Pinda

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Opstel door een scholier
  • Klas onbekend | 4281 woorden
  • 2 september 2002
  • 58 keer beoordeeld
Cijfer 6.6
58 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview
Er was eens een pinda genaamd (hoe kan het ook anders) Pinda. Hij leefde gelukkig in een dop in de supermarkt van Tante Pijp.Waarom ze Tante Pijp werd genoemd? Het had iets te doen met heel veel drank en heel veel mannen. Vul de rest zelf maar in. In ieder geval, Pinda leefde gelukkig op de tweede verdieping van het pindaschap in de supermarkt van Tante Pijp. Zijn beste kameraad was meneer Noot. Zoals zijn naam doet vermoeden was hij inderdaad een aardappel. Ze schaakten samen, aten nootjes samen en ze deelden alles onder elkaar. Iedereen was gelukkig. Niemand besefte dat dit elk moment over kon zijn. Want tot dusver was de supermarkt van Tante Pijp nog niet open geweest. Tot die ene dag. Het was een woensdag in november. Mensen liepen rillend van de kou langs de etalages van de winkelstraat waar ook de supermarkt van Tante Pijp stond. Zo ook meneer Rooster. Hij was die morgen al vroeg van huis gegaan om te gaan werken. Tenminste dat is wat hij zijn vrouw heeft verteld. Maar ondertussen heeft hij al twee tussenstops gemaakt bij verschillende vrouwen. Als ik je dan ook nog vertel dat de supermarkt van Tante Pijp in Amsterdam stond, kun je het beroep van de twee vrouwen al raden. Ze waren inderdaad allebei ramenlappers. Meneer Rooster had na al die inspanningen wel honger gekregen. Maar hij had net zoveel geld uitgegeven aan de twee ramenlappers dat hij geen geld meer overhad voor een fatsoenlijke boterham. “Hoe moet ik mijn honger stillen?”, vroeg hij zich af. Toen liep hij langs de supermarkt van Tante Pijp. Hij keek de etalage in van de supermarkt en zag dat de doppinda’s in de aanbieding waren. “Dat is niet zo duur. Ik ga mijn honger stillen met doppinda’s.” Zo gezegd zo gedaan. Hij liep naar binnen en ging op zoek naar de zak pinda’s die hij net zag. Pinda zat net met zijn beste vriend Noot naar Goede Pinda’s Slechte Pinda’s te kijken toen opeens het huis van Pinda begon te bewegen. “EEN AARDBEVING!!!”, schreeuwde Pinda. “EEN RAMENLAPPER”, riep Noot. Maar het was meneer Rooster. Meneer Rooster liep naar de toonbank en zei………helemaal niks. Hij betaalde netjes, kreeg een beurt van Tante Pijp(Tante Pijp kluste bij als ramenlapper) en liep de winkel uit. Na twee stappen keerde hij om, liep de winkel weer in, liep op de toonbank af en griste er de zak die hij net gekocht had vanaf. Hij liep wederom de winkel weer uit. Meneer had zijn auto geparkeerd op de parkeerplaats. Logisch. Meneer Rooster liep op de auto af en stak de sleutel in het slot. Hij draaide de sleutel om, maar dat lukte niet. Hij rukte en trok en ondertussen probeerde hij ook de sleutel om te draaien. Toen kreeg meneer Rooster een geweldig idee. Als hij nou in plaats van de auto van zijn collega zijn eigen auto probeerde te openen. Zo gezegd zo gedaan. En jawel, dat lukte. Ondertussen had het Pinda en Noot niet onberoerd gelaten dat meneer Rooster zo overactief was. Ze waren er ook niet zo dol op dat ze ontvoerd waren uit hun schap uit de supermarkt van Tante Pijp (het is wel geinig te weten dat Tante Pijp ook wel Tante Marie werd genoemd). “Wat moeten we nu doen”, vroeg Noot zich af. “Tja”, zuchtte Pinda. “Jij wilde toch ook altijd verre reizen maken. Nu is je kans.” Noot vond dit ook niet grappig. “We kunnen hier toch niet zitten verpieteren”, schreeuwde Noot het uit. “Geduld”, sprak Pinda kalmerend. “Ook al komen we uit deze zak, dan kunnen we dit toch niet over onze dop laten gaan. We zullen wraak nemen. En ik weet ook al hoe. We gaan hem wurgen.” Pinda was inderdaad niet zo slim. Als hij ooit in de spiegel had gekeken, dan zou hij gezien hebben, dat hij geen armen noch handen had. “We kunnen ook eerst proberen te ontsnappen. Dan zien we wel weer verder”, wierp Noot tegen. Dat vonden beiden het beste. Pinda opende zijn dop en haalde er een kettingzaag uit. Wat ze nu nog nodig hadden was een stukje kauwgom en een stukje aardappelschil. Daarmee konden ze een geweldige ontsnapmachine maken. Het stuk kauwgom had Pinda ook wel in zijn dop zitten. En voor de aardappelschil wilde meneer Noot zich graag als donor beschikbaar stellen. Met een beetje geknutsel hadden ze de Indap gemaakt. De ontsnappingsmachine van de moderne Pinda. (Deze is niet te koop in de winkel. U kunt hem bestellen als het volgende nummer belt…………………………………………… …………………………………………………………………………….. Oh, ja. Het nummer is: 555-6789-45012-67848-PINDA) Pinda zette de Indap aan. Het pufte en steunde en brulde en kraaide en blafte en het had nog veel meer geluidseffecten. Je kon merken dat de kauwgom van een goede kwaliteit was, want de Indap liep vast. Daar vervloog de hoop op een snelle, spectaculaire ontsnapping. Maar ze hadden de tijd en dus konden ze ook wel later een minder spectaculaire ontsnapping uitvoeren. Wat moesten ze nu toch doen? Opeens kwam Pinda in beweging. De Indap was dan wel vastgelopen, maar Pinda had ook nog een groot mes in zijn dop liggen. Waarom hij dat niet direct gebruikt heeft? Nou, Indap & Co. Is de hoofdsponsor van dit verhaal en die wilde dat de Indap wat gepromoot werd. Dat is bij deze gedaan en we kunnen weer verder met het verhaal. Pinda pakte dus een groot mes uit zijn dop en begon meneer Noot te schillen. Ja, Pinda had ook honger. Daarna begon hij de zak open te snijden. Even voor de goede orde: de plastic zak en niet de zak van meneer Noot. Hij wilde nog wel eens gecastreerd worden, maar niet in het openbaar en zeker niet in een verhaal dat getypt wordt door een of andere zwakzinnige. Maar goed, Pinda zette dus het mes in de PLASTIC zak en begon een rondje te snijden. Toen ze het plastic, wat nu losgesneden was, verwijderd hadden, probeerden ze door het gemaakte gat te klimmen. Pinda als eerste. Maar hij bleef vast zitten. “Ik kan niet voor of achteruit”, schreeuwde Pinda. Noot begon Pinda te duwen om hem zo door het gat te krijgen. Hetgeen niet lukte. “Trek dan”, riep Pinda wanhopig uit. Toen hij na tien minuten nog geen getrek aan zijn benen voelde en er dus een vermoeden oprees bij Pinda wat meneer Noot dan wel aan het doen was, voegde hij eraan toe: “Trek MIJ eruit!” Meneer Noot begreep de hint en sprong op. Maar hoe meneer Noot ook trok aan de benen van Pinda, Pinda kwam niet los. Wat moesten ze nu toch doen? Meneer Noot kwam op het snuggere idee om Pinda met het mes los te snijden. En jawel dat lukte. Pinda dook naar achteren de zak pinda’s weer in. Ze wilden net door het gat ontsnappen toen een grote hand door de zak begon te zoeken. Meneer Rooster had honger… Meneer Roosters hand begon te zoeken naar een geschikte pinda om zijn honger te stillen. Pinda vond het geen goed om te wachten tot de hand hem bereikt had en zette het op een lopen. Maar omdat de zak zo f*ucking klein was kon hij nergens naartoe. Pinda bleef maar in rondjes lopen en toen hij meneer Noot voor de tachtigste keer passeerde vond hij het wel welletjes. “Ik hoef me nou geen zorgen te maken”, zei Pinda, “ik loop 80 ronden voor dus het duurt nog wel even voor hij mij kan grijpen.” Inderdaad ging Pinda’s logica niet op want na 0,14 seconde nadat hij dit gezegd had werd hij gegrepen door de hand van meneer Rooster. Pinda zette het op een schreeuwen. “Noot, HELP!!!” Noot scheen het niet te horen. “HELP!!!”, schreeuwde Pinda weer. Geen reactie. “Help…” Noot sprong op en maakte een geweldige snoekduik om de armen van Pinda te grijpen. Maar aangezien Pinda geen armen had, mislukte dit volledig. Noot viel met zijn kale kop op de grond. Pinda werd verder en verder omhoog getrokken. Aan de rand van de zak probeerde Pinda zich vast te grijpen, maar omdat Pinda geen armen, noch handen had was ook dit plan gedoemd om te mislukken. Pinda kreeg net op tijd een goede ingeving. Hij beet zich vast. Zijn kunstgebit liet los. Meneer Roosters hand bracht Pinda steeds verder naar zijn mond waar zijn tanden al wachtten om de pinda te vermalen en fijn te kauwen (dit verhaal is niet geschikt voor kinderen onder de 6 jaar) en daarna door te slikken. Pinda achtte zichzelf te jong om opgevreten te worden door de eerste de beste ramenlapperbezoeker. Hoe jong Pinda dan wel niet was, wilde hij zelfs niet aan de schrijver van dit l*ulverhaal vertellen. De tanden kwamen steeds dichterbij. Pinda had in de gaten dat er nog maar een redmiddel was. Pinda deed zijn onderste dopgedeelte naar beneden en begon zijn niervloeistoffen over meneer Roosters tong te vloeien (voor de snuggere lezers, die zullen zeggen dat pinda’s geen nieren hebben wil ik dit zeggen: JE LEEST HET VVD-CLUBBLAD, WAT WIL JE!!!). Meneer Rooster vond de zure smaak in zijn bek niet bepaald prettig en plezierig en smeet Pinda uit het raam. Tenminste dat was de bedoeling. Meneer Rooster pakte Pinda van de bekleding, deed het raam OPEN en deed zijn tweede poging om Pinda uit de auto te mieteren. Maar Pinda stuiterde tegen de lantaarnpaal waar meneer Rooster net voorbij reed en stuiterde zo de auto weer in. Dat werd meneer Rooster te gortig en stapte vol op de rem. Hij stapte uit, liep met een schep gewapend op de lantaarnpaal af, groef de lantaarnpaal uit, met alle kracht die hij in zich had verplaatste hij de lantaarnpaal vijf meter naar rechts, zette de paal weer neer, liep terug naar de auto, reed een paar meter terug naar de plek waar hij net Pinda uit de auto wilde smijten, pakte Pinda op, smeet Pinda nu uit het raam zonder dat hij terugkaatste tegen de lantaarnpaal en vond zichzelf nog slim ook. (Voor degenen die zeggen: “Hij had toch ook gewoon een paar meter verder kunnen rijden en daar Pinda eruit kunnen gooien”, zeg ik het volgende: JE LEEST HET VVD-CLUBBLAD, WAT WIL JE!!!) Daar lach…eh…lag Pinda nou. Helemaal alleen op straat. Door alles en iedereen verlaten. Moederziel alleen. Alleen op de wereld (hoezo paginaopvulling?). Pinda stond met een van pijn vertrokken gezicht op. Noot zat nog in de auto. Pinda vroeg zich af of de buitenwereld niet te hard zou zijn voor een aardappel. Dieper kon Pinda niet wegzakken in de modderput die ‘leven’ heet (om dit gedeelte zo sfeervol mogelijk te maken, probeer dan met je tong je neus aan te raken en ondertussen de 7e pinda-symphonie van Beethoven te fluiten). Wat moest Pinda nou doen? Hij had nog nooit een doel in zijn leven gehad en voelde er ook weinig voor om er nu één te gaan zoeken. Maar hij moest wel meneer Noot gaan zoeken, zijn eigen speelpieper. Maar waar moest Pinda beginnen met zoeken? Opeens kreeg Pinda een briljante ingeving. In de jaszak van meneer Rooster had Pinda een zakdoek ontwaard met een teddybeer erop die verdacht veel weg had van Bill Clinton. “Ik moet dus in de haven zijn!”, concludeerde Pinda. Volgende vraag. Hoe moest hij daar zo snel komen. De Indap was kapot, hij kon ook geen gemotoriseerde Andip maken, want daar had hij de schil van meneer Noot voor nodig (voor de techneuten onder ons die zullen zeggen: “Je kunt geen motor maken met een aardappelschil”, zeg ik het volgende: JE LEEST HET VVD…die voelde je zeker al aankomen). Er was dus maar één ding dat hij kon doen. Hij moest hulp vragen van de PINDARANGERS. Deze geweldige superpinda’s hebben hun leven toegewijd aan het redden en beschermen van pinda’s over de hele wereld. Hun organisatie is machtig en dat vinden hun aartsvijanden THE TIGERNUTS niet leuk om het maar zwak uit te drukken. Als er een pinda in nood zit hoeft hij alleen maar op het pindaknopje te drukken die elke pinda bij zijn ontdoppinp krijgt (ontdopping is de geboorte van een pinda). Pinda drukte op het pindaknopje en………er gebeurde he-le-maal niets. Je kunt zelfs niet op de pindarangers rekenen. Pinda moest dus zelf een oplossing bedenken. En Pinda kreeg opnieuw een briljante ingeving (Pinda is dit jaar Slimste Pinda van het Jaar geworden dus je hoeft niet verbaasd te zijn over de vele briljante ingevingen van onze held). “Als ik nou eens de duivenbus oproep met mij pindaduivenbusoproepfluitje, dan ben ik binnen de kortste keren in de haven”, dacht Pinda. En dus zocht Pinda even in zijn dop en vond het eerder vermelde fluitje. Daar klonk het geluid van de fluit: Firuutuutrepetuut!!! (onze excuses voor de gebrekkige geluidseffecten) Pinda wachtte gespannen af. Daar hoorde hij het geflap van vleugels, het klepperen van een snavel, het geroekoe van een duif. Kon het de duivenbus zijn? Nee, natuurlijk niet. Het was weer die verrekte, nieuwsgierige kabouter Bush die zijn neus in zaken stak die hem ver boven de pet gaan. Twee minuten later landde dan toch de duivenbus. Ja, wat moet je je nou voorstellen van een duivenbus? Nou, het is een langgerekte terriër met vleugels en die terriër heeft op zijn rug een middelmatige vuilnisbak, die dienst moet doen als zitplaats. Pinda stapte in. De terriër steeg op. Het werd een eentonige vlucht. De gebruikelijke kabouters kwamen voorbij vliegen, de duivenbus kwam terecht in een luchtgevecht, de duivenbus moest ook een hoog gebouw ontwijken anders wordt je zo beschuldigd van terrorisme, dus zoals ik al zei, een hele eentonige vlucht. Een kwartier later landde de duivenbus veilig en wel in de haven. Pinda stapte uit en betaalde met hondenkluifjes (ja, hallo, leer zo’n terriër maar eens geld aannemen). Pinda keek eens goed rond en constateerde dat er iemand te dun toiletpapier gebruikte. Afgezien daarvan, was de omgeving verdacht rustig. Te rustig. Toen opeens klonk er door de nacht een afgrijselijk gegil. Pinda voelde dat zijn hart een paar slagen miste, want hij kende de stem. “Noot…”, bracht hij er angstig uit… Het zweet brak Pinda uit. Zijn beste kameraad zat in de problemen en aan het gegil te horen waren het ook grotere problemen dan een keer je schil niet poetsen. Een tweede, langgerekte gil doorboorde de nacht. Pinda vroeg zich af waar het gegil vandaan kwam. Hij wendde zijn dop in alle windrichtingen, maar het geluid stierf weg tussen alle gebouwen. Pinda probeerde het geluid te reanimeren, maar het stierf toch weg. Pinda werd steeds angstiger. Hij moest het maar op goed geluk proberen. Hij liep in de richting van twee loodsen. Opeens schrok Pinda zich het apenzuur. Hij ontweek het apenzuur en schrok nog maal, maar nu schrok hij gewoon zoals een pinda behoort te schrikken. Want opeens klonk het gegil van wel akelig dichtbij. Noot zat dus in een van de twee loodsen. Maar welke? Pinda stak zijn vinger in de lucht en bepaalde de windrichting. De wind was zuidwest en in Ouganda gaan de pindaplukkers bij een zuidwestelijke wind de rechtse pinda’s plukken. Daarom kwam Pinda op het idee om de linkse loods te doorzoeken naar zijn vriend, meneer Noot, de aardappel. Gelukkig was Pinda goed voorbereid, want in zijn dop zaten explosieven, halfautomatische geweren en nog meer wapens die de gemiddelde pinda bij zich draagt. Op een rambo-achtige manier bereidde Pinda zich voor om zijn kameraad te bevrijden. Pinda was er klaar voor. Ware het niet dat hij eerst ongelooflijk nodig zijn behoefte moest doen. Nadat dit afgehandeld was, kon Pinda zich storten op zijn reddingsactie. Hij blies de deur van de linkse loods op met zijn pindagranaatlanceerder (mooi woord voor galgje). Pinda stormde naar binnen, struikelde over zijn eigen granaatresten, stond gauw op en liet toen zijn pindamitrailleur vuur spuwen. Hij miste echt alles en iedereen. Toen het weer stil geworden was, doorzocht Pinda de rest van de loods. Hij vond het rustig. Een beetje te rustig. Pinda liep verder. Voor hem doemde een deur op. De deur stond open. Verdacht. Een beetje te verdacht. Pinda liep op de deur af. Hij keek om het hoekje en zag Noot. Een beetje te Noot. Noot zat vastgebonden op een stoel voor de televisie. Hij huilde. Het was duidelijk dat hij al een lange tijd gemarteld werd. Pinda keek op de beeldbuis en schrok. Nu snapte hij ineens wat Noot zo angstig maakte. Op de televisie was de reclame van Celavita aardappelschijfjes te zien. Meneer Noot, die logischerwijs ook een aardappel was, kon het niet aanzien hoe zijn familie in stukken gesneden werden en daarna gekookt werden en daarna opgevreten door mensen die blijkbaar superieur verheven zijn boven de aardappels. De ultieme marteling. Pinda moest even wegslikken, maar toen maakte er zich een ongelooflijke pindawoede van hem meester en er knapte iets, hij kookte van binnen, hij barstte bijna van woede, hij…Nou ja, je begrijpt wel dat hij heel boos was. Pinda keek nog even in de kamer om te zien waar meneer Rooster zat. Die zat achter in de kamer bij de open haard. Hij at DOPPINDA’S!!! Toen was het helemaal knap! met Pinda. Hij sprong naar binnen en weer spuwde zijn pindamitrailleur vuur. Meneer Rooster sprong geschrokken op. Daar zag hij Pinda in de deuropening. Snel pakte meneer Rooster nog een paar pinda’s en hij sprong op Pinda af. Deze wachtte natuurlijk niet tot meneer Rooster hem genaderd was en hij sprong opzij. Naderhand bleek dit geen goed idee te zijn, want aangezien hij nog in de deuropening stond, smakte hij met zijn pindakop tegen de deurpost. Toen hij bijkwam was hij vastgebonden. Meneer Rooster zat met een gemene grijns voor de haard. “Zo”, zei hij, “dus jij wilde je vriendje wel even bevrijden. Nou, laat ik het zo zeggen, dat is je niet gelukt.” Meneer Rooster verwachtte dat Pinda een achterlijke pinda was, want deze waarneming had Pinda ook waargenomen (een beetje dubbelop, maar ik ben ook niet helemaal helder). Opeens…Een hard geklop op de deur. Meneer Rooster (meneer Rooster heette van de voornaam Juan Carlos José Maria da Cruz de la Peña de Marchi, dus wij zullen hem maar gewoon Rooster noemen, want zo heet hij ook) meneer Rooster deed open. Daar stond in de opening een vrouwfiguur. Met een doek in de hand. Een RAMENLAPPER!!! Pinda besefte dat hij waarschijnlijk vannacht niet zou kunnen ontsnappen, wanneer Rooster sliep, vanwege het simpele feit, dat Rooster niet aan slapen toe zou komen. Pinda voelde zich net Remi, alleen op de wereld. Naast hem zat meneer Noot nog steeds te snikken. Toen werd het Pinda te veel. Hij rukte aan de touwen en hij trok aan de touwen (het toevoegsel ‘aan de touwen’ is noodzakelijk vanwege het feit dat bijna alle VVD’ers een stel smeerlappen zijn). Pinda kwam niet los. Hij voelde een mes in zijn ribben porren. Meneer Noot had naast hem een mes gevonden en wilde nu aan Pinda duidelijk maken wat hij daarmee kon doen. Pinda snapte de hint niet direct, maar na een aantal minuten viel het kwar…eh…het tien-euro-cent-muntje (onze excuses voor het gebrekkige spreekwoord, maar ook deze zwakzinnige moet met de tijd meegaan). Pinda pakte het mes, sneed de touwen door, juichte een keer vanwege zijn herwonnen vrijheid en begon Noot te schillen. Pinda had honger gekregen. Rooster was al een geruime tijd boven met de ramenlapper en de ramen waren nog even smerig. Dus kwam Pinda tot de conclusie dat het de eerste tijd nog wel veilig zou zijn om te ontsnappen. Maar Pinda was een bikkel en hij wachtte tot het weer onveilig zou zijn, want anders krijgt dit verhaal geen verrassende wending. Boven werd het stil. Pinda dacht dat het nu wel onveilig genoeg zou zijn. Hij wenkte Noot om mee te gaan. Net toen ze deur bereikten klonk er achter een stem: “Waar denken wij heen te gaan?” Daar was Pinda al bang voor. Meneer Rooster was back!!! Het angstzweet brak Pinda uit. Hier was hij al bang voor geweest vanaf het moment dat hij besloot om op een onveiliger moment te ontsnappen. Meneer Rooster was vast vastbesloten om hen niet te laten gaan (‘vast vastbesloten’ is voor de betweters onder ons een contaminatie). Pinda keek om zich heen. Was er dan werkelijk geen uitweg? Ja, ze zouden door de deur kunnen gaan, maar dat was te makkelijk. Nee, Pinda zocht een moeilijkere oplossing en vond die. Boven de plek waar meneer Rooster zat een raam (voor de betweters onder ons, die zullen zeggen: “Een raam kan niet zitten”, wil ik één ding zeggen: KOP DICHT!!!). Wat Pinda nu dus moest doen, was als een gek (of als een pinda) op meneer Rooster afrennen, door zijn benen heen springen, zijn pindatouwgeweer afvuren op het raam, hopen dat het touw bleef zitten, omhoog kruipen, de ramenlapper die boven aan de trap stond ontwijken (de ramenlapper had geen doek bij haar en een ramenlapper zonder doek is praktisch naakt. Sterker nog, er was geen stuk textiel in haar buurt te bekennen, waardoor wij hier dus een vermoeden krijgen, waarom de ramen nog zo f*ucking smerig waren, terwijl er al een geruime tijd een ramenlapper in het pand aanwezig was) en als Pinda dan die ramenlapper ontweken had, moest hij door het raam klimmen om zijn vrijheid te herwinnen. Een eitje dus. Pinda legde zijn plan voor aan Noot, die reageerde door gillend toch door de deur te ontsnappen. Pinda keek hem na. Daarna zette hij zich schrap voor zijn eigen poging om te ontsnappen. Hij zette zich af en begon te rennen. Meneer Rooster kwam steeds dichterbij. De volgende stap was dus, door de benen van meneer Rooster te springen. Maar, alsof Rooster de gedachten van Pinda kon lezen, meneer Rooster deed zijn benen bij elkaar. De hufter!!! Wat moest Pinda nou doen? Uit zijn dop haalde Pinda een moker en zwiepte die zo tussen het kinderbijslagzaakje van meneer Rooster. Meneer Rooster sprong omhoog en Pinda kon aan fase twee beginnen. Supersnel pakte Pinda zijn pindatouwgeweer en schoot het af. Het touw bleef zitten. Hij trok nog eens aan het touw, vroeg aan de nog steeds gillende meneer Rooster of het goed zat. Die knikte. Pinda begon omhoog te klimmen. Dit was bijster moeilijk aangezien Pinda geen armen noch benen had. Maar Pinda had lak aan al deze feiten en klom dus gewoon omhoog. Dit werd hem bemoeilijkt door meneer Rooster, die nog steeds de stem van een sopraan had. Meneer Rooster gooide (bij gebrek aan beter) een emmer water over Pinda heen. “Zo, daar koel je wel van af!”, was zijn broodnodige uitleg. “Fout, meneer Rooster”, reageerde Pinda ,”dit is alleen maar olie op mijn oorlogsvuur. Niets kan mij nou nog tegenhouden om hier te ontsnappen en een einde te maken aan jouw pindaonwaardige streken.” Helaas voor Pinda was dit betoog een tikkeltje te lang, want nog voordat hij zijn laatste woorden had uitgespuwd (de ramenlapper heeft de uitgespuwde woorden overigens netjes opgeruimd) was meneer Pinda al bij het plafond. En aangezien het plafond steviger was dan het hoofd van Pinda, werd de trekker overgehaald en schoot er een onaangename pijn door het lichaam van Pinda. Beduusd hing hij daar. Op duizelingwekkende hoogte, op ijzingwekkende hoogte, op…nou ja, hij hing dus heel hoog. Nu kwam meneer Rooster in actie. Hij haalde gauw uit de kast een ontstopper en zette die op het stopcontact. Hij keek er even naar, vond het er wel mooi uitzien en toen kon hij zich weer concentreren op Pinda. Meneer Rooster kreeg het idee om Pinda te doorboren met een harpoen, maar ja. Hij had geen harpoen. Pinda was intussen weer wat tot de realiteit gekomen en besloot verder omhoog te klimmen. Meneer Rooster werd helemaal gek in de kop en besloot Pinda achterna te klimmen. Pinda keek onder zich en schrok. Meneer Rooster was een betere klimmer dan verwacht en kwam snel dichterbij. Pinda zette nog een tandje bij. Op dat moment gebeurde er iets waar niemand rekening mee gehouden had. Vanuit het niets vloog er een schim door de lucht. De schim was onherkenbaar tot dusver en we zullen het dan ook gewoon aanduiden met: de schim. Dus de schim vloog door de lucht. Met een welgemikte karateslag, raakte de schim, meneer Rooster in zijn nek, die hierop reageerde door snel en ongecontroleerd naar beneden te vallen. Pinda keek omlaag en zag zijn redder. Het was…de ramenlapper! Beduusd keek meneer Rooster op. “Waarom…”, begon meneer Rooster, maar voor hij zijn zin kon afmaken kreeg hij een welgemikt knietje onder zijn kin. Logische reactie: een knock-out. “Niemand laat mij in de steek in het heetst van de strijd”, zei de ramenlapper tegen de bewusteloze meneer Rooster. Dit was nogal een cryptische uitleg, maar vanwege het eerder vermelde feit dat de ramenlapper geen enkel stuk textiel herbergde kunnen we wel raden wat die strijd dan wel was (behalve dan de echte kneusjes bij de VVD). Pinda stak een hand op als bedankje en klom door het raam, wat nog steeds f*ucking smerig was. Pinda was vrij, maar Noot was nog steeds ergens in de wereld. Pinda moest dus weer in actie komen, want zijn eigen speelpieper had geen enkele kans van overleven. Het is een harde wereld voor een aardappel. Maar zolang er nog pinda’s zijn op deze wereld hebben de aardappels niets te vrezen. En een superpinda zoals Pinda was zeker een echte zegen voor de aardappels van deze wereld. Pinda trok een stoer gezicht. “Meneer Noot”, zei Pinda, ”ik kom je halen.” Wordt Vervolgd.

REACTIES

G.

G.

Wat een leuk verhaal, wanneer komt het vervolg?
Doei en de groetjes van Annelies!!

21 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.