ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Plato en Aristoteles en hun verschillen over de kennis- en ideeënleer

Voorwoord
Plato en Aristoteles waren Atheense filosofen. Plato was leerling van Socrates, en Aristoteles heeft van Plato geleerd. Ze leefden ongeveer in de vierde eeuw voor Christus en behoorden dus tot de zogenaamde Griekse filosofen.Ik heb voor deze praktische opdracht de verschillen over de kennis en ideeënleer tussen Plato en Aristoteles bekeken.

Plato
Om een idee te kunnen definiëren moet je de plaats van dat idee kunnen aangeven onder een hoger idee. Een hoger idee is het idee van het goede, dit idee is een mogelijkheidsvoorwaarde en de bron van alle zijn (alle kennis, alle normen). Dit idee valt voor ons niet te kennen, en is het goede boven alle ideeën, en is dus de bron en einddoel van alles wat is. Een hoger idee leeft dus in de ideeënwereld en zet het ‘gewone’ idee op zijn plek.
Het gemeenschappelijke van alle ideeën is hun bestaan, hun identiteit, het niet-zijn (dus het niet en het zijn, het verschil daarvan), rust en beweging.
Misschien is dit nog een beetje onduidelijk, dus zal ik een voorbeeld geven: Het hoogste idee is verenigbaar met andere ideeën. Hun waarheid straalt uit over grote aantallen lagere ideeën. Een bal heeft bijvoorbeeld tig toepassingen; een voetbal, een kaatsbal, een tennisbal, een rugbybal etc. Dit zijn allerlei ballen, maar is elke bal ook een voetbal?
Nee, elke bal is geen voetbal. Dat geeft aan dat ‘bal’ (hoogste idee) boven alle toepassingen staat (andere ideeën).
Wat ik hier ook bij kan zeggen, is ook wel grappig om te noemen:
‘er is meer niet dan wel.’ Alle ideeën maken dus deel uit van het zijn en tegelijkertijd van het niet zijn. Het zijn: alle ideeën maken deel uit van het hoge idee. Het niet zijn: het idee van het anders zijn dan het zelfde.

Plato keerde zich af van alles wat via zintuigen binnenkomt en richt zich volledig op intellectuele vorming. Hij vindt namelijk dat de dingen die via je zintuigen binnenkomen niet betrouwbaar zijn, maar slechts schaduwen van iets wat veel mooier is. Schaduwen zijn immers niet volmaakt, ze laten slechts contouren zien. Wat Plato met die schaduwen bedoelt, wordt uitgelegd in ‘De Grot’, maar het is heel simpel om hier even uit te leggen.
Stel, je neemt een knuffelbeest die je voor een lamp houdt en op de muur komt een schaduw.
Plato dacht dat we deze schaduwen dus ons hele leven zien.
We zien geen boom als we naar buiten kijken, we zien een schaduw van de boom uit de ideeënwereld. Het knuffelbeest wat voor het lampje gehouden werd kennen we dus helemaal niet, want deze is in de ideeënwereld, maar de schaduw die kennen we wel, want die zien we dag in dag uit.
De ideeënwereld. Iets wat zo mooi is, dat je het niet kunt voorstellen en je zult het misschien alleen maar kunnen zien door te filosoferen. Als je optimaal met je geest bezig bent en die zo ver ontwikkeld, dan zul je dichter bij het echte, het mooie komen.
Al dit bestaat in de ideeënwereld. Ideeën, die in een van ons afhankelijke wereld bestaan.

Aristoteles
Aristoteles ging in zijn filosofie vooral uit van de algemene eenvoudige regels en van waarnemingen; alles wat waargenomen werd, was waar. In tegenstelling tot Plato, die dacht dat alles wat je zag een afdruk was van een andere echte wereld, dacht Aristoteles dat de natuur echt was en de eigenlijke wereld. Door je ervaringen ging je dan verbanden leggen, tussen twee koeien bijvoorbeeld en ging je het koe noemen.
Ook dacht hij dat ‘worden’ niet bestond; er kon niet ineens iets ontstaan uit het niets. Als iets werd, dan was dat een overgang van het potentiële, naar een verwerking daarvan. Door de verandering van het potentiële naar een verwerking ontstond beweging en beweging is dan ook niets anders dan verandering van iets.
Aristoteles ging ervan uit dat alle zintuiglijke kennis in principe waar is. Maar pas in ons verstand leggen wij verbanden tussen de ervaringen, in de vorm van oordelen. Je ziet bijvoorbeeld: vrouw, zwart haar. Je vormt zelf vervolgens het oordeel, de vrouw heeft zwart haar. Waarover wij spreken (vrouw) is het ‘subject', wat wij ervan zeggen (zwart haar) is het ‘predikaat'. Het meest algemene predikaat is ‘zijn'. Van alle dingen kan je namelijk zeggen dat ze zijn.

Onderwerpen waarover Plato en Aristoteles verschillen van mening

Zintuigen
Plato vind dat de waarheid te vinden is door me je verstand te denken. Aristoteles vindt het logisch dat de waarheid te vinden is door met je zintuigen waar te nemen.
Volgens Plato is alles wat we om eens heen in de natuur zien een weerspiegeling van iets wat in feite echt bestaat in de ideeënwereld, en dus ook in de menselijke ziel.
Aristoteles dacht het tegenovergestelde: wat in de menselijke ziel zit, zijn slechts weerspiegelingen van de voorwerpen in de natuur. De natuur is dus de eigenlijke wereld.
Aristoteles zegt dat niets in het bewustzijn bestaat dat niet eerst in zintuigen heeft bestaan. Volgens Plato is er niets in de natuur te vinden, dat niet eerst in de ideeënwereld heeft bestaan. Aristoteles vond dat Plato het “aantal der dingen verdubbelde”.

Ideeënleer
Plato wilde net als veel van zijn voorgangers iets onveranderlijks ontdekken te midden van alle veranderingen. Hij bedacht: het idee. Dat idee moest boven onze zintuiglijke wereld liggen, waar alles wat wij kunnen waarnemen in de perfecte vorm bestaat. Alle dingen op aarde zijn een schaduw van de ideeën. Elk paard op onze wereld is dus een “schaduw” het lijkt bijna op het idee paard, maar dat paard is zoals een paard er in werkelijk uit hoort te zien. Er was dus eerst het idee hond, in de andere wereld en daarna pas konden wij de hond in onze zintuiglijke wereld bewonderen.
Aristoteles vond dat Plato alles had omgedraaid. Het idee paard is een begrip bedacht door de mensen na dat de we een aantal paarden hebben gezien. Het eigenlijke idee of de eigenlijke vorm paard bestaat dus niet.
De vorm paard bestaat uit de eigenschappen van het paard volgens Aristoteles. Aan de eigenschappen kunnen we herkennen wat voor soort paard het is.
Aristoteles geloofde niet dat er vormen bestonden die in een andere wereld opgeslagen waren waarvan “onze” dingen replica's van waren.
Aristoteles is het dus niet met Plato eens dat de idee paard vóór het paard komt.

Conclusie
Duidelijk is dat Plato aan het denken meer waarde toekent dan aan de zintuiglijke waarneming. Op diverse plaatsen in zijn werken zegt hij dit onomwonden. De geest is het hogere, betere deel van de mens; het lichaam is het lagere en het vormt een belemmering voor de geestelijke ontplooiing. Doel van het filosoferen is de geest zoveel mogelijk vrij te maken van het lichaam. Dan pas zal de geest in staat zijn de ideeën te aanschouwen.

[plaatje0]

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

VR

VR

Als we het dan over 'gelijk' zouden moeten hebben, dan vind ik persoonlijk dat beiden gelijk hebben. Maar Plato heeft meer gelijk dan Socrates. Waarom? Antwoord: omdat (indien Socrates gelijk zou hebben) voor een blinde persoon, de wereld niet zou kunnen bestaan. Toch leeft hij/zij daarin. De wereld en alles daarin en erop, is daarmee 'het idee'. (Daar is uiteraard nog veel meer over te zeggen, maar daar is hier geen plaats voor :) ) Verder vind ik het een goed stuk.

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Plato heeft het over Ideeen en het hogere Idee. Hoe komen wij aan Ideeen? Hoe weet ik dat ik schaduw zie en geen reeel ding?Aristoteles zegt dat als iets werd (of wordt!) het een overgang is van het potentiele naar een verwerking en dan ontstaat beweging, dat is niets anders dan verandering. Evolutie dus?

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

E.

E.

Als je het over Idee hebt, gebruik dan de Idee (de, en met een hoofdletter) anders heeft het niet de betekenis die jij bedoelt.

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast