ADVERTENTIE
Schoolexamens

Wist je dat je de boeken Examenbundel, Examenidioom, Zeker Slagen! en Samengevat ook heel goed kunt gebruiken bij het voorbereiden voor je schoolexamens?! Ze zijn momenteel in de aanbieding bij o.a. Bol.com.

Nu bestellen

Onregelmatige ww op -er



Avoir = Hebben



Present

J’ai = ik heb

Tu as = jij hebt

Il a = hij heeft

Elle a = zij heeft

On a = men heeft

Nous avons = wij hebben

Vous avez = jullie hebben / u heeft

Ils ont = zij hebben

Elles ont = zij hebben



Passe Compose

J’ai eu = ik heb gehad

Tu as eu = jij hebt gehad

Il a eu = hij heeft gehad

Elle a eu = zij heeft gehad

On a eu = men heeft gehad

Nous avons eu = wij hebben gehad

Vous avez eu = jullie hebben gehad / u hebt gehad



Ils ont eu = zij hebben gehad

Elles ont eu = zij hebben gehad



Futur

J’aurai = Ik zal hebben

Tu auras = Jij zult hebben

Il aura = Hij zal hebben

Elle aura = Zij zal hebben

On aura = Men zal hebben

Nous aurons = Wij zullen hebben

Vous aurez = Jullie zullen hebben/u zult hebben

Ils/Elles auront = Zij zullen hebben



Être = zijn



Present

Je suis = ik ben

Tu es = jij bent

Il est = hij is

Elle est = zij is

On est = men is

Nous sommes = wij zijn

Vous êtes = jullie zijn / u bent

Ils sont = zij zijn

Elles sont = zij zijn





Passe compose

J’ai été = ik ben geweest

Tu as été = jij bent geweest

Il a été = hij is geweest

Elle a été = zij is geweest

On a été = men is geweest

Nous avons été = wij zijn geweest

Vous avez été = jullie zijn geweest / u bent geweest

Ils ont été = zij zijn geweest

Elles ont été = zij zijn geweest



Futur

Je serai = ik zal zijn

Tu seras = jij zult zijn

Il sera = hij zal zijn

Elle sera = zij zal zijn

On sera = men zal zijn

Nous serons = wij zullen zijn

Vous serez = jullie zullen zijn/u zult zijn

Ils/elles seront = Zij zullen zijn

Aller = gaan



Present

Je vais = ik ga

Tu vas = jij gaat

Il va = hij gaat

Elle va = zij gaat

On va = men gaat

Nous allons = wij gaan

Vous allez = jullie gaan / u gaat

Ils vont = zij gaan

Elles vont = zij gaan



Passe Compose

Je suis allé(e) = ik ben gegaan

Tu es allé(e) = jij bent gegaan

Il est allé = hij is gegaan

Elle est allée = zij is gegaan

On est allé = men is gegaan

Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan

Vous êtes allé(e)(s) = jullie zijn gegaan / u bent gegaan

Ils sont allés = zij zijn gegaan

Elles sont allées = zij zijn gegaan



Futur

J’irai = ik zal gaan

Tu iras = jij zult gaan

Il ira = hij zal gaan

Elle ira = zij zal gaan

On ira = men zal gaan

Nous irons = wij zullen gaan

Vous irez = jullie zullen gaan/ u zult gaan

Ils/elles iront = zij zullen gaan



Faire = maken, doen



Present

Je fais = ik doe

Tu fais = jij doet

Il fait = hij doet

Elle fait = zij doet

On fait = men doet

Nous faisons = wij doen

Vous faites = jullie doen / u doet

Ils font = zij doen

Elles font = zij doen



Passe Compose

J’ai fait = ik heb gedaan

Tu as fait = jij hebt gedaan

Il a fait = hij heeft gedaan

Elle a fait = zij heeft gedaan

On a fait = men heeft gedaan

Nous avons fait = wij hebben gedaan

Vous avez fait = jullie hebben gedaan / u hebt gedaan

Ils ont fait = zij hebben gedaan

Elles ont fait = zij hebben gedaan



Futur

Je ferai = ik zal doen

Tu feras = jij zult doen

Il fera = hij zal doen

Elle fera = zij zal doen

On fera = men zal doen

Nous ferons = wij zullen doen

Vous ferez = jullie zullen doen/ u zult doen

Ils/elles feront = zij zullen doen



Prendre = nemen



Present

Je prends = ik neem

Tu prends = jij neemt

Il prend = hij neemt

Elle prend = zij neemt

On prend = men neemt

Nous prenons = wij nemen

Vous prenez = jullie nemen / u neemt

Ils prennent = zij nemen

Elles prennent = zij nemen



Passe Compose

J’ai pris = ik heb genomen

Tu as pris = jij hebt genomen

Il a pris = hij heeft genomen

Elle a pris = zij heeft genomen

On a pris = men heeft genomen

Nous avons pris = wij hebben genomen

Vous avez pris = jullie hebben genomen / u hebt genomen

Ils ont pris = zij hebben genomen

Elles ont pris = zij hebben genomen



Futur

Je prendrai = ik zal nemen

Tu prendras = jij zult nemen

Il prendra = hij zal nemen

Elle prendra = zij zal nemen

On prendra = men zal nemen

Nous prendrons = wij zullen nemen

Vous prendrez = jullie zullen nemen/ u zult nemen

Ils/elles prendront = zij zullen nemen



Venir = komen



Present

Je viens = ik kom

Tu viens = jij komt

Il vient = hij komt

Elle vient = zij komt

On vient = men komt

Nous venons = wij komen

Vous venez = jullie komen / u komt

Ils viennent = zij komen

Elles viennent = zij komen



Passe Compose

Je suis venu = ik ben gekomen

Tu es venu = jij bent gekomen

Il est venu = hij is gekomen

Elle est venu = zij is gekomen

On est venu = men is gekomen

Nous sommes venu = wij zijn gekomen

Vous êtes venu = jullie zijn gekomen / u bent gekomen

Ils sont venu = zij zijn gekomen

Elles sont venu = zij zijn gekomen



Futur

Je viendrai = ik zal komen

Tu viendras = jij zal komen

Il viendra = hij zal komen

Elle viendra = zij zal komen

On viendra = men zal komen

Nous viendrons = wij zullen komen

Vous viendrez = jullie zullen komen/ u zult komen

Ils/elles viendront = zij zullen komen



Connaitre

Present

Je connais = ik ken

Tu connais = jij kent

Il connait = hij kent

Elle connait = zij kent

On connait = men kent

Nous connaissons = wij kennen

Vous connaissez = jullie kennen / u kent

Ils connaissent = zij kennen

Elles connaissent = zij kennen



Passe Compose

J’ai connu = ik heb gekend

Tu as connu = jij hebt gekend

Il a connu = hij heeft gekend

Elle a connu = zij heeft gekend

On a connu = men heeft gekend

Nous avons connu = wij hebben gekend

Vous avez connu = jullie hebben gekend / u hebt gekend

Ils ont connu = zij hebben gekend

Elles ont connu = zij hebben gekend



Futur

Je connaîtrai = ik zal kennen

Tu connaîtras = jij zult kennen

Il connaîtra = hij zal kennen

Elle connaîtra = zij zal kennen

On connaîtra = men zal kennen

Nous connaîtrons = wij zullen kennen

Vous connaîtrez = jullie zullen kennen/ u zult kennen

Ils/elles connaîtront = zij zullen kennen



Onregelmatige ww op –re



Perdre = verliezen



Present

Je perds = ik verlies

Tu perds = jij verliest

Il perd = hij verliest

Elle perd = zij verliest

On perd = men verliest

Nous perdons = wij verliezen

Vous perdez = jullie verliezen / u verliest

Ils perdent = zij verliezen

Elles perdent = zij verliezen



Passe Compose

J’ai perdu = ik heb verloren

Tu as perdu = jij hebt verloren

Il a perdu = hij heeft verloren

Elle a perdu = zij heeft verloren

On a perdu = men heeft verloren

Nous avons perdu = wij hebben verloren

Vous avez perdu = jullie hebben verloren / u hebt verloren

Ils ont perdu = zij hebben verloren

Elles ont perdu = zij hebben verloren



Futur

Je perdrai = ik zal verliezen

Tu perdras = jij zult verliezen

Il perdra = hij zal verliezen

Elle perdra = zij zal verliezen

On perdra = men zal verliezen

Nous perdrons = wij zullen verliezen

Vous perdrez = jullie zullen verliezen/ u zult verliezen

Ils/elles perdront = zij zullen verliezen



Entendre = horen



Present

J’entends = ik hoor

Tu entends = jij hoort

Il entend = hij hoort

Elle entend = zij hoort

On entend = men hoort

Nous entendons = wij horen

Vous entendez = jullie horen / u hoort

Ils entendent = zij horen

Elles entendent = zij horen



Passe Compose

J’ai entendu = ik heb gehoord

Tu as entendu = jij hebt gehoord

Il a entendu = hij heeft gehoord

Elle a entendu = zij heeft gehoord

On a entendu = men heeft gehoord

Nous avons entendu = wij hebben gehoord

Vous avez entendu = jullie hebben gehoord / u hebt gehoord

Ils ont entendu = zij hebben gehoord

Elles ont entendu = zij hebben gehoord



Futur

J’entendrai = ik zal horen

Tu entendras = jij zult horen

Il entendra = hij zal horen

Elle entendra = zij zal horen

On entendra = men zal horen

Nous entendrons = wij zullen horen

Vous entendrez = jullie zullen horen/ u zult horen

Ils/elles entendront = zij zullen horen



Vendre = verkopen



Present

Je vends = ik verkoop

Tu vends = jij verkoopt

Il vend = hij verkoopt

Elle vend = zij verkoopt

On vend = men verkoopt

Nous vendons = wij kopen

Vous vendez = jullie kopen / u koopt

Ils vendent = zij kopen

Elles vendent = zij kopen



Passe Compose

J’ai vendu = ik heb verkocht

Tu as vendu = jij hebt verkocht

Il a vendu = hij heeft verkocht

Elle a vendu = zij heeft verkocht

On a vendu = men heeft verkocht

Nous avons vendu = wij hebben verkocht

Vous avez vendu = jullie hebben verkocht / u hebt verkocht

Ils ont vendu = zij hebben verkocht

Elles ont vendu = zij hebben verkocht



Futur

Je vendrai = ik zal verkopen

Tu vendras = jij zult verkopen

Il vendra = hij zal verkopen

Elle vendra = zij zal verkopen

On vendra = men zal verkopen

Nous vendrons = wij zullen verkopen

Vous vendrez = jullie zullen verkopen/u zult verkopen

Ils/elles vendront = zij zullen verkopen



Attendre = wachten op



Present

J’attends = ik wacht op

Tu attends = jij wacht op

Il attend = hij wacht op

Elle attend = zij wacht op

On attend = men wacht op

Nous attendons = wij wachten op

Vous attendez = jullie wachten op / u wacht op

Ils attendent = zij wachten op

Elles attendent = zij wachten op



Passe Compose

J’ai attendu = ik heb gewacht op

Tu as attendu = jij hebt gewacht op

Il a attendu = hij heeft gewacht op

Elle a attendu = zij heeft gewacht op

On a attendu = men heeft gewacht op

Nous avons attendu = wij hebben gewacht op

Vous avez attendu = jullie hebben gewacht op / u hebt gewacht op

Ils ont attendu = zij hebben gewacht op

Elles ont attendu = zij hebben gewacht op



Futur

J’attendrai = ik zal wachten op

Tu attendras = jij zult wachten op

Il attendra = hij zal wachten op

Elle attendra = zij zal wachten op

On attendra = men zal wachten op

Nous attendrons = wij zullen wachten op

Vous attendrez = jullie zullen wachten op/u zult wachten op

Ils/elles attendront = zij zullen wachten op



Repondre = antwoorden



Present

Je reponds = ik antwoord

Tu reponds = jij antwoord

Il repond = hij antwoordt

Elle repond = zij antwoordt

On repond = men antwoordt

Nous repondons = wij antwoorden

Vous repondez = jullie antwoorden / u antwoordt

Ils repondent = zij antwoorden

Elles repondent = zij antwoorden



Passe Compose

J’ai repondu = ik heb geantwoord

Tu as repondu = jij hebt geantwoord

Il a repondu = hij heeft geantwoord

Elle a repondu = zij heeft geantwoord

On a repondu = men heeft geantwoord

Nous avons repondu = wij hebben geantwoord

Vous avez repondu = jullie hebben geantwoord / u hebt geantwoord

Ils ont repondu = zij hebben geantwoord

Elles ont repondu = zij hebben geantwoord



Futur

Je repondrai = ik zal antwoorden

Tu repondrais = jij zult antwoorden

Il repondra = hij zal antwoorden

Elle repondra = zij zal antwoorden

On repondra = men zal antwoorden

Nous repondrons = wij zullen antwoorden

Vous repondrez = jullie zullen antwoorden/u zult antwoorden

Ils/elles repondront = zij zullen antwoorden



Descendre = uitstappen, naar beneden gaan



Present

Je descends = ik stap uit

Tu descends = jij stapt uit

Il descend = hij stapt uit

Elle descend = zij stapt uit

On descend = men stapt uit

Nous descendons = wij stappen uit

Vous descendez = jullie stappen uit / u stapt uit

Ils descendent = zij stappen uit

Elles descendent = zij stappen uit



Passe compose

Je suis descendu = ik ben uitgestapt

Tu es descendu = jij bent uitgestapt

Il est descendu = hij is uitgestapt

Elle est descendu = zij is uitgestapt

On est descendu = men is uitgestapt

Nous sommes descendu = wij zijn uitgestapt

Vous êtes descendu = jullie zijn uitgestapt/u bent uitgestapt

Ils/elles sont descendu = zij zijn uitgestapt



Futur

Je descendrai = ik zal uitstappen

Tu descendras = jij zal uitstappen

Il descendra = hij zal uitstappen

Elle descendra = zij zal uitstappen

On descendra = men zal uitstappen

Nous descendrons = wij zullen uitstappen

Vous descendrez = jullie zullen uitstappen/ u zal uitstappen

Ils/elles descendont = zij zullen uitstappen



Savoir = weten



Present

Je sais = ik weet

Tu sais = jij weet

Il sait = hij weet

Elle sait = zij weet

On sait = men weet

Nous savons = wij weten

Vous savez = jullie weten / u weet

Ils savent = zij weten

Elles savent = zij weten



Passe Compose

J’ai su = ik heb geweten

Tu as su = jij hebt geweten

Il a su = hij heeft geweten

Elle a su = zij heeft geweten

On a su = men heeft geweten

Nous avons su = wij hebben geweten

Vous avez su = jullie hebben geweten / u heeft geweten

Ils ont su = zij hebben geweten

Elles ont su = zij hebben geweten



Futur

Je savoirai = ik zal weten

Tu savoiras = jij zult weten

Il savoira = hij zal weten

Elle savoira = zij zal weten

On savoira = men zal weten

Nous savoirons = wij zullen weten

Vous savoirez = jullie zullen weten

Ils/elles savoiront = zij zullen weten



Pouvoir = kunnen, mogen



Present

Je peux = ik kan

Tu peux = jij kunt

Il peut = hij kan

Elle peut = zij kan

On peut = men kan

Nous pouvons = wij kunnen

Vous pouvez = jullie kunnen

Ils peuvent = zij kunnen

Elles peuvent = zij kunnen



Passe Compose

J’ai pu = ik heb gekund

Tu as pu = jij hebt gekund

Il a pu = hij heeft gekund

Elle a pu = zij heeft gekund

On a pu = men heeft gekund

Nous avons pu = wij hebben gekund

Vous avez pu = jullie hebben gekund / u hebt gekund

Ils ont pu = zij hebben gekund

Elles ont pu = zij hebben gekund



Futur

Je pourrai = ik zal kunnen

Tu pourras = jij zult kunnen

Il pourra = hij zal kunnen

Elle pourra = zij zal kunnen

On pourra = men zal kunnen

Nous pourrons = wij zullen kunnen

Vous pourrez = jullie zullen kunnen

Ils/elles pourront = zij zullen kunnen



Finir = eindigen



Present

Je finis = ik eindig

Tu finis = jij eindigt

Il finit = hij eindigt

Elle finit = zij eindigt

On finit = men eindigt

Nous finissons = wij eindigen

Vous finissez = jullie eindigen / u eindigt

Ils finissent = zij eindigen

Elles finissent = zij eindigen



Passe Compose

J’ai fini = ik heb beëindigd

Tu as fini = jij hebt beëindigd

Il a fini = hij heeft beëindigd

Elle a fini = zij heeft beëindigd

On a fini = men heeft beëindigd

Nous avons fini = wij hebben beëindigd

Vous avez fini = jullie hebben beëindigd / u hebt beëindigd

Ils ont fini = zij hebben beëindigd

Elles ont fini = zij hebben beëindigd



Futur

Je finirai = ik zal beëindigen

Tu finiras = jij zal beëindigen

Il finira = hij zal beëindigen

Elle finira = zij zal beëindigen

On finira = men zal beëindigen

Nous finirons = wij zullen beëindigen

Vous finirez = jullie zullen beëindigen/ u zult beëindigen

Ils/elles finiront = zij zullen beëindigen



Partir = vertrekken



Present

Je pars = ik vertrek

Tu pars = jij vertrekt

Il part = hij vertrekt

Elle part = zij vertrekt

On part = men vertrekt

Nous partons = wij vertrekken

Vous partez = jullie vertrekken / u vertrekt

Ils partent = zij vertrekken

Elles partent = zij vertrekken



Passe Compose

Je suis parti(e) = ik ben vertrokken

Tu es parti(e) = jij bent vertrokken

Il est parti(e) = hij is vertrokken

Elle est parti(e) = zij is vertrokken

On est parti(e) = men is vertrokken

Nous sommes parti(e)s = wij zijn vertrokken

Vous êtes parti(e)(s) = jullie zijn vertrokken / u bent vertrokken

Ils sont parti(e)s = zij zijn vertrokken

Elles sont parti(e)s = zij zijn vertrokken



Futur

Je partirai = ik zal vertrekken

Tu partiras = jij zult vertrekken

Il partira = hij zal vertrekken

Elle partira = zij zal vertrekken

On partira = men zal vertrekken

Nous partirons = wij zullen vertrekken

Vous partirez = jullie zullen vertrekken/u zult vertrekken

Ils/elles partiront = zij zullen vertrekken



Vouloir = willen



Present

Je veux = ik wil

Tu veux = jij wilt

Il veut = hij wil

Elle veut = zij wil

On veut = men wil

Nous voulons = wij willen

Vous voulez = jullie willen / u wilt

Ils veulent = zij willen

Elles veulent = zij willen



Passe Compose

J’ai voulu = ik heb gewild

Tu as voulu = jij hebt gewild

Il a voulu = hij heeft gewild

Elle a voulu = zij heeft gewild

On a voulu = men heeft gewild

Nous avons voulu = wij hebben gewild

Vous avez voulu = jullie hebben gewild / u hebt gewild

Ils ont voulu = zij hebben gewild

Elles ont voulu = zij hebben gewild



Futur

Je voudrai = ik zal willen

Tu voudras = jij zal willen

Il voudra = hij zal willen

Elle voudra = zij zal willen

On voudra = men zal willen

Nous voudrons = wij zullen willen

Vous voudrez = jullie zullen willen/u zult willen

Ils/elles voudront = zij zullen willen



Garder = Houden/passen op



Present

Je garde = ik pas op

Tu gardes = jij past op

Il garde = hij past op

Elle garde = zij past op

On garde = men past op

Nous gardons = wij passen op

Vous gardez = jullie passen op/ u past op

Ils/elles gardent = zij passen op



Passe Compose

J’ai gardé = ik heb opgepast

Tu as gardé = jij hebt opgepast

Il a gardé = hij heeft opgepast

Elle a gardé = zij heeft opgepast

On a gardé = men heeft opgepast

Nous avons gardé = wij hebben opgepast

Vous avez gardé = jullie hebben opgepast/ u heeft opgepast

Ils/elles ont gardé = zij hebben opgepast



Futur

Je garderai = ik zal oppassen

Tu garderas = jij zult oppassen

Il gardera = hij zal oppassen

Elle gardera = zij zal oppassen

On gardera = men zal oppassen

Nous garderons = wij zullen oppassen

Vous garderez = jullie zullen oppassen/ u zult oppassen

Ils/elles garderont = zij zullen oppassen



Sortir = uitgaan



Present

Je sors = ik ga uit

Tu sors = jij gaat uit

Il sort = hij gaat uit

Elle sort = zij gaat uit

On sort = men gaat uit

Nous sortons = wij gaan uit

Vous sortez = jullie gaan uit/ u gaat uit

Ils/elles sortent = zij gaan uit



Passe Compose

Je suis sorti = ik ben uitgegaan

Tu est sorti = jij bent uitgegaan

Il est sorti = hij is uitgegaan

Elle est sorti = zij is uitgegaan

On est sorti = men is uitgegaan

Nous sommes sorti = wij zijn uitgegaan

Vous êtes sorti = jullie zijn uitgegaan/ u bent uitgegaan

Ils/elles sont sorti = zij zijn uitgegaan



Futur

Je sortirai = ik zal uitgaan

Tu sortiras = jij zult uitgaan

Il sortira = hij zal uitgaan

Elle sortira = zij zal uitgaan

On sortira = men zal uitgaan

Nous sortirons = wij zullen uitgaan

Vous sortirez = jullie zullen uitgaan/ u zult uitgaan

Ils/elles sortiront = zij zullen uitgaan



Finir = eindigen, afmaken



Present

Je finis = ik maak af

Tu finis = jij maakt af

Il finit = hij maakt af

Elle finit = zij maakt af

On finit = men maakt af

Nous finissons = wij maken af

Vous finissez = jullie maken af/ u maakt af

Ils/elles finissent = zij maken af



Passe Compose

J’ai fini = ik heb afgemaakt

Tu as fini = jij hebt afgemaakt

Il a fini = hij heeft afgemaakt

Elle a fini = zij heeft afgemaakt

On a fini = men heeft afgemaakt

Nous avons fini = wij hebben afgemaakt

Vous avez fini = jullie hebben afgemaakt/ u heeft afgemaakt

Ils/elles ont fini = zij hebben afgemaakt



Futur

Je finirai = ik zal afmaken

Tu finiras = jij zal afmaken

Il finira = hij zal afmaken

Elle finira = zij zal afmaken

On finira = men zal afmaken

Nous finirons = wij zullen afmaken

Vous finirez = jullie zullen afmaken/ u zult afgemaakt

Ils/elles finiront = zij zullen afmaken



Choisir = kiezen



Present

Je choisis = ik kies

Tu choisis = jij kiest

Il choisit = hij kiest

Elle choisit = zij kiest

On choisit = men kiest

Nous choisissons = wij kiezen

Vous choisissez = jullie kiezen / u kiest

Ils/elles choisissent = zij kiezen

Passe Compose

J’ai choisi = ik heb gekozen

Tu as choisi = jij hebt gekozen

Il a choisi = hij heeft gekozen

Elle a choisi = zij heeft gekozen

On a choisi = men heeft gekozen

Nous avons choisi = wij hebben gekozen

Vous avez choisi = jullie hebben gekozen/ u heeft gekozen

Ils/elles choisi = zij hebben gekozen



Futur

Je choisirai = ik zal kiezen

Tu choisiras = jij zult kiezen

Il choisira = hij zal kiezen

Elle choisira = zij zal kiezen

On choisira = men zal kiezen

Nous choisirons = wij zullen kiezen

Vous choisirez = jullie zullen kiezen/ u zult kiezen

Ils/elles choisiront = zij zullen kiezen



Boire = Drinken



Present

Je bois = ik drink

Tu bois = jij drinkt

Il boit = hij drinkt

Elle boit = zij drinkt

On boit = men drinkt

Nous buvons = wij drinken

Vous buvez = jullie drinken/ u drinkt

Ils/elles boivent = zij drinken



Passe Compose

J’ai bu = ik heb gedronken

Tu as bu = jij hebt gedronken

Il a bu = hij heeft gedronken

Elle a bu = zij heeft gedronken

On a bu = men heeft gedronken

Nous avons bu = wij hebben gedronken

Vous avez bu = jullie hebben gedronken/ u heeft gedronken

Ils/elles ont bu = zij hebben gedronken



Futur

Je boirai = ik zal drinken

Tu boiras = jij zult drinken

Il boira = hij zal drinken

Elle boira = zij zal drinken

On boira = men zal drinken

Nous boirons = wij zullen drinken

Vous boirez = jullie zullen drinken/ u zult drinken

Ils/elles boiront = zij zullen drinken



Mettre = zetten, leggen



Present

Je mets = ik zet

Tu mets = jij zet

Il met = hij zet

Elle met = zij zet

On met = men zet

Nous mettons = wij zetten

Vous mettez = jullie zetten/ u zet

Ils/elles mettent = zij zetten



Passe Compose

J’ai mis = ik heb gezet

Tu as mis = jij hebt gezet

Il a mis = hij heeft gezet

Elle a mis = zij heeft gezet

On a mis = men heeft gezet

Nous avons mis = wij hebben gezet

Vous avez mis = jullie hebben gezet/ u hebt gezet

Ils/elles ont mis = zij hebben gezet



Futur

Je mettrai = ik zal zetten

Tu mettras = jij zult zetten

Il mettra = hij zal zetten

Elle mettra = zij zal zetten

On mettra = men zal zetten

Nous mettrons = wij zullen zetten

Vous mettrez = jullie zullen zetten/ u zult zetten

Ils/elles mettront = zij zullen zetten



Devoir = moeten, verschuldigt zijn



Present

Je dois = ik moet

Tu dois = jij moet

Il doit = hij moet

Elle doit = zij moet

On doit = men moet

Nous doivons = wij moeten

Vous doivez = jullie moeten/ u moet

Ils/elles doivent = zij moeten



Passe Compose

J’ai dû = ik moest

Tu as dû = jij moest

Il a dû = hij moest

Elle a dû = zij moest

On a dû = men moest

Nous avons dû = wij moesten

Vous avez dû = jullie moesten/ u moest

Ils/elles ont dû = zij moesten



Futur

Je devoirai = ik zal moeten

Tu devoiras = jij zult moeten

Il devoira = hij zal moeten

Elle devoira = zij zal moeten

On devoira = men zal moeten

Nous devoirons = wij zullen moeten

Vous devoirez = jullie zullen moeten/ u zult moeten

Ils/elles devoiront = zij zullen moeten



Ouvrir = openen



Present

J’ouvre = ik open

Tu ouvres = jij opent

Il ouvre = hij opent

Elle ouvre = zij opent

On ouvre = men opent

Nous ouvrons = wij openen

Vous ouvrez = jullie openen/ u opent

Ils/elles ouvrent = zij openen



Passe Compose

J’ai ouvert = ik heb geopend

Tu as ouvert = jij hebt geopend

Il a ouvert = hij heeft geopend

Elle a ouvert = zij heeft geopend

On a ouvert = men heeft geopend

Nous avons ouvert = wij hebben geopend

Vous avez ouvert = jullie hebben geopend

Ils/elles ont ouvert = zij hebben geopend



Futur

J’ouvrirai = ik zal openen

Tu ouvriras = jij zult openen

Il ouvrira = hij zal openen

Elle ouvrira = zij zal openen

On ouvrira = men zal openen

Nous ouvrirons = wij zullen openen

Vous ouvrirez = jullie zullen openen/ u zult openen

Ils/elles ouvriront = zij zullen openen



Voir = zien



Present

Je vois = ik zie

Tu vois = jij ziet

Il voit = hij ziet

Elle voit = zij ziet

On voit = men ziet

Nous voyons = wij zien

Vous voyez = jullie zien/ u ziet

Ils/elles voient = zij zien



Passe Compose

J’ai vu = ik heb gezien

Tu as vu = jij hebt gezien

Il a vu = hij heeft gezien

Elle a vu = zij heeft gezien

On a vu = men heeft gezien

Nous avons vu = wij hebben gezien

Vous avez vu = jullie hebben gezien/ u heeft gezien

Ils/elles ont vu = zij hebben gezien



Futur

Je verrai = ik zal zien

Tu verras = jij zult zien

Il verra = hij zal zien

Elle verra = zij zal zien

On verra = men zal zien

Nous verrons = wij zullen zien

Vous verrez = jullie zullen zien/ u zult zien

Ils/elles verront = zij zullen zien



Dire = zeggen



Present

Je dis = ik zeg

Tu dis = jij zegt

Il dit = hij zegt

Elle dit = zij zegt

On dit = men zegt

Nous disons = wij zeggen

Vous dites = jullie zeggen/ u zegt

Ils/elles disent = zij zeggen



Passe Compose

J’ai dit = ik heb gezegd

Tu as dit = jij hebt gezegd

Il a dit = hij heeft gezegd

Elle a dit = zij heeft gezegd

On a dit = men heeft gezegd

Nous avons dit = wij hebben gezegd

Vous avez dit = jullie hebben gezegd/ u heeft gezegd

Ils/elles ont dit = zij hebben gezegd



Futur

Je dirai = ik zal zeggen

Tu diras = jij zult zeggen

Il dira = hij zal zeggen

Elle dira = zij zal zeggen

On dira = men zal zeggen

Nous dirons = wij zullen zeggen

Vous direz = jullie zullen zeggen/ u zult zeggen

Ils/elles diront = zij zullen zeggen



Écrire = schrijven



Present

J’écris = ik schrijf

Tu écris = jij schrijft

Il écrit = hij schrijft

Elle écrit = zij schrijft

On écrit = men schrijft

Nous écrions = wij schrijven

Vous écriez = jullie schrijven/ u schrijft

Ils/elles écrient = zij schrijven



Passe Compose

J’ai écrit = ik heb geschreven

Tu as écrit = jij hebt geschreven

Il a écrit = hij heeft geschreven

Elle a écrit = zij heeft geschreven

On a écrit = men heeft geschreven

Nous avons écrit = wij hebben geschreven

Vous avez écrit = jullie hebben geschreven/ u heeft geschreven

Ils/elles ont écrit = zij hebben geschreven



Futur

J’écrirai = ik zal schrijven

Tu écriras = jij zult schrijven

Il écrira = hij zal schrijven

Elle écrira = zij zal schrijven

On écrira = men zal schrijven

Nous écrirons = wij zullen schrijven

Vous écrirez = jullie zullen schrijven/ u zult schrijven

Ils/elles écriront = zij zullen schrijven

Recevoir = ontvangen



Present

Je reçois = ik ontvang

Tu reçois = jij ontvangt

Il reçoit = hij ontvangt

Elle reçoit = zij ontvangt

On reçoit = men ontvangt

Nous reçoivons = wij ontvangen

Vous reçoivez = jullie ontvangen/u ontvangt

Ils/elles reçoivent = zij ontvangen



Passe Compose

J’ai reçu = ik heb ontvangen

Tu as reçu = jij hebt ontvangen

Il a reçu = hij heeft ontvangen

Elle a reçu = zij heeft ontvangen

On a reçu = men heeft ontvangen

Nous avons reçu = wij hebben ontvangen

Vous avez reçu = jullie hebben ontvangen/u heeft ontvangen

Ils/elles ont reçu = zij hebben ontvangen



Futur

Je recevrai = ik zal ontvangen

Tu recevras = jij zult ontvangen

Il recevra = hij zal ontvangen

Elle recevra = zij zal ontvangen

On recevra = men zal ontvangen

Nous recevrons = wij zullen ontvangen

Vous recevrez = jullie zullen ontvangen/u zult ontvangen

Ils/elles recevront = zij zullen ontvangen



Croire = geloven



Present

Je crois = ik geloof

Tu crois = jij gelooft

Il croit = hij gelooft

Elle croit = zij gelooft

On croit = men gelooft

Nous croyons = wij geloven

Vous croyez = jullie geloven/u gelooft

Ils/elles croient = zij geloven



Passe Compose

J’ai cru = ik heb geloofd

Tu as cru = jij hebt geloofd

Il a cru = hij heeft gelood

Elle a cru = zij heeft geloofd

On a cru = men heeft geloofd

Nous avons cru = wij hebben geloofd

Vous avez cru = jullie hebben geloofd/u heeft geloofd

Ils/elles cru = zij hebben geloofd



Futur

Je croirai = ik zal geloven

Tu croiras = jij zult geloven

Il croira = hij zal geloven

Elle croira = zij zal geloven

On croira = men zal geloven

Nous croirons = wij zullen geloven

Vous croirez = jullie zullen geloven/u zult geloven

Ils/elles croirons = zij zullen geloven



Vivre = leven



Present

Je vis = ik leef

Tu vis = jij leeft

Il vit = hij leeft

Elle vit = zij leeft

On vit = men leeft

Nous visons = wij leven

Vous visez = jullie leven/u leeft

Ils/elles visent = zij leven



Passe Compose

J’ai vécu = ik heb geleefd

Tu as vécu = jij hebt geleefd

Il a vécu = hij heeft geleefd

Elle a vécu = zij heeft geleefd

On a vécu = men heeft geleefd

Nous avons vécu = wij hebben geleefd

Vous avez vécu = jullie hebben geleefd/u heeft geleefd

Ils/elles ont vécu = zij hebben geleefd



Futur

Je vivrai = ik zal leven

Tu vivras = jij zult leven

Il vivra = hij zal leven

Elle vivra = zij zal leven

On vivra = men zal leven

Nous vivrons = wij zullen leven

Vous vivrez = jullie zullen leven/u zult leven

Ils/elles vivront = zij zullen leven

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Niet zo zeer een fout.
Het werkwoord Finir = beëindigen staat er 2 keer in.

Greetz,
Heinz

10 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

C.

C.

Er staat een grote fout in u werkstuk. Vouloir in futur is niet 'je vouloirai' maar voudrai. Ik wou het u toch even laten weten.

10 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Sat is niet zo'n grote fout maar het is handig en mooi gedaan ;)

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

goed werkstuk, alleen jammer dat de imperfair er niet bij staat

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

O.

O.

helaas dat de imparfait er niet bij staat en condionnel.
Btw het moet zijn voudrais...

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

Voor iedereen: Imparfait = nous-vorm - ons + deze uitgangen:
Je ...ais
Tu ... ais
Il ... ait
Nous ... ions
Vous ... iez
Ils ... aient

voorbeeld:
ik had
nous-vorm: nous avons
dan - ons = av
av + ais = J'avais

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

Ik kon het goed gebruiken!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

H.

H.

heeei!
ik weet niet wie het erop heeft gezet, maar echt super super super erg bedankt! echt toppiee! wel wat foutjes, maar das niet zo erg!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Dit is een super saait

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

Alleen de werkwoorden revenir en devenir zouden er even bij moeten :)

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

C.

C.

Slechtste vervoegingen ooit. Schande dat dit online staat. écrire, recevoir, croire, vivre zijn alvast fout vervoegt en dat heb ik opgemerkt in een vluchtige kijk. Dus het staat waarschijnlijk vol fouten

3 jaar geleden

Antwoorden

Ank

Ank

jajaja je hebt gelijk ik zag ook veel fouten

2 jaar geleden

gast

gast

R.

R.

bedankt het helpt veel bij een moeilijke repetitie!!

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Helemaal doorgelezen en vervolgens ken ik het door de herhaling

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Futur van savoir is je saurai,...
Futur van devotie is je devrai,...

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

Fout: ipv ils venu, diemt men ils venus , elles venuees te zeggen. Gr: Diff

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast