Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Immanuel Kant

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 6e klas vwo | 5044 woorden
  • 9 juli 2006
  • 25 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 25 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Inleiding

Ik heb gekozen voor een boek van Kant, omdat we het in de eerste schoolperiode over hem gehad hadden en ik vond dat hij een interessante kijk had op dingen. Ik heb gekozen voor de schoonheid, omdat het mij boeiend leek om te lezen waarom een mens dingen mooi vind.
Ik heb gezocht naar boeken waarin filosofen kritiek geven op Kant, maar heb deze niet gevonden. Daarom heb ik van internet een artikel gehaald van Veblen, die hierin wel kritiek geeft op Kants visie op de schoonheid.

Biografie van Kant

Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724 in Koningsbergen, Duitsland (nu Kalingrad in Rusland.) Hij groeide op in een eenvoudig, godsdienstig gezin, met naast een vader en een moeder een broer en drie zussen. Zijn vader was zadelmaker van Schotse komaf, en zijn moeder was een weinig opgeleidde maar intelligente Duitse vrouw. Het geloof dat het gezin aanhing was dat van het strenge Lutherse piëtisme, dat een eenvoudig leven met een sterk geloof in de moraal voorschreef.

In 1732 ging hij naar het Collegium Fridericianum, een Latijnse school, waarover hij later erg negatief was.
In 1740 schreef Kant zich in als student aan de universiteit van Koningsbergen, waar hij eerst theologie en later filosofie, wis- en natuurkunde studeerde. Hier maakte hij kennis met de ideeën van Leibniz (onder andere zijn indeling van de waarheden in redelijk-noodzakelijke en feitelijke) en met Isaac Newton, die voor hem de personificatie van de wetenschap werd.
In 1746 verliet hij de universiteit en publiceerde hij zijn eerste wetenschappelijk (natuurkundig) werk. In deze periode (1746-1755) was hij ook huisleraar in verschillende, rijke families. Dit was geen ongelukkige tijd voor hem. Hij kwam door dit werk in aanraking met de stad en dit gaf hem de mogelijkheid om voor hem 'exotische' reizen te maken. Zij verste reis was 0naar Arnsdorf (deze plaats lag ongeveer op 100 kilometer afstand van Koningsbergen.) Het was niet reizen maar lezen wat Kants blikveld verruimde. Ook al was hij maar ruim anderhalve meter groot, in de collegezaal was hij een ware sensatie. Hij was van nature een onderhoudend spreker, hij maakte tussen zijn lezingen door grapjes en noemde literaire verwijzingen en doceerde met succes over elk onderwerp, van de natuurkunde van Newton tot vuurwerk en de vorm van de aardkorst. Hij kreeg een professoraat in de letterkunde aangeboden aan de universiteit van Berlijn maar wees deze baan af omdat hij een rustig leven wilde leiden in zijn woonplaats waarop hij zo gesteld was. Zijn rust en kalmte werden al genoeg verstoord door de vele jonge filosofen en regeringsvertegenwoordigers die naar Koningsbergen reisden om zijn wijsheden te horen. Toch wist hij zijn gewoonte om elke dag een wandeling van een uur te maken samen met zijn huisknecht (die hij op hoge leeftijd ontsloeg op verdenking van fraude) vol te houden zodat de mensen hun klok gelijk konden zetten op de momenten waarop hij in hun straat verscheen. Zijn favoriete straat is naar hem vernoemd: “ De wandeling van de filosoof”. Maar één keer werd hij ‘gemist’. Hij zei dat hij Rousseaus boek Émile zo boeiend vond dat hij haar in een keer wilde uitlezen en daarom was thuis gebleven.
In 1755 ging Kant terug naar de universiteit van Koningsbergen om er zijn doctorsgraad te halen. Een jaar later ging hij er lesgeven.
In 1781 kwam kant met een nieuwe filosofie, die noemde hij de ‘transcendentale kritiek’. Zoals dat bij zo veel filosofen gebeurde brachten zijn controversiële religieuze overtuigingen hem in moeilijkheden. Nadat hij in 1793 De religie binnen de grenzen van de enkele rede publiceerde waarin hij twijfelde aan de traditionele christelijke leerstellingen, droeg koning Frederik-Wilhelm II hem op om te stoppen met schrijven over en lesgeven in religieuze aangelegenheden.
In 1796 moest Kant stoppen met het geven van colleges om gezondheidsredenen.

Kant stierf op 12 februari 1804 in zijn geboorteplaats. Op zijn grafsteen staat geschreven: “De met sterren bezaaide hemel boven mij en de morele wet in mij. Dit zijn de twee dingen waarvan hij schreef dat ze ’de geest steeds opnieuw vervullen van groeiende bewondering en ontzag, hoe vaker en dieper we erover nadenken.’

Immanuel Kant's dagindeling:

Opstaan: 05.00 uur.
Zijn bediende mocht hem zelfs niet laten doorslapen, wanneer hij daar zelf om gevraagd had.

Van 05.00 tot 07.00 uur werkte hij (o.a. aan zijn 'Kritieken'), daarna volgden de colleges.
Na de colleges trok hij zich weer terug in zijn studeerkamer tot 13.00 uur: het moment, waarop hij de enige maaltijd van die dag tot zich nam. Een uitgebreid middagmaal, meestal in het gezelschap van vrienden, die hij de ochtend daarvoor had uitgenodigd.
Omdat hij ervan overtuigd was, dat dit goed was voor de spijsvertering, probeerde hij dit middagmaal met/in gelach te laten beëindigen.
Hierna volgde een siësta en een vaste wandeling.

Na de wandeling rustte en werkte hij nog wat, sprak hij met vrienden, waarna hij zich om 22.00 uur in zijn deken rolde en sliep tot de volgende ochtend.
Dit schema doorbreken, Kant moest er niet aan denken.

Filosofie van Kant

Het menselijk kenvermogen heeft volgens Kant een zintuiglijk deel dat passief is, en een actief deel dat door denken en oordelen gekenmerkt is. Zonder waarneming zijn begrippen leeg, maar zonder begrippen blijven zintuiglijke indrukken blind. Oordelen die kennis van de werkelijkheid opleveren zijn een synthese van zinnelijke waarneming en denken (begrippen en ideeën). De inhoud van ons kennen wordt aangeleverd vanuit het lagere, zinnelijke kenvermogen, maar inzicht, structuur en wetmatigheid worden tot stand gebracht door het hogere, het denkvermogen. Kant onderscheidt dat hogere kenvermogen in rede (Vernunft: het vermogen tot redeneren, dat vanuit principes eenheid in onze kennis aanbrengt en op grond daarvan transcendente ideeën vormt), verstand (Verstand: het vermogen dat begrippen en regels met betrekking tot ervaringskennis vormt) en oordeelskracht (Urteilskraft: het vermogen dat de begrippen toepast).
In Kritik der reinen Vernunft onderzoekt Kant de voorwaarden en grenzen van het menselijk verstand. Hij is het met Locke en Hume eens dat kennis voor een belangrijk deel berust op zintuiglijke ervaringen. Maar met Humes afwijzing van het substantiebegrip en het causaliteitsprincipe is hij het niet eens. Kant is ervan overtuigd dat wij wel degelijk kennis bezitten over substanties en oorzaak-gevolgrelaties. Deze kennis is niet afkomstig uit de ervaring, maar uit het verstand. De manier waarop wij de wereld waarnemen wordt volgens Kant gestructureerd door ons verstand. Zo nemen wij objecten altijd in de ruimte waar en kunnen wij ons handelingen en gebeurtenissen niet voorstellen zonder tijd. De voorwerpen om ons heen nemen een bepaalde plek in, ze zijn gesitueerd in een ruimte: een kamer, een zaal of gewoon buiten. Gebeurtenissen hebben altijd een bepaalde lengte of duur en meestal vinden ze ook in een bepaalde volgorde plaats. Ruimte en tijd zijn de ‘vormen’ die ons verstand aan de waarneming van de werkelijkheid oplegt volgens Kant.
Dat betekent dat onze waarneming geen directe afspiegeling van de werkelijkheid is, zoals Locke en Hume dachten, maar bepaald wordt door de manier waarop ons verstand de zintuiglijke indrukken verwerkt en interpreteert.
Een belangrijk gevolg van Kants opvatting is dat wij slechts kennis kunnen hebben van de werkelijkheid zoals zij aan ons verschijnt en niet van de werkelijkheid zoals zij werkelijk is. Menselijke kennis is principieel subjectief, namelijk afhankelijk van degene die waarneemt. Volledige objectieve kennis is voor mensen onbereikbaar, want daarvoor is een standpunt buiten tijd en ruimte vereist: een view from nowhere.
In de Kritik der praktischen Vernunft tracht Kant aan te tonen dat uit ons morele plichtsbesef blijkt dat de rede in staat is geheel vanuit zichzelf, los van alle gevoelens van lust en onlust, aan de wil principes op te leggen die moeten worden nagekomen bij het nastreven van welke doeleinden dan ook. De rede blijkt aldus op het gebied van het handelen wetgevend te zijn. De idee van vrijheid, die in theoretisch opzicht slechts problematische kennis inhoudt, krijgt daardoor in de sfeer van het menselijk handelen een volstrekt zeker fundament, ook al begrijpen we niet hoe vrijheid werkt. Op basis van het vrijheidsbegrip moeten we de mens denken als een bewoner van twee werelden: de wereld van de natuur waarin de wetten van causaliteit heersen en de wereld van de vrijheid, waarin aan het handelen morele wetten kunnen worden gesteld.
Het verstand is constitutief voor het theoretische kennen en heeft aldus een eigen gebied waarin het wetgevend is: theoretisch begrip van de ervaringswereld. De rede is wetgevend voor het begeervermogen en heeft als eigen gebied de zedelijke werkelijkheid van recht en moraal. Vanuit architectonisch gezichtspunt is het zinvol te vragen of ook de oordeelskracht in zijn verhouding tot het gevoel zo'n eigen gebied heeft. Daarmee zou er een brug geslagen worden tussen de twee gebieden van natuur en vrijheid. In de Kritik der Urteilskraft laat Kant zien dat er niet in strikte zin zo'n derde gebied is. Gevoel en oordeelskracht bewegen zich in een veel vrijere verhouding tot elkaar. Er is hier geen vaste bodem die het heersen van objectieve wetten mogelijk maakt, maar er gelden wel subjectieve principes en regelmatigheden die een zinvolle ordening van onze voorstellingen bewerkstelligen. De derde kritiek heeft een zeer complexe inhoud. Vereenvoudigd uitgedrukt heeft ze tot taak vast te stellen binnen welke grenzen het redelijkerwijs zinvol is om in een objectieve zin met betrekking tot onze gevoelens en de natuur over schoonheid en doelmatigheid te spreken. Hier worden ook de fundamenten gelegd voor een reflectie over het doel van de geschiedenis als het veld waarin natuur en vrijheid met elkaar in wisselwerking staan

Leesverslag

Het boek begint met een inleiding die is geschreven door Jacques de Visscher. Hierin legt hij Kants bedoelingen met de Kritik der Urteilskraft uit en ook legt hij bepaalde begrippen uit die Kant in zijn boek gebruikt, zodat het beter te begrijpen is.

Volgens Jacques de Visscher heeft Kant dit boek geschreven als sluitstuk van de twee voorgaande Kritiken, “Kritik der reinen Vernunft” en “Kritik der praktischen Vernunft”. Deze twee boeken beschreven het kennis- en het wilsvermogen (als a priori-beginsel). Hij had een nieuw a priori-beginsel ontdekt, namelijk het gevoel van behagen en onbehagen, dit beschreef hij in de “Kritik der Urteilskraft”. Zijn bedoeling ging dus niet verder dan het vervolmaken van zijn studie van de a priori-beginselen in de drie globale vermogens (kennen, willen en gevoel van behagen en onbehagen).

In deze inleiding legt Jacques de Visscher het begrip “het schone” uit, waar het boek voornamelijk om draait. “Het schone is geen eigenschap van een object, maar een belangeloos en begripsloos welbehagen in de voorstelling van een gegeven object. Dit welbehagen is tegelijkertijd universeel en noodzakelijk en wordt subjectief gevormd”. Dit is volgens Kant de zuivere schoonheid. Het mag geen doel hebben, het is subjectief en geldt voor iedereen.
Naast de zuivere schoonheid is er ook nog de toegepaste schoonheid, van bijvoorbeeld een gebouw als kerk of van een bloem als roos. Hier is de schoonheid afhankelijk van een begrip en valt onder een bepaald doel, dit is dus niet meer zuiver schoon.

Het schone is het symbool van het ethisch goede. Het schone is de uitdrukking en de toegang tot de rede, waar de wetten van het ethische hun grondslagen hebben. Ook hebben ze vier overeenkomsten: het onmiddellijke, het belangeloze, de vrijheid en het universele.

De oordeelskracht is het vermogen om het algemene op het individu te betrekken.
Bepalende oordelen: Hierin denkt men in het licht van een gegeven algemeen geldende regel, een universeel beginsel of een wet.
Reflexieve oordelen: de basis is het individuele en het individuele oordeelsvermogen wil achterhalen of dit universeel geldt.

Na de inleiding komt de ontledingsleer van het schone, vertaling van het eerste gedeelde van de “Kritik der Urteilskraft”.
Hier wordt vanuit vier gezichtspunten gekeken naar het schone.

Het eerste gezichtspunt: Het smaakoordeel naar de kwaliteit.

Hierin wordt uitgelegd dat het smaakoordeel esthetisch is, omdat het geen kennisoordeel is maar betrokken wordt op het subject en zijn gevoel van behagen en onbehagen.

“Het welbehagen dat door het smaakoordeel bepaald wordt is volkomen belangeloos”. Als er een belang mee speelt, is het smaakoordeel partijdig en dus niet meer zuiver. Je mag niet van het bestaan afweten om de rol van rechter te kunnen spelen.

“Het welbehagen in het aangename is met een belang verbonden”. Je doet iets omdat je weet dat het aangenaam is. Je drinkt bijvoorbeeld een glas ijsthee, omdat je weet dat je het lekker vindt, in plaats van een glas azijn, waarvan je weet dat je het niet lekker vindt.

“Het welbehagen in het goede is met een belang verbonden”. Goed is dat wat door middel van de rede al bevalt. Er is altijd al een doeleinde verondersteld, je hebt een of ander belang. Om iets goed te vinden moet je er een begrip van hebben, om ergens schoonheid in te vinden is dat niet nodig.

Het verschil tussen het goede en het aangename is zintuiglijk, als je bijvoorbeeld een sigaret rookt, is dat op dat moment voor jou aangenaam maar het is niet goed. Het is slecht voor je gezondheid. Goed ziet met de rede de gevolgen in .

Aangenaam is voor iemand wat hem voldoening schenkt.
Schoon wat hem gewoon behaagt.
Goed wat gewaardeerd wordt, waaraan hij een objectieve waarde hecht.

“De definitie van het schone afgeleid uit het eerste gezichtspunt is: smaak is het oordeelsvermogen over een object of over een voorstellingswijze door een welbehagen of onbehagen zonder enig belang.”

Wat ik zelf grappig vond aan het lezen van het eerste gezichtspunt was dat ik er eigenlijk nooit eerder over nagedacht had over de verschillen in de betekenissen van woorden. Het goede, het aangename en het schone betekenen alle drie iets anders, het verbaasde me hoe goed Kant dat uit wist te leggen.

Het tweede gezichtspunt: Het smaakoordeel naar de kwantiteit

“Het schone is wat zonder begrippen als object van een algemeen welbehagen voorgesteld wordt”. Wanneer iemand bewust is van welbehagen bij hemzelf in een object, zonder belangen, dan kan hij niet anders beoordelen dan dat het bij iedereen voor welbehagen moet zorgen. Je bent volledig vrij bij het oordeel, dus zijn er geen voorwaarden die alleen voor jou zelf gelden, dus gelden ze voor iedereen.

Bij het aangename geldt: iedereen heeft zijn eigen smaak.
Bij het schone is dat niet zo, hier is sprake van algemeengeldigheid.
Bij het goede wordt ook aanspraak gemaakt op algemeengeldigheid, maar het goede wordt door een begrip als een object van algemeen welbehagen voorgesteld, dat is bij het schone en het aangename niet zo.

Het smaakoordeel is altijd subjectief omdat het gaat om het persoonlijke gevoel van behagen en onbehagen, maar is wel universeel geldend.

De opwekking van de vermogens verbeeldingskracht en het verstand, tot onbestemde, maar toch (dankzij de gegeven voorstelling) tot eenstemmige activiteit geven de universaliteit aan.

“De definitie van het schone volgens het tweede gezichtspunt: schoon is datgene wat zonder begrip algemeen behaagt.”

Wat ik raar vond aan het tweede gezichtspunt was dat volgens Kant het schone universeel is. Dat iedereen dus hetzelfde schoon vindt. Als jij iets mooi vind is het dus heel moeilijk schoon te noemen, omdat het aan heel veel voorwaarden moet voldoen.

Het derde gezichtspunt: Over de smaakoordelen volgens de relatie der doeleinden die erin beschouwd worden

We kunnen doelmatigheid naar de vorm bekijken, zonder dat we een doel als grondslag zien.

Het smaakoordeel gaat om de onderlinge verhouding der voorstellingsvermogens. Als een object schoon gevonden wordt gaat het samen met een gevoel van welbehagen, dat voor iedereen verklaard wordt. Dus kan alleen subjectieve doelmatigheid in de voorstelling van een object zonder objectief of subjectief doel het welbehagen uitmaken.

Schoonheidsoordelen maken aanspraak op algemene geldigheid en moet dus a-priori zijn.

Het zuivere smaakoordeel is onafhankelijk van prikkels en ontroering. Bij bijvoorbeeld een tekening vindt men de basis van alle opbouw voor de smaak ook in die tekening, in de vorm. De kleuren van een tekening of de omlijsting ervan zijn prikkels en tellen niet mee in het zuivere oordeel.
Ontroering, waar het genoegen alleen veroorzaakt wordt door een plotselinge remming van de levenskracht en door een daaropvolgende sterkere uitstorting van die levenskracht, behoort niet tot de schoonheid. Ze hebben beide een andere maatstaaf voor de beoordeling.

Het smaakoordeel is volkomen onafhankelijk van het begrip volmaaktheid. De volmaaktheid wil zeggen de nuttigheid. Het welbehagen kan niet berusten op het nut van de voorstelling, want dan zou het geen onmiddellijk welbehagen zijn.

Er zijn twee soorten schoonheid: vrije schoonheid en voorwaardelijke schoonheid.
Vrije schoonheid bevat geen begrippen, ze stellen niets voor. Het welbehagen in deze schoonheid zet geen begrip voorop, maar is onmiddellijk verbonden met de voorstelling. Dit is een zuiver smaakoordeel.
Voorwaardelijke schoonheid zet een begrip voorop, bijvoorbeeld de schoonheid van een mens als vrouw. Hier is welbehagen als afhankelijk van een verstandsoordeel en wordt daardoor beperkt, dan is het geen vrij en zuiver smaakoordeel meer.

“Definitie van het schone volgens het derde gezichtspunt: schoonheid is de vorm van de doelmatigheid van een object, in zoverre er geen doel in dat object wordt waargenomen.”

Hoe verder ik lees hoe ingewikkelder het wordt, maar hier valt me weer op dat Kant woorden zo ver uitpluist en dat je zo op zo veel verschillende manieren kunt toepassen. Het verbaast me echt hoe diep hij over bepaalde woorden heeft nagedacht.

Vierde gezichtspunt: van het smaakoordeel volgens de modaliteit van het welbehagen in het object.

Wat modaliteit van het smaakoordeel is heb ik niet begrepen, het wordt voor mij niet duidelijk beschreven in het boekje. Dit onderdeel sla ik dus maar over, want ik kan het toch niet uitleggen.

Het smaakoordeel verwacht de instemming van iedereen, wie iets schoon noemt wil dat iedereen het object schoon zou moeten verklaren.

Alleen in de veronderstelling van een gemeenschappelijke zin kan er een smaakoordeel geveld worden.

In alle oordelen, waardoor wij iets schoon verklaren, staan we niemand toe een andere mening te hebben. We baseren ons oordeel niet op begrippen, maar alleen op ons gevoel. We nemen dit gevoel als grondslag, niet als een privé-gevoel, maar als een gemeenschappelijk gevoel. Dit is een subjectieve noodzakelijkheid.

“Definitie van het schone volgens het vierde gezichtspunt: schoon is wat zonder begrip als object van een noodzakelijk welbehagen gekend wordt.”

Ik vond dit vierde gezichtspunt erg ingewikkeld en eigenlijk het enige wat ik eruit heb kunnen halen is dat als je iets schoon noemt, dat je dan vind dat iedereen het schoon moet vinden.

Het filosofische meningsverschil

Ik kon geen boek vinden van een filosoof die kritiek gaf op dit boek van Kant. Wel heb ik een artikel gevonden over Thorstein Bunde Veblen, die hier ingaat op de smaak en kritiek geeft op Kant.

Kant vind dat smaak los staat van externe factoren en het oordeel gebeurt onmiddellijk doordat het object het individu wel of niet bevalt. Dit is de zuivere smaak.
Kant beschouwde daarom kunst als wezenlijkheid op zich.
Tegenover de zuivere smaak staat de populaire smaak. Deze vermengt volgens Kant kenmerken van het object met emoties en voldoening.
Volgens Kant kan iedereen, wanneer we zuiver van oordeel zijn, tot een zelfde smaakoordeel komen. Volgens Kant is smaak dus niet alleen een persoonlijk oordeel maar ook een universeel mogelijk oordeel, goede smaak uit zich universeel, niet als empirisch feit. Veblen zegt dat dit wel empirisch is.

Veblen meende niet dat er zoiets bestond als universele smaak. Smaak, met betrekking tot consumptie, wordt bepaald door de bovenste klasse.
De wet van verspilling beïnvloed de zienswijze van een individu. Iets wat door de maatschappij wordt voorgeschreven als normaal gebruik heeft niet alleen invloed op het economische leven, maar het heeft op andere manieren ook een indirect effect op gedrag en de kijk op wat goed en slecht is. Als de economie groeit en je het beter krijgt, beschouw je bepaalde dingen als gewoon en mooi en niet meer als verspilling. Het hangt dus met je sociale status samen wat je mooi vindt en wat je wilt hebben.

Ook was Veblen van mening dar er een raaklijn was tussen religie, smaak en ostentatieve (met opzettelijk vertoon) consumptie. Vooral priesters uit de primitieve culturen waren hier een goed voorbeeld van. Bijvoorbeeld vanwege hun kleding, die zij gewoon droegen omdat dat van hen verwacht werd, terwijl deze duur was en niet lekker zat. Dit bewijst dat de priesters deze kleding niet droegen omdat deze van universele schoonheid was of nuttig, prettig, maar om aan verwachtingen te voldoen.

Mensen gaan dus dingen mooi vinden omdat het vaak herhaald wordt en omdat het een bepaalde status aangeeft. Bij Kant is dit niet zo, iets is schoon als het een gevoel van welbehagen oproept en het zonder doel is. Als jij iets mooi vindt om er iets mee te bereiken heb je dus een doel.

Het schone is bij Kant universeel en bij Veblen verschilt dit per goederenklasse.

Veblen is het ook oneens met Kants notie van smaak als oordeelsvermogen.
Volgens Veblen wordt je oordeel beïnvloed door de maatschappij.
Het hangt er mee samen bij welke klasse je hoort of je iets mooi vindt of niet.
Er vindt een verwarring tussen schoonheid en status plaats. Dit is bij Kant niet zo, het is universeel en belangeloos.

Veblen zegt dat je op ervaringen een oordeel baseert en Kant gaat uit van een “onbeschreven blad”, zijn ervaringen hangen niet samen met wat hij mooi vindt, schoonheid is een los iets.

Schoonheid en smaak staan bij Kant los van elkaar, Veblen zegt dat ervaren van schoonheid afhankelijk is van je smaak en die smaak die kan zelfs aangeleerd worden.

Wat mooi gevonden wordt, wordt doordrongen door de wet van ostentatieve verspilling, je koopt iets niet alleen omdat je het mooi vindt, maar omdat het je bij je status hoort. Het is dus ook klassengebonden.

10 vragen naar aanleiding van het meningsverschil

1. Is schoonheid universeel of niet?
Kant zegt wanneer iemand bewust is van welbehagen bij hemzelf in een object, zonder belangen, dat hij dan niet anders kan beoordelen dan dat hij bij iedereen voor welbehagen moet zorgen. Je bent helemaal vrij in je oordeel, dus er zijn geen voorwaarden die alleen voor jou zelf gelden, daarom gelden ze voor iedereen.
Veblen zegt dat er niet zoiets is als universele schoonheid. Volgens hem wordt het bepaald door de bovenste klasse, het hangt samen met je status wat je mooi vindt. De maatschappij schrijft iets voor en daardoor vind je het mooi.
Ik ben het met Veblen eens dat je door de maatschappij beïnvloed wordt in wat je mooi vindt, bijvoorbeeld dat als een bepaald merk spijkerbroek “in” is, wil je ook dat merk spijkerbroek hebben. Met de trends wordt bepaald wat jij mooi behoort te vinden.

2. Is je smaak beïnvloedbaar of niet?
Veblen zegt dat iets wat door de maatschappij wordt voorgeschreven invloed heeft op de smaak van een individu. Smaak kan aangeleerd worden, door het vaak te herhalen.
Bij Kant is dit niet zo, volgens hem kun je alleen een zuiver smaakoordeel geven als je niet van het bestaan af weet. Door invloed van anderen is je smaakoordeel niet meer zuiver. Het oordeel wordt bepaald door het onmiddellijke gevoel van welbehagen of onbehagen en niet omdat het bij je status hoort.
Ik ben het met Kant eens dat je oordeel alleen zuiver is als je niet van het bestaan af weet, als je weet wat het is, ben je altijd al op de een of andere manier partijdig. Als je nog van niemand hebt gehoord wat zij ervan van vinden en er wordt ook niks van je verwacht, dan kun je naar je gevoel beoordelen of je het echt mooi vindt of niet. Ik denk wel dat je door wat anderen ervan vinden er toch anders tegenaan kan gaan kijken. Mensen verwachten iets van je en vaak heeft dat ook invloed op je smaak.

3. Is de smaak empirisch gefundeerd?
Volgens Kant is het schoonheidsoordeel a-priori en berust het dus niet op empirische ervaringen, het zit in je natuur en is universeel. Je kunt alleen zuiver oordelen als je niet van het bestaan van het object af weet.
Veblen is het niet eens met een universele, natuurlijke smaakzin, volgens hem kan smaak aangeleerd worden.
Ik ben het eens met Kant dat je een natuurlijke smaakzin hebt, als klein kind vind je ook bepaalde dingen al lekker of niet, mooi of niet. Maar ik denk dat als je opgroeit en je meer te maken krijgt met de mensen om je heen, je wel een bepaalde smaak aangeleerd kunt krijgen. Zoals bijvoorbeeld bier vinden veel mensen van nature niet lekker, maar als het vaker drinken gaan ze het ook lekker vinden.

4. Is er een verschil tussen het schone, het aangename en het goede?
Bij Kant is aangenaam iets voor iemand wat hem voldoening schenkt, is schoon iets wat iemand gewoon behaagt en is goed wat gewaardeerd wordt, waaraan hij objectieve waarde hecht.
Ik denk dat Veblen hier niet echt een onderscheid tussen maakt. Hij geeft als voorbeeld een priester die bepaalde kleren draagt omdat men dat van hem verwacht. Je vindt iets dus schoon, omdat het goed is en aangenaam. Niet omdat het je behaagt. Je vindt het mooi doordat het een bepaalde status geeft en dus aangenaam is.
Ik ben het met Kant eens dat ze alle drie iets anders zijn, voordat ik dit boek gelezen had, had ik er nog niet over nagedacht, maar hoe hij de begrippen uitlegt, kloppen ze ook echt.

5. Is kunst iets op zichzelf staands?
Kant beschouwd kunst als een entiteit “an sich”, omdat een zuiver, los van externe invloeden, oordeel van het ‘smaakinstinct’ onmiddellijk gebeurt doordat het object een individu wel of niet bevalt.
Volgens Veblen is kunst vooral een vorm van ostentatieve consumptie, met name religieuze kunst.
Als ik kunst zou kopen, zou ik het kopen omdat ik het mooi vind en niet om er een bepaalde status mee te krijgen. Maar ik denk wel dat er mensen zijn die iets zouden kopen omdat ze er dan over op kunnen scheppen.

6. Ligt er aan het oordeelsvermogen een a priori-beginsel ten grondslag?
Volgens Kant is dit zo, dit beginsel zou dan uitsluitend subjectief zijn. Hier wordt de basis gevonden voor wat zonder begrip algemeen behaagt of mishaagt.
Veblen zegt dat smaak aangeleerd kan worden en hij is het dus niet eens met een a priori-beginsel.
Ik ben het eens met Kant dat er wel een a priori-beginsel ten grondslag aan het oordeelsvermogen moet liggen. Want een baby vind ook bepaalde dingen mooi en niet. Hij kiest automatisch voor de dingen die hem behagen.

7. Heeft schoonheid een doel?
Bij Kant is er geen enkel doel bij zuivere schoonheid, het is schoon omdat het behaagt. Heb je wel een doel voor ogen, dan ben je partijdig en is je oordeel dus niet meer zuiver.
Veblen noemt het behalen van een bepaalde status een reden waarom mensen iets mooi vinden, hij vindt dus wel dat er een doel kan zijn bij schoonheid.
Ik ben het met Veblen eens dat je iets mooi kunt vinden om een bepaalde reden, omdat het voor iets dient. Iets kan op zichzelf niet zo mooi zijn, maar wel mooi worden omdat het past in het geheel.

8. Ben je vrij in je oordeel of niet?
Vrije schoonheid bevat geen begrippen, ze stellen niets voor. Het welbehagen in deze schoonheid zet geen begrip voorop, maar is onmiddellijk verbonden met de voorstelling. Dit is een zuiver smaakoordeel volgens Kant.
Volgens Veblen ben je niet vrij in je oordeel, omdat volgens hem jouw klasse aangeeft wat jij mooi behoort te vinden.
Tot op zekere hoogte vind ik dat Veblen gelijk heeft, omdat de mens toch zo in elkaar zit om zich aan te passen bij de groep waartoe hij hoort of wil horen. Maar je kunt bijvoorbeeld ook iets zien waarvan je onmiddellijk vindt dat het enorme schoonheid bezit, zonder dat het met iets te maken heeft.

9. Is het zuivere smaakoordeel afhankelijk van prikkels?
Als je een tekening ziet gaat het bij Kant alleen om de tekening, niet om de lijst die er bijvoorbeeld omheen gezet is om jou extra te prikkelen.
Bij Veblen geeft die lijst extra status, zonder lijst ziet het er goedkoop uit. Jij zult die lijst eromheen daarom mooi vinden.
Persoonlijk vind ik dat het om de tekening gaat, de kleuren enz doen er niet toe om die tekening mooi te vinden. Ook zonder lijst en kleuren is de tekening mooi. Of jou iets welbehagen geeft, is dus, vind ik, niet afhankelijk van de prikkels.

10. Is het smaakoordeel afhankelijk van volmaaktheid?
Het smaakoordeel is volkomen onafhankelijk van het begrip volmaaktheid. De volmaaktheid wil zeggen de nuttigheid. Het welbehagen kan niet berusten op het nut van de voorstelling, want dan zou het geen onmiddellijk welbehagen zijn zegt Kant.
Veblen gaat juist wel weer uit van het nut van de voorstelling, is het goed voor jouw status? Past het in jouw klasse? Verwachten mensen dit van mij? Volmaaktheid heeft er dus wel mee te maken, want je doet bepaalde dingen omdat het nut voor jou heeft. Die dingen ga je daardoor ook mooi vinden.
Ik ben het eens met Veblen dat nut mee kan wegen in jouw smaak. Als iets nuttig is vind je het eerder mooi, want je hebt er wat aan.

Conclusie

Het lezen van het boek is mij erg tegengevallen. Ik had verwacht dat het erg interessant zou zijn, maar het enige wat het doet is uitleggen wat zuiver schoon is en wat niet zuiver schoon is. Hij valt hierbij steeds in herhaling en naarmate je verder komt hoe ingewikkelder het boek wordt, zodat ik er op een gegeven moment niks meer van snapte. Wel vond ik het leuk om te lezen dat bepaalde begrippen die erg op elkaar lijken toch iets anders betekenen, zoals bijvoorbeeld het schone en het aangename.
Uit het meningsverschil is mij opgevallen dat het moeilijk is om het volkomen met een filosoof eens te zijn. Beide filosofen hadden dingen waar ik het mee eens was, ik was het bijvoorbeeld eens met Kant dat er een a priori-beginsel ten grondslag ligt aan het oordeelsvermogen maar ik ben het eens met Veblen dat je smaak beïnvloed wordt door de maatschappij.

Bronnen

Boeken:

Titel: Kant over schoonheid
Uitgever: boom klassiek
Vertaling uit het Duits van het eerste deel van de kritik der Urteilskraft.

Titel: Viadelta Filosofie
Uitgever: ThiemeMeulenhoff

Internet:

http://www.ethesis.net/consumptie/consumptie_deel_1.htm

http://nl.wikipedia.org/wiki/Immanuel_Kant

http://home.student.utwente.nl/j.w.dijkshoorn/grotefilosofen/kant/kant.html

http://cultuur.prevos.net/c13112/kant.htm

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.