ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
De Molukse geschiedenis

De Molukken
De Molukken tellen zo'n duizend eilanden, maar de meeste Nederlanders kennen er maar een: Ambon. Op de kaart ogen de noordelijke Molukken als een zeester (Halmahera), geflankeerd door vier kleine en een wat grotere schelp (Ternate, Tidore, Motir, Makian en Bacan).

Oorsprong

De benaming Zuid-Molukken is eigenlijk verkeerd ; Het woord " Maluku" was tot voor de komst van de Nederlanders in de 17e eeuw beperkt tot huidige Noord-Molukken : Ternate, Tidore , Batsjan , Motir , Makjan en Gilolo of Halmahera. Dit is het zogenaamde gebied der koningen , dat oorspronkelijk geleid werd door vier koningen , waarvan de vorst van Ternate de machtigste was. In een Javaans gedicht uit de 14e eeuw werd Ternate met de naam "maloko" aangeduid ( naar het arabische woord voor koning), daaruit werd door de Portugezen en Spanjaarden " maluqos " of "malokos" afgeleid , hetgeen gebruikt werd voor de keten van eilandjes gelegen ten westen van Halmahera.. Tot de komst van de Nederlanders,een eeuw later, werd de naam "molucos",waarvan " Molukken" een vernederlandsing is, gebruikt voor het hele eilandenrijk tussen Celebes en Nieuw-Guinea.

Wie zijn Molukkers?
Mensen afkomstig van de eilanden in het uiterste zuidoosten van Indonesië. Binnen deze groep zijn veel verschillen. Ten eerste politiek gezien: er zijn aanhangers van de RMS (60 tot 70% van de in Nederland woonachtige Molukkers) en er zijn mensen die niet voelen voor een eigen republiek. de meeste RMS-ers steunen de in ballingschap wonende ir. J. Manusama, maar er zijn ook aanhangers van de inmiddels overleden generaal I. Tamaëla, of mensen die streven naar een Zuidmolukse republiek zonder voor een van beide leiders te kiezen. Dat was de eerste groep, ook de niet-RMS aanhangers zijn onder te verdelen in verschillende groepen. Bijvoorbeeld de mensen die niet aan politiek willen doen maar die het enkel gaat om het verkrijgen van rechten als militair. En ten slotte is er nog de groep die achter Indonesië staat. (Cijfers tot 1981)

Godsdienstige verdeling
In de jaren '50 : protestanten (92,7%), katholieken (5%) en moslims (2,3%). Door politieke en persoonlijke meningsverschillen is er in de loop der tijd een groot aantal protestantse kerken ontstaan. De grootste ervan is de Moluks Evangelische kerk (56,2%). Dit zijn allemaal verhoudingen van de Molukkers in Nederland, op de Molukken zelf liggen de verhoudingen anders zoals bijvoorbeeld een grotere vertegenwoordiging van moslimse Molukkers.
Onder autochtone Molukkers bestaat al heel lang een vreedzame verstandhouding tussen de verschillende geloofsgemeenschappen.

Verdeling naar oorsprong op Molukken
De meeste Molukkers in Nederland komen van Ambon, Nusalaut, Haruku, Saparua en Ceram (85%). Dit zijn de Ambonezen. De Ternatanen (ook wel Noordmolukkers genoemd) zijn afkomstig van eilanden ten noorden van Ceram. Bijvoorbeeld Halmahera, de Batjangeilanden en Ternate. De overige Molukkers zijn afkomstig van de kei-, Tanimbar- en Aru-eilanden. Ze werden vroeger Keiëzen genoemd, maar ze noemen zichzelf nu liever Zuidoostmolukkers.
Tussen Ambonezen en Keiëzen zijn een aantal verschillen op te merken. Ten eerste kwam de laatste groep later in het KNIL. De katholieke Molukkers zijn overwegend Zuidoostmolukkers. Politiek gezien liggen de grootste en misschien wel de belangrijkste verschillen. De RMS-ers zijn voornamelijk te vinden in de Ambonese kring, terwijl Indonesië-gezinden voornamelijk te vinden zijn onder de Keiëzen. Met name in de eerste jaren in Nederland heeft dit voor conflicten gezorgd door de grote tegenstellingen die dit opwerpt. In het Vughtse woonoord Lunetten zijn de onderlinge verhoudingen zelfs in de jaren '80 nog verstoord door een vechtpartij tussen Ambonezen en Keiëzen in 1951.

Symbolen van de RMS
De nationale vlag van onze republiek is het symbool van de staat en van de eenheid van het volk.
Telkens opnieuw roept zij de Zuid-Molukkers, waar ook ter wereld, op tot trouw aan land en volk. Eer roep die des te sterker word, naarmate de afstand die ons scheidt van het geliefde Tanah-Air groter wordt. Vooral in moeilijke tijden spreekt de vlag een duidelijke taal; een confrontatie met het ouderlijk huis, een opwekking tot intensivering van de strijd voor ons verre vaderland.
Het spreekt dan ook haast wel vanzelf dat onze nationale vierkleur niet zomaar in het wilde weg ontworpen kleurige lap is, maar dat vorm en kleur een diepere, symbolische betekenis hebben. Daarom moeten we onze vierkleur met respect behandelen.
Op 28 april 1950 benoemde onze regering een staatscommissie die onder leiding van M.A. Tetelepta (later minister van onderwijs) met als taak het ontwerpen van een nationale vlag. De Raja’s, die in deze commissie zaten en uit hoofde van hun positie het best bekend waren met de adat en de oude geschiedenis, waren eenstemmig van mening dat de kleur rood in ieder geval
niet mocht ontbreken in de nieuwe vlag. Op alle Zuid-Molukse eilanden vormt rood namelijk de oerkleur, de ‘asa’ waaruit alle leven is ontsproten.
Op dinsdagmorgen 2 mei 1950 had op het plein tegenover het regeringsgebouw in Ambon-stad de officiële ontplooiing plaats van de nationale vlag. Onder toeziend oog van duizenden Molukkers werd de vlag 09.55 uur door twee padvinders naar buiten gebracht, gevolg door president Manuhutu gevolgd door de volledige regering. Om 10.00 uur precies ging de vlag voor het eerst de hoogte in. Tijdens het hijsen van de vlag werd het ineens donker doordat een paar donkere wolken zich samenpakte. Maar op het moment dat de vlag de top bereikte, brak de zon door en bestraalde het reausachtige schouwspel.

Vorm en betekenis van de RMS-vlag:
Afmetingen: 2 bij 3
Kleuren: Blauw, wit, groen, rood
Verhouding: 1/9 : 1/9 : 1/9 : 6/9

Betekenis:
- Blauw symboliseert onze zee, die door haar rijke opbrengst zo’n grote
rol speelt in het Moluks leven. Het symboliseert ook de trouw van ons volk
aan het vaderland. - Wit doelt op de zuiverheid van onze strijd en op de vrede die wij dienen.
Het is de kleur van onze witte stranden die door de zee worden overspoeld
- Groen is de kleur van onze rijke landschap, dat het volk voedsel schenkt.
- Rood is het symbool van onze voorouders, de oerkleur van ons hele land.
Het symboliseert ook het bloed van ons het Zuid-Molukse volk om zich te verdedigen tegen vreemde indringers van buiten.
De vlag wordt gehesen met zonsopgang en gestreken met zonsondergang.

Het staatswapen
Het officiële wapen van de RMS werd door de regering vastgesteld in juli 1950.
Het vertoont de ‘pombo’, die op het punt staat op te vliegen, de vleugels half geopend en in de snavel een vredestak. Op de borst is getatoeëerd met een gekruiste ‘parang’, ‘salawaku’ en speer(pijl). De ‘pombo’ is een Molukse duif, die in de geschiedenis van de Molukkers een belangrijke rol heb gespeeld. (Zoals in het verhaal van kapitein Jonker) .
Tot vandaag de dag wordt de witte duif als heilige vogel gezien, als een witte duif wordt waargenomen tijdens de strijd (demo b.v.) dan wordt er gezegd dat ‘Tete Jonker’ je vergezelt. Dit schijnt dan een gunstig voorteken te zijn. Het Zuid-Moluks staatswapen is rijk aan symboliek.
Het devies // Mena Muria
Het devies, of met andere woorden de wapenspreuk, van de RMS luidt: ‘Mena muria’. (zie plaatje)
Letterlijk betekent het: ‘Voor - Achter’, in de zin van: “Wij vormen samen een onverbrekelijk geheel!”
Het is de bemoediging die tijdens het roeien wordt gebruik en waarmee bevelen worden gegeven aan de voorste en achterste roeiers.
Deze wapenspreuk stamt uit het ‘stenen tijdperk’, waarin onze voorvaderen in prauwen roeiden. Deze ‘prauwengemeenschap’, waaruit soa’s (genealogische volkseenheden) ontstonden Deze waren door bloedverwantschap sterk verbonden en vond de hoogste uitdrukking in de uitroep:’ Mena Muria”.
Dit oeroude woord heeft het dynamisch karakter gekregen van een klaroenstoot, een strijdkreet die Molukse volken oproept tot een hechte barricade voor eigen levensrechten: Mena Muria, één voor allen, allen voor één!

RMS Proclamatie
Onafhankelijkheidsverklaring Zuid Molukken
Ter voldoening aan de waarachtige wil, eis en aandrang van het Volk der Zuid-Molukken,proclameren wij hierbij de onafhankelijkheid de fakto en de jure van de Zuid-Molukken met de politieke vorm van een republiek, los van elke staatkundige betrekking met de staat Oost-Indonesie en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesie, op grond van het feit dat de deelstaat Oost-Indonesie niet in staat is zich als deelstaat te handhaven in overeenstemming met de regelingen van de Denpasar-conferentie, welke nog wettig van kracht zijn, alsmede in overeenstemming met het Besluit van de Zuid-Molukken Raad van 11 maart 1947,terwijl voorts de Regering van de Verenigde Staten van Indonesie gehandeld heeft in strijd met de R.T.C.- overeenkomsten en haar eigen grondwet.
Ambon, 25 april 1950 De Regering der Zuid-Molukken, w.g. J.H. Manuhutu & A. Wairisal
Maluku Tanah Airku (volkslied R.M.S.)
Maluku Tanah Airku
Oh Maluku, Tanah Airku
Tanah tumpa darahku
Kuberbakti kepadamu
Slama hari hidupku
Engkaulah pusaka raya
Yang leluhur dan teguh
Aku junjung selamanja
Hingga sampai ajalku
Aku ingat terlebi
Sejarahmu yang pedih.
Oh Maluku, Tanah Airku
Tanah datuk-datukku
Atas Via Dolorosa
Engkau hidup merdeka
Putra-putri yang sejati
Tumpah darah bagimu
Ku bersumpah trus berbakti
Serta tanggung nasibmu
Aku lindung terlebi
Sejarahmu yang pedih.
Mena-Muria, printa leluhur
Segnap jiwaku seru
Bersegralah membelamu
Sepri laskar yang jujur
Dengan prisai dan imanku
Behkan harap yang teguh
Ku berkurban dan berasa
Karena dikau Ibuku
Ku kan terlebih
Mena-Muria hiduplah
Molukken mijn Vaderland
(volkslied :: R.M.S)
Molukken, mijn vaderland,
Mijn geboorteland,
U wijd ik mijn krachten,
Zolang ik leef.
Gij zijt het grote erfdeel,
Hoog boven alles verheven.
Ik zal U steeds hooghouden
Tot aan mijn dood toe.
Ik zal vooral gedenken
Uw schrijnende geschiedenis.
Molukken, Mijn Vaderland,
Het land van mijn voorouders,
Langs deze weg van het lijden
Bereikt gij de onafhankelijkheid.
Uw ware zonen en dochters
Hebben hun bloed voor U geofferd.
Ik heb gezworen mij aan U te wijden
En uw toekomst veilig te stellen.
Ik zal vooral beschermen
Uw schrijnende geschiedenis.
Mena-Muria, de hoge opdracht,
Roep ik met geheel mijn hart.
Haast ik mij, U te verdedigen
Als een eerlijk en oprecht leger
Gewapend met schild en geloof,
En bovenal in vast vertrouwen
Offer ik en worstel ik
Omdat Gij mijn moeder zij.
Ik zal vooral bidden
Dat Mena-Muria leven mag.

Eerste meldingen van contacten met de buitenwereld
De Molukken waren ver afgelegen eilanden , woeste vulkanische berglanden, bewoond door menseneters geheel niet aantrekkelijk dus . Maar het feit dat dit het enige gebied was waar kruidnagels en muskaatnoten in overvloed groeiden maakte de Molukken zeer gewild.Dit zou hun geschiedenis ook sterk bepalen en zelfs de aandacht van heel de wereld geven.
Rond 2000-1500 moeten de zeevaarders van Zuidwest-China al geweten hebben van het bestaan van de Molukken,het woord tjenkeh (kruidnagel) is namelijk chinees.
In 79 na Chr. meldt Plinius Major in zijn " Naturalis Historia" de kruidnagelen van de Molukken.
In de periode 618-906 tijdens de Chinese Tang-dynastie wordt in de Chinese literatuur gesproken over de Molukken.

Koloniale periode

Moslimse Molukkers in de koloniale periode
In de Nederlandse tijd hadden protestanten op de Molukken een streepje voor. Alleen in hun dorpen werden scholen gebouwd en vooral protestanten uit Ambon en de naburige Lease-eilanden werden aangesteld als ambtenaren. Het islamitische volksdeel in de Molukken werd door de koloniale gezagshebbers tekortgedaan. Na de onafhankelijkheid wilden de moslims die achterstand inhalen en de regering gaf hun daartoe de gelegenheid. Protestantse Molukkers hebben het gevoel dat het achterstandsargument wordt misbruikt en dat zij met bedekte toespelingen op het RMS-verleden ('die domineesrepubliek') uit de hogere bestuursposten in de provincie worden geweerd. Dat zij moeten inschikken voor islamitische streekgenoten met eenzelfde opleiding vinden ze tot daaraan toe, maar er zijn ook voorbeelden van gekwalificeerde protestantse ambtenaren wier meerderen veel minder in hun mars hebben, maar als moslim voorrang kregen. En zo dreigde de wal het schip te keren.
'De Nederlanders hebben nooit geld willen steken in de bouw van fabrieken in Indonesië - die bouwden ze liever in Nederland. Alle winst die ze maakten met onze suiker, kina, rubber, thee en noem maar op werd gebruikt voor de ontwikkeling van de industrie in Nederland - niet in Indonesië.

De kolonialisering van Nederlands-Indië
De koloniale geschiedenis drukt een zwaar stempel op de verhoudingen tussen de Molukkers.
Indonesië was vroeger erg populair om zijn kruidnagelen. Er waren vele westerse landen die dat graag wilden en dus Indonesië in hun macht wilden hebben. Zo is er bijvoorbeeld in Ambon-stad in een militaire kazerne een poort te vinden, die herinnert aan fort Victoria. Dit werd gebouwd op de ruines van een Portugese vesting nadat Compagnietroepen deze concurrent in 1605 hadden verjaagd.
Boven het VOC-wapen staat in steen: 'Door de eeuwen trouw'. Dit is de Ambonezen nog duur komen te staan in latere eeuwen. Het werd namelijk uitgewerkt tot een noodlottige mythe: die van de Ambonezen als immer loyale onderdanen van Nederlands-Indië.
Opgetogen over de verdrijving van de Portugezen, die zeventig jaar hadden geheerst over het schiereiland Leitimor, tekenden de islamitische hoofden van 'Amboyna' in 1605 een contract: het 'Eeuwig Verbond'. Hierin zwoeren zij ,,soo langhe als wy leven'' trouw aan de Staten-Generaal, prins Maurits en de gouverneur van Ambon. Ingenomen waren de moslims met de bepaling dat ieder zijn geloof zal beleven ,,gelyck hem Godt in 't herte stiert ofte meent saligh te worden; doch dat niemant den anderen molestie, nogh overlast zal doen''. Die tekst is eeuwenlang gekoesterd op Ambon, maar is het laatste jaar in vergetelheid geraakt. Dit leek allemaal vrij progressief en gunstig, doch het venijn van het contract zat in de staart: ,,Van gelycken sweeren wy voorts, dat wy aen niemant eenige naghelen sullen verkoopen als aen de Hollanders.'' Zo zagen de bewindhebbers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie het graag. De VOC concentreerde de kruidnagelteelt op Ambon en handhaafde bijna twee eeuwen haar alleenrecht op de inkoop van Molukse specerijen.
Echter zonder deze laatste zin van het contract is de rol van Nederland ook twijfelachtig. De Arabische kooplieden hadden de Indonesische kusten veel eerder bereikt dan de Nederlanders, vandaar dat rond 1600 toen de Nederlanders kwamen de meeste handelscentra al geïslamiseerd waren. En het had geen zin om zending te bedrijven in gebieden die islamitisch waren. Ze probeerden natuurlijk wel de islam onder de duim te krijgen. De islamitische adel had al snel door dat haar wereldlijke macht afhing van de gunst van de Nederlanders. De islamscholen waren echter een haard van anti-Nederlands verzet. De Nederlanders legden toen de verplichting op dat elke docent aan een islamitische school een vergunning moest aanvragen en daarbij werden leerlingen van een islamitische school nooit meer toegelaten tot een openbare school.
Verder kregen alle Mekka-gangers allerlei beperkingen opgelegd en geen enkele hadji werd ooit tot regent benoemd. tot der jaren dertig waren er in de steden geen moskeeën te vinden, die mochten allen worden gebouwd aan de rand van de stad.
Eind negentiende eeuw werd er door Snouck Hurgonje - een Nederlandse islam-deskundige - een tweeledige islampolitiek ontwikkeld. Moslims moesten niet worden gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst, inclusief de bedevaart, want als je een moslim stoorde bij zijn godsdienstige plichten kreeg je moeilijkheden. Daarnaast moest je de sociale gebruiken van de islam goed in de gaten houden opdat ze niet uitdraaien op politieke activiteiten. als dat zo was moest je ze de kop indrukken.
Na het failliet van de VOC in 1799, de Franse inval in de Lage Landen en het Frans-Bataafse tussenbestuur van Daendels, maakte Ambon kennis met de Britse variant van het kolonialisme. Herendiensten werden verminderd, voor producten werd redelijk betaald en het kruidnagelmonopolie werd versoepeld. De Britten vormden een Ambonees soldatenkorps dat een hoge soldij kreeg en Daendels' bezuiniging op godsdienstonderwijs werd ongedaan gemaakt.
De terugkeer van de Hollanders in 1817 ontketende onder de christenen van Saparua een bloedige revolte, die spoedig oversloeg naar naburige eilanden, ook Ambon. De opstand werd aangevoerd door een gewezen sergeant in Britse dienst, Thomas Matulessy, bijgenaamd Pattimura. Het standbeeld is opgericht te zijner eer en Pattimura werd in 1973 door de Indonesische regering opgenomen in de eregalerij der nationale helden.
De rebellie is echter onderdrukt, al bleef het ongenoegen tegenover de Hollanders. De werving voor het KNIL in Ambon stuitte dan ook op grote weerzin, vooral toen het later vrijwillige werving werd (1829). In 1865 waren er bijvoorbeeld van de 27.000 soldaten slechts 984 afkomstig van Ambon. En dan was het gewoonlijk het uitschot van de dorpen dat vrijwillig dienst nam. Het handgeld viel dan ook tegen. Als lokmiddel bouwden de Nederlanders toen scholen voor de kinderen van KNIL-militairen (1873). Pas in 1896 scoorden de ronselaars een mooi resultaat, 1.072 man, en dat aantal liep op tot 3.519 in 1917.
De Ambonezen bewezen rond de eeuwwisseling goede diensten bij de pacificering van de 'Buitengewesten', maar verdienden meer dan de veel talrijkere Javanen, waren dus relatief duur en beperkt voorhanden. Na de Eerste Wereldoorlog, toen zich in koloniaal Azië de Japanse dreiging aftekende, opperde Batavia een dienstplicht voor inlanders en ,,gelijkstelling van den Javaan met andere landaarden in het KNIL''. De gelijkstelling werd in 1921 doorgevoerd en ontlokte felle protesten in de Volksraad, het koloniale 'parlement'.
De door Nederland geschapen mythe was door de autochtone bevolking overgenomen: veel christelijke Ambonezen beschouwden zich inmiddels als 'zwarte Hollanders' en ervoeren de gelijkstelling met andere Indonesische bevolkingsgroepen, waarmee zij geen verwantschap voelden, als verraad van hun 'trouwste bondgenoot'.

De Japanse bezetting
Japan was in de jaren dertig al wel een machtig land, maar had niet genoeg voedsel voor de hele bevolking en moest rubber en olie importeren voor haar industrie. Dat was erg duur, dus wilde Japan graag zo'n land in zijn bezit hebben. Dat was Nederlands-Indië. Omdat ze wisten dat ze de VS hun de oorlog zouden verklaren als ze zo Nederlands-Indië aanviel, vielen ze 6 december 1941 volkomen onverwachts de Amerikaanse vloot aan die in Pearl Harbor lag. Daarna lag de weg naar Indië open. Daar was ook niet veel verzet omdat er te weinig soldaten waren en omdat de wapens verouderd waren.
De soldaten van het KNIL werden direct krijgsgevangen gemaakt. Deze soldaten kwamen van alle eilanden, maar de grootste groepen kwamen van Java, Menado en de Molukken. De belangrijkste posities werden ingenomen door Nederlanders, die werden door de Jappen direct opgesloten in kampen. De meeste soldaten uit Nederlands-Indië zelf werden direct vrijgelaten, behalve enkele Molukkers omdat die weigerden hun eed van trouw aan het Nederlandse gezag te herroepen.
In de beginperiode van de bezetting ontstonden er op verschillende plaatsen verzetsgroepen. De meesten verzamelden wapens, uniformen en vooral inlichtingen voor als de geallieerden kwamen. Maar die lieten op zich wachten en omgekeerd bereikte de informatie de geallieerden niet omdat er geen zendapparatuur was. De meeste verzetsleden werden opgepakt en zo mishandelt dat op den duur het grootste verzet werd opgegeven.
Het leven werd steeds moeilijker onder de japanners. Zo moest iedereen buigen als er Japanse soldaten langskwamen. De Nederlandse scholen werden afgeschaft en maakten propaganda voor Japan. Bovendien moesten die soldaten ook eten en namen het overgrote deel van wat de inwoners zelf verbouwden mee. Er was dus sprake van een hongersnood.

Verhaal uit Riwayatku…toen en wat nu?/Riwayatku…dulu, dan sekarang apa?

Vader
Op een avond hoorde ik mijn ouders fluisteren. Ik lag al in bed en begreep dat mijn vadervoor lange tijd weg zou gaan. Waarheen was onbekend. Dat was geheim. Vlug stond ik op om mijn vader tegen te houden, maar hij was al vertrokken. Hij zat in een vrachtwagen en reed in een konvooi weg. De konvooi reed langzaam en ik liep er achteraan. Ik sta er nu nog versteld van dat ik zo hard kon rennen. Maar ik was echt vaders kindje en wilde bij hem blijven. Mijn moeder was veel van huis, dus trok ik veel met mijn vader op.
Ik kwam in de haven aan waar het schip stond waarmee mijn vader weg zou gaan. Daar werd ik tegengehouden door mannen met hun geweer in de aanslag. Ik zie het nog precies voor me. En altijd als ik het vertel of als mijn vader het weer vertelt, komen de tranen. Ik wilde bij mijn vader zijn. Ik deed net of ik niet wist dat ik niet verder mocht, maar ik kwam echt niet verder. Mijn vaders vrienden waarschuwden hem. Hij stond aan boord en had zijn kind herkend. Snel schreeuwde hij dat ze niet moesten schieten. De MP (militaire politie) bracht me weer naar huis. Dit gebeurde nog vóór de oorlog in 1939. Het was toen al een rommelige tijd met geheime militaire missies.
Mijn vader kwam gelukkig levend terug van die missie. Velen hadden het niet overleefd. Het schip werd beschoten en is uiteindelijk gezonken. Ik wist zeker dat hij nog leefde. Het duurde wel een week voordat een vliegtuig de overlevenden van dat schip had gevonden. Mijn vader dreef samen met andere mannen op een vlot. Het moest vast moeilijk geweest zijn om dat vlot in evenwicht te houden.
Vóór de oorlog uitbrak vocht mijn vader dus al. Tijdens de oorlog zat hij vast in Sukabumi. Samen met een nichtje zocht ik hem weer op. Het was verboden om in zijn buurt te komen. Hij mocht geen bezoek ontvangen. Maar in die tijd was ik voor niemand bang! We gingen op bezoek bij mensen die precies tegenover het kamp woonden waar mijn vader vast zat. Als we gesnapt zouden worden, zou mijn vader vermoord worden en zouden de Jappen mij opsluiten. Dat kon mij allemaal niets schelen.
Ik deed wat geld en een brief in een Wybert blikje. Mijn nichtje was doodsbang maar ging toch met me mee. Gekleed in een kain en met een hoofddoek op, gingen wij zo dicht mogelijk bij het kamp staan. Mijn vader had mij al gezien. Op het moment dat de wacht de andere kant op keek, gooide ik het blikje naar mijn vader. Ik moest dat geld en die brief aan mijn vader geven.
De Jappen gingen op zoek naar de boosdoeners. We werden achtervolgd en konden ons in een wc verstoppen. Toen was ik zelf toch ook wel bang. Drie dagen achtereen hebben de Jappen naar ons gezocht. Ze zochten jonge meisjes. Dus wat deden wij? We verkleedden ons als oudere vrouwen. Met de trein waren we weer weggekomen. Maar ook daar werden we gezocht. Mijn nicht deed het zowat in haar broek. Een volgende keer dat ik mijn vader wilde opzoeken, wilde ze niet meer met me mee.
Toen mijn vader uit het kamp kwam had mijn oom voor ons een studentenhuis geregeld waar we konden wonen. Tegenover dat huis stond een leeg huis. Enkele Ambonezen en Timorezen hadden daar een ondergrondse. We brachten daar wel eens eten voor die mensen. Op een dag werden ze verraden. De Jappen kwamen bij ons aan huis. Mijn moeder deed de deur open en kreeg meteen slaag van die mannen. Ik was achterom hard weggelopen. Mijn vader was niet thuis. Hij zat ook in het verzet. Ze zochten hem, maar konden hem gelukkig niet vinden.

Onafhankelijk Indonesië
In augustus 1945 kwam er een einde aan de oorlog doordat Japan capituleerde na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Hiermee kwam er geen vrede in Nederlands-Indië. Voor de oorlog was er al een verdeling van voor en tegenstanders van de Nederlandse overheersing van Indonesië. De nationalisten kregen in de Japanse tijd meer succes. De Japanners probeerden de bevolking aan hun kant te krijgen met de leuze: 'Azië voor Aziaten'. Zij benoemden nationalistische leiders in het bestuur in plaats van de Nederlanders (die zaten in kampen). Zo kregen ze zelf meer invloed, al bleef de macht in handen van de Japanners. Toen Japan capituleerde grepen de nationalistische leiders hun kans. Twee dagen later riepen ze de onafhankelijke republiek Indonesië uit.
Dat ging tegen de plannen van Nederland in. Ze stuurden soldaten naar Indonesië en nam weer KNIL-soldaten in dienst. Dat waren voornamelijk Molukkers. Om aan het verzet een einde te maken voerde Nederland twee grote militaire acties uit, onder de noemer 'politionele acties'. Deze naam om aan te geven dat het ging om de binnenlandse orde te herstellen en dat was een taak van de politie. Ze won wel veel delen van Indonesië terug, maar uiteindelijk had het geen succes. Er waren andere staten die vonden dat Indonesië losgelaten moest worden, deze druk werd al snel te groot en op 21 december 1949 werd Indonesië afhankelijk.
Nog geen jaar later proclameerde Jakarta de eenheidsstaat (RI) en werd de deelstaat Oost-Indonesië, waaronder de Molukken, opgeheven. Voormalige Molukse KNIL-officieren als Julius Tahya en Joost Muskita gingen over naar het nationalistische leger (TNI). Veel onderofficieren en soldaten, beïnvloed door de Nederlandse propaganda tegen de Republiek, konden die stap niet maken, ook al omdat Jakarta aarzelde hun een plaats in het vooruitzicht te stellen binnen de TNI. Zowel Nederland als de Republiek liet hen vallen.
Het koloniale misbruik van de Ambonezen en de halfhartige dekolonisatie van de Molukse archipel leggen nog steeds een hypotheek op de relatie tussen 'Jakarta' en de Molukken en op de verstandhouding tussen Molukkers onderling. En dat is het zwaarst wegende argument tegen Nederlandse bemoeienis met het complexe Molukse vraagstuk.

KNIL
Ondertussen waren de Molukse soldaten overal verspreid over de archipel: sommigen vochten in het Nederlandse leger, anderen woonden met hun gezinnen in opvangkampen. Alle Molukkers werden door de Indonesische nationalisten als bondgenoten van de Nederlanders, hun vijand gezien. Ze werden vaak belaagd door deze nationalisten en daarom wilden ze weg naar hun eigen mensen.
Dat ging echter niet heel eenvoudig. Bij de onafhankelijkheidsverklaring was afgesproken dat het KNIL na een half jaar zou worden opgeheven. De Nederlandse militairen zouden naar huis toe gaan, de inheemse soldaten konden kiezen: of dienst nemen in het Apris (Indonesisch leger) of uit het leger gaan met het recht zelf de plaats te kiezen waar ze wilden wonen. Er waren weinig Molukkers die kozen voor het Apris. De meesten wilden wel in dienst blijven, maar in Oost-Indonesië worden gestationeerd.
Nederland had bij de onderhandelingen met de Indonesische nationalisten op aan gedrongen dat Indonesië een bond werd. Alle deelstaten zou bijna helemaal onafhankelijk zijn, dus wilden de Molukkers daar naar toe. Nederland had dit gewild om zo de eigen godsdienst en cultuur van de verschillende volken beter tot zijn recht te laten komen en de nationalisten gingen er akkoord mee (vreemd genoeg, want ze wilden een eenheidsstaat met een regering in Jakarta).
Er bleek dan ook niets van het Nederlandse plan terecht te komen. De deelstaten werden al snel opgeheven. Ze sloten zich aan bij de regering in Jakarta. behalve de deelstaat Oost-Indonesië. Dit was tegen de zin van de republikeinen, dat die in april 1950 troepen stuurden naar deze deelstaat. het leger daar was niet in staat de aanval af te slaan. Omdat Oost-Indonesië ingelijfd zou worden, werd op 25 april 1950 de Republik Maluku Selatan, de Republiek der Zuid-Molukken uitgeroepen. De leiders (de leider dhr. Chris Soumoukil is afgebeeld op de titelpagina) van de RMS wilden dat de Molukken zelfstandig zouden zijn in plaats van een deel van (groot) Indonesië.
Als reactie legde de Indonesische regering een blokkade om Ambon: niets mocht het eiland af. Toen dat niet bleek te helpen, werd het eiland aangevallen. De strijders van de RMS hielden het verzet tot november 1950 vol. Toen viel Ambon. Op de omringende eilanden, met name Ceram werd nog jaren guerrillastrijd gevoerd.
Molukse KNIL soldaten zaten toen verspreid over heel Indonesië. Ze werden gezien als bondgenoten van Nederland, de vijand van de nationalisten. In kazernes en kampen wachtten ze op wat er zou komen. De Molukse KNIL militairen, die in 1951 op Java bivakkeerden, werden uiteindelijk gedwongen te kiezen tussen een overstap naar het Indonesische leger, demobilisatie op Java en een overtocht naar Nederland.
Ze konden ook kiezen om naar een plek naar keuze te demobiliseren. Maar de gewenste plek -Ambon, waar in april 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS) was uitgeroepen of anders Nieuw Guinea- werd door Indonesië niet geaccepteerd.
Er was geen dienstbevel van Nederland. Maar de Molukkers wilden niet vrijwillig naar Nederland. Uit angst voor de openbare mening, omdat de Nederlandse dienstplichtigen in Indonesië zo lang op hun terugtocht moest wachten, besloot de regering tot tijdelijke zending naar Nederland als laatste optie. Een groep Molukse militairen, onder leiding van sergeant Aponno, adviseerde zijn lotgenoten in Indonesië voor de bootreis naar Nederland te kiezen. Overstappen naar het leger van de vijand ging iedere Molukker te ver. Ook vreesden ze voor een afrekening. Er was dus maar één uitweg. Ze hadden geen keus. Als ze niet kozen zouden ze op staande voet ontslagen worden. Daarom zijn ze de boot maar opgegaan. Sommige Molukkers herinneren zich dat wèl een dienstbevel tot inscheping werd gegeven door hun commandant.
Op papier waren de Molukkers Indonesiër, dus ’buitenlander’. In de tweede plaats was president Soekarno beloofd dat ze niet operationeel zouden worden ingezet, dus ze waren ’onbruikbaar’. Het Nederlandse kabinet nam het besluit tot ontslag toen de eerste boten naar Nederland al onderweg waren. Tot de aankomst van de Kota Inten bleef dit besluit strikt geheim. Bij aankomst in het demobilisatiecentrum in Amersfoort kregen de Molukkers hun ontslagbrief.

De ervaringen van Atus Kappuw:

Atus Kappuw werd op 3 december 1924 geboren in het dorpje Hutumuri op Ambon.

Aan de muur van zijn huis in de Molukse wijk in Capelle hangt een grote foto van Hutumuri. Rieten daken van de huizen steken uit tussen de vele palmbomen. Op de achtergrond zie je de Bandazee en de bergen.
Opa Atus moest tijdens de Japanse bezetting, van 1942 tot 1945, zijn studie voor onderwijzer afbreken. Op 28 augustus 1944 werd Ambon gebombardeerd. ,,Honderden vliegtuigen,’’ herinnert hij zich. ,,Alles werd plat gebombardeerd. Ambon stond in brand. Alle scholen werden gesloten.’’ Na de Tweede Wereldoorlog lukte het hem niet om de draad weer op te pakken.
Uiteindelijk meldde hij zich aan bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). In oktober 1946 vertrok hij naar Jakarta.
Kappuw zag heel Java toen hij militair was. Hij vocht tijdens de eerste politionele actie van juli 1947. Maar eenmaal terug in Jakarta (1948) had hij er genoeg van. ,,Ik wilde geen beroepsmilitair worden. Ik wilde terug naar Ambon.’’ Terug naar Ambon, dat wilde elke Molukse KNIL-miltair wel. Maar dat mocht niet. Ook Kappuw moest kiezen tussen het Indonesië en Nederland. ,,We móesten kiezen,’’ vertelt Kappuw. ,,Ik wilde niet naar het Indonesische leger. Dat was de vijand.’’ Uiteindelijk is hij ook naar Nederland gegaan, samen met zijn vrouw oma Dol. Ze gingen met de “SS Roma”.
De boottocht naar Nederland duurde goed een maand. Het begin van de reis was vaak hectisch, het tweede deel verliep rustig en saai. Aan het eind werd de stemming prikkelbaar. De meeste tijd werd zonnend aan dek doorgebracht. Maar dit werd steeds minder mogelijk toen het koudere Europa dichterbij kwam. Ter voorbereiding werden in het Egyptische Port Said militaire overjassen uitgedeeld aan de mannen en trainingspakken aan vrouwen, die ze als ’warm ondergoed’ onder hun sarongs droegen. De mannen deden trouw corvee. De tijd werd verder gedood met spelletjes als bridgen en klaverjassen. Het Nederlandse eten viel bij de Molukkers niet altijd in goede aarde. ,,We kregen rijst en aardappelen. Dat was niet zo lekker, vooral dat schapevlees niet,’’ zegt Kappuw. Op de Skaubryn -die in april richting Rotterdam vertrok- waren de eerste dagen veel zieke kinderen. Twee baby’s overleden als gevolg van een zonnesteek.
,,Een schip als dit is niet geschikt voor vervoer van een zo groot aantal kinderen en vrouwen,’’ schreef majoor P.G. Hilgerom in zijn reisverslag.
Maar ook werden gelukkige momenten beleefd. Op de Kota Inten werden vijf baby’s geboren: de eerste op de kade in Soerabaja. De baby werd genoemd naar zowel de gezagvoerder als het schip: Jibben Inten. Op de Atlantis werden maar liefst 31 kinderen geboren.
De 32ste werd geboren tijdens de ontscheping op de Lloydkade aan.

Op 7 april 1951 kwamen opa Atus en oma Dol aan met de SS Roma. “Het sneeuwde, getsiedemme. We hadden nog nooit sneeuw gezien,’’ zegt Kappuw.
De passagiers werden op de Lloydkade namens koningin Juliana welkom geheten door luitenant generaal D.C. Buurman van Vreeden, de laatste KNIL commandant in Indonesië. Hij vroeg begrip voor de moeilijkheden die Nederland moest overwinnen om het tijdelijk verblijf van de Molukkers mogelijk te maken. Maar, zei hij. ,,Moge de tijd hier door te brengen voor u een goede herinnering blijven...’’ Deze herinnering is dus nog steeds niet gekomen. Kappuw had al een slecht voorgevoel. ,,We wisten helemaal niet wat er zou gebeuren. Misschien was het voor een paar maanden en konden we daarna weer terug. Dat was ons tenminste beloofd. Maar ik vermoedde al dat het langer zou duren. Daarvoor was de afstand te groot.’’
Alle KNIL militairen kregen toen dus een brief waarin ze in het maleis te kennen werd gegeven dat ze ontslagen waren uit het leger.
Kappuw denkt boos terug aan dat moment. ,,Ik tekende niet hoor,’’ zegt hij verontwaardigd. ,,Ik heb de brief weggegooid. Wat moest ik doen? Ik was pas 26 jaar. Ik kon nog gewoon in het leger. Dat wilde ik ook. Wij hadden de status KL. Het is niet eerlijk. De overheid liegt tegen ons, iedereen liegt.’’
Verraden. Zo voelen de Molukse KNIL militairen zich als ze op de dag van aankomst in Nederland massaal uit de dienst worden ontslagen. Van de ene op de andere dag zijn ze werkloos. In een koud land ver weg van huis, waar ze door de overheid worden ondergebracht in voormalige werklozen en concentratiekampen, leegstaande kloosters en kazernes.
,,Toen we de eerste ochtend de gordijnen openden, zagen we bomen zonder bladeren. Zo raar,’’ zegt opa Atus Kappuw. Hij wordt met zijn echtgenote en nog zo’n zeventig gezinnen naar een klooster in het Limburgse Eijsden gebracht.
Vanuit het demobilisatiecentrum in Amersfoort zijn de 12.500 Molukse mannen, vrouwen en kinderen verspreid over heel Nederland. Sommigen treffen het goed: die gaan naar lege villa’s.
Maar het merendeel belandt in de voormalige concentratiekampen in Vught en Westerbork. Oude, tochtige barakken, alleen voorzien van het hoognodige meubilair. Kampen, ver weg van de bewoonde wereld.
De regering kiest bewust voor deze vorm van huisvesting. Ze wil voorkomen dat de Molukkers opgaan in de Nederlandse samenleving. ’Als ze eenmaal in gemeenten wonen, zijn ze moeilijk nog in kampen te krijgen’, zo stelt een ambtenaar van de Dienst Maatschappelijke Zorg van Binnenlandse Zaken. Assimilatie is niet de bedoeling. Het gaat tenslotte om een tijdelijk verblijf. Organisatorisch is de eerste opvang een rommeltje. Een bont gezelschap van departementen stort zich op de Molukkers.

^Molukse moeders, poserend voor hun barak
Het ontslag uit het leger wordt tevergeefs bij de rechter aangevochten. Nadat de Militaire Ambtenarenrechter de Molukse mannen in het gelijk heeft gesteld, besluit de Centrale Raad in hoger beroep dat de ambtenarenrechter niet bevoegd is een dergelijke beslissing te nemen. Het wordt een domper. Want iedereen hield rekening met een terugkeer van de Molukse militairen. Op de dag dat de Centrale Raad uitspraak doet, liggen hun uniformen al klaar, inclusief een welkomstbrief.

Daar zitten ze dan, de mannen die tot voor kort nog in dienst waren van het KNIL. En de vrouwen met de kinderen. Ze mogen niet werken, mogen eigenlijk helemaal niks doen. Het eten komt uit gaarkeukens, die onder supervisie van Nederlandse koks staan. De recepten voor de nasi goreng en sajoer kool staan op stenciltjes.
Er worden kledingbonnen uitgereikt waarmee ze in het dorp kunnen betalen. Maar de Molukkers vinden ’t maar rare kleren.
Ze vullen hun dagen met kaarten, voetballen, films kijken en muziek maken. Toch gaan de mannen op een gegeven moment bijklussen. Van de drie gulden zakgeld die ze per week krijgen, valt volgens hen niet te leven. ,,Wat kun je kopen voor drie gulden?’’ zegt Kappuw. Hij gaat kersen plukken voor vijf cent per kilo.
Anderen gaan appels plukken of aardappelen rooien. ,,Maar het mag niet. Als je wordt ontdekt, moet je zestig procent aan het CAZ betalen.’’
Iedereen krijgt te maken met het eind 1952 ingestelde Commissariaat Ambonezenzorg (CAZ). Je kunt er niet omheen. Het CAZ bepaalt wat je eet, waar je kleren koopt, waar je woont en wie er mag werken in het kamphospitaal of de keuken.
Het regelt cursussen naaien en hout en metaalbewerking. Voor later als ze teruggaan. Maar het CAZ houdt ook dossiers bij. CAZ wist alles. Alles wat je zei of deed, kwam in je persoonlijke dossier terecht. Je kon er je hele leven in terugvinden.
De bewoners hebben nu hun eigen kampraad, die optreedt als belangenbehartiger en gesprekspartner voor de Nederlandse functionarissen. Ook Kappuw neemt zitting in de raad. ,,Dingetjes regelen,’’ zegt hij. ,,En bemiddelen bij ruzies, want die waren er genoeg.’’
De kerk speelt een belangrijke rol. Molukse predikanten beginnen de zelfstandige Molukse Evangelische Kerk (Geredja Indjili Maluku). De kerk is belangrijk voor de groepsbinding. Er komen kerkkoren, raden en fluitorkesten, die de diensten begeleiden zoals dat ook op de Molukken zelf gebeurt.
De eerste jaren blijven de KNIL militairen hun uniform dragen, onder meer om de Nederlandse regering te herinneren aan zijn plichten tegenover de Molukse bevolking. Er is elke ochtend appèl. Er wordt gemarcheerd en met militair ceremonieel wordt de RMS vlag gehesen.
Het ene na het andere moeilijke jaar in Nederland verstrijkt. Teruggaan naar huis is nog steeds geen optie. Het Indonesische leger heeft op Ambon de touwtjes in handen. Dan, in 1956 besluit de regering dat de Ambonezen voortaan voor zichzelf dienen te zorgen. Ze moeten werk zoeken. De centrale keukens worden afgeschaft. En vanaf nu dienen ze net als iedereen huur, brandstof en licht te betalen.
Het verzet is fel. Keukens worden vernield. In Westkapelle loopt het uit de hand. De bewoners krijgen daarop geen geld en voedsel meer. Als reactie gaan ze winkelen zonder te betalen. Uiteindelijk grijpt de politie in. Er vallen negen gewonden.
In ’58 verhuist Kappuw van Limburg naar Capelle. ,,Wat moesten we? Het klooster werd opgedoekt. Iedereen moest kiezen waar hij naartoe wilde. In IJsseloord gingen we in barakken wonen. Met een keukentje en een eigen wc. Luxe hoor na de centrale wc van Eijsden.’’
Inmiddels wonen de meeste Molukkers in wijken bij elkaar. Grauwe, saaie, eenvoudige wijken. Meestal met een kerk, een stichtingsgebouw en een wijkraad. Op veel muurtjes en lantaarnpalen staat ‘RMS’ gekalkt.Ook Atus Kappuw woont in een Molukse wijk. Hij woont er sinds 1972.

“Ik ben inmiddels gewend aan de wijk. Ik zou niet meer op Ambon kunnen wonen. Ik heb wel heimwee, maar hier in de wijk is het beter. En ik ken iedereen. Elke vrijdag speel ik bingo in het wijkcentrum.”

Molukse Woonwijken
01. Appingedam 02. Delfzijl 03. Hoogkerk
04. Groningen 05. Marum 06. Oosterwolde
07. Hoogezand 08. Assen 09. Almelo
10. Deventer 11. Winterswijk 12. Cuyck
13. Geleen 14. Heer 15. Nijverdal
16. Rijssen 17. Zevenaar 18. Teuge
19. Tiel 20. Leerdam 21. Moordrecht
22. Krimpen aan de IJssel 23. Waddinxveen 24. Wormerveer
25. Tilburg 26. Souburg 27. Middelburg
28. Koudekerk 29. Barneveld 30. Hoogeveen
31. Eerbeek 32. Doesburg 33. Opheusden
34. Elst 35. Breda 36. Breukelen
37. Hatert 38. Bemmel 39. Helmond
40. Waalwijk 41. Zwolle 42. Apeldoorn
43. Lunteren 44. Culemborg 45. Alphen aan de Rijn
46 Bovensmilde 47. Capelle aan de IJssel

De Molukse cultuur
Molukkers hebben een grote gemeenschapszin. Wie zich in hun Molukse wetten en gewoonten verdiept, valt onmiddellijk de grote nadruk op het collectief op. Molukkers wonen vaak op een kluitje, in hetzelfde huis of in dezelfde wijk. Ze vormen bondgenootschappen (pela). Bij begrafenissen bijvoorbeeld, worden inzamelingsacties gehouden voor nabestaanden (muhabbat). De overledene wordt veelal in buurthuizen opgebaard; soms wordt hij of zij in het openbaar uitgeleide gedaan met een fluitorkest. Dergelijke muziekuitingen vinden hun oorsprong in de kerk, die een centrale plaats in het leven van veel Molukkers inneemt. Bij bruiloften en partijen is altijd een dansgroep aanwezig.
Molukkers in Nederland houden vast aan de traditie dat je elkaar altijd helpt. Maar initiatieven voor hulp verzanden vaak door onderling gekibbel.
Ondanks de heterogeniteit van de bevolking op de Molukken, voelen Molukkers zich met elkaar verbonden via de adat. Dit is een soort ongeschreven wet met regels waaraan je je moet houden in het leven. Doe je dat niet, dan wordt je getroffen door ziekte, ongeluk of een slechte oogst. De belangrijkste adat-regels is de pela, een verbond tussen meerdere dorpen. Dorpen met dit pela-verbond helpen elkaar in tijden van nood. Ze moeten elkaar ook bijstaan als er iets groots wordt gebouwd zoals een kerk of school. Vaak is zijn de pela-verbonden hecht als families. Er zijn dan ook verbonden waarbij jongens en meisjes uit de pela-dorpen niet met elkaar mogen trouwen.
Tussen Hutumuri (op Ambon), Siri-Sori (op Saparua) en Tamilou (op Seram) bestaat de bongso-traditie. Dit is ongeveer hetzelfde als de pela-traditie, ook hierbij hebben ze beloofd niet met elkaar te trouwen en elkaar te helpen wanneer het nodig is, op wat voor manier dan ook. Ze hebben dit gedaan door een ceremonie uit te voeren, dit was op een rots in de zee, genaamd “Hatumari”. Dit ging als volgt: De drie broers hebben hun pinken bij elkaar gebonden, vervolgens sneeën in hun pinken gemaakt, en het bloed in een kommetje laten opvangen. Dit dronken ze op. Toen hebben ze de hiervoor genoemde beloftes gedaan. Daarna zijn ze alledrie één kant op gevaren. Ze zijn toen dus aangekomen in Tamilou, Hutumuri en Siri-Sori.
Omdat de Molukse vaders uit het KNIL kwamen werden de kinderen op een andere manier gestraft dan de meesten hier in Nederland doen. Veel straffen hadden de vaders geleerd van ‘de Jappen’. Niemand in Nederland kende bijvoorbeeld ‘pompen’. Je moet dan je armen gekruist houden en je oren vastpakken, en dan door je hurken. Steeds maar weer, en als het niet snel genoeg ging kreeg je een tik met een stok of met de mattenklopper.
Sommigen waren écht hard. Ze lieten hun kind dan gewoon in hun blootje door het kamp heen lopen zodat het kind zich dood schaamde. Maar dat deden ook alleen de echte soldaten.
Mijn vader vertelde dat hij vroeger met zijn broers door het raam had geschoten met voetbal. Voor straf moesten ze allemaal op een stoel voor het raam staan. En dan liet mijn opa de lamp fel op hen schijnen zodat iedereen hen kon zien. Hun vriendjes lachten ze natuurlijk allemaal uit.

Bronnen

Internetsites:

http://www.museum-maluku.nl/

http://web.planet.nl/specials/molukken/index.shtml

http://www.rnw.nl/achtergronden/html/rms020611.html

http://www.hetdrentseboek.nl/boeken/martin.htm

http://www.rotterdamsdagblad.nl/molukken/verhalen.htm

http://www.vpro.nl/programma/dokwerk/index.shtml?2785571+3106160+3106146+3175971

http://homepage.scw.vu.nl/~s1112708/id-map.jpg (plaatje)

http://www.infomaluku.com/

http://www.infomaluku.net

http://clik.to/molukken (landkaarten)

http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Molukken/inhoud.html

http://www.rmsfanaticz.com

http://www.dlm.org

Boeken:

v Maluku, de Molukken;
v Riwayatku…dulu, dan sekarang apa?/Riwayatku…toen, en wat nu?

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

Woow!!! 6947 woorden!!!!! Zoo veel!! Ik ben zelf moluks en ik vind deze spreekbeurt echt supercool!! dikke 10!!!

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

leuk cool heeft veel informatie

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

W.

W.

Knap, maar niet alles klopt.

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

usi .. goede werkstuk .. heb er veel aangehad bedankt voor alles liefs xx

13 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

G.

G.

In het artikel las ik dat er formeel geen dienstbevel is gegeven om naar Nederland te worden overgebracht, maar dat is wel degelijk het geval geweest.
De bewijzen (en nog veel meer documenten) vindt u op mijn site:

http://gdb.blogsnel.nl/Molukkers/

Het staat u vrij om mijn site in uw artikel te vermelden.

Met vriendelijke groet,
Gerard

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast