Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

De effectenbeurs

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 6e klas vwo | 5456 woorden
  • 8 augustus 2010
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
M&O
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

1. Wat is een effectenbeurs?

1.1 de effectenbeurs
Ieder bedrijf dat wordt opgericht heeft aandelen. Aandelen vertegenwoordigen een stukje kapitaal van het bedrijf. Als een groeiend bedrijf kapitaal nodig heeft kan het ervoor kiezen naar de effectenbeurs te gaan om daar haar aandelen te koop aan te bieden. Op een effectenbeurs wordt geld geïnvesteerd met als doel winst te behalen (beleggen). Het geld wordt geïnvesteerd in waardepapieren (effecten) die op de beurs verhandeld worden. De effectenbeurs maakt daarnaast uitgifte van nieuwe effecten mogelijk en regelt de uitkering van bijvoorbeeld dividend. De handel in effecten is alleen mogelijk als deze genoteerd staan aan een bepaalde beurs. Effectenbeurzen organiseren de openbare kapitaalmarkt, hierin worden 2 markten onderscheiden:
• primaire markt: economische spelers (ondernemingen, gemeenschappen en de Staat) de mogelijkheid bieden op grote schaal kapitaal te verwerven door uitgifte van nieuwe effecten.
• secundaire markt: beleggers de mogelijkheid bieden hun spaargeld te laten renderen door roerende waarden (effecten) te kopen en verkopen.
Aandeelhouders bezitten een deel van de activa van de onderneming en de opbrengsten die de activa genereren. De beurskoers van het aandeel stijgt als het bedrijf meer winst maakt en dit investeert in nieuwe activa die op hun beurt weer nieuwe winst opbrengen.
rendement = de opbrengst van een investering of belegging over een bepaalde periode
uitgedrukt in een percentage van de daarvoor gemaakte kosten.
beurswaarde van een bedrijf = aantal uitgegeven aandelen x koers per aandeel
1.2 geschiedenis van effectenhandel
Op 27 september 1606 werd het eerste aandeel ter wereld uitgegeven op het Damrak in Amsterdam. De VOC verkocht dit aandeel omdat het geld nodig had om haar handel met Azië te kunnen financieren. In 1611 werd het eerste beursgebouw ter wereld geopend. Door de groei van de effectenhandel ontstond er een behoefte aan regulering. De Amsterdamse Vereniging voor Effectenhandel werd hiertoe opgericht. Wie wilde handelen op de beurs moest eerst lid van de vereniging worden. In 1912 verhuisde de Amsterdamse effectenbeurs naar haar huidige locatie op het Beursplein. Het zou nog enkele decennia duren voordat de effectenbeurs aan haar wereldwijde opmars begon. Voor de jaren ’70 leenden bedrijven hun geld voornamelijk bij banken. Vanaf de jaren ’70 veranderde dit, grote multinationals richtten eigen interne banken op om hun filialen te controleren en de interne koop en verkoop te organiseren. In de jaren ’80 vond een technologische revolutie plaats. Informatisering en automatisering van productieprocessen maakten belangrijke investeringen nodig. Om de banken te omzeilen kozen grote bedrijven ervoor naar de beurs te gaan om hun kapitaal te verhogen door het uitschrijven van nieuwe aandelen. Steeds meer producten werden op de beurs verhandeld. Gespecialiseerde termijnmarkten, voor bijvoorbeeld grondstoffen en voedselproducten, werden opgericht. Tussen 1985 en 1999 kende de effectenbeurs haar grote opgang.
De eerste opties werden in 1978 verhandeld en 5 jaar later werd de AEX opgericht. In 2000 fuseerde de Amsterdamse effectenbeurs met die van Brussel en Parijs, in 2002 kwam daar de beurs van Lissabon bij. Zij zijn samen verder gegaan onder de naam Euronext n.v. In augustus 2009 telde de wereld 106 effectenbeurzen, over alle continenten verspreid. Vroeger waren effectenbeurzen concrete markten waar vraag en aanbod elkaar fysiek ontmoetten. Tegenwoordig worden de meeste effecten in de westerse wereld via elektronische netwerken verhandeld.
In Nederland worden de 25 meest actief verhandelde aandelenfondsen opgenomen in de AEX-index en de 22 daaropvolgende fondsen in de AMX-index (midcap-fondsen).
2. Welke producten worden op de effectenbeurs verhandeld?
De voornaamste producten die op de beurs worden verhandeld zijn:
2.1 aandelen
2.2 obligaties
Om een zo hoog mogelijk rendement te kunnen behalen kiezen veel beleggers er ook voor om afgeleide beleggingsinstrumenten in te zetten, dit worden derivaten genoemd:
2.3 opties
2.4 warrants
2.5 futures

2.1 aandelen
Een aandeel is een eigendomsbewijs van een fractie van het kapitaal van een onderneming. De aandelen van een onderneming zijn verdeeld onder de aandeelhouders (vennoten) die daar een bedrag voor hebben betaald. Al de ingebrachte sommen vormen samen het maatschappelijk kapitaal. De ontwikkeling van de aandelenwaarde hangt sterk samen met de toekomstverwachtingen en bedrijfsresultaten.
Als een bedrijf winst maakt keert zij meestal een deel hiervan uit aan de aandeelhouders. Deze winst wordt dividend genoemd, afgeleid van het Latijnse woord ‘dividere’ wat verdelen betekent. Een ander gedeelte van de winst gebruikt de onderneming als reserve of om te investeren. Er zijn 3 manieren waarop een onderneming dividend aan de aandeelhouders kan uitkeren:
• cashdividend: aandeelhouder krijgt bedrag per aandeel uitgekeerd.
• stockdividend: aandeelhouder krijgt het dividend uitgekeerd in aandelen.
• keuzedividend: aandeelhouder heeft de keuze tussen dividend uitgekeerd in aandelen of in geld. Bij het stockdividend is het bedrag dan vaak iets lager dan het gewone dividend omdat over het stockdividend geen belasting hoeft te worden afgedragen door de aandeelhouder.
• slotdividend: de hoogte van het dividend wordt vastgesteld op het einde van het boekjaar.
• interim-dividend: tussentijdse dividenduitkering naar schatting eindbalans.
Op 2 manieren kunnen aandeelhouders rendement behalen op hun aandelen:
• koersrendement: koersstijging van het aandeel.
• dividendrendement: uitkering van een deel van de winst.
Volgens het statuut hebben aandeelhouders van een beursgenoteerde onderneming:
• recht op informatie: inzagerecht in het beheer van de onderneming.
• recht op dividend
• recht om te verkopen
• stemrecht: medezeggenschap in de onderneming. Normaliter vertegenwoordigt elk aandeel één stem tijdens de jaarlijkse Algemene Vergadering van Aandeelhouders, de AVA. Bij stemming over een voorstel geldt de regel dat de meeste stemmen gelden. Voorbeelden van onderwerpen waarover gestemd kan worden zijn de uitkering van dividend, wijziging van de statuten van het bedrijf, het vaststellen van het jaarverslag, een fusie of overname.
Een beursgenoteerd bedrijf wordt als rechtspersoon beschouwd en heeft dus alle activa zelf in het bezit. Iemand met 51% van de aandelen in het bezit heeft dus niet alle rechten. Zo mag hij geen gebruik maken van het gebouw, de uitrusting, de materialen of ander bezit. Het bedrijf is rechtspersoon zodat op belangrijke gebieden als verzekeringen niet de grootste aandeelhouder maar het bedrijf de polissen op haar naam heeft.
Er bestaan twee vormen van aandelen:
• op naam: in het register der aandeelhouders van de onderneming staat de identiteit van de aandeelhouder genoteerd.
• aan toonder: de meest voorkomende vorm. De aandelen zijn het eigendom van de persoon die ze in het bezit heeft, zijn identiteit is niet bekend bij de onderneming. Deze aandelen zijn makkelijker verhandelbaar. Er zijn 3 soorten aandelen aan toonder:
- K-stukken: klassieke stukken bestaande uit een mantel en dividendblad. De mantel is het aandeel zelf, het dividendblad bestaat uit genummerde dividendbewijzen. Bij uitkering knipt de aandeelhouder het juiste dividendbewijs af en geeft hem af bij de bank. Dit systeem wordt nog maar zelden toegepast.
- CF-stukken: alleen een mantel. Het Centrum voor Fondsenadministratie houdt bij op welk dividendnummer dividend wordt uitgekeerd. De bank beheert de stukken en keert het dividend automatisch uit. Wil de aandeelhouder de stukken toch hebben dan moet hij deze ruilen voor een K-stuk bij het ruildepot. Ook dit systeem is af aan het nemen sinds het Necigef (Nederlands Centraal Instituut voor Giraal effectenverkeer B.V.) in 1977 werd opgericht. De meeste stukken liggen daar in een kluis opgeslagen en de overboekingen vinden nu plaats zonder verplaatsing van de stukken.
- global notes: meerdere aandelen op één verzamelbewijs.
Er bestaan verschillende soorten aandelen:
• cyclische aandelen: aandelen die gevoelig zijn voor economische ontwikkelingen en conjunctuur, bijvoorbeeld aandelen in staalfondsen.
• defensieve aandelen: aandelen die minder gevoelig zijn voor economische ontwikkelingen of conjunctuur, bijvoorbeeld aandelen in voedingsfondsen.
• preferente aandelen: naast het uitgeven van gewone aandelen kan een onderneming ervoor kiezen preferente aandelen uit te geven. Dit zijn effecten met een bijkomend voordeel. Preferente aandelen komen als eerste aan bod bij een dividenduitkering en bij de vereffening van het bedrijf.
• klassen aandelen: bedrijven die het stemrecht bij een selecte groep aandeelhouders willen houden brengen een klassenonderscheid aan in hun aandelen. Per klasse vertegenwoordigen de aandelen een andere stemmenwaarde. Het ene aandeel telt bijvoorbeeld als 1 stem terwijl het andere aandeel als 10 stemmen telt. Meestal spreekt men van klasse A en B aandelen.
• prioriteitsaandelen: de onderneming of het bestuur houdt deze aandelen zelf omdat ze een grotere zeggenschap geven dan gewone aandelen. De houders van de prioriteitsaandelen kunnen bijvoorbeeld nieuwe bestuursleden benoemen.
2.2 obligaties
Wanneer een onderneming of instelling vreemd vermogen wil aantrekken en dit geld opsplitst in delen spreekt men van obligaties. Een obligatie is een roerende waarde die verhandeld kan worden op de beurs. Een obligatiehouder bezit dus een schuldverordening op de uitgever (emittent).
Ook de obligatiehouder beschikt over een aantal rechten:
• recht op terugbetaling: volgens voorwaarden en een vooraf gestelde termijn.
• recht om vergoeding te ontvangen: een coupon of interest.
• recht op informatie
Een obligatie bestaat hoofdzakelijk uit een:
• mantel: vertegenwoordigt het kapitaal dat op vertoon hiervan op de vervaldatum wordt terugbetaald.
• couponblad: geeft recht op de uitkering van interesten, elk jaar kan de obligatiehouder de coupon van het betreffende jaar losscheuren en verzilveren.
Obligaties kunnen worden onderverdeeld op waarborg:
• gewone obligaties: houder is een gewone schuldeiser, als het bedrijf in vereffening gaat komen eerst de bevoorrechte schuldeisers aan bod.
• bevoorrechte obligaties: de terugbetaling van kapitaal en interest wordt gewaarborgd door bepaalde activa van de onderneming. Dit biedt meer zekerheid want bevoorrechte obligatiehouders worden als eerste uitbetaald als een bedrijf in vereffening gaat.
• achtergestelde obligaties: eerst worden de bevoorrechte en gewone obligaties vergoed, daarna pas de achtergestelde obligaties.
• hypothecaire obligaties: worden gewaarborgd door de vestiging van een hypotheek op (één van) de gebouwen van de onderneming. De houders zijn bevoorrechte schuldeisers.
Obligaties kunnen worden onderverdeeld op rendement:
• nulcouponobligaties: tijdens de gehele levensduur van de obligatie worden geen interesten uitgekeerd. De interesten worden gekapitaliseerd zodat ze zelf ook interesten op kunnen leveren. Pas op het einde van de looptijd worden de interesten uitgekeerd.
• klassieke obligatie: vastrentend. De looptijd en de rente worden bij uitgifte bepaald en blijven de gehele levensduur onveranderd.
• obligaties met variabele rente
Obligaties kunnen worden onderverdeeld op terugbetaling:
• terugbetaling op vervaldag: de levensduur van obligaties varieert van 1 tot 30 jaar, de houder is zeker van een vaste rente gedurende de looptijd. Het zijn vooral kortlopende obligaties die worden terugbetaald op de vervaldag.
• obligaties met vervroegde terugbetaling: lange looptijd met verplichte of optionele terugbetaling. Deze obligatie is in schijven terugbetaalbaar.
• obligaties met verplichte aflossing: de emittent moet een amortisatiefonds oprichten die de terugbetaling waarborgt. Het fonds betaalt zowel de interesten als de aflossingen en wordt gevormd door een deel van de inkomsten van de onderneming.
• obligaties met facultatieve aflossing: geen verplichting maar een optie, de voorwaarden worden bij de uitgifte (emissie) van de obligatie vastgesteld. Zowel de emittent als de obligatiehouder kunnen de terugbetaling vragen.
• converteerbare obligaties: de obligatiehouder heeft de mogelijkheid terugbetaald te worden in aandelen van het bedrijf in plaats van in geld. De aandelenkoers is in de keuze doorslaggevend.
- verplicht converteerbare obligatie: de obligatiehouder wordt geen keuze geboden, op de vervaldag wordt uitbetaald in aandelen. De voorwaarden worden duidelijk vermeld bij emissie.
- omgekeerd converteerbare obligatie: het bedrijf heeft de keuze. Bij een koersdaling van de aandelen zal de uitbetaling geschieden in aandelen.
Er bestaan twee vormen van terugbetaling:
• lottrekking: de nummers van de getrokken obligaties worden dat jaar terugbetaald.
• terugverkoop: het bedrijf koopt de uitstaande obligaties terug via de beurs. Zij kan hiervoor kiezen als de rente is gestegen, op deze manier kan de betaling van dure interesten worden vermeden.
2.3 opties
Opties zijn het recht, maar niet de plicht, om iets te kopen of verkopen. Met opties kan worden geprofiteerd van verdere waardestijgingen terwijl de reeds gemaakte winst wordt veilig gesteld. Er zijn twee soorten opties:
• putopties: het afdekken van risico’s door het verzekeren van aandelen. Hiervoor moet een premie worden betaald. Putopties geven het recht om de aandelen tegen een voorafgestelde prijs te verkopen als de koers daalt.
• callopties: het recht om aandelen gedurende een afgesproken tijd te kopen tegen een vooraf overeengekomen prijs.
Opties worden altijd geschreven over 100 onderliggende aandelen.
2.4 warrants
Warrants zijn vergelijkbaar met opties; ze geven het recht op de aankoop van aandelen tegen een vastgestelde prijs gedurende een vooraf bepaalde tijd. Er bestaan callwarrants en putwarrants. Warrants verschillen van opties op een aantal punten:
• warrants worden uitgegeven door ondernemingen,
• warrants hebben een langere looptijd dan opties,
• nieuwe aandelen worden uitgegeven als de warranthouder om levering vraagt terwijl callopties altijd over reeds bestaande aandelen gaan.
Het aandelenkapitaal van een onderneming wordt hiermee dus vergroot. Voor beleggers kan dit nadelig zijn want meer aandelen betekent minder winst per aandeel.
2.5 futures
Een future is een financieel termijncontract. De waarde waarop een future is gebaseerd noemt men de onderliggende waarde. In een future kun je long gaan (kopen) en short gaan (verkopen). De koper van een future heeft als plicht de onderliggende waarde te kopen en de verkoper heeft als plicht de onderliggende waarde te leveren. Het grote verschil met een optie is dus dat een future geen recht maar de plicht geeft te kopen of verkopen. Er zijn futures op:
• aandelen
• valuta
• indices: indexfutures zoals de AEX.
(de bovenstaande drie futures worden ook wel financiële futures genoemd)
• agrarische producten
3. Hoe komt effectenhandel tot stand?

3.1 emissie
Als een vennootschap behoefte heeft aan geld kan het ervoor kiezen vreemd vermogen of eigen vermogen aan te trekken. Het aantrekken van vreemd vermogen, zoals het afsluiten van een obligatielening of bankkrediet, heeft wat nadelen. De schuld moet worden terugbetaald en er wordt rente over geheven. Door aandelen uit te geven kan de vennootschap eigen vermogen aantrekken. Dit hoeft niet te worden terugbetaald, blijft ter beschikking van het vennootschap en of er dividend wordt uitbetaald hangt af van de bedrijfsresultaten. De uitgifte van nieuwe aandelen noemt men emissie of IPO (Initial Public Offering). De prijs van de eerste aandelen wordt bepaald door de bedrijfswaarde:
totale bedrijfswaarde ÷ aantal aandelen = prijs/uitgifte-/emissiekoers van 1 aandeel
Een andere mogelijkheid is dat een onderneming ervoor kiest de reeds bestaande aandelen naar de beurs te brengen. Een voorbeeld hiervan is het staatsbedrijf DSM die in 1989 privatiseerde en haar aandelen een officiële beursnotatie gaf. Men noemt dit introductie of going public. Een vennootschap kan hiervoor kiezen omdat:
• het zo betere toegang krijgt tot de vermogensmarkt en voor het aantrekken van vreemd vermogen niet langer is toegewezen op een beperkte kring van aandeelhouders;
• de officiële beursnotatie de naamsbekendheid en status verhoogd;
• het de mogelijkheid biedt managers aan te trekken buiten de kring van oprichters of oorspronkelijke aandeelhouders.
Maar er hangen ook een aantal nadelen aan:
• vaak moet de juridische structuur van de onderneming worden aangepast;
• de oorspronkelijke aandeelhouders moeten een deel van hun zeggenschap afstaan;
• de onderneming moet openbare verantwoording af gaan leggen zoals het jaarverslag.
Als een onderneming al deze voor- en nadelen tegen elkaar heeft afgewogen en het besluit neemt naar de beurs te gaan dient het eerst een prospectus uit te brengen. Door deze prospectus moeten de mogelijke kopers van de aandelen een goed oordeel kunnen vormen over de onderneming. Deze prospectus is wettelijk verplicht, moet worden goedgekeurd door de AFM (Autoriteit Financiële Markten) en dient te zijn voorzien van de volgende gegevens:
• procedure bij inschrijving;
• risicofactoren;
• aantal uit te brengen aandelen;
• welk soort aandelen worden uitgebracht;
• nominale waarde van de aandelen;
• inschrijvings- en stortingsdatum;
• structuur van de onderneming;
• doel van de emissie;
• financiële bedrijfsgegevens van de afgelopen jaren;
• bedrijfsverwachtingen.
De emissie wordt uiteindelijk uitgevoerd door de onderneming zelf, een bank of een syndicaat van banken. Als een emissiebank de effecten van de onderneming koopt neemt hij daarmee het plaatsingsrisico van de onderneming over. Een andere mogelijkheid is dat de bank alleen een guichet (loket) aanbiedt waardoor het plaatsingsrisico bij de onderneming blijft. De emissiebank verleent daarnaast juridisch advies over bijvoorbeeld aanpassing van de rechtsvorm, een due diligence onderzoek waarin zij de kwaliteit van de onderneming beoordeelt en het introductiebericht. Voordat de nieuwe effecten definitief verhandeld worden op de beurs vindt er een inschrijvingsperiode plaats. De emissiebank schat een bandbreedte waartussen de emissiekoers komt te liggen, pas op de eerste handelsdag wordt de definitieve koers bekend gemaakt. Het inschrijven op een emissie kan gunstig zijn omdat er meestal geen aankoopkosten over de effecten hoeven te worden betaald en het aandeel al op de eerste beursdag een koersstijging kan maken. Op de eerste beursdag worden alle verzoeken tot aankoop bij elkaar opgeteld en evenredig verdeeld. De onderneming meldt dan aan elke belegger hoeveel aandelen hij kan kopen.
3.2 orders
Als men een beursorder wilt plaatsen dan moet deze de volgende gegevens bevatten:
• doel:
- primaire markt: inschrijforder of terugbetalingsorder.
- secundaire markt: kooporder of verkooporder.
• hoeveelheid aan producten: in aantallen of het bruto nominaal bedrag.
• identificatiecode: de internationaal meest gebruikte code is de ISIN-code beginnend met 2 letters die het land van herkomst aanduiden, gevolgd door een nationale code van 9 letters en cijfers en afsluitend met 1 cijfer die als controlecode dient.
• geldigheid: tot wanneer de order geldig is, variërend van 1 tot 365 dagen.
Er kunnen 4 soorten beursorders worden geplaatst:
• ongelimiteerde beursorder:
- order tegen elke prijs: de order zal zo snel mogelijk worden uitgevoerd ongeacht de prijs. De producten zullen zo nodig worden aangeschaft tegen een andere prijs zo lang de hoeveelheid maar geleverd wordt.
- order tegen de koers (marktorder/bestens order): ook deze order zal zo snel mogelijk worden uitgevoerd ongeacht de prijs. Maar de producten zullen alleen gekocht worden voor de eerste prijs, wat niet geleverd kan worden voor dezelfde prijs zal automatisch worden omgezet naar een limietorder.
• gelimiteerde beursorder (limietorder): de order zal niet voor minder dan de gestelde prijslimiet verkocht worden of voor meer dan de gestelde prijslimiet gekocht worden. Als hieraan niet kan worden voldaan dan wordt de order overgebracht naar het orderboek waar alle niet uitgevoerde limietorders gerangschikt worden ondergebracht. Mocht er binnen de geldigheidsduur van de order alsnog een (ver)koper komen die aan de limiet voldoet en er geen jongere mogelijke orders meer openstaan dan wordt de order automatisch uitgevoerd. Terugbetalings- en inschrijvingsorders kunnen niet gelimiteerd worden.
• stop loss order: indien de koers tot een aangegeven waarde zakt zal de order automatisch worden uitgevoerd bij een kooporder. Bij een verkooporder zal de stop loss order pas worden uitgevoerd als de koers tot een bepaalde waarde is gestegen.
• stop limit order: dit is een limietorder die pas zal worden uitgevoerd als de koers tot een bepaalde waarde is gestegen of gedaald. Er wordt bijvoorbeeld een limietorder van 500 aandelen ABC geplaatst voor € 30 per stuk, de koers is nu € 25 maar de order mag pas de markt op als de koers op € 29 staat. Een reden hiervoor is dat het bijvoorbeeld voor de belegger pas zeker is dat het aandeel ABC echt stijgende is als hij die grens heeft bereikt.
3.3 het plaatsen van orders
Het handelen op de effectenbeurs gebeurt indirect, alleen erkende instanties mogen financiële transacties op de beurs uitvoeren. Het plaatsen van orders gaat via beursmakelaars (brokers), dit kunnen individuen of bedrijven zijn. Brokers nemen niet alleen opdrachten aan van particulieren maar ook van institutionele beleggers en andere beurspartijen. Nederlandse brokers staan onder toezicht van de AFM.
Er bestaan 2 soorten brokers:
• full service brokers: vragen hogere commissies maar bieden daarvoor meer diensten aan zoals beleggingsadvies en effectenonderzoek.
• discount brokers: vragen een lager tarief maar bieden geen extra diensten aan. Discount brokers voeren exact uit wat hen wordt opgedragen.
Het voordeel van handelen via brokers is dat zij emotielozer kunnen beleggen. Door het inschakelen van full service brokers wordt veel werk uit handen genomen en het risico beperkt.
Een andere manier om te participeren op de aandelenmarkt is deel te nemen in een beleggingsfonds. Particuliere beleggers proberen vaak een zo groot mogelijke diversiteit aan producten in hun portefeuille aan te brengen om zo het risico te kunnen spreiden. Voor wie niet de mogelijkheid of de tijd heeft een gespreide portefeuille op te bouwen is een beleggingsfonds een goede optie. Het beheer van dit fonds verzamelt al het ingelegde geld en belegt dit in verschillende effecten.
Veel fondsen spitsen zich toe op een bepaald thema:
• sector bijvoorbeeld bio-fondsen en IT-fondsen
• beleggingsproduct bijvoorbeeld obligatiefondsen en mix-fondsen
• werelddeel bijvoorbeeld Azië en Amerika
Er bestaan verschillende soorten beleggingsfondsen:
• open-end beleggingsfondsen: het aantal aandelen dat het fonds uitgeeft staat niet vast. Als er vraag is naar aandelen dan geeft het beheer extra aandelen uit en als er teveel aandelen worden aangeboden dan worden de aandelen weer teruggekocht. Op deze manier blijft de prijs van de aandelen altijd dichtbij de intrinsieke waarde van het fonds.
• closed-end beleggingsfondsen: het aantal aandelen staat vast. Als de vraag toeneemt dan stijgt de prijs per aandeel en als de vraag afneemt dan daalt de prijs.
• semi-open-end beleggingsfondsen: tussenvorm, het aantal uitgegeven aandelen staat niet vast maar het beheer is niet verplicht vraag en aanbod aan elkaar gelijk te houden.
• hedge fondsen: duurder en aan minder regulering onderworpen. Het doel van hedge fondsen is een zo hoog mogelijk rendement halen door het geld op zoveel mogelijk manieren te beleggen. Dit kan zijn door het handelen in aandelen en opties maar ook door het investeren in bedrijven. Niet alleen het geld dat binnenkomt van klanten wordt belegd maar ook het eigen kapitaal wordt belegd. Vaak worden daar nog eens leningen bij afgesloten.
waarde deelbewijs beleggingsfonds = Netto Inventariswaarde (NIW)
NIW = gemiddelde van de koersen van alle door in het fonds belegde producten
Het kopen van effecten brengt kosten met zich mee, een deel hiervan wordt al in de koers verwerkt:
• beheerkosten: worden betaald aan het beleggingsfonds om de gemaakte beleggingskosten te dekken, zoals transactiekosten en salarissen.
• service fee: wordt betaald aan het beleggingsfonds voor kosten anders dan beleggingen, zoals jaarvergaderingen en verslagen.
• spread: compensatie voor de market maker, verschil tussen bid en ask. Bid is de prijs die de bank biedt voor de aandelen, ask is de prijs die de bank vraagt voor aandelen. De bid is altijd lager als de ask.
Een ander deel van de kosten staan apart op de nota vermeld:
• transactiekosten: worden betaald bij de aan- en verkoop, verschillen per product en land.
• bewaarloon: vergoeding voor het fondsbeheer voor het bewaren van de effecten en verrichten van administratieve handelingen zoals dividenduitkeringen en fusies.
4. Hoe worden de prijzen bepaald?

4.1 aandelen
Er zijn 3 situaties waarbij de waarde van een aandeel wordt bepaald:
• bij uitgifte: boekwaarde van het bedrijf gedeeld door het aantal aandelen.
• op de beurs: koper en verkoper onderhandelen totdat ze overeenstemming bereiken over de koers van het te verhandelen aandeel; de wet van vraag en aanbod. Zo ontstaat er een evenwichtige koers.
• bij faillissement: als de schulden van een bedrijf hoger worden dan de bezittingen kan het zijn dat twee of meerdere externe geldeisers het vertrouwen in het bedrijf opzeggen waarna een faillissement word aangevraagd. Het bedrijf gaat dan in vereffening. De directie wordt naar huis gestuurd en een curator wordt aangesteld. De curator probeert nog zoveel mogelijk geld te redden voor de schuldeisers. Het beetje geld dat overblijft na verkoop van de bezittingen en aflossing van de schulden wordt gedeeld door het aantal uitstaande aandelen. Als de uitkomst negatief is, de bezittingen zijn minder waard dan de schulden, gaat er geen geld naar de aandeelhouders. Het risico dat aandeelhouders lopen is nooit groter dan het kwijtraken van het bedrag dat zij voor de aandelen betaald hebben. Een aandeel kan dus geen negatieve waarde hebben, de laagste waarde is nul.
Op de beurskoers van een aandeel zijn een aantal elementen van invloed:
• de financiële gezondheid van het bedrijf: bijvoorbeeld de winstverwachting.
• stand van de bedrijfstak: een voorbeeld hiervan is de elektronische sector die een stijging van de aandelenkoersen kent rond de feestdagen.
• economische trends: bijvoorbeeld een toenemende werkloosheid en inflatie.
• nationale en mondiale gebeurtenissen: bijvoorbeeld een geplande belastingverlaging.
Er zijn cyclische veranderingen op de beurs als gevolg van golfbewegingen in de economie:
Groeiende economie → grotere vraag naar kapitaal, stijging van de prijzen en lonen → inflatie neemt toe → renteniveau gaat omhoog door overheidsingrijpen en gestegen vraag naar kapitaal → economische ontwikkeling wordt iets afgeremd → bedrijfswinsten nemen af door gestegen prijzen en lonen, kapitaal vloeit van de beurs naar de banken door de gestegen rente → aandelenkoersen dalen → consumptie neemt af door dure prijzen → overproductie → bedrijfswinsten nemen verder af → werkloosheid neemt toe, aandelenkoersen dalen verder → recessie op komst → overheidsingrijpen door loonmatiging, verlagen van de rentestand en het plegen van investeringen → bedrijven gaan herstructureren en de kosten proberen te verlagen → bedrijfswinsten gaan langzaam weer omhoog → groeiende economie.
Naast economische factoren spelen ook psychologische factoren een rol in de koerswisseling. Angst voor rentestijgingen en tegenvallende cijfers van belangrijke bedrijven kunnen de stemming al snel doen omslaan. Ook de verhouding particuliere en professionele beleggers op de beurs beïnvloedt de koersontwikkeling. Particuliere beleggers zijn vaak op de korte termijn gericht en stappen in op het moment dat de koersen stijgen. Deze groep is zeer huiverig voor koersdalingen en gaat al snel over tot verkoop bij de minste of geringste koersdaling. Hierdoor ontstaat een groot aanbod waardoor de koers daalt terwijl er fundamenteel niets met het aandeel aan de hand is. Professionele beleggers profiteren hier op hun beurt weer van door deze goedkope aandelen aan te kopen.
• vorig: de koers waar het aandeel de vorige handelsdag op gesloten is.
• open: de eerste koers van die dag.
• hoog: de hoogste koers van die dag.
• laag: de laagste koers van die dag.
• slot: de laatste koers van die dag.
• volume: aantal aandelen op de beursdag verhandeld, het geeft aan in welke mate het aandeel liquide is. Aandelen met een hoog volume zijn makkelijk verhandelbaar.
Het verschil in punten en procenten wordt altijd vergeleken met de slotkoers van de vorige handelsdag, tenzij anders vermeld.
De koers/winstverhouding is de verhouding tussen de nettowinst per aandeel en de koers van het aandeel. Een mooie koers/winstverhouding is lager dan 15.
Een aandeel kan overgewaardeerd worden door een hoge stijging van de beurskoers, de prijs weerspiegelt dan niet meer de intrinsieke waarde van het bedrijf. Het tegenovergestelde kan ook plaatsvinden. Als de beleggers een negatief beeld krijgen over het bedrijf en tot verkoop overgaan zakt de prijs van het aandeel terwijl dit niet overeenkomt met de intrinsieke waarde van het bedrijf. In dit laatste geval is het gunstig de aandelen te kopen.
intrinsieke waarde van een bedrijf = som waarde alle activa – waarde alle passiva die niet tot het eigen vermogen behoren
Om de intensiteit en betrouwbaarheid van koersbewegingen te berekenen wordt de Relative Strength Index gebruikt. De RSI laat zien of een koers te snel is gestegen, bij een RSI van boven de 80 is er sprake van overbought. Als er een RSI is van onder de 20 spreekt men van oversold, de koers is dan te snel gedaald. Wanneer de RSI daalt terwijl de koers oploopt, men spreekt dan van divergentie, is dat een waarschuwing om de koersstijging sceptisch te bekijken. De verhoudingen worden doorgaans berekent over de laatste 7 of 14 dagen.
RSI = 100 – (100 ÷ (1 + RS))
RS= (gemiddelde koersstijgingen in periode P) ÷ (gemiddelde koersdalingen in periode P)
4.2 obligaties
Ook de koers van obligaties komt door de wet van vraag en aanbod tot stand. De koers van obligaties wordt weergegeven in procenten van de nominale waarde. Bij een nominale waarde van € 500 en een koers van 110% moet men dus € 550 betalen. Deze koers wordt boven pari genoemd. Een koers die onder de nominale waarde ligt wordt beneden pari genoemd en een nominale koers van 100% noemt men á pari. De obligatiekoers is afhankelijk van:
• resterende looptijd
• huidige rentestand
• kredietwaardigheid van de emittent
• verhandelbaarheid van de obligatie
waarde obligatie = beurskoers + opgelopen rente
couponrendement = rentevergoeding ÷ actuele obligatiewaarde x 100%
derivaten
Derivaten zijn afgeleide producten die hun waarde ontlenen aan de onderliggende waarde zoals een aandeel of obligatie. Het beleggen in derivaten wordt dan ook wel beleggen met een hefboom genoemd omdat fluctuaties van de onderliggende waarde volledig voor de rekening van de derivatenhouder komen. Een kleine inleg kan dus al grote gevolgen hebben.
4.3 opties
De prijs van opties hangt af van enkele factoren:
• actuele koers van het betreffende aandeel
• executieprijs: de prijs waarvoor het aandeel gekocht of verkocht kan worden.
• looptijd: periode waarin het aandeel voor de executieprijs gekocht of verkocht kan worden.
De prijs van een optie is opgebouwd een tweetal elementen:
• intrinsieke waarde: het verschil tussen de koers en de executieprijs (bij een calloptie een hogere aandelenkoers t.o.v. de executieprijs, bij een putoptie een lagere aandelenkoers t.o.v. de executieprijs)
• verwachtingswaarde:
- rentestand
- stemming op de beurs
- executiewaarde van het aandeel
- dividenduitkeringen op het onderliggende aandeel
- looptijd: hoe langer de looptijd hoe hoger de verwachtingswaarde
- volatiliteit van het aandeel: mate van beweeglijkheid van het financiële product
Een optie neemt één van de volgende drie vormen aan:
• in the money: de optie heeft een intrinsieke waarde.
• at the money: de executieprijs is nagenoeg gelijk aan de beurskoers en heeft dus geen intrinsieke waarde.
• out of the money: de optie heeft geen intrinsieke waarde en de beurskoers ligt beneden de executieprijs bij een calloptie en erboven bij een putoptie.
Bij een at the money-optie is de verwachtingswaarde het hoogst omdat elke beweging van het aandeel ervoor kan zorgen dat de optie een intrinsieke waarde krijgt, dus in the money wordt. Ook als een out of the money-optie minder out of the money wordt stijgt de verwachtingswaarde omdat de kans dat de optie in the money wordt toeneemt. Er is sprake van een zekere symmetrie.
4.4 warrants
De prijs van warrants wordt net als bij opties opgebouwd uit een intrinsieke waarde en een verwachtingswaarde. Ook dezelfde factoren looptijd, executieprijs, koers, volatiliteit en rendement van de onderliggende waarde zijn van invloed op de prijs.
4.5 futures
Futures zijn lange termijn prijsafspraken tussen twee partijen om een (financieel) product op een bepaald moment te verhandelen. De prijs staat vast en de transactie gaat altijd door. Futures kunnen echter wel van eigenaar verwisselen en zijn dus verhandelbaar op de beurs.
De koers van een future wordt bepaald door een aantal factoren:
• actuele koers van de onderliggende waarde: de spotprijs.
• rentestand
• het nog uit te keren dividend: bij futures op aandelen.
Als een future boven de spotprijs noteert spreekt men over contango. Omdat er minder geld voor nodig is om een future te kopen dan om onderliggende aandelen te kopen wordt rente uitgespaard wat leidt tot een hogere koers van de future dan voor de onderliggende waarde.
Als een future onder de spotprijs noteert spreekt men over backwardation. Des te hoger het nog uit te keren dividend voordat de future afloopt, des te lager de koers van de future ten opzichte van de actuele koers van de onderliggende waarde. Een andere oorzaak van backwardation kunnen prijsverstoringen zijn, zoals onlangs het geval was bij de oliefutures die backwarded werden door de sterk stijgende olieprijs voor directe levering.
Hoe werkt de effectenbeurs?
De effectenbeurs is een centrale, gereguleerde markt waar aandelen, obligaties en afgeleide producten worden verhandeld. Door de jaren heen is de effectenbeurs steeds meer een abstracte markt geworden. Op de concrete markt worden alleen de daartoe gecertificeerde personen en instellingen toegelaten.
Ondernemingen kunnen ervoor kiezen naar de beurs te gaan door aandelen of obligaties uit te geven. Hierdoor trekken zij vreemd vermogen aan zonder daar een lening voor bij de bank af te hoeven sluiten. Aan de emissie zijn wel enkele regels verbonden zoals het uitgeven van een prospectus.
Beleggers kunnen op deze eerste aandelen inschrijven of reeds in circulatie zijnde effecten kopen. Hiermee worden zij mede-eigenaar van de onderneming. De aandelen kunnen de beleggers ten allen tijde weer verkopen. Het plaatsen van orders gaat via brokers die afhankelijk van de hoogte van de commissie beleggingsadvies kunnen geven.
Op de beurs worden ook derivaten verhandeld. Dat zijn afgeleide producten van effecten. Derivaten omhelzen prijsafspraken. Omdat de risico’s bij derivaten veel groter zijn en meer voorkennis vereisen zijn zij meer geschikt voor de professionele belegger. Mensen die niet de tijd, kennis of het geld hebben een brede portefeuille op te bouwen om zo het risico te spreiden kunnen hun geld in een beleggingsfonds steken.
Aandelen, obligaties en derivaten verschijnen in meerdere vormen op de beurs. Er kan onder andere een onderscheid in de looptijd, rendement en vorm van terugbetaling zijn aangebracht. Een belegger kan ervoor kiezen weinig risico te lopen of juist te kiezen voor een groot risico om zo kans te maken op een hoog rendement. Emittenten kunnen door middel van het uitgeven van speciale aandelen een deel van de zeggenschap over de onderneming bij een geselecteerde groep aandeelhouders onderbrengen.
De prijs van de verhandelde producten is af te lezen in de koers. De koersen komen tot stand volgens de wet van vraag en aanbod. Maar ook psychologische factoren en economische ontwikkelingen zijn van invloed op de beurskoersen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.