

Wat een vloek, een blinde vlek

Wat een opgefokte

doorgetripte

dolgedraaide

gek

Gelukkig ging-ie op z’n bek



Vandaar misschien dat ik die dag

De leipo verder niet meer zag

Ik hoorde enkel nog héél zwak

Tuut-tuut-tuut-tuut (vanuit een wak)



(bron: Zondagmorgen verzen (blz. 19)



Motivatie keuze: Tijdens een studieuur voor Nederlands kregen we de tijd gedichten te verzamelen. Ik heb een boek van Ivo de Wijs doorgelezen en vond dit gedicht wel humoristisch. Ik vond het vooral dom dat die (zaken)man dingen over zijn werk regelt al schaatsend op het ijs, dan zoek je de problemen op.



Situatie van de ik: De ik is op het ijs (of aan de kant) en ziet een man al schaatsend, met een mobiele telefoon in zijn hand onderuit gaan op het ijs (en in een wak verdwijnen).



Tijd en ruimte: Tijdens de winter (in het winterseizoen) en op het ijs/de ijsbaan.



Thematiek: Het niet genieten van schaatsen, maar druk met andere dingen bezig zijn. Tegenstelling: mensen genieten van schaatsen, manspersoon niet, hij is vooral bezig met zijn werk. Opsomming: gedrag van zakenman, ‘achterlijk gekwek, opgefokte, doorgetripte, dolgedraaide gek’. Herhaling: het herhalen van het woord ‘tuut’ in de laatste regel.



Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de 1e 3 gaan over de ik en de manspersoon, 4e strofe is de clou, de manspersoon beland in een wak.



Soort rijm: Bij de 1e 2 strofen rijmen alleen de 2e en 4e zin (manspersoon-telefoon=eindrijm)

, 3e strofe rijmt alles (gesprek-gekwek=eindrijm), 4e strofe: alleen de eerst 2 zinnen rijmen (dag-zag=eindrijm).



Rijmklanken: volrijm: ‘Tuut-tuut-tuut-tuut’ (laatste regel)



Rijmschema: ABCB (gebroken) DEFE (gebroken) GGGGG (slag) HHII (gepaard)



Dichtvorm: Het is een vrij vers.



Beeldspraak: metafoor: ‘wat een vloek, een blinde vlek’=beeld vergelijking zonder ‘als’: ‘op z’n bek gaan’ vergeleken met vallen vergelijking zonder ‘als’: ‘manspersoon’ vergeleken met leipo



Stijlfiguren: eufemisme of understatement: Ik hoorde t/m een wak (laatste strofe) opsomming: zie thematiek

climax: van het schaatsen t/m in een wak belanden

tautologie: zie thematiek, opsomming



Titel: Carrière bewust iemand aan het schaatsen, hij is zo met zijn werk bezig dat het schaatsen voor hem belachelijk is.



Gedicht 2: Ivo de Wijs - Vragen 2



Vragen 2



Waar is ruimte? vroegen vogels

Waar is stilte, Vroege Vogels?

En wij turfden met genoegen

Wat vogels Vroege Vogels vroegen



(bron: Zondagmorgen verzen (blz. 16)



Motivatie keuze: Uit hetzelfde boekje van Ivo de Wijs vond ik ook dit gedicht. Wat ik leuk vond aan dit gedicht was de grappige woordspeling, het was leuk om te lezen en de woordspeling te begrijpen.



Situatie van de ik: De ik turft het gekwetter van de vogels.



Tijd en ruimte: Overdag (’s nachts fluiten vogels niet) in een stil gebied/ruimte (anders kan er niet geturfd worden, bv. in een bos).



Thematiek: Dat vogels veel kabaal maken in de stilte (wel overdag). Herhaling: het herhalen van dezelfde woorden, maar wel met een verschillende betekenis en Waar is –Waar is.



Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de strofe gaat over het turven van het gekwetter van de vogels.



Soort rijm: eindrijm (vogels-Vogels, genoegen-vroegen)

voorrijm (Waar is-Waar is)



Rijmklanken: alliteratie: vroegen vogels, Vroege Vogels, vogels Vroege Vogels vroegen



Rijmschema: AABB (gepaard)



Dichtvorm: Het is een vrij vers.



Beeldspraak: vergelijking zonder ‘als’: Vroege Vogels vergeleken met dieren die vroeg actief zijn.



Stijlfiguren: opsomming: Waar is-Waar is (versregel 1 en 2)



Titel: 2 betekenissen van de verleden tijd van vragen, nl. vroeg en vroege.



Gedicht 3: Hans Andreus - Voor een dag van morgen




Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind,

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad,

hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.

Ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man alleen maar een vrouw,

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.

(bron: Al ben ik een reiziger (1959)

Motivatie keuze: Ik vind het mooi hoe iemand laat zien hoeveel hij de ander liefheeft, maar hij/zij weet dat anderen het niet zullen begrijpen.

Situatie van de ik: De ik verwacht dat hij gaat sterven en dat hij/zij z’n geliefde moet verlaten, maar het heeft geen zin om het aan de mensen te vertellen.

Tijd en ruimte: Tijd van weten wanneer het einde komt (van iemands leven) gewoon in de bewoonde wereld (ruimte niet genoemd).

Thematiek: Hoe groot de liefde kan zijn tussen 2 mensen. Herhaling: ‘Vertel het’ (woordgroepherhaling) en ‘ze zouden’ (woordgroepherhaling). Opsomming: Vertel het aan de bomen, Vertel het aan de wind, Vertel het aan een kind, Vertel het aan een dier, Vertel het aan de huizen van steen, Vertel het aan de stad.

Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de 1e strofe gaat over de ik persoon die vertelt aan wie hij/zij wil vertellen dat hij doodgaat, in de 2e strofe vertelt de ik hoe diep zijn liefde is met de partner

Soort rijm: Strofe 1: hier en daar eindrijm (stad-had, wind-kind), voor de rest kreupelrijm Strofe 2: hier en daar eindrijm (had-dat, (vrouw-jou).



Rijmklanken: klankrijm: veel o’s die de trieste sfeer bepalen

Rijmschema: ABCDEEFGHEIJKLMM (gebroken) NOPQP (gebroken)

Dichtvorm: Het is een vrij vers.

Beeldspraak: Aantal personificaties, personificatie: ‘vertel dan aan de bomen’ beeld=bomen, verbeelde=luisterende personen, personificatie: ‘wind die in de bomen klimt of uit de takken valt’ beeld=wind, verbeelde=begrijpende personen, personificatie: ‘vertel het aan een dier’ beeld=dier, verbeelde=begrijpende personen, personificatie: ‘vertel het aan de huizen van steen’ beeld=huizen van steen, verbeelde=begrijpende personen, personificatie: ‘vertel het aan de stad’ beeld=stad, verbeelde= begrijpende personen.

Stijlfiguren: overdrijving: ‘hoe lief de ik persoon iemand wel niet had’ (aan de hand van beeldspraken duidelijk gemaakt, paradox: ‘het niet aan de mensen vertellen, maar wel aan een dier’ (aan de hand van beeldspraak duidelijk gemaakt), inversie: ‘hoe lief ik je had’, opsomming: de verschillende beeldspraken, climax: laatste regel van beide strofen.

Titel: Een dag van morgen zou de laatste kunnen zijn.



Gedicht 4: Judith Herzberg - Ziekenbezoek



Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.

Toen hij zijn hoed had opgezet

zei ik, nou, dit gesprek

is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet,

je moet het maar eens proberen.

(bron: Beemdgras (1968)

Motivatie keuze: Het gedicht sprak mij aan omdat het eenvoudig was, maar met veel inhoud.

Situatie van de ik: De ik ligt ziek in bed en krijgt bezoek, maar er wordt niet gepraat.

Tijd en ruimte: Niet herkenbaar, waarschijnlijk overdag of ’s avonds (tijdens een spreekuur), in een ziekenkamer.

Thematiek: Geen gesprek tussen zieke en bezoeker, maar gedachtewisseling

Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de strofe gaat over een bezoek aan een zieke, er wordt niet gepraat, maar gedachten gewisseld.

Soort rijm: eindrijm (bed-opgezet, resumeren-proberen)

Rijmklanken: volrijm (‘Nee, zei hij, nee toch niet’), alliteratie (zitten zwijgen, hij had, moet het maar, ‘Nee, zei hij, nee toch niet’)

Rijmschema: AABCDC (1e 2 zinnen=gepaard, overig=omarmend (onregelmatig)

Dichtvorm: Het is een vrij vers.

Beeldspraak: Geen.

Stijlfiguren: paradox: niet gesproken, maar wel veel gedacht (niet samen te vatten bv. herinneringen), climax: bezoeker zegt iets (voor bijna te vertrekken), waar zieke over na moet denken

Titel: Een alledaagse titel, bezoek aan een zieke.



Gedicht 5: Cees Buddingh’ - Gorgelgenese



Gorgelgenese



Een mustang en een tangmus

die trouwden met elkaar.

Het was, als zich laat denken,

een wat merkwaardig paar.

En toen ze een tweeling kregen

(en dat duurde niet lang!),

was een ervan een musmus

en de andere een tangtang.

(bron: http://members.lycos.nl/negedichtensite/)

Motivatie keuze: Vooral de humoristische woordspeling sprak mij aan, een leuk gedicht (het slaat verder nergens op).

Situatie van de ik: De ik vertelt over een mustang en een tangmus die trouwden en een tweeling kregen.

Tijd en ruimte: Verschillende tijden (geboorte, trouwen), ruimte niet herkenbaar.

Thematiek: 2 onzinnige dieren (buiten de realiteit) trouwen en krijgen een tweeling.

Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de strofe gaat over 2 onzinnige dieren die met elkaar trouwen en een tweeling krijgen.

Soort rijm: eindrijm (elkaar-paar, lang-tang)

Rijmklanken: volrijm (en-en-en)

Rijmschema: ABCBDEFE (gebroken)

Dichtvorm: Het is een vrij vers.

Beeldspraak: Niet echt, vooral woordspeling, 2 onzinnige dieren gaan trouwen en krijgen een tweeling.

Stijlfiguren: Paradox: zwangerschap duurt eigenlijk best lang, omschreven als: ‘en dat duurde niet lang’. Climax: de tweeling die ze kregen is een mix van een mustang en een tangmus.

Titel: Daar zit het woord ‘genetisch’ in en gorgel is zijn bundel: erfelijkheid in bundel.



Gedicht 6: Ellen Warmond - (zonder titel)

Later is

een lang en zacht

of een klein en scherp

verdriet

dat weten we al

een leven lang

maar nu nog niet



(bron: http://members.lycos.nl/negedichtensite)

Motivatie keuze: Het ‘dagelijkse/werkelijke’ uit dit gedicht sprak mij wel aan.

Situatie van de ik: De ik vertelt over het verdriet, dat bij het leven hoort.

Tijd en ruimte: Een levenlang, ruimte niet herkenbaar.

Thematiek: Dat er in je leven heel wat kan gebeuren en dat je dat niet van tevoren kan weten (en er ook maar niet over na moet denken).Tegenstelling: lang en zacht, klein en scherp. Opsomming: lang en zacht, klein en scherp verdriet (verdriet dat dichter omschrijft).

Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de strofe gaat over… (zie thematiek).

Soort rijm: eindrijm (ééntje, verdriet-niet)

Rijmklanken: Meer klankrijm (weten-leven, al-lang)

Rijmschema: ABCDEED (1e 3 regels gebroken, laatste 4 regels omarmend)

Dichtvorm: Het is een vrij vers.

Beeldspraak: Geen.

Stijlfiguren: Tegenstelling: lang-klein, zacht-scherp. Inversie: dat weten we al. Climax: ‘maar nu nog niet’ (nog geen verdriet).

Titel: Geen.



Gedicht 7: Annie M.G. Schmidt - De achteraffers



De achteraffers

Had ik dat beter maar niet moeten zeggen?

Had ik dat beter maar niet moeten doen?

Zo denken wij… de achteraffers.

Had ik dat moeten verzwijgen, toen?

Had ik de wasman een fooi moeten geven? Had ik dat achteraf nou maar gedaan.

Had ik met Adriaan moeten gaan leven of zou dat achteraf fout zijn gegaan?

Had ik die hoed niet moeten kopen?

Had ik achteraf naar Marie moeten gaan?

En had ik toch beter maar kunnen gaan lopen inplaats van zolang op lijn negen te staan?

Had ik die keet achteraf kunnen sussen?

Had ik naar ’t asiel moeten gaan met die poes?

En had ik me niet moeten laten kussen

- nu achteraf – door die kerel in Goes?

Wij achteraffers, wat zijn we toch moeilijk

en – achteraf – voor ons zelf nog het meest.

Had men ons niet beter op kunnen hangen?

Dat had achteraf nog het beste geweest.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 400)

Motivatie keuze: Dit gedicht heb ik uit een gedichtenboek thuis gehaald. Ik vond het wel een humoritisch gedicht en was bovendien makkelijk te begrijpen, ook zou je jezelf er in kunnen vinden.

Situatie van de ik: De ik vind dat hij/zij achteraf sommige dingen wel- of niet had moeten doen en of hij/zij er wel goed aan gedaan heeft (twijfel).

Tijd en ruimte: Na een daad, bv. in de stad, winkel, thuis of bij het station.

Thematiek: Dat je achteraf vaak twijfelt aan een daad of gedachte. Herhaling: Had ik… Opsomming: Had ik dit/dat wel- of niet moeten doen etc.

Structuur: Het is open poëzie. Strofen: de 1e strofe gaat over twijfel over zeggen en doen, de 2e strofe gaat over twijfel over een daad, de 3e strofe gaat over twijfel over aankoop en openbaar vervoer, de 4e strofe gaat over twijfel over een daad (ruzie sussen, de poes, laten kussen), de 5e strofe gaat over achteraffers, die vinden dat ze moeilijk doen.

Soort rijm: voorrijm (had-had-had), eindrijm (doen-toen, geven-leven etc.)

Rijmklanken: alliteratie (denken wij… de achteraffers, had ik die hoed), assonantie (hoed niet moeten kopen)

Rijmschema: ABCB DEDE FEFE GHGH IJKJ (allen omarmend)

Dichtvorm: Het is een vrij vers, maar ze houdt zich wel behoorlijk goed aan de regels, omdat het steeds omarmend rijm is.

Beeldspraak: Personificatie: van een gedachte wordt een persoonlijke aanspreektitel gebruikt.

Stijlfiguren: Tegenstelling: iets gedaan hebben, wat je niet had willen doen. Opsomming: alle daden en gedrag. Climax: laatste 2 regels (dat ze over hun recht van bestaan twijfelen).

Titel: Daar gaat het gedicht over: de achteraffers, zij die twijfelen over een daad of gedachte.



Gedicht 8: Rutger Kopland - Jonge sla




Jonge sla



Alles kan ik verdragen,

het verdorren van bonen,

stervende bloemen, het hoekje

aardappelen, kan ik met droge ogen

zien rooien, daar ben ik

werkelijk hard in.



Maar jonge sla in september,

net geplant, slap nog,

in vochtige bedjes, nee.



(bron: http://home.hetnet.nl/~heraclitus/heraclitus_kopland.html)

Motivatie keuze:

Ik vond het wel indrukwekkend dat mensen door de natuur geraakt kunnen worden, dat sprak mij in dit gedicht aan.



Gedicht 9: Willem Wilmink - Opa



Opa



Opa keek vaak in onze tuin

naar die zeven sprietjes gras,

en daar zag opa dan een koe

die er helemaal niet was.



En later, in het ziekenhuis,

kon hij verwonderd vragen

waarom ze toch de buitenmuur

uit zijn kamer hadden geslagen.



Voor opa was het doodgaan

dus niet zoiets als nacht:

het was de steeds grotere ruimte

die hij voor zichzelf had bedacht.

(bron: http://home.hetnet.nl/~heraclitus/heraclitus_wilmink.html)

Motivatie keuze:

Ik vond het wel een ontroerend gedicht, het idee dat je door ouderdom de werkelijkheid van dingen niet meer zou kunnen zien.



Gedicht 10: Willem Wilmink - Enschede huilt



Enschede huilt



Een buurt, die veel zorgen had,

Maar ook vol verhalen zat,

Vol humor en gezelligheid,

Die buurt zijn we voor eeuwig kwijt.

Daar waar het vol van kinderen was,

Verschillend van geloof en ras,

Maar in hun spel gelijkgezind-

Loopt nu geen enkel kind.

In de oorlog stond de stad in brand

Op Pathmos, Zwik en Hoogeland:

Meer dan een halve eeuw nadien

Kun je daarvan nog sporen zien.

Nu is, in de heerlijke maand mei,

Bij vogelzang, zo vrij en blij,

De stad opnieuw iets aangedaan

Dat nooit en nooit voorbij zal gaan.

Arm Enschede, verberg je in

De armen van je koningin

En huil, want daar is reden voor

En huil dan maar aan één stuk door.



(bron: http://members.lycos.nl/negedichtensite)

Motivatie keuze:

De vuurwerkramp van Enschede ligt nog vers in het geheugen, de dichter heeft het mooi verwoord, dat sprak mij wel aan in dit gedicht.



Gedicht 11: Maria Vasalis - (zonder titel)




Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,

bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.

Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag

en zegt: zijn we in Roden of Den Haag ?

Wat later: kindje ik word veel te oud.

Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut

zo ver al van de aarde weggedreven,

zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend

zonder bestek en her en der.

Zij zoekt - het is een s.o.s. -

haar herkomst en haar zijn als kind

en niemand niemand, die haar vindt

zoals zij was. Haar franse les

herhaalt zij: van haar 8e jaar:

'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,

die eerste juffrouw, weet je wel

die valse ouwe mademoiselle

hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'



Had ik je maar als kind gekend,

die nu mijn kind en moeder bent.

(bron: http://home.hetnet.nl/~heraclitus/heraclitus_vasalis.html)

Motivatie keuze:

De ontroering van de ik tegenover de moeder sprak mij wel aan in dit gedicht.



Gedicht 12: Jean Pierre Rawie - No Second Troy


No Second Troy



Ik heb een vrouw bemind, die best

een tweede Troje zou verdienen,

en die door drank en heroïne

onder mijn ogen werd verpest.



Tot ziekbed kromp het liefdesnest,

en ik zou zachtjes willen grienen,

omdat alleen dit clandestiene

sonnetje van ons tweeën rest.



Zo'n veertien regeltjes waarmee je

een tipje van de sluier licht,

wat zout om in de wond te wrijven.



Wat zijn dat toch voor waanideeën,

dat je, verdomd, in een gedicht

'de dingen van je af kunt schrijven'?



(bron: http://home.hetnet.nl/~heraclitus/heraclitus_rawie.html)



Motivatie keuze:



Wat mij aansprak in dit gedicht, was hoe de dichter de gevolgen van heroïneverslaving omschreef.



Gedicht 13: Leo Vroman - Twee Partijen




Twee Partijen



Er zijn twee hachelijke

partijen: één strevende

naar het belachelijke,

dat is die der levenden;



en één van gezag,

dat is die der doden;

en als het aan mij lag

waren beide verboden.



Lag het aan mij

dan stichtte ik graag,

en liefst nog vandaag,

een derde partij.



De 'Waar Alleen Zij

Die Nergens Toe Horen,

Toe Horen Partij'

zij hierbij geboren.



Ik nodig degenen

die zich klimdrab

of zitsteen menen

tot lidmaatschap,



en maak bekend

dat dit gedicht

zich tot hen richt

als president;



want evenals

gesprek en spook

heeft het geen leven

en geen dood ook.



(bron: http://home.hetnet.nl/~heraclitus/heraclitus_vroman.html)



Motivatie keuze:



Ik vond het wel een humoristisch gedicht, dat de dichter het leven van de mens vereenvoudigd tot 2 partijen en er zelf nog 1 toevoegt (het leven is veel ingewikkelder).



Gedicht 14: Simon Vestdijk - De getrooste dood



DE GETROOSTE DOOD



De Dood, die onbekend en onbemind,

Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,

De weg vervolgt die hij vanouds moet gaan,

Weg waarop niets hem aan zijn offers bindt,



Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan

De laatste hand hij leggen zal, een kind

Dat hem herkent en glimlachend bemint

En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.



Hij neemt het kind, en ’t kind hangt aan zijn lippen.

Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend

Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.



Zoo wordt zijn baan naar kinderen berekend:

Zachte oasen tusschen zand en klippen

Der menschelijke onverschilligheid.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 255)



Motivatie keuze:



Meestal is de dood vreselijk, maar de titel zegt: “De Getrooste Dood”, dus vond ik het wel interessant om het gedicht te lezen.



Gedicht 15: Ed Hoornik - (zonder titel)




Te Middelharnis is een kind verdronken.

Sober berichtje in het avondblad:

’t stond bij een hooiberg die had vlam gevat

en bij een zolderschuit, die was gezonken.



Zes dagen heeft het in mij nageklonken.

Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?

Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:

te Middelharnis is een kind verdronken.



En kranten waaien weg en zijn verouderd,

de dagen korten, nachten worden kouder,

maar over ’t water komt zijn kleine stem.



– Te Middelharnis, denk ik, ‘k denk aan hem

en bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder,

en zing voor hem dit slechte requiem.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 378)



Motivatie keuze:



Ik vond het wel indrukwekkend, dat een simpel krantenberichtje zoveel indruk op iemand kan maken.



Gedicht 16: Martinus Nijhoff - Het Souper



HET SOUPER



’t Werd stil aan tafel. ’t Was of wijn en brood

Werd neergeslagen uit den greep der handen.

De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden

En ’t raam sprong open door een donkren stoot.



Als water woelden in den nacht de landen

Onder het huis; wij voelden hoe een groot

Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de

Vaart van den tijd ons droegen naar den dood



Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:

Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid

Dieper weerkaatst in de ogen van een ander –



Maar als de winden langs de daken huilen,

Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,

Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 299)



Motivatie keuze:



Ik vond de bijzondere uiting van eenzaamheid in dit gedicht best wel speciaal, daarom sprak het gedicht mij wel aan.



Gedicht 17: Martinus Nijhoff - Fuguette




FUGUETTE



Claudien, jij speelt piano, en ik zit

In de warande, en luister naar het zingen

Uit het innige hart der stille dingen,

En luister naar de stem der nacht die bidt –



Nu is mijn hart heel stil geworden: dit

Is het stil einde van het groote dringen.

De regens die tusschen ons beide hingen,

Claudien, zijn over en de nacht is wit.



Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:

Het is of je op een groenen heuvel toeft,

Een fabel leest, of ziet een mozaïek –



En ’t hart, ontvangend wat het hart behoeft,

Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,

Vergeet – een glimlach lang – wat het bedroeft.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 300)



Motivatie keuze:



De vrolijkheid en de romantiek uit dit gedicht sprak mij wel aan.



Gedicht 18: Martinus Nijhoff – De soldaat die Jezus kruisigde




DE SOLDAAT DIE JEZUS KRUISIGDE



Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen

Wild om den spijker toen ’k den hamer hief –

Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief –’

En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.



Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,

En werd een gek die bloed van liefde vroeg:

Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg

Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.



Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,

Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –

In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,

Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,



En antwoord als de menschen mij wat vragen:

‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 300)



Motivatie keuze:



Ik vond het wel een duidelijk thema, begrijpelijk, maar wel wreed.



Gedicht 19: Martinus Nijhoff - Aan een graf




AAN EEN GRAF



Vliegen en vlinders, kinderen en bijen,

al wat als stipjes vonkt door de natuur,

warm, blij en snel, moedertje, schoot van vuur,

daar hield je van, en zie, die bleven bij je.



Want als ik hier de diepe stilte intuur,

stijgt het zo glinsterend op, dat ik moet schreien,

en duizend lachjes, liedjes, mijmerijen,

tintelen uit het gras naar het azuur.



’k Sta aan je graf als jij eens aan mijn wieg.

Moeder, vrees niet dat ik bij dit verzonken

handjevol as mij om het vuur bedrieg.



Ik ween, als jij toen, om de vrije vonken,

de bij, het kind, de vlinder en de vlieg,

die in het licht van puur geluk verblonken.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 301)



Motivatie keuze:



Ik vond het wel een vredig gedicht, waarbij je gaat nadenken over de dood en herinneringen aan de overledene.



Gedicht 20: Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw




DE MOEDER DE VROUW



Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras , mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.



Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren

Zij was allen aan dek, zij stond bij ’t roer,



en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.



(bron: Literatuur Geschiedenis Bloemlezing H.J.M.F. Lodewick deel 2, blz 302)



Motivatie keuze:



De 2 betekenissen die de dichter aan het woord brug geeft, nl. de brug die 2 zijden verbindt en de brug die de schippersvrouw door het zingen tot zijn moeder maakt (moeder ‘ik’), vond ik wel goed bedacht.



Achtergrondinformatie over Martinus Nijhoff



Martinus Nijhoff is geboren op 20 april 1894 in ‘s-Gravenhage en gestorven op 26 januari 1953 in ‘s-Gravenhage. Hij heeft rechten in Amsterdam gestudeerd en daarna heeft hij, op oudere leeftijd, ook nog Nederlands gestudeerd in Utrecht. Nijhoff heeft heel veel verschillende functies gehad naast het dichten. Een greep uit de functies: hij is redacteur van ‘De Gids’ geweest tussen 1926 en 1933, hij werkte bij NRC Handelsblad als literair criticus en is een medeoprichter van het literaire blad Maatstaf in 1953 geweest. In hetzelfde jaar (1953) kreeg Nijhoff de Constantijn Huygensprijs. Er is ook een speciale prijs vernoemd naar Martinus Nijhoff; namelijk de Martinus Nijhoffprijs.



Martinus Nijhoff kwam uit een familie van boekhandelaars, uitgevers en bibliografen. Zijn vader werkte in het familiebedrijf dat door de grootvader van Nijhoff was opgericht. Voor deze firma was vooral de exploitatie van regeringspublicaties, de uitgaven van wetenschappelijke genootschappen en de verspreiding van Nederlandse wetenschappelijke werken naar het buitenland belangrijk. Nijhoff’s moeder werkte als vrijwilligster in het Leger des Heils. Nijhoff heeft erg weinig werken geschreven. Vier namelijk: ‘De Wandelaar’ (1916), ‘Vormen’ (1924), ‘Nieuwe Gedichten’ (1934) en ‘Het uur U’ (1942). Het opvallende is dat alle vier werken behoren tot de top van de Nederlandse poëzie. Daarna zijn er nog andere werken verschenen, maar dat zijn verzamelbundels die gedichten uit verschillende andere bundels bevatten. Een voorbeeld daarvan is ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ (Uitgeverij Bakker, Amsterdam, 1979). In deze bundel staan naast gedichten uit al bestaande bundels, ook nog nooit eerder gepubliceerde gedichten.



Het is heel moeilijk om Martinus Nijhoff in een bepaalde stroming in te delen. In zijn werk is duidelijk te merken dat er invloeden van een aantal stromingen zijn geweest. Dat merk je, doordat er in een bundel verschillende eigenschappen zijn en die eigenschappen zijn van verschillende stromingen.



Wat wel opvalt in de alle bundels is, dat hij probeert zeer ingewikkelde levensverhoudingen uit te leggen in een zo makkelijk mogelijke taal. Dit heeft hij waarschijnlijk gedaan om zijn gedichten voor alle lagen van de bevolking bereikbaar te maken. Nijhoff schrijft zijn gedichten vaak met een vast patroon. De gedichten hebben vaak 4 strofes, de eerste twee strofes bestaan vaak uit 4 regels en de laatste twee strofes bestaan vaak uit een regel minder. De onderwerpen van de gedichten van Nijhoff zijn vaak hetzelfde. De volgende thema’s komen vaak voor; het verlangen, godsdienst en met liefde en eerbied terugzien op zijn moeder.



(bron: http://huiswerk.scholieren.com/uittreksels/view.php3?id=1920 en het ‘Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1957-1958’, pag. 70-81)


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Zou je mij misschien de analyse van het gedicht van Simon Vestdijk kunnen opsturen als je het nog hebt.

Alvast bedankt voor je hulp
ik waardeer het echt

16 jaar geleden