Toetanchamon

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • Klas onbekend | 4699 woorden
  • 18 augustus 2001
  • 206 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 206 keer beoordeeld

Persoon
Taal
Nederlands
Vak
Inleiding

Op 30 november 1922 werd een grote ontdekking gedaan in Egypte. Toen vonden twee Engelsen, de archeoloog Howard Carter en zijn geldschieter Lord Carnarvon het graf van Toetanchamon. Voor de spectaculaire vondst van zijn vrijwel intacte graf in de Koningsvallei was Toetanchamon een vaag en weinig bekende heerser van de late achttiende dynastie, maar door de ontdekking van zijn graf is er veel over hem bekend geworden. Het was, en is nog steeds de grootste ontdekking uit de geschiedenis van de archeologie. Wij vinden de oude Egyptische beschaving heel interessant en vinden het leuk om er meer van af te komen weten en wij proberen te onderzoeken aan de hand van de deelvragen hoe het mogelijk is dat de ontdekking van het graf zo'n grote indruk heeft gemaakt.

Hoofdvraag: Hoe komt het dat de ontdekking van het graf van Toetanchamon zo'n grote indruk heeft gemaakt?

Deelvraag 1: Wie was Toetanchamon?

Geschiedenis van Egypte

Rond 3000 voor Christus werd Egypte gesticht. Er waren toen 2 afzonderlijke koninkrijken: Boven- en Beneden-Egypte. Het koninkrijk van Beneden-Egypte was aan de monding van de rivier de nijl (in de delta) gelegen en dat van Boven-Egypte verder stroomopwaarts. Koning Menes was de eerste heerser van de beide koninkrijken en deze koning heeft de beiden koninkrijken verenigd. Deze vroegdynastische periode die hier mee aanving duurde van ongeveer 3000 v. Chr. tot ongeveer 2800 v. Chr. De Egyptische geschiedenis is verdeeld in dynastieën. Dit is afgeleid van het woord 'dunasteria' en dit betekent heerschappij. Het is een vorstenhuis, groep opeenvolgende tot eenzelfde geslacht behorende heerser in een staat. Tijdens deze vroegdynastische periode waren er 2 dynastieën.

Met de derde dynastie begon het Oude Rijk (2800-2300 v. Chr.). Onder de 3e en 4e dynastie beleefde Egypte een gouden tijd: er werden weinig of geen oorlogen gevoerd en de gewone man leefde in tevredenheid. Het Oude Rijk staat vooral bekend om zijn piramidebouw. Djoser bouwde zijn eerste piramide in Sakkara, daarna volgden Snefroe in Dasjoer en Meidoen, en Cheops, Chefren en Mykerinos in Gizeh. De aanzienlijken bouwden hun graven, de mastaba's, rond de koningsgraven. Omstreeks 2300 v. Chr., tijdens de 6e dynastie, verzwakte het Oude Rijk. Het gezag van de farao's werd aangetast, vooral onder Pepi II; de eenheid verdween doordat de adellijke bestuurders van de gouwen de macht naar zich toe trokken en doordat vijanden in het oosten en het zuiden Egypte trachtten binnen te dringen.
In de Tussentijd (2300-2100 v. Chr.) bestegen meer dan honderd farao's van de 7e tot en met de 10e dynastie de troon! In het zuiden ontstonden veel kleine staatjes. Maar rond 2100 v. Chr. veroverde Mentoehotep I vanuit Thebe het Noorden, en herstelde de orde en de eenheid van het rijk.
Het Middenrijk (2100-1800 v. Chr.) had Thebe als hoofdstad. En vooral de machtige 12e dynastie was in het Middenrijk heel belangrijk. Er werd toen op grootse wijze gebouwd: de graven van Beni Hassan en de monumenten in Fajoem. Goudmijnen in de woestijn werden ontgonnen en Nubië werd gedeeltelijk ontgonnen. Maar de invallen van de Hyksos maakten een eind aan het Middenrijk. Dit volk ondernam tijdens volksverhuizingen in Voor-Azië  een invasie in Egypte. Vanuit de Delta veroverden ze het hele land met hun paarden en strijdwagens, die na hun vertrek door de Egyptenaren werden overgenomen. Deze periode wordt wel eens de Tweede Tussenpewriode genoemd (en de eerder genoemde Tussentijd de Eerste tussenperiode.)
Rond 1600 v. Chr. wist Ahmosis van Thebe de Hyksos te verdrijven. Hij werd de stichter van de 18e dynastie, waarmee het Nieuwe Rijk (1600-1100 v. Chr.) aanving. Dit rijk groeide uit tot een wereldrijk. De farao's bouwden  kolossale tempels en paleizen, die ze met enorme beelden versierden. In het Dal der Koningen lieten ze hun rotsgraven uithakken. Thebe werd de stralende hoofdstad  van een machtig rijk. Toen begonnen eigenlijk de veroveringen naar het zuiden en de Eufraat onder leiding van Toetmosis I. Deze veroveringen werden vervolgens doorgezet door Toetmosis III; hij ondernam zeventien veldtochten in verschillende omringende landen. Egypte was dan ook tijdens de regeringsperiode van Toetmosis III groter dan hij ooit geweest was.  Hij bouwde met het geld van de overwinningen maar liefst dertig tempels  en de bestaande tempels werden uitgebreid en verfraaid. Maar ook deze dynastie eindigde met wat ongeregeldheden. Dit kwam door een farao die een geestelijke revolutie ontketende, want in de bloeitijd onder de 18e dynastie was er verstarring in de godsdienst ontstaan. Na deze farao zijn ook de regeringsperiodes van Echnaton en Toetanchamon, maar daarover komt later meer. Farao Horemheb herstelde de macht in de staat en na Horemheb  besteeg de 19e dynastie de troon. De kunstzinnige Seti I bouwde de prachtige tempel in Abydos en zijn beroemd graf in Thebe. Ramses II, de bouwer en veroveraar, die zevenenzestig jaar regeerde, rchtte op vele plaatsen zijn kolossale tempels op, waarvan die van Aboe Simbel de grootste bekendheid heeft gekregen.
Na 1100 v. Chr. was het afgelopen met de macht van Egypte, door paleisrevoluties, invallen van vreemde volkeren en door onrusten in het land zelf. In de Late Tijd (1100-525 v. Chr.) werd de troon bezet door Amon-priesters en Libische en Ethiopische vorsten. In 671 v. Chr. kwam Egypte voor korte tijd onder het machtige Assyrië. Daarna kwamen er Saïtische vorsten aan de macht, maar in 525 v. Chr. maakten de Perzen er een eind aan. Maar ook de Perzen moesten het land verlaten toen in 332 v. Chr. Alexander de Grote het land veroverde. Egypte ging toen deel uitmaken van de Hellenistische wereld. De Ptolemaeën, die na de dood van Alexander de Grote over Egypte regeerden, maakte Alexandrië tot het economische en culturele centrum van hun rijk.

In de geschiedenis van Egypte zien we steeds twee terugkerende tendensen: die tot eenheid en die tot verbrokkeling. Een periode van politieke eenheid en culturele bloei werd steeds gevolgd door een periode van verdeeldheid en achteruitgang. Tegenover het streven naar centraal gezag stond het verlangen naar lokale autonomie.


Schematisch ziet de Egyptische geschiedenis er als volgt uit:

*Vroegdynastische Tijd, 2900-2650 v. Chr., dynastieën 1 tot 2

*Oude Rijk, 2650-2160 v. Chr., dynastieën 3 tot 6

*Eerste Tussentijd, 2160-2040 v. Chr., dynastieën 7-10

*Middenrijk, 2040-1780 v. Chr., dynastieën 11-12

*Tweede Tussentijd, 1780-1560 v. Chr., dynastieën 13 tot 17

*Nieuwe Rijk, 1560-1090 v. Chr., dynastieën 18 tot 20

*Derde Tussentijd, 1090-730 v. Chr., dynastieën 21-24

*Late Tijd, 730-332 v. Chr., dynastieën 25-31

Wat belangrijk is te melden bij dit schema is dat niet alle jaartallen zullen overkomen met bijvoorbeeld een ander schema hierover. Dit komt omdat men niet altijd precies heeft kunnen achterhalen welke dynastie of periode zich wanneer afspeelde. In zulke gevallen noemt men jaartallen bij benadering. Men heeft deze lijsten vaak samengesteld aan de hand van allerlei gegevens in piramiden en tempels (in hiërogliefenschrift) en getracht uit deze verschillende bronnen één zo veel mogelijk overeenkomend overzicht te maken.

Positie van de farao

Volgens officiële opvattingen bestond de maatschappij uit goden, de koning en de gewone mensen. Maar de gewone mensen ontbreken in de meeste officiële beeldverslagen die de geschiedenis weergeven als een samenspel tussen goden en de koning. Dit is gedeeltelijk te verklaren uit een aantal vastgelegde regels. In vroegere perioden mochten bijvoorbeeld nooit een god en een persoon samen worden afgebeeld; gewone mensen mochten nooit, onder welke omstandigheden dan ook, in tempels worden afgebeeld. Bovendien kan de koning optreden als bemiddelaar tussen goden en mensen. Hij vertegenwoordigt de goden bij de mensen en de mensen bij de goden. Hij is het levende voorbeeld van de scheppende God op aarde en de koning is het verantwoordelijk voor het welzijn van de mensen.
Koningen probeerden om een bepaalde status onder de gewone mensen te krijgen zich met bepaalde Goden te identificeren of, in sommige gevallen, door zichzelf te vergoddelijken. Men kon zelfs zien als ze een offer brachten aan zichzelf als een God, wat wel bij farao Amenhotep III en Ramses II gebeurde. Tenslotte konden na hun dood worden vergoddelijkt. De koning bezat dus niet de eenvoudige status van God of van man, maar hij was een speciaal wezen die optrad in de situatie waarin hij zat.
Omdat een Egyptische koning beschouwd werd als goddelijk, beschikte hij over bijzondere krachten. Maar toch was hij geen echte God: aanbidding van een farao was uiterst ongebruikelijk en kwam zelden voor. Men meende dat het bestaan van de wereldorde  en de welvaart van het land van zijn fysieke kracht afhankelijk waren: hij zorgde voor de jaarlijkse overstromingen van de Nijl, het onder de duin houden van de machten van de duisternis en chaos, het verslaan van de vijanden van Egypte. Vandaar dat een farao voor hij de troon op mocht een hardloopprestatie moest leveren om zijn fysieke kracht te meten en te bewijzen dat hij gezond was.

Regeringsperiode en  het leven van Toetanchamon

Wie Toetanchamon nou precies was is nog steeds erg onduidelijk. Evenals zijn achtergrond. Toetanchaton (hoe hij toen nog heette) werd in 1333 v. Chr.  gekroond te Memphis, spoedig na Achnaton's dood. Achanaton was de ketterige farao die van het  Egyptische Rijk een chaos had gemaakt.
Sommige egyptologen hebben de gedachte geopperd  dat Toetanchamon een schoonzoon van Achnaton was. In andere bronnen hebben wij gelezen dat Toetanchamon waarschijnlijk de zoon van Achnaton was, dus dit is erg onduidelijk. Toetanchamon heeft na de regeringsperiode van Achnaton weer veel moeten herstellen in Egypte; in 1907 maakte een Franse archeoloog, George Legrain, bekend wat hij op een inscriptie in een Egyptische tempel had gelezen over Toetanchamon's troonbestijging en regeerperiode. Daar stond dat Toetanchamon vele heiligdommen herbouwde, veel nieuwe wetten invoerde en veel nieuwe schepen liet bouwen die bedekt waren met goud. Uit deze bron blijkt ook dat het een hele welwillende heerser en rechter was, daarom loofde en prees het volk hem overal. Na vele jaren van verbod door Achnaton besloot hij ook terug te keren naar het oude geloof, het geloof van het meergodendom. Hij hersteld het gezag van de vroeger staatsgod Amon en om te bewijzen dat Amon in ere wordt hersteld veranderde hij zijn naam van Toetanchaton naar Toetanchamon.
Toetanchamon heeft maar negen jaar geregeerd. Kleizegels op wijnkruiken in zijn graf vermelden namelijk het regeringsjaar op dat moment dat ze worden neergelegd en de hoogste datering is jaar negen.
Doordat op röntgenfoto's te zien was dat zijn verstandskiezen aan het doorbreken waren, wijst het erop dat hij tussen de achttien en negentien jaar was toen hij stierf. Het is waarschijnlijk, omdat hij zo jong was (9 jaar bij de kroning) dat de meeste macht in de handen lag van naasten zoals Generaal Horem en hoop priester ai.
Maar meer over het leven en de regeringsperiode is niet bekend.

Antwoord deelvraag 1: Toetanchamon was een farao die in de late 18e dynastie regeerde. Hij was de opvolger van farao Achnaton, die beroemd is geworden doordat hij zo slecht was. Daarbij valt Toetanchamon wel in het niet. Hij heeft wel redelijk veel betekend voor het land, doordat veel vernieuwingen doorvoerde en veel herstelde in het land. Wat nog wel opvallend is is de jonge leeftijd van de farao en zijn korte regeringsperiode. Maar het is meer de vondst van het graf geweest die Toetanchamon beroemd hebben gemaakt en niet zozeer Toetanchamon zelf.

Deelvraag 2: Door wie en hoe werd het graf ontdekt?

Het 'Dal der Koningen'

Toetanchamon lag samen met dertig van de grootste Egyptische koningen begraven in het Dal der Koningen. De graven die daar gemaakt zijn, waren een enorme vernieuwing in die tijd. Thoetmozes I was de bedenker van deze vernieuwingen. Doordat de grafbouw in zijn tijd, de gigantische en dus opzichtige piramides, binnen enkele generaties geplunderd werden, was hij bang dat dit ook met zijn graf zou gebeuren. In het oude Egypte werd een lijk met veel kostbaarheden begraven, dit zou hem beschermen in de volgende wereld, de onderwereld, dus het was belangrijk dat deze schatten bij de mummie bleven. Thoetmozes I liet een heel ander soort graf bouwen voor zichzelf; een geheel verborgen grafkamer in een van de dalen onder de een grote rotswand die tegenover zijn hoofdstad, Thebe, aan de andere kant van de Nijl was. Onder een grote overhellende rots, op een verborgen plek, heeft Thoetmozes I zijn graf laten bouwen. Hierop volgden nog vele koninklijke graven op deze plek. Allemaal op een beschutte plek en de enorme hoeveelheden steen die uitgehakt werden, werden naar verre oorden afgevoerd. Alle sporen van de graven werden uitgewist. Alle heersers van het Egyptische Rijk volgden zijn voorbeeld en gedurende de eerste periode van het Nieuwe Rijk vonden er weinig plunderingen plaats. Deze rust duurde niet eeuwig, toen tijdens de negentiende en twintigste dynastie zwakke heersers het land bestuurden takelden de discipline en orde in het Rijk af. Er volgde een golf van plunderingen. De graven waren toen wel verder ontwikkeld, er waren enorme doolhoven in de rotsen uitgehouwen. Dit mocht niet baten, bij het overgrote deel van de graven waren alle kostbaarheden meegenomen, alleen de stenen sarcofaag, resten van linnen mummiewindsels en scherven steen en aardewerk hadden de dieven achtergelaten. Tijdens de Twintigste dynastie is men gestopt met het bewaken van het dal. Een nieuwe oplossing was het verplaatsen van de mummies naar andere graven om de rovers voor te blijven. Ramses III is zelfs drie keer verplaatst. Een bron die een duidelijk beeld geeft van het 'Heilige der Heiligen' toen het nog ongeschonden was is de Amherst-papyrus. Op deze oude tekening staat een koninklijk graf. Ook is op deze tekening een zegel te zien met de afbeelding van de heilige jakhals 'Anubis', de god van de balseming en de god van het dal. Het is niet duidelijk wat de zegel betekent, het is overal in het dal te vinden. Wie deze zegel op de ingang van een graf aantrof wist zeker dat hij een ongeschonden koningsgraf had gevonden. Met het verstrijken van de twintigste dynastie loopt de geschiedenis van dit indrukwekkende dal teneinde, vijfhonderd jaar na Thoetmozes I zijn graf er liet bouwen. Tijdens de vroege periode van het Christendom werden de graven als cellen gebruikt door een grote groep anachoreten en heremieten, en in één graf werd er zelfs een kapel gebouwd. Na deze mensen nam een bende bandieten het dal in beslag en maakte het gebied tot een gevaarlijke plaats. De eerste wetenschappers die bij de graven konden komen waren afgezanten van Napoleon, ze onderzochten de toen al open graven. Howard Carter (ontdekker van het graf van Toetanchamon) heeft later hun rapporten grondig bestudeerd.

De ontdekkers

Lord Carnarvon, de geldschieter, was een rijk lid van Engelse landadel. Had in de 41 jaar na zijn geboorte niets noemenswaardigs gepresteerd. De enige vermeldenswaardige inspanning in die tijd was een poging om het bestuur er toe over te halen om op zijn kosten de verf van zijn lambrisering eraf te halen. Hij wilde eerst militair worden maar daar heeft hij later vanaf gezien en ging naar Cambridge. Hij begon kunstwerken te verzamelen, hij werd er zelfs goed in, maar zijn echte passie was jagen. Na zijn korte verblijf op het Trinity College is hij zeven jaar gaan reizen. Hij schijnt een nogal oppervlakkig persoon te zijn geweest, maar dat hoorde in die tijd. Eigenlijk was hij ontzettend slim en vindingrijk. Op zijn drieëntwintigste kreeg hij de titel graaf. Op zijn negenentwintigste verjaardag trouwde hij met Almina Wombell en in vier jaar kregen ze twee kinderen. Enkele jaren later kreeg Lord Carnarvon een ernstig auto-ongeluk. Zijn chauffeur redde zijn leven. Toen hij hersteld was van zijn ernstige verwondingen wilde hij de politiek in gaan of wetenschapper worden, maar er kwam niet veel van terecht. In 1903 ging hij op advies van zijn huisarts naar Egypte, daar verdiepte hij zich in de archeologie. In 1906 kreeg hij van het ministerie van Publieke Werken een concessie voor opgravingwerkzaamheden in het beroemde Dal der Koningsgraven. Hij begon enthousiast te graven maar toen hij alleen maar een gemummificeerde kat opgroef raakte hij ervan overtuigd dat hij de hulp van een deskundige nodig had.
Howard Carter werd op 8 mei 1873 geboren in Kensington, een klein dorp in Engeland. Zijn vader was portrettekenaar van dieren van de landadel en hij had dus niet genoeg geld om zijn zoon naar school te sturen. Howard kreeg thuis toch enig onderwijs maar een officiële opleiding heeft hij nooit gehad. Hij leerde het vak van zijn vader en was dus voorbestemd voor een uitzichtloze loopbaan als schilder. In de zomer van 1890 veranderde zijn leven echter totaal. Professor Percy E. Newberry, staflid van het Egyptisch Museum voor Oudheidkunde en docent egyptologie aan de universiteit van Caïro, was op bezoek bij lady Amherst of Hackney. Haar man was een grote fan van het Oude Egypte en dat was de aanleiding tot een gesprek over de laatste werkzaamheden van Newberry in Egypte, die onder meer bestonden uit het in pentekening kopiëren van hiërogliefen op een aantal monumenten. Hij zei daarbij dat hij op zoek was naar iemand die hem kon helpen hiermee. Lady Amherst vertelde hem toen van Howard Carter. Ze was onder de indruk van zijn werk. Newberry nam Howard in dienst en hij werkte drie maanden in het British Museum. In de herfst werd hij de jongste medewerker van de staf van het Egypt Exploration Fund, een aan het museum verbonden organisatie die in Egypte opgravingen verrichtte. Carter werd tenslotte assistent van een van de grootste archeologen van de geschiedenis, sir William Flinders Petrie. Van 1890 tot 1898 werkte Howard Carter onder leiding van Newberry, Petrie en een Zwitserse egyptoloog, Edouard Naville. Hij deed zijn werk erg goed en werd in 1899 daarom door sir Gaston Maspero benoemd tot inspecteur der monumenten in Boven-Egypte en Nubië. Tijdens zijn inspecteurschap werkte hij voor verschillende rijke mensen. Door een incident tijdens het werk werd hij ontslagen. De daarop volgende vier jaar waren armoedig voor Carter. Hij leidde gezelschappen rond en handelde in oudheidskundige voorwerpen. Ten slotte zag Maspero de kans om hem te introduceren bij Lord Carnarvon. Deze nam hem aan, hij was in het vak thuis en met onmiddellijke ingang tegen lage prijs beschikbaar.

Verloop van de ontdekking

Carter had in de loop van de jaren waarin hij voor sir Flinders Petrie en de Oudheidskundige Dienst werkte, een grote hoeveelheid gegevens over het dal en zijn geschiedenis bijeengebracht. Hij had bijgehouden wie in de moderne tijd het dal bezocht hadden en wat ze gezien hadden. Alle publicaties en dagboeken had hij gelezen. Hij begon te geloven dat nog niet alles in het dal was blootgelegd. Hij was er van overtuigd dat de vroegere onderzoekers niet systematisch te werk waren gegaan. En Howard Carter zwoer bij een systematische aanpak. Samen met Theodore Davis onderzochten Carter en Lord Carnarvon het dal nog eens grondig. Davis ontdekte enkele graven, maar ze waren allemaal al bezocht door rovers.
Vanaf 1906 deed Davis enkele vondsten die rechtstreeks wezen op de aanwezigheid van het graf van Toetanchamon. Hij besteedde er weinig aandacht aan. In de eerste weken van het volgende seizoen (1907-1908) vonden Davis en zijn assistenten onmiskenbare tekenen van een graf. Ze ontdekten enkele voorwerpen met de naam Toetanchamon en de naam van zijn vrouw. Dit spoorde hen aan om verder te gaan met graven. Enkele dagen later vond Davis een ondiepe kuil, maar de inhoud was teleurstellend; enkele potten, kommen, kransen en beenderen van dieren. Wat wel van belang was, was een miniatuurdodenmasker, maar Davis miskende het belang van deze vondst en niemand schonk er verder meer aandacht aan. Op dit moment kwam Herbert E. Winlock ook bij het team. Hij was een zeer gerespecteerd en bewonderd man. Carter en hij werden goede vrienden. Winlock wilde de schijnbaar onbelangrijke voorwerpen hebben voor in het Metropolitan museum in New York.
Tegen 1912 raakte Davis gefrustreerd en verveeld en voerde niet veel meer uit in het dal, dit tot grote ergernis van Howard Carter. Davis verklaarde tenslotte dat het dal 'uitgeput' was en stond zijn rechten af zodat Carter en Carnarvon eindelijk hun concessie getekend kregen in 1915.
Carter was er nog steeds van overtuigd dat het graf van Toetanchamon nog in het Dal der Koningen verborgen lag. Hij bedacht een systematische aanpak, maar de Eerste Wereldoorlog brak uit en deze plannen moesten wachten tot de herfst van 1917. Carter had een nieuwe aanpak bedacht; hij schonk geen aandacht meer aan eerdere onderzoekingen (dat was voor het eerst in de geschiedenis van de Egyptische archeologie) en groef tot het harde gesteente door. Carter stelde een lijnenplan op. Hij maakte een driehoek tussen drie andere eerder ontdekte graven en begon daarbinnen systematisch te graven. Hij vond een reeks funderingen van arbeidershutten wat doorgaans op de nabijheid van een graf wees, maar hij hield zich aan zijn schema; de hutten lagen net buiten zijn driehoek In de rest van het seizoen vond hij niets belangrijks. In het tweede seizoen ging het niet beter. De belangrijkste vondst in deze twee jaar waren potten met de naam Ramses II en Merenptah. Het derde, vierde en vijfde seizoen leverden ook niets op en iedereen begon de moed te verliezen. Carter en Carnarvon werden voor gekken versleten en zij begonnen ook hun enthousiasme te verliezen, Howard Carter week zelfs van zijn lijnenplan af in de hoop iets te vinden.
In 1921 werd er een ontdekking gedaan die de opgravers weer hoop gaf, niet in het dal maar in New York. Winlock was de potten die hij van Davis had gekregen aan het onderzoeken en hij zag wat niemand anders nog gezien had; naast de zegels van Toetanchamon vond hij ook de zegel van de Dodenstad (de heilige Anubis). Deze ontdekking gaf wel hoop, maar niet genoeg. De opgravers waren nog steeds somber gestemd. Carter begon toch te graven bij de arbeidershutten, maar het leverde vooralsnog niet veel op. Carnarvon wilde zelfs de jaarlijkse verlenging van de concessie niet meer aanvragen. Hij had de moed echt verloren en zijn gezondheid ging snel achteruit. De strengere regels van de Oudheidkundige dienst droegen ook bij aan de verslechtering van de stemming. Deze regels werden ingevoerd door Pierre Lacau, de opvolger van Maspero. Hij wilde een strenge controle van de opgravers en Howard Carter mocht hem absoluut niet. Toen Carter op vakantie was werd hij in paniek opgebeld door de adel in Thebe. Er waren dieven rond het dal gezien en ze vroegen Howard om hulp. Hij reisde af naar het dal en jaagde de rovers met gevaar voor eigen leven weg. Deze hadden een deel van een graf blootgelegd, maar ook deze was niet belangrijk. Ook Lord Carnarvon was niet onder de indruk en trok zich zelfs terug als geldschieter. Hierop bood Howard aan om het volgende seizoen van de expeditie uit eigen zak te betalen, hierdoor was Carnarvon zo geroerd dat hij nog één seizoen wilde financieren.
Op 28 oktober 1922 begon dit seizoen. 1 november begon het graven rond de eerder gevonden arbeidshutten. Op 4 november vertelde een voorman aan Carter dat ze een trede hadden gevonden (bijlage?).  Toen het trapgat uitgegraven was vertoonde het veel kenmerken van een trapgat van een graf van de 18e dynastie, die van Toetanchamon Carter durfde nog niet te enthousiast te zijn door de vele teleurstellingen die hij al meegemaakt had. Hij sloeg om toen er twaalf treden uitgegraven waren en er een deur verscheen met zegels van de Dodenstad, ook al vonden ze nog geen naam, de hoop was weer aanwezig. Uit loyaliteit groef hij niet verder tot Lord Carnarvon gearriveerd was. Op 23 november kwam die aan met zijn dochter Evelyn Herbert. De deur werd verder onderzocht en ze zagen de naam van Toetanchamon; het was toch echt waar! Pierre Lacau zond meteen een medewerker van de Oudheidkundige dienst om getuige te zijn van deze opgraving.
Er waren wel sporen van eerder speurders geweest dus de twijfel sloeg weer toe. Na de eerste deur kwam er een lange gang zonder treden. Hier lag veel puin en ook weer sporen van eerdere rovers. Ze kwamen tot de conclusie dat er twee groepen rovers waren geweest en dat deze allebei door functionarissen van de Dodenstad waren verwijderd en deze laatste hadden het graf weer netjes dichtgemaakt. Na de ontruiming van de gang kwamen ze bij een tweede deur, een kopie van de eerste. Howard maakte een gat in de deur en hij keek naar binnen bij het licht van een kaars. In zijn boek is dit een beroemde passage:

Ik stak een kaars naar binnen en tuurde, terwijl Lord Carnarvon, Lady Evelyn en Callender naast me stonden en angstvallig het vonnis afwachtten. Aanvankelijk zag ik niets, omdat de hete lucht die uit de kamer ontsnapte de kaarsvlam deed flakkeren, maar spoedig, zodra mijn ogen aan het licht waren gewend, doemden uit de miste de details van de kamer voor me op, de vreemd dieren, de beelden en het goud - overal de glans van goud. Een ogenblik - het moet voor de anderen een eeuwigheid geweest zijn - was ik van verwondering met stomheid geslagen, en toen Lord Carnarvon, die de spanning niet meer kon verdragen vroeg: 'Kun je iets zien?' kon ik niet meer uitbrengen dan: 'Ja, prachtige dingen.' En toen, nadat we het gat wat groter hadden gemaakt, zodat we beiden konden kijken, staken we een elektrische lantaarn naar binnen.  

Het gat werd nog groter gemaakt en Lady Evelyn (de kleinste persoon) klom er doorheen, de antichambre in. De rest volgde even daarna. Ze beseften dat dit misschien wel de grootste en belangrijkste ontdekking aller tijden moest zijn. Een beschrijving van het graf volgt later in het verslag.

De Vloek


Een paar maanden na de ontdekking, op maandag 26 maart werd Lord Carnarvon doodziek en hij stierf ruim een week later. Over de hele wereld schreven de kranten zijn overlijden toe aan de vloek van het graf. Opeens werden er uit allerlei 'betrouwbare' bronnen' beweerd dat er in het graf inscripties waren gevonden die zeiden dat er een vloek rustte op diegene die het graf zal openen. Andere dan de algemene waarschuwing werd er niet in het graf gevonden. Afgezien van deze verzinselen over de vloek werden er ook dingen bedacht als 'een nieuwe dodelijke bacterie die in het graf was gebleven en al die duizenden jaren had overleefd'. Er werd beweerd dat Mace (een medewerker) aan een vreemde ziekte overleed, maar in de werkelijkheid was het een aanval van pleuritis, een ziekte waaraan hij al leed voordat hij iets met het graf te maken had.
Een vriend van een toerist die daadwerkelijk in het graf was geweest werd aangereden door een taxi en dat werd onmiddellijk toegeschreven aan 'De Vloek van de Mummie'. Winlock hield alle sterfgevallen bij en als er in de krant een sterfgeval toegeschreven werd aan de vloek dan stuurde hij direct een rectificatie in. De lijst van Winlock ('Slachtoffers van de Vloek') bevatte interessante aantekeningen als deze:

George J. Gould: vriend van lord Carnarvon als toerist in Egypte, op reis voor zijn gezondheid. Was al ziek voordat hij in Egypte aankwam.

Arthur E.P. Weigall, die alleen tegelijk met het publiek tot het graf werd toegelaten. Had niets met het graf te maken.

'Prins' Ali Fahmy Bey, in het Savoy Hotel in Londen vermoord door zijn Franse vrouw . Als hij ooit in het graf is geweest, was het als toerist.

De werkman van het Brits Museum in Londen, die naar men zegt dood neerviel toen hij de voorwerpen uit het graf van labels voorzag. Er zijn in het Brits Museum echter geen voorwerpen uit het graf en ze zijn er nooit geweest.

Als er toeristen worden genoemd in verband met de vloek, moeten we ons wel bedenken dat een groot aantal van hen oudere mensen waren, voor hun gezondheid op reis in Egypte.

De vloek is nog steeds even beroemd als Toetanchamon en zijn schatten. Zelfs als er een vloek was, was hij niet in hiërogliefen geschreven of in beelden gegrift of in de mond van de farao gelegd. Ook werd hij niet uitgesproken door priesters in de oudheid of in de vorm van eeuwig werkzaam gif aan bepaalde voorwerpen gesmeerd. De vloek was gewoon een gevolg van de menselijke fantasie.

Antwoord deelvraag 2: Het graf werd ontdekt door Howard Carter en zijn geldschieter Lord Carnarvon, er hebben meerdere mensen meegewerkt maar niet voor lange tijd of niet in een belangrijke positie. Het graf werd eigenlijk per toeval ontdekt; het lag buiten de driehoek van Carter. De ontdekking is wel te danken aan het doorzettingsvermogen en de eigenwijsheid van Howard Carter, hij hield zich vast aan de aanwijzingen op nog een koninklijk graf.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

G.

G.

Hey, ik had ene vraagje over je praktische opdracht waar heb je deze informatie vandaan??want ik moet er ook een bronvermelding bij doen...kan je aub trugmailen later

19 jaar geleden

D.

D.

Bij jouw werkstuk over Toetanchamon, wat is je antwoord op je hoofdvraag/onderzoeksvraag. Jouw hoofdvraag komt ongeveer op hetzelfde neer als de mijne, alleen kan ik niet perfect smaenvatten wat nou precies het antwoordis, ik heb wel genoeg info, maar anders krijg ik een giga conclusie
dank !!! DK

18 jaar geleden

S.

S.

Nou ik had de zelfde vraag als dan, wat is nou het antwoord op je hoofdvraag want ik heb die aantwoord ook zwaar nodig (A)

11 jaar geleden

P.

P.

slecht veel te lang voeg het samen met steekwoorden

8 jaar geleden

A.

A.

Nee 3 Engelse mensen

7 jaar geleden

H.

H.

mooi werkstuk

3 jaar geleden