Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Duitse literatuur tot en met de Tweede Wereldoorlog
Inleiding
Er zijn in Duitsland vele stromingen geweest. Hieronder een kleine inleiding van de verschillende tijden en stromingen die worden behandeld in dit werkstuk.
De literatuur is begonnen in de Oud Hoogduitse tijd. Aan het eind van de Oud Hoogduitse tijd is men gaan schrijven. De Oud Hoogduitse literatuur ging voornamelijk over het Christendom. De Oud Hoogduitse tijd liep tot ongeveer het jaar 1000.
Daarna kwam de Middel Hoogduitse tijd die liep ongeveer van het jaar 800 tot het jaar 1500. In de Middel Hoogduitse tijd waren er drie soorten literatuur, de geestelijke literatuur (800 - 1200), de ridderlijke literatuur (1100 - 1300) en de burgerlijke literatuur (1300 - 1500).
Na de Middel Hoogduitse tijd kwam de Nieuw Hoogduitse tijd, die duurde van 1470 tot 1600. Ook in de Nieuw Hoogduitse tijd waren er drie belangrijke stromingen, de Renaissance, het Humanisme en de Reformatie.
Na de Reformatie ontstond het Barok tijdperk. Die duurde van ongeveer 1600 tot 1700.
Vanaf 1700 zijn er veel relatief kleine stromingen geweest die een paar decennia lang duurde. Rond 1720 kwam ‘die Aufklärung’ oftewel de Verlichting die ongeveer duurde tot 1785, in de Verlichting dacht men dat je alles met het verstand op kon lossen.
Daarna kwam de tegenhanger van de verlichting, ‘der Sturm und Drang’ (1770 - 1785), waar veel ongehuwde moeders ontstonden.
In die Klassik (1786 - 1832) was er een harmonie tussen je gevoel en je verstand, maar als je alles probeerde in balans te houden, dan won vaak het verstand.
Na die Klassik kwam die Romantik (1798 - 1835), die toch wel weer een redelijke tegenhanger was van die Klassik.
In ongeveer 1820 begon der Realismus, wat een verstandsstroming was. Der Realismus had drie onderstromingen, das Biedermeier (1820 - 1850), das Junge Deutchland (1830 - 1848) en der Poetische Realismus. Das Junge Deutchland stopt heel specifiek in 1848 nadat er een opstand de kop in was gedrukt.
Het Naturalismus (1880 - 1900) was een hele erge harde verstandsstroming.
Waarna er weer een tegenhanger kwam, het Impressionismus (1890 - 1920) wat een gevoelsstroming was. In het Impressionismus was de kunst eigenlijk alles, de stroming die draaide om kunst, en creatief bezig zijn.
Daarna kwam der Expressionismus (1910 - 1925) wat ook een gevoelsstroming was, alles moest eruit komen, en niks moet worden ingehouden. Dat kwam ook omdat Duitsland midden in de 1ste wereld oorlog zat.
In die tijd waren er ook twee kleine stromingen, der Dadaismus en der Surrealismus. Der Dadaismus of het Dadaïsme was vooral een stroming voor kunstenaars, geen woorden maar uitdrukkingen. Het waren echte gevoelsstromingen.
Daarna kwam die Neue Sachlichkeit (1914 - 1933) waar alles met het verstand moest worden bekeken. Het was een emotieloze stroming.
Toen Hitler aan de macht kwam begon de stroming die Bhubodichtung (1933 - 1945).
Het was best wel een gevoelsstroming, we was helemaal gek van Hitler.
Doordat Hitler bepaalde rassen wou uitmoorden, moesten veel mensen vluchten, en die probeerden op hun manier Hitlers gezag te ondermijnen. Daardoor ontstonden, die Innere Emigration (de onderduikers die stukken schreven) en die Exilliteratuur (de mensen die uit Duitsland zijn gevlucht en vanuit daar bezig waren).
Na de 2de wereldoorlog was het in Duitsland een puinhoop, letterlijk en figuurlijk.
Je had in Duitsland geen toekomst, alles lag aan puin en je leven was niet meer gestructureerd. Die Trümmerliteratuur ontstond (1945 - 1965).
Er waren ook mensen die er positief over dachten, we bouwen alles opnieuw op en beginnen opnieuw. Die waren aanhangers van Die Bewältungsliteratuur (1945 - 1975).
Dit zijn de stromingen die ik in dit werkstuk ga behandelen, de een iets uitgebreider dan de ander.

Oud Hoogduitse tijd
Er zijn uit de Oud Hoogduitse tijd slechts weinig 'Duitse' teksten beschikbaar. Wat overgeleverd is, werd meestal mondeling doorgegeven en schrijven kon later alleen de geestelijkheid. Daarbij verwezen de 'Duitse' teksten naar het Germaans-heidense tijdperk. De geestelijken wijdden zich liever aan christelijk-religieuze teksten, zoals bijvoorbeeld het 'Vater Unser' (Onze Vader). Enkele Latijnse teksten vertaalden zij naar het 'Oudhoogduits'. Slechts weinig teksten zijn bewaard gebleven.
Middel Hoogduitse tijd
Na het Oud Hoogduitse tijd kwam de Middel Hoogduitse tijd (800 - 1500).
In de Middel Hoogduitse tijd waren er drie soorten literatuur.
Geestelijke Literatuur (800 - 1200)
Ridderlijke Literatuur (1100 - 1300)
Burgerlijke Literatuur. (1300 - 1500)
Geestelijke Literatuur 800 - 1200
Er zijn uit de vroege Middeleeuwen (Frühes Mittelalter) slechts weinig 'Duitse' teksten beschikbaar. Wat overgeleverd is, werd meestal mondeling doorgegeven en schrijven kon alleen de geestelijkheid. Daarbij verwezen de 'Duitse' teksten naar het Germaans-heidense tijdperk. De geestelijken wijdden zich liever aan christelijk-religieuze teksten, zoals bijvoorbeeld het 'Vater Unser' (Onze Vader). Enkele Latijnse teksten vertaalden zij naar het 'Oudhoogduits'. Slechts weinig teksten zijn bewaard gebleven.
Naast christelijke teksten zijn er ook oud-Germaanse gedichten overgeleverd, zoals het heldendicht Hildebrandslied (± 765) en de Merseburger Zaubersprüche (Toverspreuken) uit de 9de eeuw. Kenmerkend voor oud-Germaanse gedichten zijn stafrijm, ook wel alliteratie genoemd. Niet de laatste woorden van verschillende zinnen rijmden, zoals wij vaak een gedicht herkennen, maar opeenvolgende woorden begonnen vaak met dezelfde klank. Het Hildebrandslied is een fragment van een heldendicht over een vader en zoon die tegen elkaar vechten. De zoon weet niet dat het zijn eigen vader is, tegen wie hij het opneemt. Zeer waarschijnlijk heeft het lied een tragisch einde: de vader doodt de zoon.
Ridderlijke Literatuur 1100 - 1300
Rond de 11de eeuw kwam het ridderwezen in Europa op. Dat veranderde ook de literatuur, waarin ridderlijke deugden als avontuur, moed en daadkracht en trouw een belangrijke rol gingen spelen. Deze literatuur wordt de 'hoofse' literatuur genoemd. Deze periode geldt als het eerste hoogtepunt van de Duitse literatuur. De taal waarin geschreven werd, heet het Middelhoogduits.
Burgerlijke Literatuur 1300 - 1500
Aan het einde van de Middeleeuwen (Spätes Mittelalter) verliest het ridderdom aan betekenis en wordt de burgerij belangrijker. De voorliefde voor realistische vertellingen neemt toe. Deze vaak rauwe realistische voorstellingen vindt men voornamelijk in de zogenaamde volksboeken. Volksboeken zijn riddervertellingen in populaire vorm en volksverhalen over bijvoorbeeld Till Eulenspiegel en Doctor Faustus. De taal waarin geschreven werd, heet het Frühneuhochdeutsch.
Nieuw Hoogduitse tijd
Na de Middel Hoogduitse tijd kwam de Nieuw Hoogduitse tijd (1470 - 1600). De Nieuw Hoogduitse tijd ging voornamelijk over het individu. Je moest een individualiteit zijn.
In de Nieuw Hoogduitse tijd zijn er redelijk veel literatuur stromingen.
Literatuur in de Renaissance
Renaissance" is de Franse vertaling van het Italiaanse "Rinascita" waarmee de "weder-geboorte" van de kunst van de Grieken en de Romeinen uit de Klassieke Oudheid werd aangeduid.
In de Rennaissance was de individualiteit in de kunst erg belangrijk.
Rond 1500 begint in heel Europa een nieuwe tijd met de uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg (rond 1450) de ontdekking van Amerika door Columbus (1492) en de ontdekking door Copernicus en het bewijs van Galilei dat de aarde om de zon draait (heliocentrisch wereldbeeld) en niet omgekeerd (ptolemeïsch wereldbeeld). De mens zelf plaatst zich meer en meer in het middelpunt. Niet langer het leven na de dood, het hiernamaals, das Jenseits, is belangrijk, maar juist het leven op aarde, das Diesseits.
In de Renaissance wordt de klassieke Oudheid herontdekt. Dit is niet verwonderlijk want ook in de klassieke Oudheid, bij de oude Grieken en Romeinen, stond de mens centraal. Deze herontdekking van de klassieke Oudheid begint zo omstreeks 1300 in Italië en wordt Renaissance (wedergeboorte, Wiedergeburt) genoemd.
Humanisme
Humanisme is een wetenschappelijke stroming die zich bezighoudt met de wereld van de oude Grieken en Romeinen, met hun literatuur en filosofie. Het is een stroming binnen de renaissance. Het gaat om het individualistische in de wetenschap, je moet niet zomaar alles aannemen.
De grootste vertegenwoordigers van het Humanisme waren de Nederlander Erasmus van Rotterdam en de Engelsman Thomas More, wiens boek Utopia uit 1516 gaat over een ideale samenleving, die gericht is op religieuze verdraagzaamheid. Desiderius Erasmus werd in 1469 in Rotterdam geboren en stierf in 1536 in Bazel in Zwitserland. Zijn bekendste geschriften waren Lof der Zotheid en de Verhandeling over de vrije wil. Met deze geschriften werd hij één van de belangrijkste grondleggers van de visie dat de mens en het leven op aarde even belangrijk is als het goddelijke en het hiernamaals.
Ook een belangrijk man was Albrecht Dürer (1471 - 1528), hij was een Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke Renaissance. Albrecht Dürer was iemand die veel rond reisde.
Reformatie
In deze tijd beginnen de mensen te protesteren tegen de vele kerkelijke misstanden. Ze willen geestelijke en religieuze vernieuwing. Hierdoor ontstaat een nieuwe religieuze stroming, de Reformatie. De grootste vertegenwoordiger van de Reformatie is Martin Luther (1483 - 1546). In 1517 maakt hij zijn 95 stellingen in Wittenberg openbaar. Daarin verwoordt hij zijn kritiek op de katholieke kerk, met name op de aflaathandel. Op de Rijksdag, een soort nationale vergadering, in Worms in 1521 wordt Luther vanwege ketterij in de ban gedaan, wat echter geen afbreuk deed aan zijn invloed. Hij wordt in veiligheid gebracht op de Wartburg bij Eisenach waar hij zich wijdt aan de vertaling van de bijbel in het Duits. Hij gaat er daarbij vanuit, dat iedereen zijn vertaling zou moeten kunnen begrijpen.
Dit is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de Duitse eenheidstaal. Door de uitvinding van de boekdrukkunst kan de Lutherbijbel snel worden verspreid en haar grote invloed op Europa gaan uitoefenen. Voor het eerst konden mensen de teksten uit de bijbel verstaan en eventueel zelf lezen, in hun eigen taal.
De Barok (1600 - 1700)
In Duits: Der Barock
De barok is een Europese stijlperiode, zich uitstrekkende van de 17e eeuw tot in de eerste helft van de 18e eeuw, die zijn oorsprong had in Italië en tot uiting kwam in de architectuur, tuinarchitectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur en muziek. Het woord barok komt van het Portugese barroco, wat 'onregelmatig gevormde parel' betekent. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vroeg-, hoog- en laatbarok.
De eigenlijke start van de barok hangt af van streek tot streek, zo bloeide de barok al veel vroeger in Italië (Rome) terwijl in het noorden de Renaissance nog aan het nabloeien was. De stijl bouwt voort op de Renaissance, maar het slaat snel zijn eigen weg in. In de loop van de tijd ontdekken ook veel heersers het effect van de dramatische barok; zo wordt de stijl benut door het Vaticaan en ingeschakeld in de contrareformatie. Door veel pracht en praal te gebruiken in de bouwstijl van de kerken proberen de katholieken, mensen te imponeren en zo terug te krijgen.
De Barok was wel weer een tegenhanger van de renaissance. De Renaissance was toch alles met het verstand bedenken en ook iedereen moest iets persoonlijks hebben. In de Barok was het voornamelijk weer hoe je je voelde en hoe je emoties waren. De uitbundige kerken lieten de mensen ook meeslepen in het gevoel.
Bijzonder aan de periode van de Barok is dat het Duits als taal voor literatuur een plaats kreeg. Voordien werd veelal niet in de volkstaal maar in het Latijn gedicht.
Belangrijk in dat verband is het werk Buch von der deutschen Poeterey van Martin Opitz uit 1624. In dit boek beschrijft Opitz (1597-1639) de regels voor alle genres voor waaraan literatuur volgens zijn opvatting zou moeten voldoen. Dat heeft wel tot gevolg gehad dat de literatuur uit de Barok een nogal starre indruk op ons maakt.
In de literatuur waren er een paar dingen die gebruikelijk waren, namelijk, het gebruik van veel Franse en Italiaanse (leen)woorden (vanwege de vele buitenlandse huursoldaten was er een sterke invloed van andere talen op het Duits), veel overdreven beeldspraak en dramatische uitdrukkingen.
Belangrijke Duitse schrijvers uit de tijd van de Barok zijn Andreas Gryphius, Hans Jacob Christoph von Grimmelshausen, Paul Gerhardt en Angelus Silesius.
Verlichting (1720–1785)
In het Duits: die Aufklärung
Zoals bij elke overgang is een echte grens tussen de barok en de Verlichting is moeilijk te trekken, maar het zou echt begonnen zijn in 1720.
De Verlichting of het Rationalisme is een stroming die in de achttiende eeuw in heel Europa invloed had..
Tegenwoordig spreken we van de Verlichting omdat filosofen en schrijvers de mens wilden bevrijden van zijn onvolwassenheid. In plaats van het braaf navolgen van overgeleverde waarheden en obscuur bijgeloof, moest de mens zelf gaan onderzoeken, 'verlicht' worden.
Door kritisch te denken, door het onbevooroordeeld gebruik van het verstand (Duits: Vernunft) streefde men naar waarheid, vrijheid en geluk. In de Middeleeuwen was dat wel anders geweest. Toen voerden kerkelijk gezag in de wetenschap en onderzoek de boventoon. De denkers van de Verlichting wilden een opvoeding van de mens tot verantwoordelijk, kritisch denkend en tolerant burger.
De Duitse verlichtingsfilosoof Immanuel Kant verwoordde de Verlichting als een beweging van emancipatie (letterlijk: bevrijding uit slavernij): het opgeven van de onmondigheid, waar de mens zelf schuld aan is. Deze beweging was vanaf 1400 al wel op gang gekomen, maar vond zijn hoogtepunt pas echt in de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting.
De kern van de verlichting is eigenlijk dat het verstand dient als maatstaf voor het persoonlijk handelen, er is aandacht voor het hier en nu, in plaats van voor het hiernamaals, men heeft een positief en optimistisch mensbeeld, er is tolerantie in geloof en opvoeding, er is emancipatie van onderdrukte groepen in de samenleving.
Een belangrijk persoon uit de duitse verlichtings tijd is Immanuel Kant.
Kant werd in 1724 in Königsberg - het huidige Kaliningrad, toen in Oost-Pruisen gelegen, nu een Russische enclave aan de Oostzee - geboren alwaar hij in 1804 ook stierf. Bijna zijn gehele leven bracht hij in deze havenstad door.
Zijn beroemdste filosofische werken zijn Kritik der reinen Vernunft, Kritik der praktischen Vernunft en de Kritik der Urteilskraft. In deze werken analyseert Kant onze denkwijzen en schetst hij de mens als een zelfdenkend wezen.
Opvoeding had een bijzondere belangstelling, want slechts door opvoeding en opleiding kon er een betere mens en een betere wereld ontstaan. De gevangenissen waren niet meer nodig als mensen gewoon goed nadachten, later bleek dat niet zo te zijn.
Sturm und Drang (1770–1786)
Geen periode in de Duitse literatuurgeschiedenis is zo actueel als de tijd van Sturm und Drang. De opstand van zonen tegen hun vaders, de roep om meer democratie door jongeren, de verhouding man en vrouw, de knellende band van een (gearrangeerd) huwelijk, schoonheid van de natuur, twijfel aan het bestaan van god, onbeantwoorde liefde, het zijn de eeuwige thema’s die horen bij een periode van volwassenwording van de mens.
Sturm und Drang zou je als overgangstijd, als een periode van volwassenwording kunnen beschouwen van een jonge generatie dichters en denkers, die in de Duitse geschiedenis gekscherend de jonge wilden worden genoemd. Het is de overgangstijd van de Verlichting, met eenzijdige nadruk op verstand, naar een periode van meer evenwicht tussen gevoel en verstand, de periode van de Klassik. Bij de Stürmer und Dränger gaat het vooral om het verwoorden van de persoonlijke ervaring, de emotie en het genie dat naar vrijheid streeft.
Waar komt de naam vandaan?
De naam Sturm und Drang is ontleend aan het toneelstuk Wirr-Warr in een latere versie Sturm und Drang genoemd. Kenmerkend waren de - in de voorafgaande literaire periode nog - ongewone, heftige en choquerende uitbarstingen van emotionaliteit op het toneel. Grote bron van inspiratie voor de Stürmer und Dränger was de Franse schrijver Jean-Jacques Rousseau (Genève, 28 juni 1712 - Ermenonville, 2 juli 1778), hij was een Zwitsers-Franse filosoof, schrijver, en componist.
Klassiek (1786 - 1805)
In het Duits: die Klassik of die Weimarer Klassik
Zoals al gezegd is die Klassik een logische opvolging van de Sturm und Drang.
In die Klassik probeerde men een evenwicht te krijgen tussen het verstand en het gevoel. Maar als je probeert harmonie te krijgen dan wint toch snel het verstand. Je probeert na te denken of je niet te emotioneel bent e.d.

De Klassik is in Duitsland verbonden met de namen van twee stadjes en met de namen van twee grote schrijvers.
De stad Weimar, het regeringscentrum, is verbonden met de schrijver Johan Wolfgang Goethe (1749-1832) en Jena met de naam van de dichter en professor voor geschiedenis: Friedrich Schiller (1759-1805). De periode van hun vriendschap werd als hoogtepunt van een literaire ontwikkeling beschouwd en spoedig als 'klassiek' bestempeld. De plaats Weimar, waar zich een groot deel van de toenmalige Duitse intelligentsia had gevestigd, werd wel het Athene van Duitsland genoemd.
De vriendschap tussen Goethe en Schiller bestond vanaf 1794 en duurde tot de dood van Schiller in 1805. Voordat zij bevriend raakten, waren beide schrijvers elk afzonderlijk al erg beroemd geworden in hun Sturm und Drang-tijd.
De Romantiek (1798-1835)
In het Duits: die Romantik
Een nieuwe generatie dichters die rond 1770 geboren werd, later de romantici genoemd, sprak van een voortgaande Entzauberung der Welt, een onttovering van de wereld. Hun werk was het antwoord op twee grote maatschappelijke problemen: het gebrek aan politieke vrijheid en kritiek op een maatschappij, waarin economische belangen het leven bepaalden. Deze generatie van dichters en denkers wilde de wereld zijn oude glans weer teruggeven, door de 'verbeelding aan de macht' te brengen. Je kon alles doen in je dromen en in je fantasie, zo zag de wereld er een stuk beter uit. Maar rond 1800 was de ruimte voor echte maatschappijkritiek niet zo groot.
Omdat er veel problemen waren na de oorlog en er niet veel geld was, was het leven zwaar en was het geweldig om even weg te dromen in je eigen fantasie.
Wat is de romantiek?
In de romantiek staan verlangen en fantasie centraal. Gevoel en intuïtie komen op de eerste plaats. De middeleeuwse cultuur wordt het grote voorbeeld in plaats van de antieke oudheid. De verzakelijkte, economische wereld van de gewone burger moet zijn oorspronkelijke geheim teruggegeven worden. Aandacht voor de natuur en het ideaal van een alle standen omvattende harmonische maatschappij, zoals - naar men meende - in de middeleeuwen gerealiseerd, zijn kenmerkend voor de romantiek. De romantische dichter stelt zich in dienst van de Sehnsucht, van het verlangen om uit de band te springen, om verre reizen te maken, om het bekende te overschrijden en grenzen te verleggen. Met het toverwoord Entgrenzung brengt de romanticus het diepere, met al zijn schaduwkanten, in natuur en maatschappij weer tot leven.
Bij de romantiek stonden ideaal en werkelijkheid op gespannen voet. De wens om ver te reizen en jezelf te uiten ging moeilijk als je dat wou combineren met de realiteit van het burgerlijk bestaand. De hieruit voortkomende onvrede met het alledaagse leven uit zich in een zekere zwaarmoedigheid.Ook was er aandacht voor het abnormale, voor droom en dood, voor de dingen waar je normaal niet mee te maken hebt. De romantische beweging kwam in Duitsland vooral in verzet tegen starre regels die voor de literatuur golden. Ze probeerde daarbij ook terug te komen op de jonge Goethe en op Schiller die dezelfde houding in hun Sturm und Drang-periode aan de dag legden.
De dichters van de romantiek bedoelden met 'romantiseren' het leven weer zin geven. Zij wilden de moderne maatschappij, waarin men zich soms een vreemde of onvrije voelde gevolge van de industrialisering, weer tot een vertrouwde wereld maken. In het literair-filosofische tijdschrift Athenäum schreef Friedrich Schlegel (1772-1829) over de bevrijding die sinds de Franse Revolutie gaande was.
Literatuur en kunst in het algemeen zouden, zo meende Schlegel, aan die voortgaande bevrijding kunnen bijdragen. Natuur en mens zijn onderdeel van één grote beweging, waarvan de geheime zin en schoonheid aan een ieder onthuld moet worden. Niet alleen de dichtkunst, maar ook muziek en schilderkunst hebben hier een taak.
Realisme (1815 - 1890)
In duits: der Realismus
Het Realisme bestaat uit 3 verschillende periode, waarvan twee grotere:
das Biedermeier
das Junge Deutschland
en der Poëtische Realismus.
Das Biedermeier
In de Duitse literatuurgeschiedenis is Biedermeier ruwweg de periode van 1815 (het Congres van Wenen) tot het jaar 1850. Evenals in andere Europese landen was dit een periode van burgerlijke reactie en politieke restauratie.
Sommige schrijvers wilden de traditie van de Klassiek en de Romantiek voortzetten. Hun levensstijl werd gekenmerkt door bescheidenheid, tevredenheid met het burgerlijke bestaan en door aandacht voor de natuur. Deze brave, apolitieke en nette burgerlijkheid werd gekscherend das Biedermeier (bieder = braaf, netjes) genoemd.
Een bekende Biedermeier-dichter was Eduard Mörike (1804-1875). In zijn gedichten spreekt hij zich vaak voor een bescheiden opstelling van de mens uit. Zoals het kenmerkend was voor de biedermeier literatuur.
Andere bekende Biedermeier-dichters zijn Nikolaus Lenau (1802-1850), Friedrich Rückert (1788-1866) en August von Platen (1796-1835).
Het Jonge Duitsland
In Duits: Das Junges Deutschland
Met Junges Deutschland wordt vooral de literaire jeugdbeweging bedoeld, die met name tussen 1830 en 1848 in de landen van de Duitse Bond actief was. Hun streven was om door middel van hun geschriften een omwenteling (= revolutie) in de maatschappij te bewerkstelligen. Maar er was binnen de Duitse Bond ook een ander literair geluid te horen: Das Biedermeier. Deze schrijvers hielden zich verre van het politieke en maatschappelijke debat, zij trokken zich terug in hun eigen privé-bestaan. De literatuur stroming das Junges Deutschland is abrupt gestopt in 1848 na een afgekapte opstand.
‘Das Junges Deutschland' was vooral verbonden met de namen van Georg Büchner (1813-1837) en Heinrich Heine (1797-1856). Hoewel de postkoets het straatbeeld nog volledig beheerste, ondanks de aandacht voor sprookjes en volksverhalen, voor huiselijke degelijkheid en vlucht in de natuur, was de periode tussen 1815 en 1880 een turbulente tijd in Duitsland.
Het poetische realisme
in Duits: Der Poëtische Realismus.
In de tweede helft van de negentiende eeuw zorgt de industrialisering voor nieuwe maatschappelijke verhoudingen. Als gevolg hiervan verlaten schrijvers en filosofen de ideeën van het Idealisme (Sturm und Drang, Klassik, Romantiek) en gaan zich meer bezighouden met de realiteit.
In de periode van het ‘Junges Deutschland’ (1830 – 1850), begon deze ontwikkeling al. Waren eerder God en het verlangen naar andere plaatsen en tijden een geliefd onderwerp, nu komt de mens en het hier en nu in het middelpunt van de belangstelling van schrijvers en filosofen te staan. Het gaat om het nu en hier, en daar ging het ook om in het poëtische realisme.
Er was een optimistische, positieve gerichtheid, je kunt alles verklaren met het menselijk verstand. Zo verkondigt Karl Marx met zijn historisch materialisme een groot vertrouwen in de toekomst, die moet leiden tot een klassenloze maatschappij.
Er was hoop voor alles.
Naturalisme (1880 - 1900)
In het duits: Naturalismus
Het Duitse naturalisme werd sterk beïnvloed door buitenlandse schrijvers als Zola, de gebroeders Goncourt, Tolstoj, Dostojevski, Strindberg en Ibsen. De thema's zijn het wetenschappelijk positivisme, het materialisme, de industrialisering en de grote maatschappelijke veranderingen. De sociale misstanden worden in alle scherpte en tot in het detail getoond. Het naturalisme staat bekend om zijn harde werkelijkheid, alles is berekenbaar en meetbaar. De stijl krijgt het karakter van een reportage.
Hauptmann was een belangrijke vertegenwoordiger van het naturalisme. Hij was een Duits toneelschrijver. Aanvankelijk schreef hij realistische drama's, waarin hij aandacht schonk aan de slechte situatie van de armen, later ook meer symbolische stukken en werken gebaseerd op de Griekse mythologie. In 1912 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij behoorde enige tijd tot de kring van intellectuelen, de Friedrichshagener Kreis.
Voor de rest zijn in Duitsland Hauptmann, Holz en Anzengruber de voornaamste vertegenwoordigers van deze stroming.
Impressionisme (1890 - 1920)
In het duits: Impressionismus
In de literatuur merk je dat het impressionisme een zeer zintuiglijke kunst is. Men probeerde zich te uiten, de gevoelens te uiten in kunst.
De kenmerken van de taal die impressionisten hanteren in hun proza en poëzie zijn een paar verschillende dingen namelijk, het gebruik van onomatopeeën (klanknabootsingen). b.v. ka-bónk, rètteketèt, het voorkomen van synesthesieën (het gelijktijdig reageren van twee zintuigen). Een donker geluid, een bittere geur..Het gebruik van neologismen (nieuwvormingen), b.v. de rook "roet-rolde", de rook "scheur-vlood" door het "vlamme-schemeren" (Ary Prins). Een recenter voorbeeld van een neologisme is "praatpaal".
Bij het impressionisme waren vooral veel schilders betrokken. De Schilder Édouard Manet is een belangrijke franse schilder van die tijd. Hij maakte veel herrie tegenover de bestaande stroming en de toen goede schilders. Hij probeerde tegen de normale stroming in te gaan.
Expressionisme (1910-1925)
In duits: Der Expressionismus
Het expressionisme brengt in de eerste plaats een gevoel van onzekerheid onder woorden. Arbeidsdeling, massaproductie, vervreemding van de natuur en het wonen in de grote stad brengen onzekerheid en isolement met zich mee. Hierop is het expressionisme van alle kunstrichtingen van rond de eeuwwisseling het meest radicale antwoord. Ook is het een duidelijke tegenhanger van het naturalisme. Je probeert indrukken te verwoorden, je emoties en dus niet je verstand.
In de literatuur staan vooral de genres dichtkunst (Lyrik) en in mindere mate toneel (Drama) centraal. De thema’s zijn stad, oorlog, natuur en chaos, maar ook de nieuwe mens en zijn vermaak.
Naast de verwoording van een crisisstemming vindt men aandacht voor levensvreugde, bioscoop- en kroegbezoek, voor alle verleidingen die het leven in de grote stad met zich mee brengen.
Een belangrijk persoon uit het expressionisme was Georg Heyms. Uiteindelijk kwam hij in Berlijn in contact met de Neuer Club, een collectief dat aan vernieuwend cabaret deed en waartoe ook Lasker-Schüler en van Hoddis behoorden. De gedichten die hij in deze club schreef, staan aan de wieg van het expressionisme.
Nieuwe Zakelijkheid (1914 - 1933)
In Duits: Neue Sachlichkeit
In 1914 was er in Duitsland veel aan de hand. Na het verliezen van de oorlog waren er grote problemen qua huisvesting, eten en opbouw. Daarnaast had het land met grote economische tegenslagen te maken. Echter de kunst, en zeker ook de literatuur, bloeide!
Er ontstaat een nieuwe houding ten opzichte van de wereld en het leven. Dit nieuwe gevoel komt voort uit de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Op het gebied van de kunst komt er een reactie op de overdreven persoonlijke (subjectieve) kijk van het expressionisme. Deze nieuwe literaire stroming, de Nieuwe Zakelijkheid, interesseert zich in de eerste plaats voor de objectieve (tegenovergestelde van subjectief) werkelijkheid. Actualiteit en belangstelling voor de eigen tijd zijn kenmerken van deze literatuur.
De literaire reportage, de tijdroman en drama zijn de populairste genres. De beleving van de Eerste Wereldoorlog komt literair tot uitdrukking in de (anti-) oorlogsromans die in de jaren twintig in groten getale verschenen. Ook de verschillende economische crisis hebben veel invloed op de literatuur in die jaren gehad.
Tweede Wereldoorlog (1933 - 1945)
In de tweede wereldoorlog waren er drie verschillende stromingen, namelijk die Bhubodichtung (blut und boden), die Innere Emigration en die Exilliteratuur.
Blut und Boden
Blut und Boden ging over de verheerlijking van het Germaanse ras en de verheerlijking van de oorlog.
In belangrijke rol in deze literatuur speelt de Heimatdichtung. Deze gaat over de Duitse mens op de Duitse grond (Boden), wiens bloed zuiver gebleven is. Deze literatuur noemt men 'Blut und Boden-literatur' (Blubo-Dichtung). Deze boeken hebben weinig met echte literatuur te maken, omdat zij rechtstreeks in dienst van het regime stonden.
Er zijn een paar duidelijke kenmerken van de Blut und Boden literatuur:
- Afkeer van de grote stad,
- Het verheerlijken van alles wat Duits is, racisme, heldendom, kameraadschap en de Semi-romantische idealisering van het Germanendom.
Hans Grimm (1875 - 1959) schreef al in 1928 het boek 'Volk ohne Raum'. Daarin pleit hij voor een uitbreidingsdrang naar meer levensruimte. Dit zou moeten gebeuren door koloniale veroveringen. Daarmee verkondigt Grimm in feite het Duitse imperialisme. Meer informatie over Hans Grimm. Een andere Blubo-schrijver was Hans Friedrich Blunck.
Innere emigration
Mensen die tegen het Rijk waren en probeerde in het land te blijven en daar hun kritiek te geven. Ze werden monddood gemaakt door het Rijk, maar ze probeerde voorzichtig hun kritiek te uiten. Te noemen zijn in deze categorie Gottfried Benn, Ernst Jünger, Erich Kästner, Gerhart Hauptmann, Heimito von Doderer en Wolfgang Koeppen.
Ook een van de schrijvers in die tijd was Werner Bergengruen.
Bergengruens religieuze overtuigingen leidden hem in zijn latere werk tot een prediken van de eeuwigheid en de absolute waarden. Stilistisch vervlocht hij realistische beschrijvingen met psychologische beschouwingen, en had ook aandacht voor mysterieuze sfeerschepping en spookverhalen. Minder conservatief dan Gottfried Benn maar met een diep-christelijke overtuiging, bleef hij tijdens het Derde Rijk in Duitsland en verzette zich ter plekke tegen het regime, een manoeuvre dat (zoals al gezegd) innere Emigration genoemd wordt. Hij was eerst, vóór de oorlog, een der populairste auteurs van de Weimarrepubliek, en later eveneens van de BRD.
Exilliteratuur
Exilliteratuur bestond tussen 1933 en 1945. Zij werd geschreven door de Duitse schrijvers die na de machtsovername door Hitler in 1933 gedwongen werden naar andere landen uit te wijken om te kunnen blijven publiceren. De boekverbrandingen in Berlijn op 10 mei van datzelfde jaar vormden daarbij het keerpunt.
Veel exil-auteurs vluchtte naar andere Europese landen, die later alsnog door de Nazi's bezet werden, zodat zij opnieuw moesten emigreren (meestal naar de Verenigde Staten) of onderduiken. Voor de bezetting in 1940 vonden veel van exil-auteurs, onder wie vele joden en communisten, hun toevlucht in Nederland.
Kaalslagliteratuur (1945 - 1965)
in Duits: Trümmerliteratur (ruïneliteratuur)
Op 8 mei 1945 capituleert Nazi-Duitsland. Het land is in een totale chaos, vele steden liggen door de aanhoudende bombardementen in de laatste oorlogsjaren volledig in puin (Duits: in Trümmern) en miljoenen mensen zijn op de vlucht geslagen. Zij vluchtten met name westwaarts, richting het amerikaans/brits/franse gedeelte van Duitsland.
Omdat het einde van Nazi-Duitsland ook als het begin van een nieuw tijdperk werd gezien, spreekt men wel van Stunde Null ("het uur nul"). Daarmee wordt bedoeld dat het land helemaal opnieuw kon beginnen. Wel werd er heftig gecontroleerd in duitsland of het niet weer wat van plan was. Niet alleen de politiek maar ook de literatuur wordt in de verschillende bezettingszones scherp gecontroleerd. De grootste stimulans voor de nieuwe naoorlogse literatuur was het theater. Ondanks de puinhopen, de kaalslag en de steenwoestijnen, waarin de Duitse steden door de vele bombardementen waren veranderd, werd er al spoedig weer op meer dan 200 plaatsen theater gespeeld. Vooral toneelstukken van de vanuit Amerika teruggekeerde emigranten waren erg in trek.
Bewältigungsliteratur (1945 - 1975)
Na de oorlog was er veel troep en zooi. Men probeerde om een plek geven aan de puinhoop. Er waren mensen die na de oorlog echt van slag waren doordat het derde rijk ten einde kwam, zij waren erg dramatisch en dat soort schrijvers behoorde tot die Trümmerliteratur. Mensen die probeerde om na de oorlog een nieuwe start te maken en het positief te bekijken (wat toen moeilijk was) behoorde bij de bewältigungsliteratur.
Na de tweede wereldoorlog richtte men zich meer op de persoon en het indivi dan op het geheel. Je moest proberen om zelf dat grote hoofdstuk van je leven af te sluiten en verder te gaan.
Een belangrijk persoon in die Bewältigungsliteratur was Martin Walser. Walser promoveerde in 1951 met een studie over Franz Kafka. In 1955 werd Martin Walser onderscheiden met een prijs door het literaire gezelschap "Gruppe 47". Wat toen de belangrijkste groep was in Duitsland. In de jaren zestig toonde Martin Walser aan een productief en succesvol schrijver te zijn. Naast romans en verhalen schreef Martin Walser satirische toneelstukken en hoorspelen.
De door Martin Walser beschreven gedachten werden niet altijd gezien als "politiek correct". Zo bleek hij in 1987, dus voor de Duitse hereniging, de deling van Duitsland te betreuren in de novelle "Dorle und Wolf". Martin Walser schreef in verschillende publicaties over het thema van de Duitse deling. Belangrijke boeken van Martin Walser zijn onder meer: "Halbzeit" (1960), "Das Einhorn" (1966), "Der Sturz" (1973), "Finks Krieg" (1996), "Verteidigung der Kindheit" (1997) en "Ein springender Brunnen" (1998).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

Hoi Berrie,

Ik heb geen idee of je zal weten dat er een reactie is geplaatst op jouw werkstuk, aangezien het uit 2008 is, maar ik wil je wel een vraag stellen. Ik ga namelijk een werkstuk maken over de literatuur en wat voor invloed de tweede wereldoorlog op de literatuur had. Dus ik vroeg me af of je nog toevallig weet of ergens hebt staan welke bronnen je had gebruikt voor het maken van je opstel. Zou je mij willen mailen?

Kinda.

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast