Gedicht 1: Changement de decor – Ellen Warmond
Zodra de dag als een dreigbrief
In mijn kamer wordt geschoven,
Worden de rode zegels van de droom
Door snelle messen zonlicht losgebroken.
Huizen slaan traag hun bittere ogen op
En sterren vallen doodsbleek uit hun banen.
Terwijl de zwijgende schildwachten,
Nachtdroom en dagdroom, haastig
Elkaar hun plaatsen afstaan,
Legt het vuurpeloton van de twaalf
Nieuwe uren bedaard op mij aan.

Parafrase:

De ik-figuur wordt wakker van het zonlicht in de kamer.
Er breekt een nieuwe dag aan.
Men komt weer tot leven.

Strofenbouw:

De eerste strofe is een kwatrijn.
De tweede strofe is een distichon.
De derde strofe is een kwintet.

Rijm/ rijmschema:

- Alliteratie:
dag als dreigbrief
snelle messen zonlicht
- Klinkerrijm:
Geschoven/ losgebroken
Haastig/ twaalf

Modern/ traditioneel gedicht:

Dit is een modern gedicht, want er zit geen eindrijm in wat wel vaak voorkomt bij traditionele gedichten. In dit gedicht zit ook geen vaste rijmvolgorde wat ook een kenmerk is van een modern gedicht. Ook heeft het geen vaste regellengte en is er geen rijm aanwezig.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

Er is in dit gedicht spraak van Metafora.
‘Zodra de dag als een dreigbrief’ = vergelijking met verbindingswoord.
‘De rode zegels van de droom’ = metafoor
‘Door snelle messen zonlicht’ = metafoor
‘Huizen slaan traag hun bittere ogen op’ = personificatie
‘Doodsbleek’ = personificatie
‘de zwijgende schildwachten, nachtdroom en dagdroom’ = vergelijking zonder verbindingswoord
‘het vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren’ = metafoor

Interpretatie:

De ik-figuur heeft er een hekel aan om te staan. Hij lijdt aan levensmoeheid (depressief). Zie dreigbrief, snelle messen en vuurpeloton.

Gedicht 2: Wolken – Martinus Nijhoff

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Languit met mijn moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En mijn moeder vroeg wat ik in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en eenden,
Daar gaat een dame, schapen en een herder
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat mij moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing.
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst mij wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom mijn moeder schreide.

Parafrase:

Het gaat over een jongetje dat met zijn moeder in de wei ligt en samen kijken ze naar de wolken. Ze kijken wat je allemaal in de wolken ziet. De wolken dreven verder. Moeder moest huilen.
Toen was de jongen een puber en keek niet meer naar boven, naar de dingen die je in de wolken kon zien.
Nu is de jongen zelf groot en heeft nu zelf een zoontje waarmee hij kijkt naar de figuren die je in de wolken ziet. Hij moet nu zelf huilen en snapt nu ook waarom zijn moeder vroeger huilde toen ze naast hem in de wei lag.

Strofenbouw:

Alle vier de strofen zijn kwatrijnen.

Rijm/ rijmschema:

- Alliteratie:
Kleine kleren
Met moeder
Wonderen werden woord
Vlucht van ’t vreemde ding

- Eindrijm:
1. ABBA lag – hei – voorbij - zag
2. CDDC eenden – herder – verder - weende
3. EFFE keek – hing – ding - streek
4. GHHG heide – ziet – verschiet – schreide
Alle rijm is omarmend.

Modern/ traditioneel gedicht:

Dit is een traditioneel gedicht. Het heeft namelijk een vaste rijmvolgorde en regellengte.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

Er zijn in dit gedicht wel een paar vormen van beeldspraak of stijlmiddelen gebruikt. Er is hier sprake van metafora.
‘De wond’ren werden woord en dreven verder’ = metafoor
‘Ik greep niet naar de vlucht van het vreemde ding’= metafoor
‘Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek’ = metafoor
De volta ligt tussen de 2e en 3e strofe. Hier kwam de tijd dat hij zelf met zijn kind naar de wolken keek.

Interpretatie:

De ik-figuur keek vroeger met zijn moeder in de wolken en zag zijn moeder met een glimlach huilen. Zij wist dat er een tijd zou komen met problemen. Toen kwam de tijd dat hij niet meer in de wolken keek. Namelijk de puberteit. Een tijd vol problemen. Nu ligt zijn eigen zoon naast hem om met hem in de wolken te kijken. Nu huilt hij zelf omdat hij weet waarom zijn moeder huilde.

Gedicht 3: De idioot in bad – M. Vasalis

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbehulpenaan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot in bad.
De damp. Die van het warme water slaat,
Maakt hem geruster: witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.
De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als ij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden
Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.
Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.
En elke keer dat hij uit bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.
En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

Parafrase:

Een jongen die niet geestelijk rijp is word elke week in bad geholpen door een zuster. Van het water wordt hij rustig en kalm. Hij vindt het verschrikkelijk weer uit bad te moeten.

Strofenbouw:

Alle strofen zijn kwatrijnen.
Rijm/ rijmschema:

- Alliteratie:
Warme water
Bleke bloemen
- Eindrijm:
1. ABAB ogen – mat – gebogen – bad
2. CDCD slaat – stoom – afgaat - droom
3. EFFE glijden – borst – dorst - verblijden
4. GHGH geworden – bloemen – verdorden - opdoemen
5. IJIJ ongeboren – rijpen – verloren - begrijpen
6. KLKL wordt – drooggewreven – gesjord - even
7. ILIL geboren – leven – beschoren – gebleven.
Alle strofes zijn gekruist behalve strofe 3.

Modern/ traditioneel gedicht:

Dit is een traditioneel gedicht. Er zit namelijk een vaste rijmvolgorde en regellengte in.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

In dit gedicht is sprake van metafora.
‘witte stoom’ = synesthesie
‘om zijn mond gloort langzaam aan’ = metafoor
‘zorgelijk gezicht is leeg’ = personificatie
‘is in dit groene water’ = synesthesie
‘het lot beschoren’ = metafoor
De volta ligt tussen de vijfde en zesde strofe, want hier wordt hij uit bad gehaald en voelt hij zich niet meer veilig.

Interpretatie:

De idioot is bang, zijn motoriek + ritme zijn niet goed. Afhankelijk v/d zuster gaat hij in bad. Hij voelt zich vrij in bad. Hij voelt zich daar veilig. Het water is vruchtwater. Hij voelt zich als een baby in het water. Hij wordt mooier in het water. Hij houdt er niet van om uit bad gehaald te worden. Daar voelt hij zich niet veilig bij.

Gedicht 4: Komaf – Gerrit Achterberg

Vertoeven in de familie voor een keer
We zitten om de tafel bij elkaar
Hetzelfde woordgebruik en handgebaar
Komen nog altijd op hetzelfde neer
Ik mag wel oppassen of ik ben alweer
Geworteld en voortdurend in gevaar
Dupe te worden van de evenaar
Die alles afweegt op een vast weleer
Ik wil niet meer. Het is te veel verzuurd.
De wereld schoof zich tussen toen en nu
Zo luchtig moegelijk ga ik vertrekken
Om niet voortijdig argwaan te wekken
Zeg ik in ’t dode idioom aju
En fiets hermetisch door de strenge buurt.

Parafrase:

De ik-figuur gaat weer eens bij zijn familie langs.

Strofenbouw:

Het gedicht is een sonnet. De eerste strofe is een kwatrijn. De tweede is ook een kwatrijn. De derde strofe is een terzet en de vierde strofe is ook een terzet.

Rijm/ rijmschema:

- Eindrijm:
1.ABBA keer – elkaar – handgebaar – neer omarmend
2.ABBA alweer – gevaar – evenaar – weleer omarmend
3.CDE verzuurd – nu - vertrekken
4.EDC wekken – aju – buurt
De volta ligt tussen strofe 2 en 3. Hij zegt: “Ik wil niet meer”

Modern/ traditioneel gedicht:

Het is een traditioneel gedicht, want er zit een vaste regellengte en rijmvolgorde in.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

In dit gedicht wordt niet veel gebruik gemaakt van beeldspraak of stijlmiddelen. Het zijn er wel een paar. Er is in dit gedicht sprak van metafora.
‘de wereld schoof zich tussen toen en nu’ = metafoor
‘zeg ik in het dode idioom aju’ = personificatie
Er is sprake van een tegenstelling in de derde strofe: verzuurde – luchtig en toen – nu.

Interpretatie:

In het begin van het gedicht moet hij oppassen dat hij niet meer muurvast komt te zitten in het geloof . Dan wordt er weer gekeken of de 10 geboden nageleefd worden. Hij wil dat niet meer. Hij heeft namelijk andere mensen leren kennen. Hij de wereld verkent en heeft nu andere denkbeelden als zijn ouders. Om dat niet te laten merken dat hij niet meer geloofd zegt hij zijn ouders taal aju. Zonder iets op hem in te laten werken rijd hij door zijn oude buurt. Hij wil er niks meer van weten.

Gedicht 5: Voor wie dit leest – Leo Vroman

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
Maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
Mijn hete hand uit dit papier steken;
Wat kan ik doen? Ik kan u niet bereiken.
O, als ik troosten kin, dan kon ik wenen
Kom leg uw hand op dit papier: mijn huid
Verzacht het vreemde door de druk verstenen
Van het geschreven woord, of spreek het uit.
Menig verzen heb ik al geschreven,
Ben menigen een vreemdeling gebleven
En wien ik griefde weet ik niks te geven:
Liefde is het enige
Liefde is het meestal ook geweest
Die mij het potlood in de hand bewoog
Tot ik mij slapende voorover boog
Over de woorden die gij wakkerleest
Ik zou wel onder deze bladzijde willen zijn
En door de letters heen van dit gedicht
Kijken in u lezende gezicht
En hunkeren naar het smelten van uw pijn.
Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
Zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven
En laat uw blik hun innigste niet raken,
Tenzij gij door liefde zijt gedreven.
Lees dit dan als een langverwachte brief
En wees gerust en vrees niet de gedacht
Dat u deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief

Parafrase:

Het is een brief van de schrijver aan de lezer. Dat hij er goed over na denkt.

Strofenbouw:

Alle strofen zijn kwatrijnen.
Rijm/ rijmschema:

- Alliteratie:
Hete hand
- Eindrijm:
1. ABBA kijken – spreken – steken - bereiken omarmend
2. CDCD wenen – huid – verstenen – uit gekruist
3. EFFE geschreven – gebleven – geven – enige omarmend
4. GGGH geweest – bewoog – boog – wakkerleest gekruisd
5. IJJI zijn – gedicht – gezicht – pijn omarmend
6. KEKE ontwaken – vergeven – raken – gedreven gekruist
7. LMNL brief – gedachte – gekust – lief omarmend

Modern/ traditioneel gedicht:

Dit is een traditioneel gedicht, want er zit een vaste regellengte in en een vast rijmschema.

Beeldspraak/stijlmiddelen:

Er is hier sprake van metafora.
‘gedrukte letter’ = personificatie
‘kom leg u hand op dit papier: mijn huid’ = vergelijking
‘dit papier: mijn huid’ = personificatie
‘onder deze bladzijde zijn’ = personificatie
‘deze woorden ... hun naaktheid’ = personificatie

Interpretatie:

Je moet het als een langverwachte liefdesbrief opvatten. Hij probeert de lezers te bereiken. Hij schrijft alleen met liefde en goede bedoelingen en hij hoopt zo de lezers te bereiken.
Hij laat je nadenken over dit gedicht. Hij probeert het gedicht tot leven te wekken.

Gedicht 6: Een ander leven – Max Dendermonde:

Ik droomde vannacht sinds lange tijd van mollige Puck
Die als zo’en eeuwige tijd dood is en begraven
En onze dochter (te jong) nu ook; ze kwam vragen
Geheimzinnig helder, toch los en menselijk,
Of ik goed voor Liset had gezorgd al die jaren
Was het mij die zes en dertig zomers gelukt
Diep te begrijpen waar de moeilijkheden lagen?
Had ik me niet- schrijvend en reizend- te vaak uitgedrukt?
Boos riep ik: je hebt me vies in de steek gelaten
In dat rot jaar toen ik nog maar een jongen was
Het was jou kind ook. Ik miste je. Ik ben verraden
Je hebt nu, zei ze lachend, een andere slager
Melkboer, moed, bomen, vrouw, nageslacht, plicht en gras,
Begrijp je dat? Ik huilde schuldig, maar ontladen.

Parafrase:

Iemand droomde ’s nachts over mollige Puck, zijn overleden vrouw die al zo lang dood is. Ook zijn dochter is dood. Zijn vrouw vraagt hem in de droom of hij goed voor haar heeft gezorgd. Hij is boos op haar. Hij is een nieuw leven begonnen.

Strofenbouw:

De eerste twee strofen zijn kwatrijnen en de laatste twee terzetten.

Rijm/ rijmschema:

- eindrijm:
1. ABAB Puck – begraven – vragen – menselijk
2. CDDC jaren – gelukt – lagen - gedrukt
3. EFG gelaten – was - verraden
4. GFE slager – gras - ontladen
De volta ligt tussen strofe 3 en 4. Hier ligt het omkeerpunt schuld- berusting.

Modern/ traditioneel gedicht:

Het is een traditioneel gedicht, want er is een vaste strofenbouw, gelijke lengte versregels en vast rijmschema.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

Er is in dit gedicht sprake van metafora.
‘geheimzinnig helder, toch los en menselijk’ = vergelijking met verbindingswoord.
‘ik huilde schuldig, maar toch ontladen’ = synesthesie

Interpretatie:

Iemand is zijn vrouw verloren en is boos op haar dat ze hem in de steek heeft gelaten. Nou moest hij in z’n eentje zijn dochter opvoeden. Op het eind is hij zijn schuldgevoelens kwijt, want hij is een nieuw leven begonnen. Ik denk dat de schrijver duidelijk wil maken dat als je een heel dierbaar iemand bent verloren je toch weer verder moet gaan met je leven. Je kan je wel schuldig blijven voelen, maar sommige dingen moet je gewoon loslaten.

Gedicht 7: Broodje leed speciaal – Levi Weemoedt

Ik zit vaak op verlaten stadsstationnen
Met in me mond een beetje saucijzenbrood
Denk steed: Waarom ben ik de reis begonnen?
En eig’lijk, eig’lijk wil ik liever dood.
Maar dan begint de trein ineen te rijden
En schiet het zonlicht in mijn zwart gemoed,
Dat als een laser-straal ’t gezwel begint te snijden:
Wat smaakt het saucijzenbroodje goed!
En op het ritme van de ratelende slangen
Grijpt een geluksgevoel mijn oude jichtkast aan.
Een lied welt op in de krop: zal ik gaan vragen
Of ik heel even op de bank zou mogen staan?
Maar dan zie ‘k een overweg jouw wagen
En vliegt de rest van ’t broodje op de spoorwegbaan.

Parafrase:

Een depressief iemand zit een saucijzenbroodje te eten op het stadsstation.

Strofenbouw:

De eerste twee strofen zijn kwatrijnen en strofe 3,4 en 5 zijn disticha.

Rijm/ rijmschema:

- Alliteraties:
Zonlicht in mijn zwart gemoed
Smaakt dan het saucijzebroodje
Ritme van de ratelende slangen
Grijpt een geluksgevoel
- Eindrijm:
1. ABAB stadsstationnen – saucijzenbrood – begonnen - dood
2. CDCD rijden – gemoed – snijden - goed
3. EF slangen - aan
4. EF vragen - staan
5. EF wagen – spoorwegbaan
Strofe 1 en 2 zijn gekruist rijm.
Na de eerste strofe is er een wending. De 1e strofe is heel depressief, maar opeens dringt de zon door. Dit houdt weer op bij de laatste strofe. Daar wordt hij weer depressief.
Modern/ traditioneel gedicht:
Het is een traditioneel gedicht. Er is een vaste strofenbouw, gelijke regellengte en er is sprake van rijm.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

In dit gedicht is sprake van metafora.
‘schiet het zonlicht’ = metafoor
‘in mijn zwart gemoed’ = synesthesie
‘dat als een laser-straal’ = vergelijking met verbindingswoord
‘gezwel begint te snijden’ = metafoor
‘grijpt een geluksgevoel’ = personificatie
‘een lied welt op in de krop’ = metafoor

Interpretatie:

Het gedicht gaat over een depressief iemand. Hij eet een saucijzenbroodje op een stadsstation en wil zelfmoord plegen, opeens breek de zon door en voelt hij zich weer beter en zijn problemen weer wat minder. Hij wil een lied gaan zingen als hij opeens de wagen ziet van iemand waar hij niet aan wil herinnerd worden. Hij kan de problemen niet meer, ze worden hem teveel en hij pleegt zelfmoord.

Gedicht 8: ’n vonkje – Toon Hermans.

Ik ben veel meer dan Nederland,
Veel meer dan zon en maan.
Ik ben de zeeën en het strand,
Ik ben het ruisend graan.
Ik ben veel meer dan toen en nu,
Dan rijk of zwak of sterk.
Ik ben veel meer dan de kampioen,
Dan stad of kroeg of kerk.
Ik ben de boom de bloem de plant,
Veel meer dan stem of taal.
Ik ben veel meer dan Nederland,
Ik ben het allemaal.
Want alle leven dat er leeft,
Is meer dan uur of tijd.
Je proeft in al wat leven heeft
’n vonkje eeuwigheid.

Parafrase:

Het gaat erover dat iedereen meer is dan hij of zij denkt.

Strofenbouw:

Het zijn allemaal kwatrijnen.

Rijm/ rijmschema:

- Eindrijm:
1. ABAB Nederland – maan – strand - graan
2. CDCD toen – sterk – kampioen - kerk
3. AEAE plant – taal – Nederland - allemaal
4. FGFG leeft – tijd – heeft – eeuwigheid.
Bij alle vier de strofen is sprake van gekruist rijm.

Modern/ traditioneel gedicht:

Het is een traditioneel gedicht, want het heeft een gelijke regellengte en er komt rijm in voor.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

In dit gedicht is niet veel gebruik gemaakt van beeldspraak of stijlmiddelen.
Er worden wel veel vergelijkingen gemaakt. Hij zegt steeds: ‘ik ben’
Er is ook nog sprake van metafora.
‘proeft een vonkje eeuwigheid’ = synesthesie
Dit was eigenlijk het enige wat je over beeldspraak of stijlmiddelen kon zeggen.

Interpretatie:

Hij wil met dit gedicht laten zien dat iedereen meer is dan hij of zij denkt. Dat ze het beste uit hun zelf moeten halen.
Gedicht 9: De laatste brief – Bertus Aafjes

De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas
Hij droomde lachend dat het vrede was
Omdat in zijn droom een klok ging luiden
Er viel een vogel die geen vogel was
Niet ver van hem tussen de kruiden
En hij werd niet meer wakker want het gras
Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde
Het regende en woei. Toen het herbegon
Achter de grijze lijn der horizon
Het bulderen – goedmoedig – der kannonnen
Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef
Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef
Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.

Parafrase:

Het gaat over een soldaat die op zijn overjas ligt te slapen. Hij droomt over vrede. De soldaat wordt niet meer wakker. Hij was dood.

Strofenbouw:

De eerste twee strofen zijn kwatrijnen en de laatste twee strofen zijn terzets.

Rijm/ rijmschema:

- eindrijm:
1. ABAB geluiden – overjas – was – luiden omarmend
2. BABA was – kruiden – gras – beduidde gekruist
3. CCD herbegon – horizon – kannonnen gepaard
4. EED bleef – schreef – begonnen gepaard
De volta ligt tussen de tweede en derde strofe, er staat ‘toen herbegon’.

Modern/traditioneel gedicht:

Het is een traditioneel gedicht, want het heeft een vaste strofenbouw, gelijke regellengte en er is sprake van rijm.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

Er is in dit gedicht sprake van metafora.
‘De wereld scheen vol lichtere geluiden’ = metafoor
‘een vogel die geen vogel was’ = metafoor
‘uit zijn jas bevrijdde zich het laatste wat hij schreef’ = metafoor
‘bulderen der kanonnen’ = synesthesie

Interpretatie:

Het gedicht gaat over een soldaat die droomt over vrede terwijl het oorlog is. Hij gaat dood met het idee dat hij in vrede leefde voordat hij dood ging. Daarom schrijft hij ook aan zijn vrouw:’liefste de oorlog is nog niet begonnen’.

Gedicht 10: Zwart – Martien Rijlaarsdam

Een vrouw in de trein,
bleek een racist te zijn.
Ze maakte een neger,
uit voor straatveger.
De zwarte heer in de trein,
bleek een humorist te zijn.
Hij at zonder berouw,
’t kaartje van mevrouw.
De conducteur in de trein,
bleek meedogenloos te zijn.
De vrouw werd zwartrijden verweten,
en ze werd de trein uitgesmeten.

Parafrase:

Een vrouw scheldt een man uit voor straatveger. Deze eet haar kaartje op en vervolgens rijdt de vrouw zwart, omdat ze geen kaartje meer heeft. Ze wordt vervolgens door de conducteur de trein uit gesmeten.

Strofenbouw:

Alle drie de strofen zijn kwatrijnen.

Rijm/ rijmschema:

- eindrijm:
1. AABB trein – zijn – neger - straatveger
2. AACC trein – zijn – berouw - mevrouw
3. AADD trein – zijn – verweten - uitgesmeten
Alle drie de strofen zijn gepaard rijm.
Modern/ traditioneel gedicht:

Het is een traditioneel gedicht, want het heeft een vaste strofenbouw, gelijke regellengte en er is sprake van rijm.

Beeldspraak/ stijlmiddelen:

In dit gedicht komen geen beeldspraak of stijlmiddelen voor. Wel een woordspeling namelijk ‘zwart rijden’. De vrouw beschuldigt de neger dat hij zwart is en de vrouw rijdt zwart doordat ze geen kaartje heeft.
Interpretatie:

Ik denk dat de schrijver wil laten zien dat iedereen gelijk is, want de neger wordt uitgescholden voor straatveger omdat hij zwart is en de vrouw rijdt zwart doordat de meneer haar kaartje heeft opgegeten. Dus zijn ze eigenlijk gelijk. Ze zijn alletwee zwart.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

handig

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

bere handig als je een opdracht hebt voor Nederlands Bedankt :)

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

".

".

gedicht max dendermonde.
geen fout, maar een aanvulling.
max dendermomde (pseudoniem voor Henk hazelhof) was getrouwd met Puck die bij de bevalling van hun dochter Lisette overleed of vlak erna. Ik heb bij haar in de klas gezeten. Ze was een vroegrijp kind dat met een overdosis van een balkon is gesprongen toen ze een jaar of dertig was. dat werpt misschien een helderder licht op dit gedicht..... haar vader leefde toen nog,. hij was alcoholist en vertrok tijdens haar leven naar de USA.

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast