Artikel:
Over criminele Marokkanen
In de papieren editie van de Volkskrant van vandaag een artikel over Hans Werdmölder die 25 jaar lang Marokkaanse criminelen in Nederland bestudeerde.
In 1991 kwam een kwart van de Marokkaanse jongens met de Utrechtse justitie in aanraking, in Den Haag was driekwart ‘dossierhouder’. In 1997 verscheen een nota waaruit bleek dat de criminaliteit onder Marokkaanse jongens vijf à zes keer zo hoog was als die onder autochtonen. Op het Amsterdamse gemeentehuis fluisterde een deep throat hem in dat 60 tot 70 procent van de Marokkaanse jongens bekend was bij de politie - politiek correct cijfer: 10 procent.
Werdmölder wil ‘niet generaliseren op cijfers’. Laten we zeggen dat optimisme niet gerechtvaardigd is. ‘De schooluitval is veel te hoog, en schooluitval is een voorspeller van crimineel gedrag. Sinds 1993 zijn de schotels opgekomen, en daarmee hangt ook de religieuze re vival samen. De werkloosheid werd in de jaren negentig wat minder, en toen kwamen ook de juichverhalen over geslaagde integratie. ‘Maar vervolgens is de werkloosheid weer opgelopen. Marokkaanse gezinnen zijn wel kleiner geworden, maar nog altijd twee keer zo groot als autochtone gezinnen. En de tweede generatie waarvan men dacht dat die met Nederlanders zou gaan trouwen, haalt nog meer dan de eerste generatie zijn bruiden en bruidegommen uit Marokko. De meisjes, die zouden het fantastisch doen op school. Niet overschatten, dat succes, zeg ik. Als ze met een conservatieve man trouwen, dan wordt dat succes niet omgezet in participatie in de samenleving.’


In zijn boek legt Werdmölder ook persoonlijk rekenschap af. Al die tijd worstelde hij met de manier waarop hij over Marokkanen en criminaliteit moest berichten. ‘Een groot taboe.’ En nog altijd vindt hij dat in de wetenschap de blik vertroebeld is, als het gaat om verklaringen van crimineel gedrag. Jarenlang had de sector het niet over misdaad, maar over ‘marginale levensstijlen’, over ‘grijze en zwarte hossels’.
Werdmölder belandde van de antropologie in de criminologie, een tak van kennis die door Paul Cliteur als de ‘wetenschap van de verhulling’ werd getypeerd. Dat ligt genuanceerder, zegt Werdmölder: ‘Ik zou zeggen dat men in de criminologie gevoelig is voor de publieke opinie.’ Hij herinnert wel aan de Buikhuisen-affaire: criminaliteit mocht heel lang uitsluitend aan de sociale omstandigheden worden geweten, en nergens anders aan.
De gedachte dat de criminaliteit van de Marokkaanse jeugdboefjes iets met de wantrouwige traditie uit het Rifgebergte van doen heeft, is dan ook nog altijd een taboe, vindt Werdmölder. ‘Men is gevoelig voor het feit dat de wetenschap kan bijdragen aan racisme. De reden ligt voor de hand, criminologen houden zich bezig met criminele feiten, en als die gepleegd worden door minderheden, dan is dat geen prettige boodschap. Je voelt die druk wel. Dat geldt toch ook voor journalisten? Je hebt een censor in je hoofd, en in mijn eerste boek heb ik niet in detail over criminele handelingen gesproken. Ik heb het geprobeerd te weerstaan, ik heb een worsteling doorgemaakt.
‘Dat heeft in het verleden wel geleid tot wat we noemen defining deviancy down. Afwijkend gedrag wegredeneren, wegmasseren. Altijd is de nadruk gelegd op de sociale positie. Dat moet je niet wegpoetsen, maar de vraag dringt zich toch op: waarom zijn Turken dan zoveel minder crimineel dan Marokkanen? In die Riffijnse cultuur is verdeeldheid troef, dat zie je in Nederland terugkomen. Er is een hoog eergevoel, veel schaamte en een dubbele moraal. Met als gevolg: de ontkenning van criminaliteit. Voor alles moet de vrede in de eigen kring worden bewaard. En als die ontkenning niet langer valt vol te houden, dan worden de problemen gebag atelliseerd, in de sfeer van: waar heb je het eigenlijk over.’
Nog altijd glimlachend en met die fluweelzachte g kraakt hij een laatste noot: de aanhoudende roep om nóg meer onderzoek en nóg meer beleid. Onzin. Alles is onderzocht, elke gemeente heeft eigen onderzoek gedaan, van Ede tot Leeuwarden. Elke Marokkaanse jongen is vijf keer tegen het licht gehouden en driemaal omgedraaid. ‘In 1998 waren er in Amsterdam 75 instellingen die zich bezighielden met de Marokkaanse probleemjeugd. Er wordt enorm veel beleid geproduceerd. Al twintig jaar lang is de jeugdreclassering ermee bezig, de Raad voor de Kinderbescherming, de politie, de organisatie Halt, wetenschappers, hulpverleners, politieagenten en militaire instructeurs. Je kunt ook zeggen: men weet er eenvoudig geen raad mee. En desondanks blijft men optimistisch, tegen beter weten in.’
Vakliteratuur:
NRC Handelsblad – Rotterdamse Kunststichting debatserie:


De stad als laboratorium
Deel 4: De desperado’s van de stad, Marokkaanse en Antilliaanse
probleemjongeren.
Debat in Arminius op donderdag 22 april 2004
Statistieken liegen niet. In een grote stad als Rotterdam komen jongens met een Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond opvallend veel vaker in aanraking met de politie dan andere jongeren. Ook als het gaat om vroegtijdig schoolverlaten steken de jongeren uit deze twee groepen er met kop en schouders bovenuit. Het doelloos rondhangen in de straten van de grote stad lijkt dan hun voornaamste bezigheid te zijn. Waarom raken deze jongeren zo veel vaker op het verkeerde pad en wat valt daar aan te doen? Publicist Mohammed Benzakour, filosoof Henk Oosterling en Hubert Fermina, directeur van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie ondervragen een zestal specialisten. Twee specialisten worden ondervraagd over Marokkaanse jongeren. Dit zijn antropoloog Frank van Gemert die onderzoek heeft gedaan naar probleemjongeren van Marokkaanse afkomst en Said Ajbilou die coördinator is van Al Hidaya een project die probleemjongeren helpt met het aanbrengen van structuur in het leven. Twee specialisten worden ondervraagd over Antilliaanse jongeren, dit zijn de antropoloog Hans van Hulst en Gershwin Bonevacia werkzaam bij de Reclassering Nederland. Tot slot ondervraagt het panel twee vertegenwoordigers van de Rotterdamse aanpak. Souad Azzoui is projectleider van het project ‘Pak je Kans’. Zij helpt jaarlijks zo’n 40 jongeren die in aanraking zijn gekomen met de politie. Gerard Spierings is stadsmarinier in het Oude Noorden. Spierings pakt de probleemsituaties in het Oude Noorden aan. Menno Hurenkamp is moderator. De Marokkaans-Nederlandse rapper Mo opent de discussie met een rap over Marokkaanse jongeren in Nederland.
Over Marokkaanse jongens
Marokkaanse jongens staan alle enige tijd synoniem voor problemen. Regelmatig is in de krant te lezen dat groepen Marokkaanse jongens crimineel gedrag vertonen. Van Gemert doet al jaren onderzoek naar deze groepen jongens. Hij verklaart waarom deze jongens crimineel gedrag vertonen. ‘Marokkaanse jongens brengen te veel tijd samen op straat door. Ze zetten elkaar aan tot overlast en crimineel gedrag en elke keer wordt die overlast weer wat extremer. Ze missen iemand die kaders stelt. Thuis krijgen ze dat onvoldoende en op straat durft men dat niet.’ Hurenkamp: ‘Dus u bedoelt dat je als zo’n jongen je op straat zegt: “Ik weet waar je huis is” je moet antwoorden met: “En ik weet waar de jouwe is”?’ Van Gemert bevestigt dit. Ajbilou heeft veel ervaring met Marokkaanse jongens. Maar hij wil een nuance aanbrengen. ‘Dit zijn geen Marokkaanse jongens. Dit zijn Nederlandse jongens die je niet kunt vergelijken met leeftijdsgenoten in Marokko. In Marokko vertonen die jongens dit gedrag niet. Daar zijn hun ouders veel beter op de hoogte van wat de jongens op straat doen en worden ze gecorrigeerd.’ Van Gemert is het daar mee eens. Het panel vraagt hier op door. Mijn lijkt het eens te zijn met de conclusie dat Marokkaanse jongens in Nederland ontspoort gedrag vertonen vooral verklaard kan worden vanuit hun positie in deze maatschappij. Hun ouders spreken vaak slecht Nederlands waardoor ze in veel gevallen hun ouders moeten vertegenwoordigen, waardoor de relatie met hun ouders in veel gevallen niet meer
een klassiek ouder-kind relatie is. Door de autochtone bevolking worden ze vaak bij voorbaat al gezien als crimineel, wat daardoor een self-fulfilling prophecy lijkt te worden. Het criminele gedrag is dus niet cultureel maar sociaal bepaald. Als uitsmijter heeft Van Gemert nog een bijzonder observatie. ‘Wat mij opvalt, is dat de groepen Marokkaanse jongens vrijwel nooit een leider hebben. Het zijn dus geen gangs zoals we die ook wel kennen. De politie zegt vaak dat als er een paar personen uit een groep gehaald wordt, dit tot gevolg heeft dat de andere jongens zich niet meer misdragen. Dat is volgens mij onzin.’
Over Antilliaanse jongeren
De groep Antillianen in Nederland is bijzonder. Tegelijkertijd is in relatie tot de omvang van de groep Antillianen in Nederland het percentage Antilliaanse studenten op de Erasmus Universiteit de grootste groep allochtone studenten, maar zijn relatief ook de meeste jongeren crimineel actief.1 In tegenstelling tot de groep criminele Marokkanen blijven de problemen in deze groep niet beperkt tot jongens. Van Hulst doet onderzoek naar de Antilliaanse jongeren. Hij preciseert de groep.‘In het algemeen hebben we het over de jongeren van Curaçao die de problemen maken.’ Er zijn veel oorzaken die leiden tot crimineel gedrag. De belangrijkste oorzaak die Van Hulst aandraagt is het probleem van de opvoeding. Of om wat grotere woorden te gebruiken: ‘volksopvoeding’. Van Hulst signaleert dat de problemen zich vooral voordoen in de onderste lagen van de bevolking. Na vragen van het panel probeert hij de oorzaken van het criminele gedrag scherper te stellen. ‘Er zijn veel momenten dat het met de volksopvoeding fout gaat. De criminele jongeren komen vaak uit gebroken gezinnen, uit gezinnen die onder de armoedegrens leven. De katholieke kerk is vanouds richtinggevend maar is nu voor een groot deel weggevallen, zodat ook daar geen structuur uit komt.’ Zo zijn er meer sociale factoren te onderscheiden. Net als bij het criminele gedrag van de Marokkaanse jongens zijn de problemen die de Antilliaanse jongeren veroorzaken gegroeid uit de sociale omstandigheden waaruit die jongeren voortkomen en waarin ze nu leven. Gelukkig wordt dit weldegelijk erkent. Er zijn veel initiatieven die proberen om de jongeren een kans te geven. Veel van deze initiatieven komen voort uit de Antilliaanse gemeenschap zelf. Bonevacia geeft aan hoe hij zelf bij verschillende initiatieven betrokken is. Een voorbeeld van zo’n initiatief is de brassband die bij aanvang en slot van het debat te horen is. Hij is wel bezorgd: ‘De jongeren worden steeds jonger, vroeger waren ze een jaar of achttien, nu een jaar of tien. Ik ben bang dat ze criminaliteit steeds vaker gaan zien als alternatief voor scholing en werk.’
De Rotterdamse aanpak
Rotterdam is de stad van ‘geen woorden, maar daden.’ Ook in de aanpak van de criminele jongeren wordt deze lijfspreuk toegepast. Azzaoui spreekt over haar pogingen om jongeren die in aanraking zijn gekomen met de politie weer op weg te helpen, zodat ze niet nog een keer worden opgepakt. Ze zegt dat het belangrijk is dat de politie daarin betrokken is. ‘Als zo’n jongen bij de politie zit, dan realiseren de ouders zich vaak pas wat er aan de hand is. De politie speelt een belangrijke rol bij het aanmelden. Het gaat dan om jongens die voor kleine dingen zijn opgepakt, maar ook voor jongens waarbij de politie ziet dat ze met de verkeerde mensen omgaan, dat ze aansluiting dreigen te vinden bij criminele groepen.’ Azzaoui geeft aan dat zij en haar collega’s per persoon gemiddeld
40 probleemjongeren helpen. Helaas zijn er geen statistieken beschikbaar die kunnen aangeven in hoeverre het project succesvol is. Spierings vertelt over zijn ervaringen in het Oude Noorden. Hij ziet veel problemen. Gezinnen waaruit meerdere kinderen in aanraking komen met de politie. ‘Laatst was ik bij een gezin waarvan kind vijf opgepakt was. Soms beheerst een familie een hele straat, waardoor de hele straat onleefbaar wordt. En je hebt van die groepen jongens die echt uitdagen. Je ziet het gebeuren. Dan loopt er een jongen van een groep weg en die botst dan tegen je op, als je daar dan op in gaat dan komt de hele groep op je af en heb je met de hele groep ruzie.’ Spierings taak is om de problemen op te zoeken en deze problemen bij de bron aan te pakken. ‘Jongeren die van de straat moeten, die probeer ik ook van de straat te krijgen. Maar ik heb ook het jongerenwerk gestimuleerd.’
Conclusie
De conclusie van de avond lijkt te zijn dat de problemen vooral veroorzaakt worden door sociale omstandigheden. Dit geldt zowel voor de Marokkaanse als voor de Antilliaanse jongeren. Het verhaal van Spiering ondersteunt dit. ‘Het zijn lang niet altijd allochtonen die problemen maken. Op dit moment heb ik te maken met twee autochtone gezinnen die een hele straat terroriseren. Gewoon blanke mensen uit de onderste lagen van de bevolking.’
april 2004
Jasper van der Kuijp
1 Bijna 11% van de Antilliaanse jongeren tussen 12 en 24 jaar is in 2000 wel eens verdacht geweest, tegenover ruim 8% van de Marokkaanse jongeren en bijna 2% van de in Nederland geboren jongeren. Cijfers: Integratiemonitor 2002, Ministerie van Justitie
Open brief aan Minister Nawijn
Volkenrechtelijk advies aan de heer H. Nawijn, minister van Vreemdelingenzaken en Integratie.
Minister Nawijn laat onderzoeken of het mogelijk is criminele Marokkanen met dubbele nationaliteit uit te zetten. Inmiddels heeft premier Balkenende gezegd dat dat niet kan en discriminatie zou zijn ten opzichte van andere Nederlandse staatsburgers. Dit laatste is volkenrechtelijk niet juist, de heer Nawijn kan gaan uitwijzen.
De dubbele nationaliteit is ontstaan, omdat Marokko in strijd met art. 6 van de Convention on the Conflict of Nationality Laws 1930 jo. art. 2 lid 1,2 van de European Convention on Reduction of Cases of Multiple Nationality zijn staatsburgers niet toestaat om afstand te doen van hun Marokkaanse nationaliteit bij langdurig verblijf in het buitenland. Nederland heeft echter in strijd met de geest van deze verdragen en ook die van de Convention on the Reduction of Statelessness, 1961 (UN Doc. A/C9onf. 9/15) gemeend alsdan ook de Nederlandse nationaliteit toe te kennen aan Marokkanen die hier langdurig verblijven in de door mij indertijd fel bestreden misvatting, dat zulks hun intergratie in de Nederlandse samenleving ten goede zou komen. Dit standpunt werd met name uitgedragen door PvdA-kamerlid wijlen mevrouw Jabaay.
Volkenrechtelijk ligt de bevoegdheid uit te maken wie het staatsburgerschap toekomt bij de staat, behoudens enige geringe beperkingen die opgelegd worden door genoemde verdragen. Onderling tegenstrijdige nationale regelingen kunnen leiden tot het verlenen van een dubbele nationaliteit. De status van personen met dubbele nationaliteit is geregeld in de voornoemde Conventie van 1930. Zo kan een staat diplomatieke bescherming van zijn staatsburger weigeren tegenover de andere staat waarvan deze eveneens staatsburger is.
Maar volkenrechtelijk moet statenloosheid worden vermeden. Volgens de Conventie on the Reduction of Statelessness van 1961 behoudt de staat het recht om zijn onderdanen hun staatsburgerschap te ontnemen, als zo'n persoon aan een andere staat diensten tegen betaling heeft verleend of zich heeft gedragen 'ín a manner seriously prejudicial to the vital interest of the state', of als hij een officiële eed van trouw aan een andere staat heeft afgelegd, danwel afdoende bewijs heeft gegeven van zijn vastberadenheid zijn trouw aan de staat af te zweren. (art. 8). Zo stipuleert Sec. 349 (a) van de United States Act van 1952 ook als reden het wegblijven uit de VS tijdens een binnenlandse opstand om zo de militaire dienst te ontvluchten. De Engelse minister van Binnenlandse Zaken kan volgens Sec. 20 (4) van de nationaliteitswetgeving iemand zijn staatsburgerschap ontnemen die Her Majesty door daad of woord ontrouw geworden is.
Al in de Convention Relating to the Status of Stateless Persons van 1954 werd gesteld, dat de statenloze zich evenwel dient te houden aan de wetten en maatregelen tot behoud van de openbare orde in het land van verblijf. Daartegenover moet het land van ontvangst hem veelal dezelfde behandeling geven als zijn staatsburgers op privaatrechtelijk terrein. Uitwijzing van statenlozen kan alleen als zij een gevaar opleveren voor de openbare orde en op grond van rechterlijk vonnis, maar zij mogen niet worden afgevoerd (refoulé) naar een gebied waar hun leven of vrijheid op grond van hun etniciteit, religie of politieke opinie gevaar loopt. Anderzijds is uitzetting (expulsion) geen strafmaatregel, maar een tenuitvoerlegging van een recht dat de staat toekomt. De uit te zetten persoon hoeft niet per se een recht op verweer toe te komen, maar mag anderzijds ook niet worden vastgehouden (compulsory detention), behoudens in gevallen dat hij weigert te vertrekken of wil onderduiken.
Uit bovenstaande blijkt dat Nederland met gerust hart de Nederlandse nationaliteit kan intrekken, indien het vindt dat criminele Marokkanen een ernstige bedreiging vormen voor de vitale belangen van de staat. Me dunkt dat zo'n vitaal belang kan liggen in de handhaving van een vreedzame coëxistentie van de diverse etnische groeperingen. Men zou de steun kunnen zoeken van de Marokkaanse gemeenschap zelf en andere etnische groepen die onder het imago van de Marokkaanse straatterreur te lijden hebben. Het aanhangen van de islam en de sharia-wetgeving kan in voorkomende gevallen ook een bewijs opleveren van trouw aan een ander staatsbestel dan dat van de Nederlandse Staat. Met de huidige wereldwijde anti-terrorisme-wetgeving krijgt de Nederlandse overheid hierin ook meer armslag. Ook Israël ontneemt thans veelvuldig zijn arabische onderdanen hun Israëlisch staatsburgerschap.
De Marokkanen met dubbele nationaliteit verliezen trouwens niet hun Marokkaanse nationaliteit en worden dus niet statenloos. Zij kunnen gevoegelijk naar Marokko terug. Hun wacht aldaar vrijwel geen gevaar van leven of vrijheid op grond van etniciteit, religie of politieke opinie. Het gaat immers om gewone criminelen en niet om politieke vluchtelingen.
De vraag of de intrekking van hun nationaliteit discriminatoir is, moet ontkennend worden beantwoord. Immers de Staat kan ook van zijn staatsburgers met enkele nationaliteit dezelve ontnemen op dezelfde gronden. Art 1 en 2 van The Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination van 1966 stellen uitdrukkelijk, dat niets in dit verdrag kan worden toegepast op het onderscheid dat staten maken op grond van nationaliteit tussen staatsburgers en niet-staatsburgers.
De staat mag dus ook onderscheid maken in zijn behandeling jegens staatsburgers met een enkelvoudig staatsburgerschap en een tweevoudig staatsburgerschap. Dat blijkt al uit het feit, dat het geen diplomatieke bescherming hoeft te bieden tegenover het land van de tweede nationaliteit. Omgekeerd kan worden gesteld dat staatsburgers met een dubbele nationaliteit bevoorrecht zijn ten opzichte van staatsburgers met een enkelvoudige; zij zijn positief gediscrimineerd.
De Nederlandse regering kan verdere kritiek voorkomen door erop te wijzen, dat zij niet een gehele etnische groep aanpakt - het gaat immers om een kleine groep recidivisten - en zij kan tevens besluiten om tegelijkertijd ook criminele leden van andere etnische groepen die een dubbele nationaliteit genieten uit te wijzen. Die zijn te vinden, want Nederland heeft enige jaren lang ook de dubbele nationaliteit toegestaan aan degenen die wel afstand mochten doen van hun andere nationaliteit op grond van de wetgeving van het land van herkomst. Bijvoorbeeld mensen uit de Filippijnen. Zo kan worden voorkomen dat alleen moslims worden uitgewezen en van dier zijde discriminatie op grond van religie wordt gedenonceerd.
Eerlijker is het te stellen dat de islamitische gemeenschapsopvatting strijdig is met de Europese verlichtingsidealen die ten grondslag liggen aan ons staatsrecht, maar zover zal premier Balkenende wel niet willen meegaan.
Drs. Alfred Vierling
27 augustus 2002
Leervragen:
1. Wat is de hoeveelheid Marokkanen in Nederland?
2. Wat zijn de oorzaken dat Marokkanen crimineel worden?
3. Wat vinden de Marokkanen er zelf van?
Antwoorden:
1.
Leeftijd Totaal Man vrouw
0-10 11.993 6.176 5.817
10-20 11.351 5.920 5.431
20-30 13.955 6.818 7.137
30-40 15.450 8.082 7.368
40-50 10.588 5.360 5.228
50-60 8.714 4.046 4.668
60-70 3.081 1.594 1.532
70-80 980 392 588
80-90 216 65 151
>90 18 2 16
Tabel 1. Aantal voormalig Marokkanen naar leeftijd en geslacht, 1 januari 2004
47 Procent van de voormalig Marokkanen woont in één van de vier grote
steden. Dat is beduidend hoger dan onder de autochtone bevolking (9%),
en ook hoger dan de percentages Afghanen (15%), Irakezen (17%) of
Iraniërs (20%) in de steden, maar aanmerkelijk lager dan Surinamers (55%). In vergelijking met klassieke groepen is de concentratie onder nieuwe etnische groepen in het westen daarmee minder sterk. Breiden we de telling uit naar de grootstedelijke agglomeratie van de vier grote steden dan blijkt het percentage voormalig Marokkanen dat daar woonachtig is te stijgen van 47 naar 49% (23.476 personen).
Tabel 2. Grootstedelijke agglomeraties met > 1.000 voormalig Marokkanen op
1 januari 2004
Stad Aantal inwoners
Rotterdam
Amsterdam
Den Haag
Utrecht
Heerlen
Nijmegen
Leiden
Tilburg
Eindhoven
Dordrecht
Breda 12.137
6.584
2.393
2.362
1.856
1.566
1.137
1.127
1.211
1.135
1.016
2. Ik citeer uit een column van Yidir een van de meest logische redenen waarom Marokkanen “crimineel zijn”.
?Het criminele gedrag van Marokkaanse jongeren is inherent aan de Marokkaanse cultuur.
M.a.w. : De Marokkaanse cultuur is de oorzaak van het criminele gedrag van criminele jongere Marokkanen.?
Met zo’n theorie belande Nederland rechtstreeks terug in de Middeleeuwen. Met de ?Theorie? linea directa zo naar de heksenjacht terug. Maar dan wel de Marokkaanse cultuur op de brandstapel. Wie kan nog de ?Theorie? onderuit halen? Nee, niet de brokkelende ideologie van Politiek Links. Politiek links werd rechtshandig en deed ook gezellig mee onder het mom van ?taboes doorbreken?. Het woord ?kutMarokkaan? dreunt nog steeds door in uw oren. Eindelijk de officiële erkenning dat je een Marokkaan bent, na jarenlang te zijn uitgescholden voor een Turk.
Wie heeft nog de moed, om de ?Theorie? nietig te verklaren? Na Balkelende I en nu Balkelende II is de moed bij de andersdenkenden kennelijk sterk verzwakt.
Politieke Marokkanen begonnen zich te roeren. Inderdaad de z.g. MoMa’s, de Midden Oosten Marokkanen. Ook zo’n afdeling valsheid in geschrifte maar dan aan de Sprookjeslaan der 1001 nachten. Wat hadden de MoMa’s toch fantastische tijden meegemaakt. Het Arabische nationalisme is het terrein waar de MoMa’s zich traditioneel sterk voor maakten. Na jarenlang te zijn uitgescholden voor een Turk en door de MoMa’s als Arabieren te zijn voorgeschoteld aan Nederland, is de rug van een Marokkaan een etiketten-wisselplaats geworden van identiteiten. Plak maar wat je maar wilt op de rug van een Marokkaan. Logisch dat de Marokkanen zich in tegenstelling tot de Turken in een grote identiteitscrisis bevinden. De Marokkaan is noch Turk en noch Arabier. Een Marokkaan is van oudsher een Amazigh met het Tamazight als zijn eigen taal. Hiervan waren de Moma’s goed op de hoogte en hebben daarom de geschiedenis vervalst, om het Arabische nationalisme te versterken. Het is een vervalste geschiedenis geworden die doet beweren dat Marokkanen afstammen van Arabieren en ooit te voet vanuit het Arabische schiereiland zijn komen aanwandelen in Marokko/ Noord Afrika. Voor sprookjesvertellers ben je bij de MoMa’s op het juiste adres. Hun sprookjes worden graag gehoord in het politieke theater van beleidsmakers voor Marokkanen. Het sprookje ?Duizend en een nachten? heeft de beleidsmakers in Den Haag zo beïnvloed, dat de Marokkanen als Arabieren worden benaderd. Met dank aan de vrije kaartjes die aan de beleidsmakers geschonken zijn door de politieke lobby van de MoMa’s. Sluwe gasten die MoMa’s. Maar uiteindelijk werd hun sprookje verstoord door de krant van Wakker Nederland, die ook bij hen in de brievenbus viel. Het sprookje ontplooide zich in een nachtmerrie.
De ?Theorie? was een regelrechte aanval op de MoMa’s, die de Marokkanen met hun eigen sprookje ?vertegenwoordigen?. Je zou verwachten dat de MoMa’s in de verdediging gingen. Dat klopt ook, maar dan wel volgens hun nieuwe sprookje: ?Verdeel en heers?. Een sprookje waarin zowel onze Marokkaanse clown, Cherribi oussama, als Mohamed Rabbae hoofdrolspelers zijn.
Dit keer bestonden de toeschouwers niet alleen uit beleidsmakers, ook de media kregen vrijkaartjes aangeboden door de MoMa lobby. Een stukje van het sprookje ?Verdeel en heers? werd door de media gepubliceerd:
De Marokkaanse clown, Oussama Cherribi, kwam al schreeuwend het podium op rennen. Hij schreeuwde dat de criminele Marokkaantjes naar de Sahara gestuurd moeten worden. En dat het gedrag van Marokkaanse imams in Nederland te maken heeft met hun afkomst, het rif gebergte. Aan zijn houding te zien kwam hij inderdaad over als een Marokkaanse clown.
De rol van een intelligente persoon was weggelegd voor Mohamed Rabbae. Hij kwam het podium op met in zijn hand de OALT koffer. Hij vertelde dat er in die koffer een zelf ontwikkelde geheime formule bevindt, de OALT voor Marokkanen(les in eigen moedertaal voor Marokkanen). Een formule die de moedertaal Tamazight/darija van Marokkanen veranderde in ?moedertaal? standaard Arabisch voor Marokkanen. De formule was simpel van opzet dankzij de medewerking van Marokkaanse ouders die denken dat OALT een koranles is. Het OALT koffertje was maar een intro. Het hoogtepunt was toen Mohamed Rabae in zijn rol zei, dat de bewoners in het rifgebergte altijd al opstandig waren en geen bemoeienissen wilden hebben van de overheid. De criminele Marokkaantjes komen ook daar vandaan. Daar heerst de berber(lees Amazigh) cultuur, vandaar. En in de steden heb je de beschaafde Arabische cultuur. Separatisten zijn het! , schreeuwde de emotioneel geworden Mohamed Rabae. Terwijl op de rug van Mohamed Rabae de woorden ?politieke vluchteling uit Marokko? te lezen viel. Blijkbaar moest Mohamed Rabbae een hypocriete persoon spelen.?
Al met al kwam de boodschap van het sprookje ?Verdeel en heers? niet goed over. De beleidsmakers en media bleven de Marokkanen als Arabieren benaderen, omdat de Moma’s de Marokkanen als Arabieren hadden voorgeschoteld. Je kunt zeggen dat de Moma haar eigen graf heeft gegraven. Een enkeling heeft wat meer zelfstudie verricht en kwam erachter dat er wel degelijk verschil is. Het zijn twee verschillende volkeren met een eigen taal en cultuur. Het toneelstuk ?Verdeel en heers? werd geen succes.
Door de nederlaag kwam het Arabische nationalisme op de ruggen van Marokkanen in gevaar. Dit was de aanleiding geweest, dat er een radicale splintergroepering is ontstaan in de zolder van de MoMa’s aan de Sprookjeslaan der 1001 nachten. De AEL (Arabisch Europees Liga) is ook het juiste adres voor sprookjesverhalen. Het negatieve nieuws over Marokkanen hield niet op. Mevrouw Hirschi Ali maakt er dankbaar gebruik van. Over de ruggen van Marokkanen wil ze carrière maken. Ik heb nog nooit over besnijdenissen bij vrouwen gehoord, totdat zij op de buis kwam. In haar Somalische cultuur is het een gewoonte om de vrouwen te verminken door middel van besnijdenis. Een betere wereld begint bij jezelf Hirschi Ali. Zou ze ook besneden zijn? Misschien dat, dat de oorzaak van haar gedrag tegen over Marokkanen is? Wij Marokkanen kennen geen vrouwen besnijdenis.
Wie kan nog de ?Theorie? en de heksenjacht op de Marokkanen nog tegenhouden? Wat mij betreft komt nu het moment dat we de overgang zullen maken van erkenning dat de ?Theorie? niet juist is, naar een situatie waarin de Marokkanen zullen uitstralen. Nu hebben we weer wat te zeggen!
Mr. Sadik Harchaoui, de langverwachtene! Eindelijk iemand die weet wat er in de Marokkaanse gemeenschap afspeelt en hoe die daarop moet reageren. Hij is de eerste Marokkaan in Nederland die het tot plaatsvervangend officier van justitie heeft geschopt. Tijdens zijn juridische carrière heeft hij aan de zijlijn hopeloos moeten toezien hoe ?Marokkaanse? vertegenwoordigers zich verdedigden tegen de ?Theorie?. Mr. Sadik Harchaoui bevestigt dat de problemen van de criminele Marokkaantjes niks te maken hebben met de Marokkaanse/ Amazigh cultuur. Je moet criminele Marokkaanse jongens persoonlijk aanspreken en hun daden niet bedekken onder de wollige deken die ’cultuur’ heet.
In zijn proefschrift, schrijft hij zelfs dat de Nederlandse wetgeving nog veel kan leren van de Amazighijnse (berberse) regelgeving en gewoontes als het gaat om conflict oplossingen. Sadik is zelf afkomstig uit het Rifgebergte en heeft zijn afkomst niet verloochend, maar juist oprecht verdedigt. De ?Theorie? en MoMa’s kunnen nu eindelijk onderuit gehaald worden, door iemand uit het rifgebergte zelf. Het rifgebergte die een plaatsvervangend officier van justitie heeft gebracht, is niet de oorzaak van de Marokkaanse problemen. Eerlijkheid duurt het langst!
3. Aan een Marokkaanse vriendin heb ik gevraagd wat zij vind van dit onderwerp en wat zij er over te zeggen heeft: “Marokkanen zijn niet haatdragend, kwaadwillend en/of agressief. Het kleine groepje dat dit wel is kun je heel makkelijk verklaren. Marokkanen zijn namelijk ook mensen, en net zoals in elke bevolkingsgroep heb je ook hier rotte appels”.
Inleiding
Ik heb dit onderwerp gekozen omdat het een bijna dagelijks bespreekbaar onderwerp is en iedereen ermee te maken heeft. Ik was wel benieuwd Wat verschillende mensen er over te zeggen hebben.
Het probleem is dat er nogal veel Marokkanen crimineel blijken te zijn. Ik dacht altijd dat dat zo lijkt, omdat het altijd in het nieuws komt als een Marokkaan wat heeft gedaan, en minders snel als een Nederlander wat heeft gedaan. Dus ik ben op zoek gegaan naar statistieken en feiten en meningen.
Niet alleen Marokkanen zijn bij dit probleem betrokken, maar ook de rest van de samenleving waar zij in wonen, in dit geval dus heel Nederland.
Wij worden bijna dagelijks met criminele jongeren geconfronteerd, en meestal gaat het dan om Marokkanen. De goede Marokkanen komen daardoor in een slecht daglicht te staan. Dat vinden zij natuurlijk niet leuk. En de rest van Nederland maakt zijn vooroordelen en scheert dus elke Marokkaan over 1 kam, en dat is niet de bedoeling.
Iedereen heeft er een verschillende mening over. Het grootste deel van de Nederlanders denkt meteen aan criminaliteit en irritante mensen als je het over Marokkanen hebt. Terwijl er een heleboel goede Marokkanen zijn die alles in hun leven goed voor elkaar hebben en toch worden gediscrimineerd door andermans vooroordelen, en daar zijn zij het niet mee eens.
Ik vind zelf dat een hoop Nederlanders te snel vooroordelen hebben, maar ik vind ook wel dat er inderdaad een hele hoop criminele Marokkanen hier in Nederland zijn die het verpeste voor de goed ingeburgerde Marokkanen.
Eigen Mening:
Ik vind dat niet alle Marokkanen over 1 kam geschoren moeten worden. Niet alle Marokkanen zijn crimineel. Er is een groot aantal dat dat wel is, en die komt ook veel in het nieuws. De Marokkanen die wel crimineel zijn, verpesten het, naar mijn mening ook, voor de goede Marokkanen. Ik vind dat zij net als criminele Nederlanders gestraft moeten worden, en wanneer ze veel in herhaling vallen terug worden gestuurd naar hun eigen land. Zij zijn hier gekomen om van onze economie te profiteren en daar is op zich niks mis mij, maar als ze zich uitsluitend crimineel gedragen hebben we niks aan ze. Bovendien vind ik dat zij een persoonlijke verplichting voor hun eigen volk en land hebben, en vind ik dat het van grote waarde is wanneer een Marokkaan ervoor kiest vrijwillig terug te gaan om zijn eigen land op te bouwen.
Conclusie:
Ik heb geleerd van dit onderwerp dat niet alle Marokkanen crimineel zijn en dat wij nederlanders te snel onze mening klaar hebben. Niet alle Marokkanen zijn crimineel. Niet alleen Marokkanen zijn crimineel, ook andere allochtone groepen en Nederlanders kunne crimineel zijn. Ik heb het een interessant onderwerp gevonden en vind het leuk dat ik er nu wat mee rover weet.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.