Intelligentie

Beoordeling 8.2
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 4e klas vwo | 5211 woorden
  • 7 september 2006
  • 23 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.2
  • 23 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Intelligentie
Hoofdvraag: Wat is intelligentie?

Het gaat er niet om hoe intelligent je bent,
maar om hoe je intelligent bent.

(Howard Gardner)

Inhoud

Inleiding
1. Wanneer ontstond het begrip 'intelligentie'?
2. Welke soorten intelligentie zijn er?
3. Is intelligentie wetenschappelijk aan te tonen?
4. Hoe ontstaat intelligentie?
5. Wat heeft intelligentie voor gevolgen?
Conclusie Bronnenlijst Logboek
Aanvraag


Inleiding

Wat is intelligentie? Dit is een vraag die ik mijzelf, soms ook anderen, al veel langer stel. Veel mensen denken dat iemand met een Vwo-diploma intelligenter is dan iemand met een mavo-diploma. Dat lijkt erg logisch, maar toch klopt het vaak niet, vind ik. Ik ga zowel met mavo-scholieren als met vwo-scholieren om en merk dat er meerdere manieren bestaan om intelligent te zijn.
Zo valt met veel vwo-scholieren geen fatsoenlijk gesprek aan te knopen. Hiermee bedoel ik een gesprek met inhoud, over onderwerpen die dieper liggen, maatschappelijke onderwerpen waarbij je verder moet kijken dan je neus lang is. Deze mensen kunnen dan goede punten scoren voor school, maar daar houdt dan ook hun wereld op.
Daarentegen heb ik een vriendin die nu met moeite een Mbo-studie kinderdagopvang volgt waarmee ik de 'fatsoenlijke' gesprekken wel kan hebben. Een volgende vraag zou kunnen zijn: Wat is belangrijker? - Het liefst allebei, maar als ik de keuze zou moeten maken, ga ik voor inhoud, verder kunnen kijken dan mijn schoolvakken.

Een aantal jaren terug heb ik zelf een intelligentie-onderzoek gehad en uiteindelijk de stempel 'hoogbegaafd' gekregen. Als ik daarop terugkijk, zie ik het als iets onbelangrijks. Of ik het nu wel of niet weet, ik ben dezelfde persoon. En hoewel ik denk dat iedereen het daarover eens is, heb ik toch gemerkt, dat veel mensen meer van me verwachtten, vooral op schoolgebied, na het horen van het resultaat. Jammer vind ik, want, nogmaals, ik ben van mening dat intelligentie niet alleen met schoolprestaties te maken heeft.

Mijn deelvragen zijn bedoeld, om een zo goed mogelijk antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag en dit uiteindelijk te kunnen vergelijken met mijn mening over intelligentie op dit moment.


1. Wanneer ontstond het begrip 'intelligentie'?

Intelligentie is altijd al een moeilijk, beladen en haast niet te definiëren begrip geweest. Al ver voor Christus werd intelligentie door grote filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles als een benijdenswaardige eigenschap gezien. Zo vertelde Socrates zijn volgelingen dat de liefde voor leren en kennis, de zoektocht naar waarheid en het niet willen accepteren van halve waarheden of leugens, een belangrijk onderdeel waren van intelligentie.
Plato was van mening dat goed kunnen leren tekenend was voor intelligentie en Aristoteles zag intelligentie als de vaardigheid onmiddellijk het belangrijke van het onbelangrijke te kunnen onderscheiden en hoofdtermen te herkennen.

Toen religie de kern vormde van de samenleving, werd intelligentie, nieuwsgierigheid, twijfel en de onwil zaken aan te nemen zoals ze aan je gepresenteerd worden, niet geprezen.
Augustinus (priester en bisschop) was bijvoorbeeld van mening dat intelligentie de mensen zou afleiden van de kerk, God en de andere zaken waar een godvruchtig mens zich mee bezig zou moeten houden.
Toen de scheiding tussen kerk en staat een feit was, werd het belang van wetenschap, en daarmee van intelligentie, weer openlijk erkent. Sindsdien is het begrip intelligentie niet meer weg te denken uit de geesteswetenschappen. Voor 1900 wijdden grote filosofen als Aquinas, Montaigne, Hobbes, Pascal, Locke, Smith, Kant en Mill hun gedachten aan de aard, oorsprong en opbouw van intelligentie. Het was echter de Franse psycholoog Binet die ervoor zorgde dat intelligentie niet meer weg te denken is uit de dagelijkse praktijk.

Parijs 1904: de Franse minister van onderwijs vraagt de psycholoog Alfred Binet iets te ontwerpen waardoor die leerlingen geselecteerd kunnen worden, die het risico lopen te mislukken in het basisonderwijs. Binet ontwikkelde de eerste intelligentietest. Het idee ontstond dat er iets was dat ‘intelligentie’ genoemd werd, wat objectief gemeten kon worden en teruggebracht tot één getal, het IQ.

Toch was er nog onduidelijkheid: Harvard, eind van de 20e eeuw: Howard Gardner, een Amerikaan die zich met neuropsychologie bezighoudt, zet grote vraagtekens bij dit idee. Zeker bij de aanname dat iedereen een vaste hoeveelheid intelligentie heeft. Waarmee je wordt geboren en waarmee je het moet doen de rest van je leven. Veel intelligent gedrag is namelijk leerbaar. En: menselijke capaciteiten zijn veel breder dan het beperkte gebied dat door het IQ bestreken wordt.

In 1983 ontwikkelde hij een concept voor het kijken naar intelligentie en de verschillende verschijningsvormen daarvan.
Gardner wil in kaart brengen hoe mensen leren. Hij stelt een definitie op voor het begrip 'intelligentie': intelligentie is de vaardigheid om problemen op te lossen
Maar ook: de vaardigheid om problemen te bedenken die oplosbaar zijn.
Het komt er op neer dat je begrip kunt verwerven om problemen op te lossen, maar ook dat je dat begrip kunt meenemen naar andere situaties en dat je het daar kunt toepassen en zonodig kunt optillen tot meer. Je kunt iets begrijpen en navertellen, maar óók op een andere manier navertellen.

Howard Gardner onderscheidt 8 vormen van intelligentie.

verbaal-linguïstische intelligentie
logisch-mathematische intelligentie
visueel ruimtelijke intelligentie
tactiel-motorische intelligentie
muzikale intelligentie
naturalistisch-ecologische intelligentie
interpersoonlijke intelligentie
intrapersoonlijke intelligentie

Het zijn de ondervindingen van Howard Gardner, die op dit moment het meest als waar beschouwd worden. Op zijn theorie zal ik dan ook later verder in gaan.

2. Welke soorten intelligentie zijn er?

We zien intelligentie als een set mogelijkheden en vaardigheden om controle en begrip te krijgen op de wereld. Maar ook als mogelijkheden om op een bepaald gebied goed te presteren.

De verschillende vormen (van Howard Gardner) komen uiteraard ook gemengd voor binnen één persoon. Wel zie je dat er vaak één soort overheerst.

Iemand die beschikt over verbaal-linguïstische intelligentie beschikt over vaardigheden en kwaliteiten om door middel van taal de wereld te snappen. Hij gebruikt taal om grip op de wereld te krijgen (om te leren en om te presteren). Deze persoon heeft kwaliteiten op het gebied van lezen, spreken, zich uiten in woorden, en luisteren. Op die manier reageert hij ook op vragen. Heeft ook de bereidheid om snel op vragen te reageren.
Iemand met logisch-mathematische intelligentie werkt anders. Die zal in plaats van taal liever greep op de wereld krijgen via analyse, structuren, abstraheren en ordenen. Deze persoon zal het prettig vinden om eerst goed te kijken voordat hij antwoord geeft op een vraag (de kat uit de boom kijken).
Iemand met visueel-ruimtelijke intelligentie beschikt over kwaliteiten en vaardigheden om zich zaken te kunnen visualiseren, voorstellen. Deze persoon moet iets voor zich zien om te kunnen leren en om greep te krijgen op de materie.
Degene met tactiel-motorische intelligentie is lichamelijk ingesteld. Dat is meer dan alleen bezig zijn met bv. lichaamsbewegingen. Een kenmerkende eigenschap is dat deze graag dingen wil zien, maar ook vraagt of hij het even mag aanraken. Voelen en vasthouden zijn manieren om contact te maken met de zaak waar het over gaat. Deze zal graag zeggen: 'Geef eens hier'. Dingen manipuleren (in de hand nemen) is een weg tot begrip.
Iemand met muzikale intelligentie maakt gebruik van maat, ritme, patronen en herhaling om greep op de wereld te krijgen. Dat is een eigen vorm van ordenen en ordening zoeken. Muziek helpt bij het zoeken naar onderliggende processen. Maat en ritme worden gebruikt als ondersteuning van het leren.
Zo iemand zal telefoonnummers onthouden met behulp van het ritme dat er in zit. Hij heeft gevoel voor muzikaliteit en gebruikt de melodie die in de zaken verborgen zit. De muzikale intelligentie is zijn middel om te kunnen onthouden en om greep te krijgen op de wereld.
Deze mensen zoeken overal naar maat, ritme, herhaling en patronen. Ze willen cadans (ritmische beweging) aanbrengen. Daarmee komen zij verder. (Denk ook aan Duitse naamvallen, die je achtereenvolgens in een (zelfbedacht) liedje zet)
Iemand met interpersoonlijke intelligentie (inter = tussen) krijgt grip op de wereld via het interpreteren van stemmingen en bedoelingen van de ander en daarop zijn eigen handelen af te stemmen. Hij is gericht op wat een ander hem laat zien. Hij kan de interactie benutten om te leren. Deze kan goed leren door iets samen met een ander uit te zoeken.
Iemand met een intra-persoonlijke intelligentie (intra = binnenin) leert van zichzelf. Vertaalt naar zichzelf toe, past zaken in, in zijn eigen systeem, in zijn eigen denken. Vervolgens maakt hij zijn eigen gevolgtrekkingen en maakt eigen conclusies. Deze persoon is er dus bij gebaat als hij met leerstof in een hoek wordt gezet, om het daarmee zelf uit te zoeken en op zichzelf te laten inwerken.
In 1995 heeft Gardner de naturalistisch-ecologische intelligentie aan zijn lijst toegevoegd (die ontstaan was in 1983). Het gaat er hier om dat iemand het vermogen heeft om verbanden te zien in de wereld om ons heen. Dit uit zich vooral in ecologie en milieu. Kinderen gaan aan de gang met het zoeken naar samenhang. Deze mensen starten vanuit een totaalplaatje, vanuit de samenhang om vandaar te komen tot inzicht over de losse delen.

Voor Gardner is deze lijst niet een zomaar willekeurig bij elkaar geraapt rijtje ideeën. Hij heeft zijn verdeling in meerdere intelligenties ook onderbouwd met kriteria. Het is dus mogelijk dat er in de toekomst nog andere vormen kunnen worden ontdekt. Iets kan pas een vorm van intelligentie worden genoemd als het aan vastgestelde kriteria voldoet:

Er is een gebied in de hersenen dat aanwijsbaar actief is als deze vorm in gebruik is. Dit is dan anders dan bij andere personen. Dit zou bij hersenbeschadiging in het specifieke gebied dan ook merkbaar zijn (uitval).
Er zijn mentaal gehandicapten met opvallend betekenisvol gedrag op een deelgebied. Een deel van de intellectuele capaciteiten blijft in tact bij een geestelijk handicap
Er moet een benoembare reeks handelingen zijn. Een reeks of een procesë
Er moet een ontwikkelingsgeschiedenis zichtbaar zijn. Een groei van eenvoudige naar complexe mogelijkheden en uitingen op het gebied van die intelligentie. De persoon leert.
Er moet een evolutionair traject bestaan. Het organisme ontwikkelt zich. Het organisme ontwikkelt vaardigheden en mogelijkheden door generaties heen
Er moet ondersteuning zijn vanuit experimenteel onderzoek
Er moet ondersteuning voor het idee zijn vanuit de psychometrie
Gedachten over een evt. nieuwe intelligentie moeten te vatten zijn in een of ander symboolsysteem. Het moet begrijpelijk en overdraagbaar zijn. Wat je doet moet te beschrijven en vast te leggen zijn.
Binnen een intelligentie zijn voorbeelden bekend van het bestaan van uitzonderlijke individuen, van wonderkinderen en genieën in dat gebied.

In het denken over de verschillende vormen van intelligentie is er wellicht sprake van een negende en een tiende intelligentie. Er wordt aan onderzocht of het inderdaad aan alle kriteria voldoet. Men denkt dan aan intuïtieve intelligentie en existentiële intelligentie.

Tegenwoordig zijn het ook de processen buiten het “zenuwstelsel” die een rol spelen bij het tot stand komen van menselijke intelligentie. Naast IQ (Intelligentie Quotiënt) kent men EQ (Emotionele Intelligentie) en SQ (Spirituele Intelligentie).
De precieze grenzen hiertussen zijn niet duidelijk te vinden en volgens iedereen anders.

3. Is intelligentie wetenschappelijk aan te tonen?

De geschiedenis van vele metingen aan schedels, waaronder het meten van de omtrek en inhoud, plus metingen aan breinen zelf, bijvoorbeeld het meten van gewichten, en de verhouding tussen het voorste en achterste deel van de hersenen, hebben een ding duidelijk gemaakt: geen enkele van de gemeten grootheden kan ondubbelzinnige uitspraken over intelligentie rechtvaardigen. Wanneer we de problemen rond het begrip intelligentie nog even voor later bewaren, laten de meet gegevens allerlei tegenstrijdigheden zien. Zo zijn er veel mensen met kleine hoofden die het toch ver hebben geschopt in de wetenschap. Tevens werden er veel criminelen gevonden met grote hoofden (die toch niet intelligent genoemd mogen worden). Het blijkt niet zo eenvoudig te zijn intelligentie direct te koppelen aan eenvoudige grootheden als de omtrek van iemands hoofd.

Het intelligentiequotiënt of IQ is een van de meest gangbare maten voor de intelligentie. Het is een score afgeleid van een verzameling gestandaardiseerde tests die zijn ontwikkeld met het doel om de cognitieve vaardigheden van een persoon in relatie tot zijn leeftijdsgroep te testen.

Oorspronkelijk werd het IQ gedefinieerd als: 100 x (leeftijdverstandelijk : leeftijdchronologisch)
Voor een indicatie van het IQ van kinderen van ca. 7 tot 14 jaar was dit een min of meer bruikbare definitie. Vóór die leeftijd schommelt het antwoordgedrag van kinderen in testsituaties nog te veel; en aangezien intelligentie vanaf 13 à 14 jaar minder snel stijgt dan de leeftijd, gebruikt men nu meer IQ-bepaling op grond van de prestaties van de normgroep.
Het wordt dus uitgedrukt als een genormaliseerd getal zodat het gemiddelde IQ in een leeftijdsgroep 100 is. 115 is dus bovengemiddeld vergeleken met leeftijdgenoten. Het is gebruikelijk om de standaarddeviatie van de scores 15 te laten zijn.
In de recente opvatting wordt het IQ niet meer gezien als een getal, maar als een schatting, waarvan de betrouwbaarheidsgrenzen mee worden vermeld, zoals in de nieuwe WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale = de meest gebruikte individuele intelligentietest voor volwassenen).
De voorvermelde 15 wordt hier als standaardafwijking ingesteld. Herhaalde proeven bij eenzelfde persoon wijzen uit dat diens testuitslag inderdaad soms tot twintig punten kan verschillen met eerdere test, door gecombineerde factoren (focus, vermoeidheid, stress,...)
In hoeverre het afnemen van een IQ-test leidt tot kennis over iemands intelligentie blijft onderwerp van discussie. De enige onomstreden uitspraak die men hierover kan doen is dat met een IQ-test wordt gemeten hoe goed iemand is in het afleggen van een IQ-test.
Weinig dingen zijn zo omstreden als de begrippen intelligentie en intelligentiequotiënt; dit komt met name omdat er geen eenduidige manier is om 'slimheid' te meten op een manier die onafhankelijk is van taal, cultuur, leeftijd en geslacht.

Betekenis van verschillende IQ-waarden:
>130 Hoogbegaafd
121-130 Begaafd
111-120 Boven gemiddeld
90-110 Gemiddeld
80-89 Beneden gemiddeld
70-79 Zwakbegaafd
50-69 Lichte verstandelijke beperking
35-49 Matige verstandelijke beperking
20-34 Ernstige verstandelijke beperking
1- 20 Diepe verstandelijke beperking

Er bestaan veel verschillende intelligentietests. De bekendste is de WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale), bestaande uit 11 subtesten die weer verdeeld waren in een verbaal stuk en een stuk Performativiteit (gerichtheid op efficiëntie en productiviteit). Deze test werd in de jaren dertig ontwikkeld door David Wechsler. De WAIS heeft ook een kinderversie (ca 6 - 16 j.), de WISC (Wechsler Intelligence scale for children), en een kleuterversie, (ca 2,5 - 7 j.), de WPPSI. Deze testen hebben analoge onderdelen, maar dan aangepast aan de leeftijd van de proefpersoon.
Een andere, in Nederland veel gebruikte intelligentietest is de Groninger Intelligentietest (GIT). Deze test bestaat uit 9 onderdelen die verschillende vaardigheden beogen te meten, zoals rekensommetjes maken, logisch redeneren en ruimtelijk inzicht. Ook de GIT is alweer toe aan een tweede versie: de GIT-2. In het algemeen staat de GIT bekend als een goed genormeerde (tenminste voor Nederland, niet voor het Nederlandse taalgebied), betrouwbare test. De GIT-2 valt echter nog wel eens wat aan de lage kant uit, vooral bij IQ's onder de 100.
Een aantal kanttekeningen dient wel geplaatst te worden bij IQ-tests. Het zijn ten eerste, zoals overigens alle metingen, momentopnames. Als een deelnemer ziek is, of gestoord wordt door bijvoorbeeld andere deelnemers of herrie, zal hij al snel 10-20% minder scoren. Ten tweede is de test te manipuleren: door oefenen (IQ-tests zijn al dan niet tegen betaling te downloaden) kan men ca. 10% hoger scoren. Dat downloaden is trouwens meestal bedrog, want uit de aard der zaak valt dan de gestandaardiseerde afname van de test - een essentieel kenmerk van het intelligentie-onderzoek - niet meer te controleren. Ook verzwijgen veel van die computertests hun gegevens over de normering. Veel bedrijven en de overheid zijn dan ook ruimer gaan kijken dan alleen het IQ, en nemen ook speciale tests van testcentrums af. Ook hebben sommige IQ-tests een maximumscore van 156, waardoor met name voor de hogere IQ's de resultaten onbetrouwbaar worden.
Een betrouwbare IQ-test dient daarom altijd afgenomen te worden door een persoon die voldoende onafhankelijk is van de opdrachtgever en een universitaire scholing heeft, en die dus rekening houdt met bovengenoemde omstandigheden, die de test kunnen beïnvloeden. In de testpsychologie is men ook afgestapt van het IQ als cijfer, omdat dit een schijn-exactheid suggereert. Veeleer drukt men de intelligentie uit als een bereik rond een bepaalde waarde, waarvan de betrouwbaarheid meegegeven wordt; een betrouwbaarheid die afhankelijk is van de leeftijdscategorie van de persoon en van het soort test.

4. Hoe ontstaat intelligentie?

Biologisch psychologe Daniëlle Posthuma van de VU Amsterdam is verder gegaan met het meten van breinen (verwijst naar het eerste stuk tekst van de vorige deelvraag), maar nu met geavanceerde technologie. Door MRI scans heeft ze volumes van verschillende onderdelen van hersenen gemeten en met elkaar vergeleken. Een van haar conclusies uit het onderzoek is: '... the long-known relation between brain size and intelligence ... ... is of genetic origin.' ( = ‘de lang gekende relatie tussen hersenengrootte en intelligentie... ... is van genetische oorsprong.') Ze zegt dus twee dingen, intelligentere mensen hebben gemiddeld grotere hersenen, en deze intelligentie wordt door genen bepaald, is dus erfelijk.
Een groot bezwaar op deze meetexperimenten is de onduidelijkheid over het begrip intelligentie. Intelligentie is bij uitstek een sociaal en cultureel bepaald begrip. Wetenschappers proberen meestal meerdere kenmerken van mensen te vangen in dit ene begrip (zoals bv. Howard Gardner aangeeft).

Eén van de vragen waarover een hoop onenigheid bestaat is of intelligentie nu aangeboren is of aangeleerd (nature-nurture). Deze discussie wordt vooral in de Verenigde Staten in alle hevigheid gevoerd. Daar is veel onderzoek gedaan naar verschillen in IQ tussen verschillende bevolkingsgroepen.
Een uitkomst die steeds weer gevonden wordt, is dat Koreaanse Amerikanen gemiddeld 10 punten hoger scoren dan Kaukasische Amerikanen, die op hun beurt weer 15 punten hoger scoren dan Afrikaanse Amerikanen (dit zijn de politiek correcte termen aan zoals die in de Verenigde Staten gebruikt worden, 'kaukasisch Amerikaans' betekent wit en 'Afrikaans Amerikaans' zwart).
Vooral de laatste bevinding heeft heel veel discussie losgemaakt. In die discussie zie je dat er drie kampen ontstaan. De eerste groep verklaart het verschil door te wijzen op verschillen in omgeving van witte en zwarte kinderen (naar mijn voorspelling komen deze resultaten overeen met de verschillen in omgeving die er hoe dan ook zijn, niet alleen op kleur gebaseerd). De tweede groep verklaart het verschil door te wijzen op de erfelijkheid van intelligentie. De derde groep betoogt dat de verschillen niet door verschillen tussen de groepen ontstaan, maar veroorzaakt worden door de IQ-test zelf. Dit laatste wordt ook wel testbias genoemd.

De aanwijzingen dat genetische aanleg deels verantwoordelijk is voor IQ verschillen komen vooral voort uit onderzoek naar de samenhang tussen intelligentie en genetische verwantschap in families. Als er een genetische invloed is op intelligentie, dan zou je namelijk verwachten dat de overeenkomst in IQ tussen eeneiige tweelingen groter is dan de overeenkomst in IQ tussen twee-eiige tweelingen; die overeenkomst zou dan weer groter moeten zijn dan die tussen neven en nichten, enzovoorts. Dit blijkt het geval te zijn. Toen men dit voor het eerst in onderzoek aantoonde, opperden de voorstanders van het nurture-standpunt onmiddellijk dat deze overeenkomsten niet het gevolg waren van genetische verwantschap, maar van de overeenkomsten in de omgeving waarin kinderen opgevoed werden. Voor tweelingen is die omgeving bijvoorbeeld meer gelijk dan voor neven en nichten, die immers in verschillende gezinnen opgroeien. In reactie hierop hebben onderzoekers op allerlei manieren geprobeerd onderzoek te bedenken waarin de mogelijke invloed van omgeving zoveel mogelijk geminimaliseerd werd. Zo keek men bijvoorbeeld naar de overeenkomsten in IQ tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen die kort na de geboorte geadopteerd werden door verschillende gezinnen. Die kinderen werden dus gescheiden opgevoed. Ook in deze situatie bleek het IQ van eeneiige tweelingen meer overeen te komen dan dat van twee-eiige tweelingen.

Ook een stukje over het ontstaan; wat zich van intelligentie waar in je lichaam afspeelt:

de hersenstam (BRUIN), het instinctieve brein controleert eenvoudige maar belangrijke functies als ademhaling, hartslagritmes en natuurlijke instincten.
het cerebellum, het kleine brein, (GROEN) is verantwoordelijk voor de coördinatie, het evenwicht en het geheugen in de spieren. Het is in staat neuronen te laten groeien. Dat betekent dat we heel gemakkelijk kunnen leren door te bewegen. Het cerebellum wordt gestimuleerd en geactiveerd door te spreken en door het horen van de harmonie in muziek.
het limbische brein (ROOD) herbergt het emotionele en sexcentrum van het Brein en is nauw verbonden met die hersenonderdelen die te maken hebben met het geheugen: we herinneren ons de zaken hier beter wanneer we emotioneel betrokken waren, bijv bij de eerste verkering.
Het tweezijdige cerebrum (GEEL) en diens cortex reageren op onze zintuigen en reageren erop. Dit brein is specifiek voor de menselijke soort en wordt ook wel het denkende brein genoemd. Het Corpus Callosum is BLAUW gekleurd

Elke cel heeft de mogelijkheid om 20.000 verbindingen te hebben of te maken met andere onderdelen van het lichaam! Met andere woorden: elk neuron kan ontspruiten en uitgroeien tot een "boom" met 20.000 vertakkingen. Al die verbindingen zijn bruggen voor miljoenen elektrische en chemische boodschappen per seconde, over en weer. Dit betekent dat mensen kunnen blijven leren, ook na inzinkingen en ongelukken (waardoor de hersenen zodanig kunnen worden aangetast dat intelligentie ook kan afzwakken) zolang ze maar leven en hun brein goed verzorgen en trainen. Naast inzinkingen en ongelukken kunnen ook alcohol- en cannabisgebruik de intelligentie laten dalen, door het vernielen en beschadigen van hersencellen.

Het is absoluut mogelijk dat kinderen die op jonge leeftijd gekenmerkt worden als geestelijk onderontwikkeld, uitgroeien tot bijzonder begaafde mensen. De geschiedenis geeft ons hoop: zowel Leonardo da Vinci als Auguste Rodin, Frederich Nietzsche, Hans Christian Anderson, Thomas Edison, Helen Keller, Anne Sullivan en Albert Einstein waren unieke mensen, ieder begaafd op hun eigen onnavolgbare wijze, maar allen als kind uitgemaakt voor achterlijk, zwakbegaafd of een ander woord dat mislukking moest beschrijven.

5. Wat heeft intelligentie voor gevolgen?

Een hoge intelligentie kan zowel voor- als nadelige gevolgen hebben.
Er zijn meerdere voordelen aan (hoog)begaafd zijn. Je kan bepaalde dingen makkelijker dan de meeste kinderen van je leeftijd. Maar het is echt niet altijd leuk om (hoog)begaafd te zijn. Je bent meestal meer volwassen en je vindt keuzes van je medeklasgenoten vaak raar en kinderachtig. Je voelt je daardoor anders. Vaak is het moeilijker om vrienden te maken omdat je gedachtes meer volwassen zijn dan die van je leeftijdsgenoten. Ook heeft je lichaam geen voorsprong op je medeleerlingen. Sommige (hoog)begaafde leerlingen hebben daar heel erg last van. Ze hebben gedachtes en gevoelens die hun lichaam letterlijk nog niet aankunnen.
Wat een veel voorkomend probleem is bij (hoog)begaafde mensen is dat hun EQ wel ‘normaal’ is. Maar wat houdt dat dan precies in? Het EQ staat voor Emotioneel Quotiënt en het is je intelligentie die zorgt voor je sociale vaardigheden (zie ook blz. 8). Daar worden de volgende dingen mee bedoelt: het begrip van je eigen emoties, de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat je emoties passen bij de situaties waarin je verkeerd, de mogelijkheid om jezelf te kunnen oppeppen in bepaalde situaties, de erkenning van emoties van een ander, de mogelijkheid om met andermans gevoelens rekening te houden en dat je kan inspelen op de mensen om je heen. Doordat het EQ van (hoog)begaafde mensen (in het algemeen) niet zo hoog is als hun intelligentie, staan ze eerder alleen omdat ze (in het algemeen) moeilijk met mensen kunnen omgaan. Ze hebben veel gedachten in hun hoofd die ze het liefst vertellen aan iedereen. Het probleem is alleen dat ze sociaal niet goed genoeg zijn om dit niet irritant over te brengen. Mensen krijgen zo snel iets van “Oh, daar heb je die wijsneus weer!”
Gelukkig kan je die vaardigheden ook leren. (Hoog)begaafde mensen leren wel de sociale vaardigheden anders dan andere mensen. Ze nemen iets op in hun systeem, als een soort computer programma. Mensen met een gemiddelde intelligentie gaan dingen automatisch doen, neem als voorbeeld ‘u’ zeggen tegen oudere mensen. Maar zij kunnen zichzelf dit ook direct afleren. Als tegen hun wordt gezegd dat ze ‘je’ mogen zeggen zouden ze daar niet zo snel een probleem mee hebben. (Hoog)begaafde mensen kunnen dat dus niet zo goed en makkelijk. Zij gaan ook automatisch ‘u’ zeggen maar dan iets te automatisch. Ze hebben zichzelf iets aangeleerd en ze kunnen dit zichzelf dus amper afleren. Het zit in hun systeem. Ze leren dus letterlijk wat ze moeten doen in bepaalde situaties. Als ze dan ‘je’ willen gaan zeggen tegen een ouder iemand moeten ze er elke keer weer bij nadenken. Al dat soort regels worden dus ingeprent bij (hoog)begaafde mensen. Het kan makkelijk zijn maar ook vervelend. Een (hoog)begaafd iemand zou bijna nooit vergeten om ‘u’ te zeggen tegen iemand die ouder is dan hij of zij maar hij/zij kan zichzelf het ook haast niet meer afleren als iemand liever heeft dat hij of zij met ‘je’ wordt aangesproken.
Het is overigens ook niet zo dat (hoog)begaafde mensen automatisch hoog scoren op school, vaak sluit de leerstof niet aan, omdat deze niet uitdaagt, of is de leerwijze of leeromgeving een blokkade om goed te presteren, juist omdat dit allemaal is gericht op leerlingen met een gemiddelde intelligentie.
Tegenwoordig kan je al heel veel steun en hulp krijgen op school als je (hoog)begaafd bent. Er is extra werk om je eventueel toch uit te dagen.

Ook zwakbegaafdheid heeft zo zijn nadelen. Voor de duidelijkheid: Het woord zwakbegaafdheid wordt vaak gebruikt voor mensen die een verstandelijke handicap hebben, maar een verstandelijk gehandicapte heeft een veel lagere score. Het IQ van die mensen is meestal tussen 1 en 70. Tussen de 70 en de 79 wordt zwakbegaafd gezegd (zie blz. 10). Het zijn mensen die een beetje vertraagd ontwikkelen vergeleken met normaal begaafde mensen. Dit kan net als bij hoogbegaafdheid negatieve sociale gevolgen met zich meebrengen. Een goede, vooral duidelijke, omgang met zwakbegaafden is dan ook erg belangrijk. Zwakbegaafden communiceren, net als hoogbegaafden, anders dan anderen en kunnen dingen verkeerd interpreteren of niet begrijpen. Zwakbegaafden hebben meer en duidelijke uitleg nodig bij alledaagse dingen die voor mensen met een hoger IQ vanzelfsprekend zijn. Ze lopen, in tegenstelling tot hoogbegaafden, achter op leeftijdsgenoten qua denken, doen, interesses. Hierdoor vinden ze vaak weinig aansluiting en komen dikwijls in sociaal isolement. Toch gaan de meeste zwakbegaafden naar normaal basisonderwijs en doen daarna gewoon middelbaar onderwijs of praktijkonderwijs. Toch zullen zij vrijwel altijd beperkingen houden (bv. Recent in het nieuws: zwakbegaafden en kinderen, kan dat? Een discussie die nog steeds bezig is.)

Een IQ onder de 70 wordt al een verstandelijke beperking/handicap genoemd. Hoewel dit zeker een nadeel is, zitten hier ook voordelen aan. Voor deze mensen is er veel meer hulp beschikbaar op allerlei vlakken en van hen wordt minder verwacht. Zij zijn vaak dagelijks omringd door andere zwakzinnigen, waardoor zij zich niet continue een uitzondering hoeven te voelen en aansluiting kunnen vinden. Een zwakbegaafde schommelt eigenlijk tussen het wal en het schip, en heeft daardoor deze ‘voordelen’ niet.

Aangetoond is dan zowel hoogbegaafden als zwakbegaafden meer kans maken op een depressie. Een deel van de oorzaak ligt dan bij ‘denkfouten’, maar het grootste deel van de oorzaak is het onvermogen aansluiting te vinden.
Een gemiddelde intelligentie zou geen problemen hoeven op te leveren, het is ‘de doelgroep van de maatschappij‘.

Conclusie

Na het uitwerken van alle deelvragen en het lezen van lappen informatie moet ik er nog steeds lang over nadenken. Wat is intelligentie? En klopt mijn mening zoals die in de Inleiding staat met wat ik heb onderzocht? Eerlijk gezegd denk ik dat een duidelijk antwoord nog steeds niet mogelijk is. Intelligentie is en blijft, zoals ik in haast al mijn informatie aantrof, een zeer omstreden onderwerp.
Het is vooral de Westerse wereld die ‘intelligentie’ tot een begrip heeft gemaakt zoals wij dat nu kennen. Bij het zoeken naar de geschiedenis van intelligentie, trof ik vooral veel cultuurverschillen rond de verschillende interpretaties van het begrip aan. Volkeren waar muziek erg belangrijk was, vonden een goede muzikant intelligent. Volkeren die veel belang hechtten aan het paranormale, vonden een helderziende intelligent. De westerse cultuur hechtte de meeste waarden aan geschreven werken, waardoor hier intelligentie vooral is gekoppeld aan bv. theoretische, schriftelijke en rekenkundige talenten.
Later kwam Howard Gardner met zijn 8 intelligenties de andere culturen weer tegemoet, en zijn theorie heeft nog steeds de meeste aanhangers, hoewel IQ tests hier toch vaak niet op zijn gebaseerd, zij richten zich nog vooral op verbaal en rekenkundig vermogen. Jammer en onlogisch, vind ik, om daarmee ook weer terug te komen op mijn mening in de inleiding. Voor deze opdracht had ik nooit van de meervoudige intelligentie-theorie van Howard Gardner gehoord, vandaar mijn commentaar op intelligentie in de inleiding. Zijn theorie verwoordt precies wat ik vind. Intelligentie is op meerdere vlakken terug te vinden. Het mooie ook aan zijn theorie is dat hij plaats over heeft gehouden voor meerdere intelligenties. Mochten die ooit ontdekt worden, dan staat hij daarvoor open.
Op EQ en SQ ben ik niet erg ver ingegaan, misschien had ik dat wel gedaan als ik Gardner’s theorie niet had ontdekt, maar ik vond zelf het EQ en SQ hier al erg in terugkomen.
Mijn mening is nog steeds hetzelfde als in de inleiding, ook heb ik hiervoor bevestiging gevonden, waar ik erg blij mee ben.

In het kort: Intelligentie is nu vooral verbonden aan de theorie van Howard Gardner, zoals op blz. 7 en 8 uitgelegd). Toch blijft het een vaag en omstreden begrip, maar mág dat meer en meer zijn. Het emotionele komt meer naar voren, mensen staan steeds meer open voor verschillende talenten en de maatschappij wordt steeds meer aangepast aan mensen met een andere (soort) intelligentie dan gemiddeld (hulpverlening, schoolmethodes). Hiermee zullen naar mijn verwachting uiteindelijk ook culturen weer dichter bij elkaar komen en het aantal depressies afnemen (minder uitstotingsgevaar, minder druk) Positief vooruitzicht, als het aan mij ligt!
Wat ik heb opgemaakt uit de oorzaak, is dat een deel v.d. intelligentie genetisch bepaald is en een deel is aan te leren. Ik ben blij toch een stukje uitleg gegeven te kunnen hebben over de werking in de hersenen, al is die niet al te uitgebreid, omdat wetenschappers hier ook nog niet ver mee zijn.

Bronnenlijst

http://www.rpcz.nl/thema__meervoudige_intelligentie/theorie/
http://www.iq-test.nl/geschiedenis.php
http://www.writersblock.net/index2.html?www.writersblock.net/ac982/nofreekje.html
http://www.pharosnl.nl/algemeen/flevoland/pw020904.htm
http://www.nvbonline.nl/images/1160/Frank%20Lekanne%20Deprez_final.pdf
http://www.brainconnection.com/topics/?main=fa/measure-mind
http://nl.wikipedia.org/wiki/Wechsler_Adult_Intelligence_Scale
http://72.14.203.104/search?q=cache:5xjX3u9_SUcJ:www.biopolitiek.nl/art_bd_int.html+intelligentie,+erfelijkheid&hl=nl&gl=nl&ct=clnk&cd=1
http://webklas.psy.uva.nl/index.php
http://www.themagicalmadhouse.nl/
http://iq.startpagina.nl/
http://www.totaalplaza.nl/depressie/pages/2337/1/2/0/

Logboek

Ik ben erg blij met het resultaat, maar ben alweer, zoals bij elk werkstuk, tot de ontdekking gekomen dat plannen erg belangrijk is, vooral voor een perfectionist als ik, want op het laatste nippertje afraffelen, dat doe ik ook weer niet.
Ik ben blij met de nieuwe kennis die ik beschik.
Tegen het maken van het logboek en de bronnenlijst ben ik erg aangelopen. Bijhouden waar ik precies zoek haalt me vaak uit mijn concentratie. De bronnenlijst heb ik goed bijgehouden, maar het logboek is erg beperkt gebleven. Door steeds op te schrijven wat ik doe, raak ik de controle over de inhoud kwijt. Iets waar ik de volgende keer een handigheid voor moet vinden.
Mijn deelvragen zijn een beetje anders geworden dan in mijn aanvraag, omdat het zo naar mijn idee toch beter uit te werken was.
Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.